Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1110

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
06-03-2020
Datum publicatie
13-03-2020
Zaaknummer
AWB- 20_851 VV + AWB- 20_182
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor het realiseren van een vakantiepark met 180 woningen op het perceel Veerweg 48A te Wolphaartsdijk. De nieuwe ontsluiting van het vakantiepark is geprojecteerd op te korte afstand van de bestaande ontsluitingen van de door verzoekster geëxploiteerde camping. Zij verwacht dat gasten van het nieuwe vakantiepark ook zullen gaan parkeren op de parkeerplaatsen van haar camping en in de wegbermen. Daarnaast vreest verzoekster een toename van het autoverkeer waardoor verkeersonveilige situaties kunnen ontstaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het belang van veilig en doelmatig gebruik van de weg geen weigeringsgrond oplevert. Het verkeer kan op meerdere plaatsen het recreatieterrein in- en uitrijden. Er komt een extra ontsluiting op de Aardebolleweg en het aantal auto-caravan-combinaties zal verminderen door het verdwijnen van de bestaande 340 standplaatsen. Ten slotte heeft verweerder in dit verband opgemerkt dat de Veerweg is aangewezen en ingericht als een 30 km-weg met twee verkeersdrempels. Verzoekster heeft enkel concurrentiebelang zodat inhoudelijke bespreking van de beroepsgronden inzake stikstofdepositie en bodemverontreiniging achterwege kan blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 20/851 VV en 20/182 WABO

uitspraak van 6 maart 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

Camping Veerse Meer B.V., te Wolphaartsdijk, verzoekster,

gemachtigde: A.H. van Leeuwen

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goes, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

Camping De Veerhoeve B.V., te Rotterdam.

Procesverloop

Verzoekster heeft 8 januari 2020 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van

3 januari 2020 (bestreden besluit) inzake de aan derde partij verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een vakantiepark met 180 woningen op het perceel Veerweg 48A te Wolphaartsdijk.

Zij heeft de voorzieningenrechter op 29 januari 2020 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 14 februari 2020. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door gemachtigden A.H. van Leeuwen,

[gemachtigde] en [gemachtigde]. Verweerder is verschenen in de persoon van

mr. P.J. Daniëlse. Derde partij heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordig(st)er] en [vertegenwoordig(st)er].

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Derde partij heeft op 4 april 2019 een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het realiseren van een vakantiepark met 180 woningen op het perceel Veerweg 48A te Wolphaartsdijk. Dit project omvat het bouwen van de woningen, het maken van een uitweg op de Veerweg en het uitvoeren van grondwerkzaamheden.

Bij het primaire besluit van 23 juli 2019 heeft verweerder de gevraagde omgevings-vergunning verleend.

Daartegen heeft verzoekster een bezwaarschrift ingediend.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van verzoekster ongegrond verklaard.

2. Verzoekster heeft aangevoerd dat de nieuwe ontsluiting van het vakantiepark is geprojecteerd op te korte afstand van de bestaande ontsluitingen van de door haar geëxploiteerde camping. Zij verwacht dat gasten van het nieuwe vakantiepark ook zullen gaan parkeren op de parkeerplaatsen van haar camping en in de wegbermen. Daarnaast vreest verzoekster een toename van het autoverkeer waardoor verkeersonveilige situaties kunnen ontstaan. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft zij gewezen op de second opinion van [deskundige 1]. Voorts heeft verzoekster aangevoerd dat op basis van de door verweerder gebezigde ‘Memo stikstofbeoordeling’ niet met zekerheid gezegd kan worden dat het project niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Dit standpunt heeft verzoekster gebaseerd op de second opinion van [deskundige 2]. De beide second opinions vormen ook een onderbouwing van haar stelling dat verweerder in de bezwaarfase niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken beschikbaar heeft gesteld en dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2, 3:4 en 7:12 van de Awb, aldus verzoekster. Er ontbraken stukken over stikstofdepositie en over de aanwezigheid van PFAS in de bodem. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om zowel het bestreden besluit als het primaire besluit te schorsen.

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Awb niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

4. Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, van de APV van Goes is het verboden zonder vergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

Artikel 2.12, tweede lid, van de APV van Goes bepaalt dat een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van:

a. de bruikbaarheid van de weg;

b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

4.1

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het al dan niet verlenen van een uitwegvergunning een discretionaire bevoegdheid betreft. Verweerder kan de vergunning slechts weigeren als één of meer van de weigeringsgronden van artikel 2.12, tweede lid, van de APV zich voordoet. De beoordeling of één van deze weigeringsgronden zich voordoet, dient met de nodige zorgvuldigheid te gebeuren en verweerder dient daarbij van de juiste feiten uit te gaan. De bestuursrechter toetst die beoordeling. Als zich een weigeringsgrond voordoet kan verweerder de vergunning weigeren, maar het hoeft niet. Er dient dan een belangenafweging plaats te vinden.

4.2

Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat in de door verzoekster overgelegde second opinion van [deskundige 1] twijfels zijn geuit over de door verweerder en derde partij gebezigde aantallen recreatieverblijven, -woningen en kampeermiddelen en de daarbij behorende toename van het autoverkeer. Verweerder heeft er evenwel terecht op gewezen dat ten behoeve van het vaststellen van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Camping De Veerhoeve” (onder meer) een verkeersonderzoek heeft plaatsgevonden. Dit bestemmingsplan is inmiddels onherroepelijk en bepaalt dat het totale aantal recreatie-verblijven, recreatiewoningen en kampeermiddelen maximaal 400 mag bedragen. Daarnaast heeft verweerder erop gewezen dat het verkeer op meerdere plaatsen het recreatieterrein kan in- en uitrijden. Er komt een extra ontsluiting op de Aardebolleweg en het aantal auto-caravan-combinaties zal verminderen door het verdwijnen van de bestaande 340 standplaatsen. Ten slotte heeft verweerder in dit verband opgemerkt dat de Veerweg is aangewezen en ingericht als een 30 km-weg met twee verkeersdrempels. Gelet hierop heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het belang van veilig en doelmatig gebruik van de weg geen weigeringsgrond oplevert. Daarbij is in aanmerking genomen dat de aanleg van de uitweg niet ten koste gaat van een openbare parkeerplaats.

4.3

De voorzieningenrechter stelt vast dat, naar verzoekster heeft erkend, het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Camping De Veerhoeve” het realiseren van een uitweg op de Veerweg zonder meer toelaat. Verzoekster is echter van mening dat, juist omdat in het bestemmingsplan niet is vastgelegd waar de uitrit moet komen, verweerder bij afweging van de betrokken belangen, van derde partij had moeten vergen dat deze de uitweg elders aan de Veerweg zou realiseren. De voorzieningenrechter kan verzoekster hier niet in volgen. Verweerder moet in beginsel beslissen op een aanvraag zoals deze is ingediend. Als het bestemmingsplan het maken van een uitweg op de aangevraagde plaats zonder meer toelaat, dan kan verweerder niet eisen dat die uitweg op een andere plaats wordt aangelegd. Het beroep van verzoekster op het emailbericht van 22 maart 2016 van de beleidsmedewerker RO van de gemeente Goes maakt dit niet anders. Verweerder heeft aangegeven dat de daarin opgenomen mededeling over de locatie van een nieuwe ontsluiting van camping ‘De Veerhoeve’ betrekking heeft op de plannen uit 2016 van de vorige campingeigenaar. Inmiddels zijn de gronden verkocht, zijn de plannen gewijzigd en is een nieuw bestemmingsplan vastgesteld. De beleidsmedewerker RO van de gemeente had met zijn mededeling over de locatie van een nieuwe ontsluiting het oog op een specifiek, aan hem voorgelegd plan. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat niet gezegd kan worden dat daarmee de rechtens te honoreren verwachting is gewekt dat een nieuwe ontsluiting ook bij gewijzigde plannen op dezelfde locatie geprojecteerd zou worden.

5.1

Verweerder heeft in de bezwaarfase onderzoek laten verrichten naar de stikstofdepositie ten gevolge van het project in de omliggende Natura2000-gebieden. Ook heeft verweerder onderzoek laten doen naar mogelijke bodemverontreiniging.

Blijkens de door verweerder overgelegde memo van Rho Adviseurs is geen sprake van stikstofdeposities die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jr op Natura 2000-gebieden (Veerse Meer en Oosterschelde). Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat blijkens het milieukundig bodemonderzoek op het terrein van het toekomstige vakantiepark geringe hoeveelheden PFAS, PFOA en PFOS zijn aangetroffen.

Verzoekster heeft de juistheid van de uitkomsten van de onderzoeken naar stikstofdepositie en bodemverontreiniging betwist. Wat daar verder ook van zij, ook indien deze beroepsgronden zouden slagen, dan moet vernietiging van het bestreden besluit achterwege blijven vanwege de toepassing van het relativiteitsvereiste als vervat in artikel 8:69a van de Awb. Ingevolge deze bepaling vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een wettelijke bepaling, indien deze bepaling kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Niet is gebleken dat verzoekster door de verlening van de omgevingsvergunning wordt getroffen in een ander belang dan haar concurrentiebelang. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de inhoudelijke bespreking van de beroepsgronden inzake stikstofdepositie en bodemverontreiniging achterwege te laten. De voorzieningenrechter vindt steun voor deze afdoeningswijze in de uitspraken van de AbRS van 30 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2838 en 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1422.

5.2

Verzoekster heeft met een beroep op de uitspraak van de AbRS van 18 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:842, betoogd dat de voorzieningenrechter ook in deze procedure een toetsing aan het relativiteitsvereiste achterwege moet laten. Dit betoog kan echter niet slagen. De voorzieningenrechter in die casus heeft - voor zover hier van belang - het beroep gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd en vervolgens, zelf voorziend in de zaak, het bezwaar ongegrond verklaard omdat het relativiteitsvereiste aan gegrondverklaring van hun bezwaar in de weg staat. Volgens de AbRS had deze voorzieningenrechter die conclusie niet mogen trekken, juist omdat het relativiteitsvereiste in de bezwaarfase niet van toepassing is. Daarmee past ook deze uitspraak van de AbRS in de hiervoor aangegeven jurisprudentielijn.

6. In het aanvullend beroepschrift van 12 februari 2020 heeft verzoekster aangevoerd dat wellicht sprake is van verboden staatssteun vanwege afspraken tussen verweerder en derde partij over de af te voeren grond. Verzoekster heeft aangekondigd dat zij deze beroepsgrond nog nader zal onderbouwen. Tijdens de zitting heeft verzoekster, desgevraagd door de voorzieningenrechter, te kennen gegeven dat zij de beroepsgrond nog steeds wil aanvullen, maar dat ze toch een voorkeur heeft voor toepassing van artikel 8:86 van de Awb. Verzoekster heeft de beroepsgrond niet ingetrokken maar aangegeven dat zij refereert aan het oordeel van de voorzieningenrechter. Dat oordeel luidt dat deze beroepsgrond bij gebrek aan onderbouwing niet kan slagen.

7. Het vorenstaande brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het beroep van verzoekster ongegrond verklaard moet worden. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen zal daarom afgewezen worden. Gegeven deze uitkomst bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2020.

P.H.M. Verdonschot, griffier L.P. Hertsig, voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.