Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:991

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-03-2019
Datum publicatie
12-03-2019
Zaaknummer
02/800887-16, 02/665010-18 en 02/800240-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

“Veroordeling tot deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden en taakstraf wegens meerdere mishandelingen en bedreigingen, deels in huiselijke kring, en wapenbezit. Vrijspraak voor onttrekking aan gezag, andere mishandeling en bedreiging en drugsbezit.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummers: 02/800887-16, 02/665010-18 en 02/800240-18

vonnis van de meervoudige kamer van 7 maart 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte 1]

geboren op [geboortedag 1] 1993 te [geboorteplaats]

verblijvende aan de ( [adres 1] Bergen op Zoom

raadsman mr. W.B.M. Bos, advocaat te Oud-Beijerland

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 februari 2019, waarbij de officier van justitie, mr. Verhoeven-Ivankovic, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

Parketnummer 02/800887-16

1.

hij op of omstreeks 10 december 2016 te Roosendaal, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [naam 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

meermalen, althans eenmaal, op die [naam 1] heeft ingestoken met een schaar,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 december 2016 te Bergen op Zoom, althans in Nederland,

[naam 1] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, met een

schaar in te steken op het lichaam van die [naam 1] , tengevolge waarvan die

[naam 1] pijn en/of letsel heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 10 december 2016 te

Roosendaal en/of elders in Nederland,

(telkens) [naam 1] heeft mishandeld door die [naam 1] :

- meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd en/of (het) overig(e)

lichaam(sdelen) te schoppen en/of trappen en/of slaan en/of stompen, en/of,

- aan haar haren te trekken en/of ten val te brengen,

tengevolge waarvan die [naam 1] (telkens) pijn en/of letsel heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 november

2016 tot en met 10 december 2016 te Roosendaal en/of elders in Nederland,

[naam 1] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk:

- voornoemde [naam 1] dreigend de woorden toegevoegd :"Niet te diep in mijn zee

zwemmen er zijn hele grote vissen", waarbij hij, verdachte, die [naam 1] een

mes heeft getoond en/of met dat mes achter die [naam 1] is

aangelopen/aangerend, en/of

- voornoemde [naam 1] meermalen, althans eenmaal, een vuurwapen, althans een

op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft getoond en/of tegen het hoofd

heeft gedrukt/gehouden,

althans (telkens) woorden en/of (een) da(a)d(en) van gelijke dreigende aard of

strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 15 december 2016 te Roosendaal een of meer wapens van

categorie III, ondere 1, te weten een centraalvuur pistool (7,65 mm), en/of

munitie van categorie III, te weten 5 centraalvuur kogelpatronen (7,65 mm),

voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

en/of

hij op of omstreeks 15 december 2016 te Roosendaal een of meer wapens van

categorie I, onder 1, te weten een stiletto, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 13 lid 1 Wet Wapens en Munitie;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

5.

hij op of omstreeks 15 december 2016 te Bergen op Zoom

opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 0,8 gram cocaïne, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel

als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

en/of

hij op of omstreeks 15 december 2016 te Bergen op Zoom opzettelijk aanwezig

heeft gehad ongeveer 18,9 gram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer

dan 30 gram, van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

art 3 ahf/ond C Opiumwet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 10 lid 4 Opiumwet

parketnummer 02/665010-18

1.

hij op of omstreeks 27 oktober 2017 te Roosendaal

[naam 2] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, ter hand

te nemen en/of vervolgens dat vuurwapen te richten en/of te tonen aan/op die

[naam 2] ;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 27 oktober 2017 te Roosendaal

[naam 2] heeft mishandeld door die [naam 2] meermalen, althans eenmaal

(telkens) te slaan en/of stompen op/tegen de borst, althans het lichaam;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

parketnummer 02/800240-18

1.

hij in de periode van 1 april 2018 tot en met 2 april 2018 te Middelburg

en/of Etten-Leur, in elk geval in Nederland, opzettelijk een minderjarige, te

weten [naam 3] (geboren op [geboortedag 2] 2001) heeft onttrokken en/of

onttrokken gehouden aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag (te

weten het gezag dat haar ouders hadden) en/of aan het opzicht van degene die

dat opzicht desbevoegd over die [naam 3] uitoefenden, te weten

Intervence Middelburg, immers heeft verdachte zonder toestemming:

- voornoemde minderjarige opgehaald toen zij onderweg was van (het huis/adres

van) haar vader naar (het huis/adres van) haar moeder; en/of

- voornoemde minderjarige meegenomen naar een woning (door verdachte

aangemerkt als 'thuis')(vermoedelijke gelegen aan de [adres 2]

te Roosendaal) en daar met voornoemde minderjarige de nacht doorgebracht; en/of

- voornoemde minderjarige (tijdens zijn, verdachtes, werk) vervoerd en/of

meegenomen in de/het bus/vervoermiddel van zijn, verdachtes, werkgever;

en aldus zodanig feitelijk voornoemde minderjarige buiten het bereik en/of de

invloedssfeer van haar ouders en/of Intervence Middelburg gebracht en/of

gehouden, waardoor de uitoefening van het gezag door die ouders en/of

Intervence Middelburg, onmogelijk was geworden;

art 279 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli

2017 tot en met 1 april 2018 te Roosendaal, in elk geval in Nederland, [naam 4]

(zijn levensgezel) (telkens) heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal,

te slaan/stompen/stoten en/of aan haar haren en/of o(o)r(en) te trekken en/of

te schoppen/trappen en/of te knijpen;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 25 maart 2018, in elk geval op een tijdstip in of

omstreeks de periode van 1 juli 2017 tot en met 1 april 2018, te Roosendaal,

in elk geval in Nederland, [naam 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het

leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [naam 4] dreigend de woorden

toe te voegen dat als ze nog één keer zou kijken dat ze een groot probleem zou

hebben en dat hij haar oog zou breken, althans woorden van gelijke dreigende

aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 30 juni 2017 tot en met 11

augustus 2017 te Renesse en/of Scharendijke, in elk geval in Nederland, [naam 5]

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware

mishandeling, door die [naam 5] dreigend de woorden toe te voegen "Als jij 1

jongen mee neemt in de tent dan maak ik je af" en/of dat als zij jongens mee

zou nemen naar de tent hij haar dood zou steken, althans woorden van gelijke

dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 11 maart 2018 te Nieuw-Vossemeer opzettelijk en

wederrechtelijk het slot van een deur en/of een deur, in elk geval enig goed,

dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [naam 6] toebehoorde,

heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de tenlastelegging met het parketnummer 02/800887-16 vraagt de officier van justitie vrijspraak voor feit 1 primair en feit 3, maar acht zij wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 subsidiair en de feiten 2, 4 en 5 heeft gepleegd. Zij baseert zich daarbij voor feit 1 subsidiair op de aangifte van [naam 1] en op de foto in het dossier van de verwonding, voor wat betreft feit 2 eveneens op de aangifte en op de foto in het dossier en op de verklaring van verdachte waarin hij zegt dat hij [naam 1] uit de auto heeft getrokken. Voor wat betreft feit 4 baseert de officier van justitie zich op het proces-verbaal van aantreffen van de wapens en munitie en op het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de omschrijving van de wapens en munitie. Feit 5 kan volgens de officier van justitie eveneens bewezen worden, gelet op het aantreffen van de cocaïne en de hennep en op de verklaring van verdachte dat deze verdovende middelen van hem waren voor eigen gebruik. Ten aanzien van de hennep verzoekt de officier van justitie echter om partiële nietigheid nu dit een overtreding betreft.

Wat betreft het parketnummer 02/665010-18 acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever [naam 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht gelet op de aangifte van [naam 2] en op de verklaringen van getuigen [naam 4] , [naam 7] [naam 8] en [naam 9] . Ook de mishandeling van [naam 2] acht de officier van justitie bewezen gelet op de aangifte en op de verklaringen van getuigen [naam 4] en [naam 7] .

Voor de feiten 1 en 5 van het parketnummer 02/800240-18 vraagt de officier van justitie vrijspraak. Zij acht feit 2, de mishandeling van [naam 4] gedurende de periode 11 maart 2018 tot en met 1 april 2018, wel wettig en overtuigend bewezen gelet op de aangifte van [naam 4] , de foto’s in het dossier van het letsel bij [naam 4] , de verklaring van getuige [naam 6] en op de verklaring van verdachte die zegt haar eenmaal geslagen te hebben met een platte hand.

Ten aanzien van feit 3 stelt de officier van justitie dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte [naam 4] heeft bedreigd met zware mishandeling gelet op de aangifte van [naam 4] , het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het geluidsfragment wat is overgelegd en op de verklaring van verdachte ter zitting dat hij dit heeft gezegd tegen haar. Ook acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [naam 5] heeft bedreigd met zware mishandeling, gelet op de aangifte van [naam 5] en op de verklaring van [naam 4] .

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de feiten 1 tot en met 3 van het parketnummer 02/800887-16 en wijst daarbij op het ontbreken van enig steunbewijs naast de aangifte van [naam 1] .

Voor feit 1 van het parketnummer 02/665010-18 vraagt de verdediging eveneens vrijspraak nu er weliswaar diverse getuigen spreken van een wapen, maar deze verklaringen ook worden bestreden door andere verklaringen en geen van de getuigen onpartijdig is. Er is ook geen wapen aangetroffen.

Ten aanzien van feit 1 van het parketnummer 02/800240-18 verwijst de verdediging naar het standpunt van de officier van justitie en naar het feit dat de rechtbank voor dit feit eerder geen ernstige bezwaren heeft aangenomen en vraagt deze ook daarvoor vrijspraak.

Ten aanzien van feit 2 van het parketnummer 02/800240-18 stelt de verdediging dat niet de gehele tenlastegelegde periode bewezen kan worden. Wat betreft feit 5 van het parketnummer 02/800240-18 is de verdediging van mening dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte het slot kapot heeft gemaakt en dat hij ook hiervan dient te worden vrijgesproken.

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het voorhanden hebben van wapens en munitie en de cocaïne (feiten 3 en 4) van het parketnummer 02/800887-16, de mishandeling van [naam 2] (feit 2 van 02/665010-18) en de (eenmalige) mishandeling van [naam 4] en de bedreiging ten aanzien van [naam 4] en [naam 5] (feiten 2, 3 en 4 van het parketnummer 02/800240-18).

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Parketnummer 02/800887-16

feit 1 primair en subsidiair

[naam 1] heeft op 16 december 2016 aangifte gedaan en heeft verklaard dat zij afgelopen zaterdag, (de rechtbank begrijpt: 10 december 2016) met verdachte in de auto zat en dat verdachte ineens een schaar pakte en op haar in begon te steken. Er zijn tijdens de aangifte foto’s gemaakt van verwondingen op het lichaam van [naam 1] . Verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij met [naam 1] in de auto zat, maar hij heeft ontkend dat hij op [naam 1] heeft ingestoken met een schaar. De rechtbank stelt vast dat op pagina 48 in het dossier een foto is te zien van het lichaam van [naam 1] met een één wondje. . Dat past niet bij de verklaring van aangeefster [naam 1] dat verdachte meermalen op haar in heeft gestoken met een schaar. Ook is het niet duidelijk of het wondje een steekwond betreft. Met de raadsman en de officier van justitie stelt de rechtbank dan ook vast dat er onvoldoende steunbewijs is voor zowel het primair tenlastegelegde feit, de poging tot zware mishandeling, als de subsidiair tenlastegelegde mishandeling. De rechtbank spreekt verdachte hiervan daarom vrij.

Feit 2

Aangeefster [naam 1] heeft op 16 december 2016 verklaard dat zij afgelopen zaterdag (de rechtbank begrijpt:10 december 2016) bij verdachte in de auto zat vanaf Roosendaal toen verdachte bij Breda de snelweg afging en bij het bos stopte1. Hij zei haar dat ze moest uitstappen. Toen aangeefster weigerde, deed hij haar portier open en trok hij aan haar haar en sloeg hij haar hard op haar hoofd. Buiten de auto heeft verdachte haar over haar hele lijf geschopt.

Verdachte heeft verklaard dat hij met aangeefster in de auto vanaf Roosendaal naar Breda is gereden en dat hij bij het bos is gestopt en hij haar de auto uit wilde hebben omdat hij boos op haar was. Hij was “klaar” met haar. Hij heeft haar uit de auto getrokken toen ze weigerde om uit te stappen2. Op foto’s in het dossier van [naam 1] die zijn gemaakt ten tijde van het opnemen van de aangifte van [naam 1] , is te zien dat er blauwe plekken op haar lichaam zaten34.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster [naam 1] op 10 december 2016 heeft mishandeld nu de aangifte (deels) wordt ondersteund door de verklaring van verdachte, dat hij haar uit de auto heeft getrokken, en de foto’s van de verwondingen van aangeefster passen bij haar verklaring dat ze geschopt is tegen haar lichaam.

Feit 3

[naam 1] heeft verklaard dat verdachte haar heeft bedreigd op 10 december 2016. Hij kwam op haar af met een mes en riep “niet te diep in mijn zee zwemmen, er zijn hele grote vissen.” Ook heeft zij verklaard dat verdachte op 25 november 2016 toen hij dronken was haar knot heeft vastgepakt en een pistool op haar hoofd heeft gezet. Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat hiervoor in het dossier echter geen steunbewijs aanwezig is. De rechtbank zal verdachte daarom voor dit feit vrijspreken.

Feit 4

Op 15 december 2016 is bij een doorzoeking in de [adres 3] in Roosendaal een vuurwapen aangetroffen en in een auto onder de achterbank is een mes aangetroffen5. Ook werd er in de woning in de [adres 3] in Roosendaal munitie aangetroffen6.

Het vuurwapen is onderzocht en betrof een centraalvuur pistool van het kaliber 7,65 mm Br en een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3e, gelet op artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie7.

Bij het vuurwapen werden vijf centraalvuur eenheidskogelpatronen aangetroffen van het kaliber 7,65 mm. De munitie was geschikt voor het aangetroffen wapen en is munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie8.

Het aangetroffen mes is eveneens onderzocht en bleek een stiletto, een wapen van de categorie I van de Wet wapens en munitie9.

Verdachte verbleef in de doorzochte woning en heeft verklaard dat het wapen van hem was10. Hoewel verdachte ter zitting heeft ontkend dat het mes van hem was, stelt de rechtbank vast dat de stiletto is aangetroffen in verdachtes auto en dat hij het dan ook voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide wapens en de munitie voorhanden heeft gehad.

Feit 5

Bij de doorzoeking op 15 december 2016 van de woning aan de [adres 3] in Roosendaal is in de slaapkamer een klein zakje met wit poeder in de lade van het bureau aangetroffen. Het poeder is onderzocht en indicatief getest. Het betrof 0,8 gram wit kruimelig poeder. Het monster reageerde positief op cocaïne met de MMC-test “cocaïne/crack”. Verdachte heeft verklaard dat hij de cocaïne voor eigen gebruik had.

De tenlastelegging vermeldt echter het opzettelijk aanwezig hebben van 0,8 gram cocaïne in Bergen op Zoom. Omdat daarvoor geen bewijs aanwezig is in het dossier, zal de rechtbank verdachte hiervan vrijspreken.

Ten aanzien van de eveneens in de woning aan de [adres 3] te Roosendaal aangetroffen 18,9 gram hennep stelt de rechtbank vast dat verdachte ook ten aanzien hiervan heeft verklaard dat hij het voor eigen gebruik in zijn bezit had. De tenlastelegging vermeldt echter het opzettelijk aanwezig hebben van 18,9 gram hennep in Bergen op Zoom. Omdat daarvoor geen bewijs aanwezig is in het dossier, zal de rechtbank verdachte hiervan dan ook vrijspreken.

Parketnummer 02/665010-18

Feit 1

Aangever [naam 2] heeft verklaard dat hij op 27 oktober 2018 met zijn vriendin in Roosendaal was in de [adres 2] ter hoogte van nummer [adres 2]11. Hij zag een man en vrouw aan komen lopen. De jongen, die aangever kende als een van de bewoners van de [adres 2] , haalde met zijn linkerhand van achter zijn lichaam een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te voorschijn en trok met zijn rechterhand de bovenzijde van dit wapen naar achteren. Aangever hoorde twee keer een klik. De jongen wees met zijn hand met het wapen richting aangevers borst.

De vriendin van aangever [naam 2] , [naam 7] , heeft verklaard dat op 27 oktober 2018 een jongen naar haar vriend toeliep en dat deze jongen agressief werd toen [naam 2] vroeg of hij weg wilde gaan12. De jongen pakte een pistool achter zijn rug vandaan en wees richting [naam 2] . [naam 7] zag de jongen aan het pistool trekken en zij hoorde een klikje, wat zij beschouwde als het doorladen van het pistool13. Het pistool was anderhalf keer zo groot als haar iPhone 7.

Getuige [naam 8] heeft verklaard dat op 27 oktober 2017 vier mensen in de richting van de [adres 2] in Roosendaal liepen, twee jongens en twee meisjes14. Hij heeft gezien dat de oudere jongen naar de jongere jongen liep en twee maal iets tegen hem zei. De oudere jongen had op enig moment een zwart voorwerp van tien à vijftien centimeter vast met zijn linkerhand en met zijn rechterhand maakte hij een trekkende beweging aan de bovenkant van het voorwerp. [naam 8] hoorde twee keer een klik.

De rechtbank merkt op dat verdachte drie jaar ouder is dan aangever [naam 2] .

Verdachte heeft verklaard dat hij die dag aangever tegenkwam voor zijn woning aan de [adres 2] in Roosendaal en dat er een ruzie ontstond15. Verdachte heeft ontkend dat hij een wapen bij zich had en dit heeft gericht op aangever [naam 2] . De verklaringen van getuige [naam 7] en getuige [naam 8] ondersteunen echter de verklaring van aangever [naam 2] dat verdachte een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op [naam 2] heeft gericht. De rechtbank acht daarbij van belang dat getuige [naam 8] aangever noch verdachte (her)kende en dat deze dus een objectieve getuige is.

De stelling van verdachte dat hij geen wapen maar alleen een telefoon vast had, volgt de rechtbank niet vanwege de opmerking van [naam 7] dat het voorwerp anderhalf keer zo groot was als haar iPhone 7 en omdat het van algemene bekendheid is dat met een telefoon op de beschreven wijze geen trekkende beweging kan worden gemaakt waarna een klikgeluid ontstaat. Zowel aangever als de getuigen hebben verklaard dat zij een klikgeluid hebben gehoord. Daarbij komt dat zowel aangever als getuige [naam 7] het voorwerp van dichtbij moeten hebben gezien en zij dus hebben kunnen zien dat het een op een vuurwapen gelijkend voorwerp betrof. De rechtbank acht dan ook het bedreigen met enig misdrijf gericht tegen het leven van [naam 2] door het ter hand nemen van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en door vervolgens dat vuurwapen te richten op [naam 2] wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

Aangever [naam 2] heeft verklaard dat er nadat er een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op hem gericht was, zoals hierboven beschreven bij feit 1, een kleine worsteling ontstond waarbij aangever het wapen kon afpakken van verdachte. Verdachte maakte vervolgens een slaande beweging en raakte aangever in zijn nek waarna aangever pijn had16. Verdachte raakte aangever een paar keer.

Getuige [naam 4] , ten tijde van dit incident de vriendin van verdachte, heeft verklaard dat de jongen het pistool van verdachte had afgepakt in een worsteling en dat verdachte de jongen sloeg en schopte17.

Ook getuige [naam 7] heeft verklaard dat verdachte aangever heeft geslagen nadat deze het pistool van verdachte had afgepakt18.

De rechtbank acht gelet hierop ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [naam 2] heeft mishandeld door hem meermalen te slaan.

Parketnummer 02/800240-18

Feit 1

In het dossier bevindt zich een aangifte van [naam 10] van 4 april 2018, moeder van de dan minderjarige [naam 3] , waarin zij stelt dat verdachte [naam 3] heeft onttrokken aan de ouderlijke macht. Ook heeft [naam 11] aangifte gedaan namens [naam 3] . Daarnaast zit in het dossier een getuigenverklaring van [naam 12] , begeleider van [naam 3] binnen de instelling Intervence.

Uit de verklaring van [naam 10] bij de rechter-commissaris blijkt echter dat er in de ogen van [naam 10] geen sprake was van het onttrekken aan het ouderlijk gezag en dat zij geen aangifte had willen doen. [naam 12] heeft bij de rechter-commissaris bevestigd dat er geen sprake was van onttrekking aan het ouderlijk gezag.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrij spreken van dit feit.

Feit 2

[naam 4] heeft aangifte gedaan van mishandeling door verdachte. Zij heeft verklaard dat zij op 11 maart 201819 in de woning van verdachtes ouders aan de [adres 2] in Roosendaal, waar zij verbleven, is geslagen met een platte hand op haar gezicht waarna zij een bloedlip kreeg20. Verdachte heeft haar vervolgens aan haar haren getrokken, nog een paar keer in het gezicht geslagen, op haar benen getrapt en hij heeft haar geknepen. Het knijpen, slaan en schoppen deed haar pijn. In het dossier zitten foto’s van haar gezicht na dit incident waarop te zien is dat er bloed op het gezicht rond de mond van aangeefster zit en haar lip opgezet is21.

Getuige [naam 6] , de moeder van aangeefster [naam 4] , heeft verklaard dat zij op 11 maart 2018 werd gebeld door haar dochter [naam 4] met het verzoek om [naam 4] op te komen halen. [naam 4] stuurde haar een foto van haar gezicht aan getuige [naam 6] . Getuige [naam 6] zag bloed op het gezicht van [naam 4] . Toen getuige [naam 6] [naam 4] weer zag, zag zij dat [naam 4] een hele dikke lip had. [naam 4] zei dat ze pijn in haar gezicht had.22

[naam 4] heeft verklaard dat ze op 1 april 2018 met verdachte in een bus van Hello Fresh zat in de buurt van Wemeldinge23, toen verdachte haar sloeg met een platte hand op haar wang24. Hij trok ook aan haar oor, sloeg op haar ribben en op haar neus, waarna het bloed uit haar neus spoot. Er zitten foto’s in het dossier van aangeefster [naam 4] waarop te zien is dat er bloed zit op haar gezicht, met name vanaf de neus naar beneden en op haar kleding25.

Verdachte heeft verklaard dat hij één keer met een platte hand in het gezicht van [naam 4] heeft geslagen, waarna zij een bloedneus kreeg26. Ter zitting heeft verdachte bevestigd dat dit was toen zij in de bus van Hello Fresh zaten27.

De rechtbank acht gelet hierop de mishandeling door verdachte bewezen. Verdachte heeft toegegeven dat hij haar één keer heeft geslagen op 1 april 2018, maar de rechtbank acht ook het meermalen slaan, en het aan het oor trekken wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank acht ook voor de mishandeling op 11 maart 2018 voldoende steunbewijs aanwezig en acht daarbij het meermalen slaan, het trappen, het haren trekken en knijpen bewezen.

[naam 4] heeft verklaard dat ze in juli 2017 een relatie kreeg met verdachte en dat verdachte haar na circa drie maanden dagelijks begon te slaan. De rechtbank heeft echter geen bewijsmiddelen gezien die deze stelling ondersteunen, zodat zij alleen de mishandelingen op 11 maart 2018 en 1 april 2018 bewezen zal verklaren.

Feit 3

Aangeefster [naam 4] heeft verklaard dat zij een geluidsfragment heeft waarin verdachte haar acht minuten lang uitscheldt28. Het geluidsfragment is aan de politie gestuurd en door verbalisant [naam 13] beluisterd. Op het fragment is te horen hoe een man en een vrouw ruzie hebben, vermoedelijk in een rijdende auto29. De man is op het fragment het meeste aan het woord en scheldt de vrouw uit voor hoer en slet. Te horen is hoe de man op enig moment zegt dat als de vrouw een keer zou kijken, ze een groot probleem zou hebben en hij haar oog zou breken.

Verdachte heeft verklaard dat hij dat zo heeft gezegd, omdat hij niet wilde dat [naam 4] naar andere jongens keek30.

Hoewel verdachte heeft verklaard dat hij het niet als bedreiging heeft bedoeld, is de rechtbank van oordeel dat de gebruikte woorden naar objectieve maatstaven bij [naam 4] de redelijke vrees konden opwekken dat zij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [naam 4] heeft bedreigd met zware mishandeling. Nu niet duidelijk is geworden waar verdachte zich bevond ten tijde van de bedreiging, zal de rechtbank bewezen verklaren dat het in Nederland gebeurde.

Feit 4

Op 15 april 2018 heeft [naam 5] , vriendin van [naam 4] , aangifte gedaan van bedreiging met de dood door verdachte in de periode van 4 augustus 2017 tot 11 augustus 201731. Zij heeft verklaard dat verdachte tegen haar op de camping [naam 15] in Scharendijke heeft gezegd dat als zij één jongen zou meenemen in de tent, hij haar af zou maken32.

[naam 4] heeft verklaard dat toen zij op de camping was met [naam 5] , verdachte tegen [naam 5] heeft gezegd dat hij haar dood zou steken als zij jongens zou meenemen naar de tent33.

Verdachte heeft bevestigd dat hij op de camping is geweest waar [naam 4] en [naam 5] verbleven34. Hij heeft weliswaar ontkend dat hij [naam 5] heeft bedreigd, maar de rechtbank acht gelet op de verklaringen van zowel [naam 5] als [naam 4] ook dit feit wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank merkt daarbij op dat verdachte aanvankelijk ook ontkend heeft dat hij op de camping is geweest en acht zijn nadere ontkenning dan ook niet geloofwaardig.

Feit 5

[naam 6] heeft verklaard dat zij had gehoord van haar dochter [naam 14] dat verdachte tegen de deur had geschopt waarna het slot van de deur kapot was. [naam 14] heeft verklaard dat zij zag dat verdachte voor het huis stond en om [naam 4] riep. Zij constateerde, nadat verdachte weg was, dat het cilinderslot kapot was. De rechtbank acht dit echter onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat het verdachte is geweest die het slot heeft vernield en zal hem hiervan vrijspreken.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Parketnummer 02/800887-16

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 10 december 2016 te Roosendaal en/of elders in Nederland, (telkens) [naam 1] heeft mishandeld door die [naam 1] :

- meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd en/of (het) overig(e) lichaam(sdelen) te schoppen en/of trappen en/of te slaan en/of stompen, en/of,

-aan haar haren te trekken en/of ten val te brengen, tengevolge waarvan die [naam 1] (telkens) pijn en/of letsel heeft ondervonden;

4.

hij op of omstreeks 15 december 2016 te Roosendaal een of meer wapens van categorie III, onder 1, te weten een centraalvuur pistool (7,65 mm), en/of munitie van categorie III, te weten 5 centraalvuur kogelpatronen (7,65 mm), voorhanden heeft gehad;

en/of

hij op of omstreeks 15 december 2016 te Roosendaal een of meer wapens van categorie I, onder 1, te weten een stiletto, voorhanden heeft gehad;

5.

hij op of omstreeks 15 december 2016 te Bergen op Zoom opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 0,8 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

en/of

hij op of omstreeks 15 december 2016 te Bergen op Zoom opzettelijk aanwezig

heeft gehad ongeveer 18,9 gram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer

dan 30 gram, van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

art 3 ahf/ond C Opiumwet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 10 lid 4 Opiumwet

parketnummer 02/665010-18

1.

hij op of omstreeks 27 oktober 2017 te Roosendaal [naam 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, ter hand te nemen en/of vervolgens dat vuurwapen te richten en/of te tonen aan/op die [naam 2] ;

2.

hij op of omstreeks 27 oktober 2017 te Roosendaal [naam 2] heeft mishandeld door die [naam 2] meermalen, althans eenmaal (telkens) te slaan en/of stompen op/tegen de borst, althans het lichaam;

parketnummer 02/800240-18

2.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2017 11 maart 2018 tot en met 1 april 2018 te Roosendaal, in elk geval in Nederland, [naam 4] (zijn levensgezel) (telkens) heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, te slaan/stompen/stoten en/of aan haar haren en/of o(o)r(en) te trekken en/of te schoppen/trappen en/of te knijpen;

3.

hij op of omstreeks 25 maart 2018, in elk geval op een tijdstip in of omstreeks de periode van 1 juli 2017 tot en met 1 april 2018, te Roosendaal, in elk geval in Nederland, [naam 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [naam 4] dreigend de woorden toe te voegen dat als ze nog één keer zou kijken dat ze een groot probleem zou hebben en dat hij haar oog zou breken, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4.

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 30 juni 2017 4 augustus 2017 tot en met 11 8 augustus 2017 te Renesse en/of Scharendijke, in elk geval in Nederland, [naam 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [naam 5] dreigend de woorden toe te voegen "Als jij 1 jongen mee neemt in de tent dan maak ik je af" en/of dat als zij jongens mee zou nemen naar de tent hij haar dood zou steken, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen met aftrek, waarvan 162 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht, ambulante behandeling, een contactverbod met [naam 4] en [naam 1] en daarnaast een taakstraf voor de duur van 200 uur en toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank bij een bewezenverklaring een straf op te leggen gelijk aan het voorarrest. Subsidiair stelt de verdediging dat daarnaast mogelijk een voorwaardelijke straf met de genoemde bijzondere voorwaarden met uitzondering van het contactverbod ten aanzien van [naam 1] en een beperkte taakstraf kan worden opgelegd. De verdediging wijst op de overschrijding van de redelijke termijn in de zaak met het parketnummer 02/800887-16 en verzoekt naast het voorarrest van 142 dagen ook rekening te houden met de vier maanden elektronisch toezicht die verdachte al heeft ondergaan.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van [naam 1] , aan wapenbezit, aan bedreiging van [naam 2] met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en aan mishandeling van die [naam 2] , aan bedreiging en mishandeling van zijn toenmalige vriendin [naam 4] en aan bedreiging van [naam 5] .

Er is sprake van verschillende geweldsdelicten en bedreigingen met geweld. Dergelijke feiten zorgen doorgaans voor veel angst bij de slachtoffers zoals ook is gebleken uit de slachtofferverklaring van [naam 1] en de toelichting van de raadsman van [naam 2] . Uit de verklaringen is gebleken dat [naam 1] en [naam 2] tot op de dag van vandaag in het dagelijks functioneren nog last hebben van de handelingen van verdachte. Uit de uitgebreide verklaringen van aangeefster [naam 4] blijkt ook van een flinke angst voor verdachte. Zij geeft aan dat ze werd geslagen, bedreigd, vernederd en uitgescholden door verdachte. Uit het geluidsfragment wat [naam 4] heeft overgelegd, blijkt naast de tenlastegelegde bedreiging ook van dergelijke scheldpartijen en vernederingen. Verdachte heeft erkend dat zij zo tegen elkaar praatten als ze ruzie hadden. Naar het oordeel van de rechtbank getuigt zijn gedrag ook van weinig respect voor de meisjes en vrouwen met wie hij omging.

Verdachte heeft de meeste feiten ontkend. De rechtbank neemt het verdachte bijzonder kwalijk dat hij op geen enkele manier berouw heeft getoond en dat hij stelt dat juist hij het slachtoffer is geweest van [naam 2] .

Verdachte heeft ondanks zijn nog jeugdige leeftijd al een fors strafblad.

Verdachte is door een psycholoog onderzocht en ook de reclassering heeft over verdachte een rapport opgesteld. Psycholoog drs. Steketee heeft geconcludeerd dat er sterke aanwijzingen zijn voor ADHD en voor een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Ter zitting heeft zij dit bevestigd en gesteld dat er geen echte diagnose gesteld kon worden nu hiervoor te weinig informatie beschikbaar was. Verdachte werkte weliswaar mee, maar zijn ontkennende houding maakte het onderzoek moeizaam. Drs. Steketee ziet heil in een ambulante behandeling bij de forensische tak van de GGZ, welke behandeling aanvankelijk gericht dient te zijn op impulsbeheersing en -regulatie, voorts op besef oorzaak-gevolg en antisociale tendensen en mogelijk daarna op inzicht in risicofactoren. Het impulsieve handelen van verdachte ten aanzien van de mishandeling van [naam 4] kan gedeeltelijk worden verklaard vanuit de ADHD. De psycholoog adviseert dit feit dan ook in verminderde mate toe te rekenen aan verdachte.

De heer [naam 16] , nog maar recent toezichthouder van verdachte, geeft aan dat verdachte zich aan de afspraken houdt bij zowel Mozaïek, als bij het uitvoeren van zijn eerder opgelegde taakstraf, als bij de reclassering. Er blijft praktische begeleiding nodig en de ambulante hulp bij de GGZ acht ook [naam 16] raadzaam.

De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf op zijn plaats is, waarvan een deel voorwaardelijk zodat de bijzondere voorwaarden kunnen worden opgelegd zoals voorgesteld. Daarnaast zal de rechtbank ook een taakstraf opleggen.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht aan de orde is en dat de redelijke termijn in de zaak met het parketnummer 02/800887-16 is overschreden, met minder dan zes maanden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen noodzakelijk is, met aftrek van voorarrest. De rechtbank ziet aanleiding een deel daarvan, te weten 138 voorwaardelijk op te leggen. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding door de reclassering en de ambulante behandeling bij de forensische GGZ (of een soortgelijke instelling) mogelijk. Ook ziet de rechtbank aanleiding om een contactverbod op te leggen jegens zowel aangeefster [naam 4] als aangeefster [naam 1] . Daarnaast zal de rechtbank een taakstraf voor de duur van 200 uur opleggen, te vervangen door 100 dagen hechtenis bij het niet vervullen hiervan.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [naam 1] vordert een schadevergoeding van € 3.172,82 voor de feiten 1, 2 en 3 van het parketnummer 02/800887-16.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 872,82 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 372,82 ter zake van materiële schade (reiskosten) en € 500,- ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, met toekenning van de wettelijke rente vanaf 10 december 2016.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering. De rechtbank acht de immateriële schade voor het overige bedrag onvoldoende onderbouwd. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij [naam 2] vordert een schadevergoeding van € 27.266,03 voor feit 1 en 2 van het parketnummer 02/665010-18.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 1.653,44 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 153,44 ter zake van materiële schade (reiskosten naar advocaat) en € 1.500,- ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen en de wettelijke rente toekennen vanaf 27 oktober 2017.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering. De rechtbank ziet voor de overige reiskosten, kosten aan kleding en medicatie en studievertraging onvoldoende causaal verband tussen het feit en de geleden schade. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vorderingen van de benadeelde partijen zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 Het beslag

8.1

De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen vuurwapen en munitie zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat feit 4 van het parketnummer 02/665010-18 is begaan met betrekking tot deze voorwerpen. Verder is het voorwerp van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

8.2

De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen telefoon aan verdachte, aangezien dit voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag is genomen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 27, 36b, 36c, 36f, 57, 63, 91, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 13, 26, 55, 56 en 60 van de Wet Wapens en Munitie en de artikelen 2, 3, 10, 11, 13 en 14 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder de onder het parketnummer 02/800887-16 tenlastegelegde feiten 1, 3 en 5 en van de onder het parketnummer 02/800240-18 tenlastegelegde feiten 1 en 5;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Parketnummer 02/800887-16

feit 2: Mishandeling

feit 4: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot munitie van categorie III en

Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

parketnummer 02/665010-18

feit 1: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 2: Mishandeling;

parketnummer 02/800240-18

feit 2: Mishandeling van levensgezel, meermalen gepleegd;

feit 3: Bedreiging met zware mishandeling;

feit 4: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 240 dagen;

- bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, groot 138 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd van twee jaren na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarden:

* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

* dat verdachte medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclassering;

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van de forensische GGZ of een soortgelijke instelling op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor de ADHD en voor een verdieping van de persoonlijkheidsproblematiek;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

* dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [naam 1] , zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht;

De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;

* dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [naam 4] , zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht;

De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 200 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

5 stuks munitie, inscriptie 7,65 aan onderzijde (G1648309)

1. vuurwapen zwart (G1648197)

- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten;

1. mobiele telefoon, kleur wit, SAMSUNG S6 Edge (G1649007)

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 1] van € 872,82, waarvan € 372,82 ter zake van materiële schade en € 500,- ter zake van immateriële schade, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 10 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 2] van € 1653,44, waarvan € 133,44 ter zake van materiële schade en € 1.500,- ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 27 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de hierna te noemen slachtoffers de daarbij vermelde bedragen te betalen, bij niet betaling te vervangen door het daarbij vermelde aantal dagen hechtenis:

- benadeelde partij [naam 1] (m.b.t. feit 2 van het parketnummer 02/800887-16), € 872,82,

17 dagen hechtenis,

- benadeelde partij [naam 2] (m.b.t. feiten 1 en 2 van het parketnummer 02/665010-18),

€ 1633,44, 26 dagen hechtenis,

met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Kralingen, voorzitter, mr. Bogaert en mr. Pooyé, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Joosen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 7 maart 2019.

Mr. Pooyé en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Hierna wordt - tenzij anders vermeld - verwezen naar de eindprocessen-verbaal van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, opgesteld door daartoe bevoegde ambtenaren Proces-verbaal van aangifte door [naam 1] , opgenomen op pagina 40 van het eindproces-verbaal PL2000-2016320270

2 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 21 februari 2019

3 Eigen waarneming rechtbank met betrekking tot foto’s op pagina 46 en 47 van het eindproces-verbaal PL2000-2016320270

4 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 4

5 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, pagina 51-52 van het eindproces-verbaal PL2000-2016320270

6 Proces-verbaal verslag van binnentreden ex artikel 10 AWBI, pagina 55 van het eindproces-verbaal PL2000-2016320270

7 Proces-verbaal bureau Wapens, Munitie en Explosieven, pagina 81-82 van het eindproces-verbaal PL2000-2016320270

8 Proces-verbaal bureau Wapens, Munitie en Explosieven, pagina 82 van het eindproces-verbaal PL2000-2016320270

9 Proces-verbaal bevindingen, pagina 83 van het eindproces-verbaal PL2000-2016320270

10 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 21 februari 2019

11 Proces-verbaal aangifte [naam 2] , pagina 18-19 van eindproces-verbaal PL2000-2017260030

12 Proces-verbaal van verhoor [naam 7] , pagina 40-41 van eindproces-verbaal PL2000-2017260030

13 Proces-verbaal van verhoor [naam 7] , pagina 43 van eindproces-verbaal PL2000-2017260030

14 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 8] , pagina 28-29 van eindproces-verbaal PL2000-2017260030

15 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 21 februari 2019

16 Proces-verbaal van aangifte [naam 2] , pagina 19, van eindproces-verbaal PL2000-2017260030

17 Los proces-verbaal van verhoor getuige [naam 4] , proces-verbaalnummer PL2000-2018074114-49, genummerd 1 t/m 12, pagina 8-9

18 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 7] , pagina 41 van eindproces-verbaal PL2000-2017260030

19 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [naam 4] , pagina 37 van het eindproces-verbaal ZB2R018037 Eicher

20 Proces-verbaal van aangifte [naam 4] , pagina 33 van het eindproces-verbaal ZB2R018037 Eicher

21 Eigen waarneming rechtbank naar aanleiding van de foto’s op pagina 35-36 van het eindproces-verbaal ZB2R018037 Eicher

22 Proces-verbaal aangifte, pagina 59 van het eindproces-verbaal ZB2R018037 Eicher

23 Proces-verbaal verhoor aangeefster [naam 4] , pagina 42 van het eindproces-verbaal ZB2R018037 Eicher

24 Proces-verbaal van aangifte [naam 4] , pagina 28 van het eindproces-verbaal ZB2R018037 Eicher

25 Eigen waarneming rechtbank naar aanleiding van de foto’s op pagina 31-32 van het eindproces-verbaal ZB2R018037 Eicher

26 Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina 365 van het eindproces-verbaal ZB2R018037 Eicher

27 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 2 1februari 2019

28 Proces-verbaal van aangifte [naam 4] , pagina 34 van het eindproces-verbaal ZB2R018037 Eicher

29 Proces-verbaal bevindingen, pagina 86 van het eindproces-verbaal ZB2R018037 Eicher

30 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 21 februari 2019

31 Proces-verbaal van aangifte [naam 5] , pagina 73-76

32 Proces-verbaal van aangifte [naam 5] , pagina 76

33 Proces-verbaal verhoor aangeefster [naam 4] , pagina 38 van het eindproces-verbaal ZB2R018037 Eicher

34 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 21 februari 2019