Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1148

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-03-2020
Datum publicatie
11-03-2020
Zaaknummer
02-175064-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Steekpartij AZC.

Poging zware mishandeling en zware mishandeling bewezen.

Beroep op noodweer/noodweerexces verworpen.

Gevangenisstraf 18 maanden met aftrek voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/175064-19

vonnis van de meervoudige kamer van 11 maart 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] )

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Grave

raadsvrouw mr. N. Heijkant, advocaat te Dongen

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 februari 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Bezem, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat

feit 1

hij op of omstreeks 20 juli 2019 te Oisterwijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer] met een mes in zijn gezicht en/of nek en/of kin, althans lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2

primair

hij op of omstreeks 20 juli 2019 te Oisterwijk, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer brandwond( en), heeft toegebracht door hete vloeistof over die [slachtoffer] heen te gooien;

subsidiair

hij op of omstreeks 20 juli 2019 te Oisterwijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hete vloeistof over die [slachtoffer] heen te gooien, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] in het gezicht heeft gestoken en dat verdachte een pan met hete vloeistof over [slachtoffer] heen heeft gegoten. Verdachte heeft dat ter terechtzitting bevestigd. Verder baseert de officier van justitie zich op de onafhankelijke verklaringen van de medewerkers van het asielzoekerscentrum (hierna: AZC), op de getuigenverklaring van [getuige] , op de bevindingen van de politie en op de medische verklaring.

Met betrekking tot de door verdachte aangevoerde verweren noodweer dan wel noodweerexces, is de officier van justitie van mening dat deze dienen te worden verworpen. Weliswaar heeft verdachte verklaard dat hij zich moest verdedigen, maar het is verdachte geweest die de confrontatie zocht, die met een mes op [slachtoffer] afkwam, hem onderuit haalde en hem bleef steken. Een van de medewerkers van het AZC heeft dit ook verklaard. Het is ook verdachte die achter [slachtoffer] aanliep en vervolgens de hete vloeistof over [slachtoffer] heen gooide. Er is naar het oordeel van de officier van justitie in beide gevallen geen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Ook ziet de officier van justitie geen aanknopingspunten voor psychische overmacht. Uit het rapport van de psycholoog blijkt dat verdachte ten tijde van het incident nog wel andere mogelijkheden overzag, maar er niet naar handelde. Derhalve is er onvoldoende aanleiding om de gevoelens van angst die verdachte beschrijft, als psychische overmacht aan te nemen.

De officier van justitie is ten aanzien van feit 1 van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de poging tot doodslag, gelet op het uiteindelijke letsel bij [slachtoffer] en de plaats waar het letsel is toegebracht. Wel laat feit 1 zich naar het oordeel van de officier van justitie kwalificeren als poging tot zware mishandeling, nu het letsel aanzienlijk zwaarder had kunnen zijn als verdachte was uitgeschoten met het mes.

Ten aanzien van feit 2 laten de brandwonden die [slachtoffer] heeft opgelopen zich kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank ten aanzien van feit 1 niet tot een bewezenverklaring kan komen van de poging tot doodslag. Verdachte heeft nimmer het oogmerk gehad om [slachtoffer] te doden. De snee in het gezicht die [slachtoffer] heeft opgelopen is niet levensbedreigend en er zijn geen vitale delen geraakt.

Ten aanzien van de poging tot zware mishandeling refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 2 refereert de verdediging zich eveneens aan het oordeel van de rechtbank.

Noodweer/noodweerexces

De raadsvrouw heeft voor het beroep op noodweer dan wel noodweerexces aangevoerd dat verdachte zo overmand was door emoties en angst dat hij niet meer rationeel kon nadenken.

Verdachte is opgegroeid in een armoedewijk in Casablanca en er waren veel problemen in de familie op het gebied van drugs. Verdachte is Marokko ontvlucht en hij is met een rubberboot de Middellandse Zee overgestoken. Hij is door de Italiaanse kustwacht gered. In Italië is hij bij een gewelddadige aanval door een neef neergestoken, waardoor hij zeker een week in het ziekenhuis heeft moeten doorbrengen, waaronder een aantal dagen in coma.

Verdachte heeft zich toen niet kunnen verweren en heeft gezegd dat hij dit nooit meer mee wil maken.

Verdachte heeft in Nederland te horen gekregen dat hij hier is uitgeprocedeerd en dat hij terug moet naar Italië. Daar heeft hij moeite mee, gelet op wat er eerder met hem is gebeurd in Italië.

Bij een voorafgaand incident op 20 juli 2019 op het station in Tilburg heeft [slachtoffer] verdachte gepest met dat hij terug moet naar Italië. Verdachte heeft dat als kwetsend en krenkend ervaren. In die gemoedstoestand heeft hij zichzelf verwond. Toen verdachte die dag uit het ziekenhuis terugkwam in het AZC heeft er een incident met messen plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer] , waarbij [slachtoffer] om verdachte heen bleef cirkelen en stekende bewegingen richting verdachte maakte met een mes. [slachtoffer] is achter verdachte aangerend en heeft met een mes in zijn handen op het raam van de kamer van verdachte staan bonken. Bij verdachte was er een dermate gerechtvaardigde en realistische angst dat [slachtoffer] hem iets aan zou doen, mede onder invloed van wat er met hem in Italië is gebeurd, dat hij niet anders kon handelen dan hij heeft gedaan.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft bij de politie bekend dat hij [slachtoffer] op 20 juli 2019 te Oisterwijk met een mes in het gezicht heeft gestoken en dat hij hete vloeistof over [slachtoffer] heeft gegooid.12 Ter terechtzitting heeft verdachte die bekennende verklaring herhaald.3 Voorts is de bewezenverklaring gebaseerd op:

- de aangifte door [slachtoffer] ;45

- de bevindingen van de politie, waarbij gezien werd dat verdachte de vloeistof over [slachtoffer] heen gooide;6

- de foto’s van het letsel bij [slachtoffer] ;7

- de medische verklaring.8

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte ten aanzien van de feitelijke handelingen, de aangifte, de bevindingen van de politie, het letsel en de medische verklaring, acht de rechtbank de feitelijke, aan verdachte tenlastegelegde handelingen onder feit 1 en feit 2 wettig en overtuigend bewezen.

Kwalificatie

Feit 1

De rechtbank zal vervolgens de vraag moeten beantwoorden of er ten aanzien van feit 1 sprake is van een poging tot doodslag of een poging tot zware mishandeling.

Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer] met een mes in de zijkant van het gezicht heeft gestoken. Hoewel het steken in het gezicht met een mes op zichzelf bezien zonder meer kan leiden tot ernstig, mogelijk zelfs dodelijk letsel bij de getroffene, is de rechtbank gelet op het toegebrachte letsel en de plaats van het letsel, van oordeel dat er geen sprake was van een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] door zijn handelen zou worden gedood. De rechtbank is dan ook van oordeel - met de officier van justitie en de verdediging - dat verdachte van de poging tot doodslag dient te worden vrijgesproken.

De verwonding die aan [slachtoffer] is toegebracht kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel, gezien de diepte van de snee. Echter, door [slachtoffer] met een mes in het gezicht te steken, heeft verdachte wel bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Dat de gevolgen voor [slachtoffer] niet ernstiger zijn, is een gelukkige omstandigheid, die niet aan het handelen van verdachte te danken is. De poging tot zwaar lichamelijk letsel kan daarom bewezen worden verklaard.

Feit 2

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat dit feit is te kwalificeren als zware mishandeling, gezien de aard en de omvang van de verwondingen, bestaande uit eerste en tweede graads brandwonden.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1

op 20 juli 2019 te Oisterwijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] met een mes in zijn gezicht heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2

primair

op 20 juli 2019 te Oisterwijk, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten brandwonden, heeft toegebracht door hete vloeistof over die [slachtoffer] heen te gooien.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Over het door de verdediging gedane beroep op noodweer dan wel noodweerexces overweegt de rechtbank als volgt.

Uit het dossier blijkt dat er een ruzie gaande was tussen twee bewoners van het AZC. Het dossier biedt onvoldoende duidelijkheid of er over en weer bedreigingen zijn geuit. Er bestaat wel duidelijkheid over het feit dat verdachte achter [slachtoffer] aanrende met een mes in zijn handen, dat hij [slachtoffer] onderuit haalde en op [slachtoffer] instak. De medewerkers van het AZC, [naam 1] en [naam 2] , hebben dit ook verklaard en verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij [slachtoffer] in de zijkant van zijn gezicht stak en daarbij een voetveeg maakte. Vervolgens is het verdachte geweest die zijn woning op het terrein van het AZC is binnengegaan, daar een pan met hete vloeistof heeft gepakt, weer naar buiten is gegaan met deze pan, naar [slachtoffer] is toe gelopen en de hete vloeistof uit de pan over [slachtoffer] heen heeft gegooid. Verdachte heeft dit ter terechtzitting verklaard. De politie die ter plaatse kwam heeft gezien dat verdachte inderdaad naar [slachtoffer] toe liep en dat verdachte de pan met vloeistof over [slachtoffer] heen gooide.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte op beide momenten zelf de confrontatie met [slachtoffer] heeft gezocht, zonder dat er sprake was van een toestand waarbij hij zich moest verweren tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De rechtbank verwerpt daarom het beroep op noodweer dan wel noodweerexces.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie heeft bij zijn eis aansluiting gezocht bij de strafvorderingsrichtlijnen die het Openbaar Ministerie hanteert en heeft daarbij rekening heeft gehouden met de verminderde toerekenings-vatbaarheid van verdachte en de status van verdachte als uitgeprocedeerd asielzoeker in Nederland.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, het feit dat hij door de psycholoog verminderd toerekeningsvatbaar wordt geacht en met het lange voorarrest, dat hem zwaar gevallen is. Het betreft een jong volwassene in een vreemd land, die tijdens zijn voorarrest nooit bezoek heeft gehad van familie. De verdediging verzoekt een straf op te leggen, gelijk aan het voorarrest, zodat verdachte zijn uitzetting naar Italië kan ondergaan.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen en blijken uit de over verdachte uitgebrachte rapportages. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan, feit 1, een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en, feit 2, het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] . Hij heeft [slachtoffer] met een mes in het gezicht gestoken, waardoor [slachtoffer] een snijwond in zijn gezicht heeft opgelopen van de wenkbrauw tot aan het baardgebied en hij heeft [slachtoffer] met hete vloeistof overgoten, waardoor [slachtoffer] eerste en tweede graads brandwonden heeft opgelopen. De rechtbank acht dit twee zeer ernstige feiten, waarmee verdachte een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Deze incidenten hebben plaatsgevonden in een AZC, een plaats waar de bewoners, die veelal toch al met de nodige problematiek te kampen hebben, zich veilig zouden moeten voelen. Daarnaast veroorzaken dergelijke incidenten in een AZC gevoelens van onrust en onveiligheid voor buurtbewoners. Dit alles is aan verdachte te wijten.

Op basis van het rapport van psycholoog Van der Geize van 3 oktober 2019 stelt de rechtbank vast dat de feiten verdachte in verminderde mate zijn toe te rekenen. De rechtbank houdt daar in de strafoplegging rekening mee.

Naast de psychologische rapportage slaat de rechtbank acht op het reclasseringsadvies van 25 september 2019, waaruit blijkt dat verdachte een uitgeprocedeerde asielzoeker is en - in het kader van de zogenaamde Dublinprocedure - aan Italië dient te worden overgedragen. Vanwege het ontbreken van een rechtmatige verblijfstatus in Nederland heeft verdachte geen toekomst in Nederland, waardoor de reclassering geen mogelijkheden ziet voor het inzetten van gedragsinterventies en toezicht.

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank ook rekening met het strafblad van verdachte. Daaruit blijkt dat verdachte zich in Nederland niet eerder schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank is van oordeel dat voor de bewezen verklaarde feiten een gevangenisstraf passend en geboden is, waarbij de rechtbank rekening houdt met de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van verdachte.

7 Het beslag

7.1

De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat deze voorwerpen bij het onderzoek naar het onder feit 1 tenlastegelegde zijn aangetroffen, terwijl deze voorwerpen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36c, 45, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair: poging tot zware mishandeling

feit 2: zware mishandeling

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- een mes met goednummer G2063134

- een mes met goednummer G2063027

- een mes met goednummer G2062026.

Dit vonnis is gewezen door mr. Beudeker, voorzitter, mr. Kooijman en mr. Burgers, rechters, in tegenwoordigheid van Van der Gaag, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 maart 2020.

Mr. Beudeker en mr. Burgers zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld het eindproces-verbaal met proces-verbaalnummer ZB4RO19066 van politie eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 195 proces-verbaal verhoor verdachte op p. 49 en p. 50

2 proces-verbaal verhoor verdachte op p. 61 en p. 62

3 verklaring van verdachte op de zitting van 26 februari 2020

4 proces-verbaal aangifte door [slachtoffer] op p. 189

5 proces-verbaal verhoor [slachtoffer] op p. 118

6 proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op p. 125

7 foto’s van het letsel bij [slachtoffer] op p. 173, 174, 176 t/m p 178, p. 182 t/m p. 185

8 de medische verklaring op p. 7 van het als los stuk gevoegde aanvullende proces-verbaal