Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1147

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-03-2020
Datum publicatie
24-03-2020
Zaaknummer
C/02/352113 / HA ZA 18-757
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

artikel 11 CMR. Informatieverstrekking ten behoeve van T1 document

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
DouaneUpdate 2020-0158
S&S 2020/36
NTHR 2020, afl. 3, p. 142
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster II Handelszaken

Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/02/352113 / HA ZA 18-757

Vonnis van 11 maart 2020

in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht

P&O FERRYMASTERS LIMITED,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het vrijwaringsincident,

advocaat mr. T. van der Valk te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BF GLOBAL LOGISTICS B.V.,

gevestigd te Tilburg,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het vrijwaringsincident,

advocaat mr. W.M. van Rossenberg te Rotterdam.

Partijen zullen hierna P&O en BF genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 5 juni 2019;

  • -

    de bij brief van 9 oktober 2010 van de zijde van P&O aan de rechtbank toegezonden producties P16 tot en met P19;

  • -

    het proces-verbaal van de op 24 oktober 2019 gehouden comparitie en de ter gelegenheid daarvan overgelegde spreekaantekeningen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 26 juli 2017 heeft BF opdracht gegeven aan P&O om voor [bedrijf A] te Zweden bestemde elektronische goederen die in een container per trein uit China naar [bedrijf B] te Tilburg werden vervoerd, van [bedrijf C] te Tilburg (hierna: [bedrijf C] ) naar Borås in Zweden te vervoeren en in verband daarmee een T1 document op te maken voor de opslag van de goederen in een douane-entrepot (‘bonded warehouse’) in Zweden. [bedrijf C] exploiteert een douane-entrepot. De overeenkomst is tot stand gekomen op basis van een verzoek van BF aan P&O bij e-mail van 19 juli 2017 om ‘een prijs te maken’ voor goederen met een gewicht van 10.062 kg.

2.2.

Bij e-mail van 31 juli 2017, 10:12 uur, heeft BF ten behoeve van het opmaken van het T1 document de gegevens van de ontvanger van de goederen in Borås aan P&O toegezonden. Bij e-mail van diezelfde dag, 16:03 uur, heeft zij P&O daarnaast onder de mededeling “Zie bijgaand” een T1 document toegezonden dat zag op het vervoer van goederen van [bedrijf B] te Tilburg naar [bedrijf C] . Bij e-mail van diezelfde dag te 16:04 uur heeft P&O BF verzocht om toezending van de handelsfactuur (“Ook graag de handelsfactuur”), waarop BF te 16:07 uur de handelsfactuur betreffende de zending heeft toegezonden. Het door BF aan P&O toegezonden T1 document vermeldt een brutogewicht van 14.109,50 kg en 211 colli.

2.3.

Bij e-mail van 31 juli 2017 te 16:10 uur heeft P&O [bedrijf D] (hierna: [bedrijf D] ) onder toezending van het van BF ontvangen T1 document verzocht om een nieuw T1 document op te maken vanaf de verlader in Tilburg tot de ontvanger in Zweden. Ingevolge dit verzoek heeft [bedrijf D] een T1 document opgemaakt waarin de gegevens over het gewicht en het aantal verpakkingen uit het van BF afkomstige T1 document zijn overgenomen.

2.4.

De door P&O voor de uitvoering van de opdracht ingeschakelde vervoerder heeft op 3 augustus 2017 33 pallets met een gewicht van 10.062 kg afgeleverd in Zweden.

2.5.

Bij brief van 18 oktober 2017 heeft de Belastingdienst [bedrijf D] bericht dat het douanevervoer van de zending niet is beëindigd, zodat de regeling niet kan worden gezuiverd en een douaneschuld ontstaat. Bij brief van 25 oktober 2017 heeft de Zweedse Douane (‘Swedish Customs’) [bedrijf D] haar voornemen kenbaar gemaakt om in verband hiermee een aanslag op te leggen aan [bedrijf D] wegens ‘Customs duty’ (SEK 23.616 SEK) en ‘Value Added tax’ (262.606 SEK). Op 19 februari 2018 is een aanslag opgelegd van SEK 298.396,00.

2.6.

Op 29 maart 2018 heeft de Zweedse Douane [bedrijf D] meegedeeld dat zij voornemens was een administratieve boete op te leggen omdat de naar Zweden vervoerde goederen niet waren ingeklaard. Op 29 mei 2018 is de boete ten bedrage van SEK 59.679,00 opgelegd. De Zweedse Douane heeft [bedrijf D] daarnaast nog een boete opgelegd van SEK 8.045,00 wegens te late betaling.

2.7.

[bedrijf D] heeft P&O in verband met de opgelegde aanslag en de administratieve boete op 27 maart 2018 € 35.641,00 (exclusief administratiekosten) in rekening gebracht die P&O op 3 mei 2018 heeft betaald.

2.8.

Bij brief van 2 mei 2018 heeft [bedrijf D] bezwaar gemaakt tegen de boete wegens te late betaling. In deze brief is vermeld dat zich in de container die afkomstig was uit China goederen bevonden van twee afzenders, waarvan 178 ‘cartons’ met een gewicht van 4.047 kg die bestemd waren voor een geadresseerde in Parijs en 33 pallets met 908 ‘cartons’ met een gewicht van 10.062 kg die bestemd waren voor Borås. De brief vermeldt verder onder meer het volgende:
“(…) P&O Ferrymasters was instructed to collect 33 pallets with a weight of 10.062 kilos at warehouse [bedrijf C] Tilburg for Borås as free goods. When the vehicle was at collection point they were informed that goods were not free, but that a T1 document was required. In order to raise this, the shippers forwarded a copy of the MRN17NL0002051C380298 from Railport Tilburg to warehouse [bedrijf C] (for 211 packages with a weight of 14.109 kilos). At no time the shipper informed that part of these goods were for another destination and that a separarate T1 document was raised for the 178 packages with a weight of 4047 kilos for France. (…) As a result we issued a T1 for Sweden that was a 100% follow-up of the MRN17NL0002051C380298 from Railport Tilburg to [bedrijf C] Tilburg.

(…)”

3 Het geschil in de hoofdzaak

3.1.

P&O vordert samengevat – een verklaring voor recht dat BF aansprakelijk is voor alle door haar geleden en nog te lijden schade en kosten die voortvloeien uit de onjuiste en/of onnauwkeurige informatieverstrekking en veroordeling van BF tot betaling van € 35.641,00 en SEK 8.045,00, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

Zij legt aan haar vordering ten grondslag dat BF haar in strijd met artikel 11 lid 1 CMR onjuiste en/of onnauwkeurige informatie heeft gegeven voor het voldoen door haar aan de nodige douaneformaliteiten doordat zij bij de toezending aan haar van het T1 document voor het vervoer naar [bedrijf C] in Tilburg niet heeft aangegeven dat niet alle in dat document vermelde goederen van [bedrijf C] naar Borås dienden te worden vervoerd maar dat een deel was bestemd voor Parijs. Als gevolg daarvan heeft [bedrijf D] een verkeerd T1 document opgemaakt voor het vervoer naar Borås en heeft de Zweedse douane een aanslag en een boete opgelegd, zo stelt P&O. Zij stelt verder dat zij buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt die zij overeenkomstig het Besluit BIK begroot op € 1.139,00.

3.3.

BF voert verweer. Zij betwist dat zij in strijd met artikel 11 lid 1 CMR onjuiste dan wel onnauwkeurige informatie aan P&O heeft vertrekt voor het opmaken door P&O van het T1 document. Zij stelt dat een eventuele onnauwkeurigheid te wijten is aan de schuld van de vervoerder.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in de hoofdzaak:

4.1.

Artikel 11 lid 1 CMR bepaalt dat de afzender ter voldoening aan douane- en andere formaliteiten, welke vóór de aflevering van de goederen moeten worden vervuld, de nodige bescheiden bij de vrachtbrief dient te voegen of ter beschikking dient te stellen van de vervoerder en hem alle gewenste inlichtingen dient te verschaffen. Lid 2 van artikel 11 CMR bepaalt dat de vervoerder niet gehouden is de nauwkeurigheid en de volledigheid van deze bescheiden en inlichtingen te onderzoeken, alsmede dat de afzender, behoudens ingeval van schuld van de vervoerder, jegens de vervoerder aansprakelijk is voor alle schaden die kunnen voortspruiten uit de afwezigheid, onvolledigheid of onregelmatigheid van deze bescheiden en inlichtingen.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat het voor P&O duidelijk was wat de opdracht behelsde en meer in het bijzonder dat de naar Borås te vervoeren goederen 33 pallets en een gewicht van 10.062 kg betroffen. Eén minuut nadat BF P&O het T1 document had toegezonden, heeft P&O BF verzocht om ook de handelsfactuur toe te zenden, waaruit moet worden afgeleid dat P&O ook zelf meende dat niet volstaan kon worden met de gegevens in het T1 document voor het vervoer van [bedrijf B] naar [bedrijf C] in Tilburg ten behoeve van het (doen) opmaken van het T1 document voor het vervoer naar Borås.

Naar het oordeel van de rechtbank had P&O uit de door BF aan haar toegezonden gegevens over de opdracht en meer in het bijzonder uit de door BF aan P&O toegezonden handelsfactuur, waarin het voornoemde aantal pallets en gewicht zijn vermeld, redelijkerwijs moeten begrijpen dat het door BF aan P&O toegezonden T1 document niet één op één kon worden overgenomen voor het vervoer naar Zweden. P&O had moeten begrijpen – en BF mocht daarvan uitgaan – dat de goederen die naar Borås dienden te worden vervoerd een deel betroffen van de inhoud van de container uit China en dat voor dat deel een T1 document diende te worden opgesteld.

4.3.

De stellingen van P&O dat de gegevens van een ‘inbound T1’ (het T1 document betreffende het vervoer in Tilburg) in het algemeen overeenkomen met de gegevens van een ‘outbound T1’ (het verdere vervoer naar Zweden) dan wel dat het gebruikelijk is in de branche dat de vervoerder voortbouwt op het door de opdrachtgever toegezonden T1 document, tenzij de opdrachtgever expliciet anders vermeldt, brengen – wat daarvan ook zij – niet mee dat er zich in de branche geen uitzonderingen kunnen voordoen waarbij van dit gebruik, zoals in het onderhavige geval, is afgeweken. De stelling van P&O tijdens de comparitie dat de gegevensverwerking betreffende de vervoersopdracht een andere stroom betreft dan de verwerking van de douaneformaliteiten is in het licht van de betwisting door BF – volgens BF wordt het T1 document juist gebaseerd op de aanwezige handelsfactuur – onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat. Deze stelling vindt immers geen steun in de hiervoor geschetste feitelijke gang van zaken, waarbij P&O ten behoeve van het opmaken van een T1 document toezending van de handelsfactuur heeft verzocht. In dit verband is mede van belang dat P&O tijdens de comparitie desgevraagd geen verklaring heeft kunnen geven waarom zij BF heeft verzocht om toezending van de handelsfactuur.

4.4.

De conclusie luidt dat BF niet heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 11 CMR, zodat de vorderingen van P&O dienen te worden afgewezen. Andere stellingen van partijen kunnen onbesproken blijven.

4.5.

P&O dient als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding te worden veroordeeld, aan de zijde van BF begroot op € 1.950,00 aan griffierecht en € 1.390,00 aan salaris advocaat (2 punten tarief III).

in het incident:

4.6.

Gelet op de referte van P&O zal de rechtbank de kosten van het incident compenseren aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak:

5.1.

wijst de vorderingen van P&O af;

5.2.

veroordeelt P&O in de kosten van het geding, aan de zijde van BF tot heden begroot op € 1.950,00 aan verschotten en op € 1.390,00 aan salaris;

in het incident:

5.3.

compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Louwerse en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2020.