Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1121

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
06-03-2020
Datum publicatie
09-03-2020
Zaaknummer
20/806
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Sluiting woonwagen en standplaats (6 maanden) op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Hennepresten vallen ook onder begrip hennep. Woning of lokaal? Geen handelen in strijd met verbod op détournement de pouvoir. Beroep op artikel 4:84 Awb slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/806 WET MI VV

uitspraak van 6 maart 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoekster] , te [woonplaats verzoekster] , verzoekster,

gemachtigde: mr. J.S.W. van Vossen,

en

de burgemeester van de gemeente Tholen, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 januari 2020, verzonden op 23 januari 2020 (bestreden besluit), van de burgemeester over de sluiting van de woonwagen en het bijbehorende erf aan [adres verzoekster] te [woonplaats verzoekster] voor de duur van zes maanden. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is besproken op de zitting van de rechtbank op 21 februari 2020. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door G.J. Hertogs.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1

Verzoekster is eigenaar van de woonwagen aan [adres verzoekster] te [woonplaats verzoekster] .

1.2

In een op 20 november 2019 opgemaakte bestuurlijke rapportage van de politie staat dat op 16 november 2019 een politieonderzoek heeft plaatsgevonden in de woonwagen van verzoekster. De politie ontving een melding dat [naam betrokkene 1] en [naam betrokkene 2] een elektriciteitskast aan het openbreken waren en stroom uit de kast haalden. Zij zouden verblijven in woonwagen [huisnummer woonwagen] . De politie trof bij de elektriciteitskast een stroomkabel aan die richting de woonwagen aan [adres verzoekster] liep. De stroomkabel voorzag de woning van stroom. De kabel liep via de verharde tuin naar de achterzijde van de woonwagen om aldaar via een meterkast uit te komen in een ruimte die in het verleden dienst had gedaan als hennepkwekerij. Tijdens de controle werd een sterke hennepgeur waargenomen. Achter in de woonwagen werd in een kartonnen doos gedroogde hennep c.q. hennepresten met een gewicht van 1000,2 gram aangetroffen. De hennep(resten) zijn ambtshalve herkend aan geur en uiterlijke verschijningsvorm.

1.3

Naar aanleiding van deze bevindingen heeft de burgemeester in de brief van 17 december 2019 aan verzoekster het voornemen kenbaar gemaakt een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet op te leggen, waarbij verzoekster wordt gelast de woonwagen en het bijbehorende erf voor zes maanden te sluiten. Verzoekster heeft tegen dit voornemen een zienswijze kenbaar gemaakt.

1.4

Met het bestreden besluit heeft de burgemeester verzoekster gelast de woonwagen en het bijbehorende erf voor zes maanden te sluiten binnen twee weken na de verzenddatum van het besluit. Hierin heeft de burgemeester het volgende overwogen. De woonwagen wordt niet feitelijk bewoond en was al geruime tijd afgesloten van de stroomvoorziening. Daarnaast is de woonwagen en/of het bijbehorende erf al eerder op 6 oktober 2011 en 6 mei 2015 ontruimd vanwege de vondst van een handelshoeveelheid hennep. Ook is er op 6 mei 2015 in de naastgelegen woonwagen op nummer [huisnummer woonwagen] een handelshoeveelheid hennep aangetroffen. Verder is op 10 januari 2018 een handelshoeveelheid hennep aangetroffen in een vrachtwagen op hetzelfde terrein. De burgemeester heeft het voorgaande aangemerkt als zodanige bijzondere omstandigheden dat is besloten af te wijken van het beleid en een sluitingsduur van zes maanden te hanteren. De burgemeester heeft daarbij toegelicht dat de handel in softdrugs een ernstige aantasting van de openbare orde, veiligheid en volksgezondheid vormt en herhaling hiervan dient te worden voorkomen. Met het opleggen van de last onder bestuursdwang beoogt de burgemeester de aanwezigheid van softdrugs ten behoeve van de handel op deze locatie definitief te doorbreken. Ook dient er een signaal afgegeven te worden naar de eigenaren/gebruikers van de overige vier standplaatsen voor woonwagens.

1.5

Op 28 januari 2020 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Op diezelfde datum is tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De burgemeester heeft toegezegd dat met de uitvoering van het besluit zal worden gewacht tot na de uitspraak van de voorzieningenrechter.

Het verzoek

2. Verzoekster heeft, samengevat, aangevoerd dat zij kortstondig niet in de woonwagen verbleef door een verbouwing die eind 2019 plaatsvond. Door [naam betrokkene 1] en twee anderen is in haar woonwagen ingebroken, zodat haar niets kan worden verweten. Verzoekster heeft meer dan drie jaar geleden voor het laatst een waarschuwing ontvangen van de burgemeester, zodat de huidige constatering van softdrugs volgens de beleidsregels weer als een eerste constatering moet worden aangemerkt. Verzoekster had dus conform de beleidsregels een waarschuwing moeten ontvangen. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die maken dat van het beleid afgeweken kan worden. Daarbij is evenmin gemotiveerd waarom er geen kortere sluitingsperiode dan zes maanden kon worden gehanteerd. Verder kan verzoekster niet verantwoordelijk worden gehouden voor de daden van haar buren. De burgemeester handelt hiermee in strijd met het verbod op détournement de pouvoir, als neergelegd in artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tot slot is de sluiting niet noodzakelijk en evenredig, en had de burgemeester moeten volstaan met de sluiting van enkel de woonwagen en niet het bijbehorende erf. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen.

Het toetsingskader

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

4. Het wettelijk kader wordt gevormd door de Awb en de Opiumwet. De belangrijkste toepasselijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Spoedeisend belang

5. Het bestreden besluit strekt ertoe de woonwagen van verzoekster voor de duur van zes maanden te sluiten. Verzoekster stelt dat zij op dit moment in de woonwagen verblijft. Hoewel dit door de burgemeester is weersproken, kan niet worden uitgesloten dat dit (in meer of mindere mate) het geval is. Verzoekster wil met het verzoek de sluiting ongedaan maken. Hierin is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang bij het treffen van een verzoek om een voorlopige voorziening gegeven. Dat zij vervangende woonruimte zou hebben, zoals de burgemeester heeft gesteld, maakt op zichzelf beschouwd nog niet dat er geen spoedeisend belang meer is.

De beoordeling van het verzoek

Bevoegdheid tot sluiting

6.1

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), is artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet naar zijn tekst niet van toepassing bij de enkele aanwezigheid van drugs in een pand, maar moeten deze voor verkoop, aflevering of verstrekking aanwezig zijn. Hierbij wordt als uitgangspunt aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 5 gram softdrugs (het door het openbaar ministerie toegepaste criterium voor eigen gebruik) de drugs in beginsel worden geacht (mede) bestemd te zijn voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de rechthebbende op het pand om het tegendeel aannemelijk te maken. Indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om ten aanzien van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:148).

6.2

Verzoekster heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat de burgemeester niet bevoegd is om tot sluiting over te gaan, omdat niet vast staat dat er een handelshoeveelheid softdrugs is aangetroffen. Zij verwijst naar de bestuurlijke rapportage, waarin is opgenomen dat er 1000,2 gram hennep c.q. hennepresten is gevonden. Volgens verzoekster zijn hennepresten niet strafbaar gesteld in de Opiumwet en kan uit de bestuurlijke rapportage niet worden afgeleid hoe groot de hoeveelheid aan hennep is geweest. De voorzieningenrechter volgt dit standpunt niet. Gelet op de omschrijving van hennep in lijst II van de Opiumwet moet elk deel van de plant hennep onder hennep in de zin van die wet worden gerekend, waaronder ook hennepresten (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 10 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:55).

6.3

Omdat in dit geval 1000,2 gram hennep (in de zin van de Opiumwet) is aangetroffen, mocht de burgemeester er gelet op het voorgaande in beginsel vanuit gaan dat de aangetroffen drugs bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. Verzoekster heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Dat betekent dat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter aan de voorwaarden van artikel 13b van de Opiumwet is voldaan en dat de burgemeester daarom in beginsel bevoegd moet worden geacht om toepassing te geven aan artikel 13b van de Opiumwet.

6.4

Verzoekster heeft nog gesteld dat de burgemeester niet bevoegd is om ook het bijbehorende erf met de schuur te sluiten, en dat had moeten worden volstaan met de sluiting van enkel de woonwagen. De voorzieningenrechter overweegt dat tussen de onderdelen van een perceel die worden gesloten en het onderdeel waar de drugs zijn gevonden, een bepaalde samenhang moet zijn. De samenhang moet zodanig zijn, dat de sluitingsbevoegdheid van de burgemeester zich ook uitstrekt tot de onderdelen van het perceel waar geen drugs zijn aangetroffen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2097). Op grond van de bestuurlijke rapportage mocht de burgemeester aannemen dat de hiervoor genoemde samenhang tussen de woonwagen, de schuur en het bijbehorende erf bestaat, zodat de burgemeester tot sluiting daarvan heeft kunnen overgaan. Hierbij betrekt de voorzieningenrechter de omstandigheid dat niet gebleken is dat de schuur autonoom, dus los van de woonwagen, functioneert of bijvoorbeeld een eigen huisnummer heeft. Verder is van belang dat uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat er elektriciteit is gestolen en over het bijbehorende erf naar de woonwagen is geleid.

Het beleid

7.1

Artikel 13b van de Opiumwet voorziet niet in een verplichting om een last onder bestuursdwang op te leggen in een situatie zoals beschreven in het artikel, maar in de mogelijkheid daartoe. Het is een discretionaire bevoegdheid en de burgemeester dient een belangenafweging te maken om te beslissen of hij van de bevoegdheid gebruik maakt en op welke wijze hij van de bevoegdheid gebruik maakt. De burgemeester heeft ter uitvoering van de in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet neergelegde bevoegdheid het “Damoclesbeleid; Beleidsregels artikel 13b Opiumwet Basisteam Bergen op Zoom” (het beleid) opgesteld. Volgens dit beleid wordt bij een eerste constatering van een handelshoeveelheid softdrugs in een woning een schriftelijke waarschuwing gegeven. Indien sprake is van een lokaal wordt bij een eerste constatering van een handelshoeveelheid softdrugs overgegaan tot sluiting van het lokaal voor de duur van zes maanden. Onder een lokaal wordt verstaan een al dan niet voor publiek toegankelijk lokaal en het daarbij behorende erf, alsmede een woning die niet feitelijk voor bewoning wordt gebruikt. Of een woning wordt gebruikt als woonruimte en er sprake is van het hebben van woongenot, blijkt uit de feitelijke constatering ter plaatse. Volgens artikel 11 van het beleid kan de burgemeester in bijzondere omstandigheden afwijken van het beleid en kan bijvoorbeeld gekozen worden voor een kortere of langere sluitingsduur.

7.2

De voorzieningenrechter constateert dat de burgemeester in het bestreden besluit heeft overwogen dat de woonwagen niet feitelijk wordt bewoond. Dit wijst erop dat de burgemeester de sluiting heeft gebaseerd op het handhavingsregime van een lokaal. Tegelijkertijd overweegt de burgemeester in hetzelfde besluit dat naar aanleiding van bijzondere omstandigheden – wat daar ook van zij – is besloten af te wijken van de reguliere toepassing van het beleid, zodat niet wordt overgegaan tot een schriftelijke waarschuwing. Hiermee geeft de burgemeester er blijk van de woonwagen als woning aan te merken. Vervolgens heeft de burgemeester in het verweerschrift en tijdens de zitting het standpunt ingenomen dat daarmee is bedoeld de woonwagen primair als lokaal en subsidiair als woning aan te merken, maar dat het voor de uitkomst niet van belang is hoe de woonwagen wordt beschouwd. De voorzieningenrechter overweegt dat de motivering van het bestreden besluit gelet op het voorgaande niet concludent is. Dit gebrek in de motivering kan echter in bezwaar worden hersteld, zodat dit op zichzelf geen aanleiding geeft voor het treffen van een voorlopige voorziening.

7.3

Verder overweegt de voorzieningenrechter dat de burgemeester de woonwagen heeft kunnen aanmerken als lokaal. Daarvoor is van belang dat vast is komen te staan dat de woonwagen sinds 2015 is afgesloten van elektriciteit. Daarbij heeft verzoekster in haar zienswijze verklaard dat zij door de afsluiting van de elektriciteit in de wintermaanden niet in haar woonwagen woont. Verder heeft zij in het bezwaarschrift aangevoerd dat de woonwagen werd verbouwd in de periode dat de drugs werden aangetroffen, en dat die feitelijk onbewoonbaar was. Ook heeft de burgemeester mogen meewegen dat de woningcorporatie één keer in de twee weken ter plaatse is wezen controleren en geen bewoningsactiviteiten heeft geconstateerd. Gelet op deze omstandigheden heeft de burgemeester aannemelijk kunnen achten dat de woonwagen ten tijde van het bestreden besluit niet feitelijk werd bewoond en lag het op de weg van verzoekster om het tegendeel aannemelijk te maken. De enkele stelling dat zij in de betreffende periode wel degelijk in de woonwagen woonde en dat dit mogelijk was doordat zij elektriciteit gebruikte van de naastgelegen woonwagen, is daarvoor onvoldoende.

7.4

Volgens het beleid wordt een lokaal bij de constatering van een handelshoeveelheid softdrugs voor zes maanden gesloten. Het besluit tot sluiting van de woonwagen van verzoekster voor zes maanden is in overeenstemming met dit beleid. Dit betekent echter niet zonder meer dat de burgemeester in redelijkheid tot sluiting heeft kunnen besluiten. De burgemeester dient alle omstandigheden van het geval te betrekken in de beoordeling en te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen (zie de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840).

Noodzaak

8.1

De burgemeester heeft meegewogen dat een aantal keer eerder drugs zijn aangetroffen in de woonwagen van verzoekster. Ook heeft de burgemeester belang gehecht aan het feit dat er eerder in de naastgelegen woonwagen een handelshoeveelheid hennep is aangetroffen en dat eerder een handelshoeveelheid hennep is aangetroffen in een vrachtwagen op hetzelfde terrein. Verder heeft de burgemeester ter zitting gewezen op het aantreffen van een handgranaat op het terrein en op meldingen van onrust en bedreigingen. Verzoekster stelt dat zij hiermee de gevolgen draagt van daden door anderen. Dit is volgens haar in strijd met het verbod op détournement de pouvoir. De voorzieningenrechter overweegt dat de noodzaak van sluiting groter zal zijn als het betrokken pand in een voor drugscriminaliteit kwetsbare woonwijk ligt, omdat een zichtbare sluiting van dergelijke panden door de burgemeester voor bij die panden betrokken drugscriminelen en voor buurtbewoners een signaal is dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit in die panden (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3481). De burgemeester heeft deze lokale omstandigheden in de belangenafweging mogen betrekken. Daarbij heeft de burgemeester van belang kunnen achten dat met de sluiting een signaal wordt afgegeven dat het gebruiken van een pand in strijd met de Opiumwet niet zal worden getolereerd en dat het algemeen belang noopt tot het zichtbaar onttrekken van de woonwagen. Van détournement de pouvoir is daarom geen sprake.

8.2

Vervolgens is het, zoals reeds overwogen, bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs of meer dan 5 gram softdrugs in een woning, in beginsel aannemelijk dat de aangetroffen drugs deels of geheel bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. Bij de gebruikmaking van de bevoegdheid door de burgemeester dient bij een geringe overschrijding van deze hoeveelheden drugs te worden afgewogen of met een minder verstrekkende maatregel zoals een waarschuwing kan worden volstaan dan wel of sluiting als reparatoire maatregel is aangewezen ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde (zie de uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:738). Anders dan verzoekster stelt, kan 1000,2 gram hennep niet worden beschouwd als een geringe overschrijding zoals hiervoor bedoeld. Dit heeft de burgemeester dan ook niet hoeven opvatten als een omstandigheid om van sluiting af te zien.

8.3

Verzoekster stelt verder dat er geen feitelijke handel in of vanuit de woonwagen heeft plaatsgevonden. Dit doet echter geen afbreuk aan de noodzaak van de last. Uitgangspunt is immers dat als in een pand een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen aangenomen mag worden dat het pand een rol vervult binnen de keten van drugshandel, hetgeen op zichzelf al een belang bij sluiting oplevert, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd (zie de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1435).

Evenredigheid

9.1

Verzoekster stelt dat haar persoonlijk niets valt te verwijten, omdat zij een paar dagen niet aanwezig was in de woonwagen toen de drugs werden aangetroffen. Er zou bij haar ingebroken zijn door [naam betrokkene 1] en daarvan heeft zij aangifte gedaan. De voorzieningenrechter overweegt dat, hoewel aan de hand van de voorhanden zijnde stukken niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat verzoekster op de hoogte was van de drugs in de woonwagen, geldt dat zij als eigenaar van de woonwagen een verantwoordelijkheid draagt voor hetgeen zich daar afspeelt. Die verantwoordelijkheid krijgt in het geval van verzoekster meer gewicht, nu zij [naam betrokkene 1] toestemming heeft gegeven zich in te schrijven op haar adres, met als doel het als postadres te gebruiken.

9.2

Verzoekster stelt daarnaast dat zij als woonwagenbewoner een bijzondere binding heeft met de woonwagen en wijst in dat verband op de specifieke cultuur van woonwagenbewoners, zoals die door de Nationale Ombudsman is beschreven en in de rechtspraak is erkend. Verzoekster wijst er verder op dat de woningcorporatie de ontbinding van de huurovereenkomst van de standplaats in gang heeft gezet en dat het hierdoor onmogelijk voor haar wordt om nog een standplaats te kunnen vinden in de regio. De voorzieningenrechter overweegt dat de burgemeester in de door verzoekster genoemde omstandigheden in redelijkheid geen aanleiding hoefde te zien om in afwijking van het beleid van sluiting af te zien. Aan verzoekster kan in algemene zin worden toegegeven dat de gevolgen van een sluiting voor een woonwagenbewoner anders kunnen zijn dan voor een bewoner van een regulier huis, bijvoorbeeld als de betrokkene in het geheel niet kan terugkeren in een woonwagen na de sluiting. In het geval van verzoekster heeft de burgemeester echter voldoende meegewogen dat verzoekster bij haar zus terecht kan om de sluitingsperiode te overbruggen en dat dit kennelijk voor verzoekster geen onoverkomelijke situatie is, nu zij daar al regelmatig verblijft. Verder heeft de burgemeester voldoende toegelicht dat, zelfs als verzoekster op een zwarte lijst van de woningcorporatie terecht komt, dat dit volgens de algemene voorwaarden van de woningcorporatie voor hoogstens een jaar zal zijn.

Conclusie

10.1

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester, mede gezien de ernst van de overtreding en die van de situatie op het woonwagenkamp, in redelijkheid aan het algemeen belang bij de sluiting een groter gewicht kunnen toekennen dan aan het belang van verzoekster bij het achterwege laten daarvan. De verwachting is dat het bestreden besluit stand zal houden. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.

10.2

Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Skalonjic, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.A. D’Hoore, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2020.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Bijlage

In artikel 4:84 van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel handelt, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

Artikel 5:1, eerste lid, van de Awb bepaalt dat in deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.

Ingevolge artikel 5:21 van de Awb wordt onder last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

In artikel 3 van de Opiumwet is bepaald, dat het verboden is een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:

A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;

B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;

C. aanwezig te hebben;

D. te vervaardigen.

Hennep staat vermeld op lijst II.

Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bepaalt dat de burgemeester bevoegd is tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.