Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:947

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
06-03-2019
Datum publicatie
08-03-2019
Zaaknummer
02-800014-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot tbs met voorwaarden voor zware mishandeling, bedreiging en vernieling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/800014-18, 02/029152-16 (tul) en 02/168476-17 (tul)

vonnis van de meervoudige kamer van 6 maart 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats]

wonende te Breda

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting De Dordtse Poorten te Dordrecht

raadsvrouw mr. N.M.E. Verpaalen, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 februari 2019, waarbij de officier van justitie, mr. Zondervan, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat

1.

hij op of omstreeks 02 januari 2018 te Breda opzettelijk en wederrechtelijk

een raam (van een deur) en/of deuren (van een huurcaravan op camping [naam 1] ,

[adres] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander,

te weten aan [naam 2] / [naam 3] toebehoorde, heeft vernield,

beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 02 januari 2018 te Breda [naam 3] en/of [naam 4]

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met

zware mishandeling, door [naam 3] en/of [naam 4] dreigend de volgende

woorden toe te voegen: "kom maar, kom maar" waarbij hij verdachte, dreigend

zwaaide met in beide handen een mes, en/of (aldus) heeft verdachte door

houding, gebaren, handelingen en/of woorden een bedreigende situatie en/of

sfeer doen ontstaan;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 10 maart 2018 te Breda, althans in de provincie

Noord-Brabant

aan [naam 5] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten

- verdikking boven zijn linkeroog welke paars kleurde en/of

- flinke verwondingen aan zijn rechter ooglid en/of

- verminderderd of verlorengegaan zicht in een oog en/of

- gescheurde bovenlip en/of

- snee over zijn linkerwang van ongeveer 8 a 10 cm en/of

- verwonding aan zijn linkeroor en achterhoofd

heeft toegebracht door die [naam 5] met een gordijnrail of een rolgordijn

in een hard plastic verpakking en/of een schaar

en/of een mes en/of een scherp en/of puntig voorwerp en/of zijn vuisten,

althans zijn handen, meerdere/vele malen te slaan en/of stompen en/of te

stekemn en/of te snijden;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 10 maart 2018 te Breda, althans in de provincie

Noord-Brabant

[naam 6] heeft mishandeld door die [naam 6] met zijn

vuisten, dan wel handen en/of met een fles meerdere malen te slaan en/of te

stompen en/of hard aan de haren van die [naam 6] te trekken

(waardoor een pluk haar los geraakte)

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte hetgeen hem is tenlastegelegd heeft begaan, met uitzondering van de bedreiging van [naam 4] (feit 2).

De officier van justitie baseert zich met name op de aangiften, de bekennende verklaringen van verdachte en op medische gegevens van het slachtoffer [naam 5] .

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de bedreiging van [naam 4] . Verder is er geen bewijsverweer gevoerd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat ook [naam 4] is bedreigd. Verdachte zal van dat mede onder feit 2 ten laste gelegde feit worden vrijgesproken.

Aangezien verdachte ten aanzien van alle overige feiten een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank die feiten wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

Feiten 1 en 2

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 20 februari 20191;

- de aangifte van [naam 3]2;

- de verklaring van getuige [naam 4]3;

- een proces-verbaal van bevindingen4;

Feiten 3 en 4

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 20 februari 20195;

- een proces-verbaal van bevindingen6;

- de aangifte van [naam 5]7;

- de aangifte van [naam 6]8;

- de letselrapportages van E.M. Bakker, arts9.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij op of omstreeks 02 januari 2018 te Breda opzettelijk en wederrechtelijk

een raam (van een deur) en/of deuren (van een huurcaravan op een camping [naam 1],

[adres] ), in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan een ander,

te weten aan [naam 2] / [naam 3] toebehoorden, heeft vernield,

beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

2.

hij op of omstreeks 02 januari 2018 te Breda [naam 3] en/of [naam 4]

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met

zware mishandeling, door [naam 3] en/of [naam 4] dreigend de volgende

woorden toe te voegen: "kom maar, kom maar" waarbij hij verdachte, dreigend

zwaaide met in beide handen een mes, en/of (aldus) heeft verdachte door

houding, gebaren, handelingen en/of woorden een bedreigende situatie en/of

sfeer doen ontstaan;

3.

hij op of omstreeks 10 maart 2018 te Breda, althans in de provincie

Noord-Brabant

aan [naam 5] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten

- verdikking boven zijn linkeroog welke paars kleurde en/of

- flinke verwondingen aan zijn rechter ooglid en/of

- verminderd of verlorengegaan zicht in een oog en/of

- gescheurde bovenlip en/of

- snee over zijn linkerwang van ongeveer 8 à 10 cm en/of

- verwonding aan zijn linkeroor en achterhoofd

heeft toegebracht door die [naam 5] met een gordijnrail of een rolgordijn

in een hard plastic verpakking en/of een schaar

en/of een mes en/of een scherp en/of puntig voorwerp en/of zijn vuisten,

althans zijn handen, meerdere/vele malen te slaan en/of stompen en/of te

stekemn en/of te snijden;

4.

hij op of omstreeks 10 maart 2018 te Breda, althans in de provincie

Noord-Brabant

[naam 6] heeft mishandeld door die [naam 6] met zijn

vuisten dan wel handen en/of met een fles meerdere malen te slaan en/of te

stompen en/of hard aan de haren van die [naam 6] te trekken

(waardoor een pluk haar los geraakte).

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 500 dagen met aftrek van het voorarrest en de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden, zoals geformuleerd in het maatregelenrapport van de reclassering.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte niet goed heeft nagedacht over de gevolgen van de excessieve inname van zijn medicatie in combinatie met een hoeveelheid alcohol. Verdachte wilde zichzelf enkel kalmeren maar de werking van de middelen werkte averechts. Aangevoerd is dat de deskundigen van mening zijn dat verdachte te jong is om te zeggen dat zijn persoonlijkheid al is uitgehard en dat verdachte nog leerbaar is.

In het kader van de strafmaat is verder aangevoerd dat nadruk gelegd moet worden op behandeling van verdachte waarbij tevens rekening gehouden moet worden met zijn jeugdige leeftijd en de omstandigheid dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. Verzocht wordt een gevangenisstraf op te leggen die niet langer is dan het voorarrest omdat het nu tijd is om de scheefgroei in de persoonlijkheid van verdachte aan te pakken.

De verdediging kan zich vinden in het advies van de deskundigen om verdachte de maatregel van tbs met voorwaarden op te leggen, met dien verstande dat een locatieverbod voor Breda en een contactverbod met de tante niet nodig worden gevonden.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich in een periode van enkele maanden schuldig gemaakt aan vier misdrijven.

Op 2 januari 2018 verbleef hij op [naam 2] in een huurcaravan waar het vervolgens mis is gegaan. In de caravan heeft verdachte vuurwerk afgestoken en een raam en deuren vernield. Vervolgens heeft verdachte ook de eigenaar van de camping met messen bedreigd. Voor de eigenaar heeft verdachte een angstige situatie gecreëerd.

Enkele maanden later is het volledig misgegaan met verdachte. Verdachte woonde op dat moment bij een vriend in huis en na een ruzie met die vriend is hij daar vertrokken. Omdat hij onrustig was en zichzelf wilde kalmeren nam hij extra medicatie in. Onderweg naar zijn tante heeft verdachte ook nog alcohol gebruikt. Die combinatie bleek averechts te werken. Bij zijn tante aangekomen trof hij het slachtoffer [naam 5] aan. Zonder enige aanleiding is verdachte op het slachtoffer gesprongen. Ter zitting heeft verdachte zelf ook verklaard dat de man niets verkeerds had gedaan. Verdachte was enkel boos dat [naam 5] aldaar aanwezig was. Verdachte, die in het verleden een vechtsport heeft beoefend, heeft het slachtoffer knietjes en veel vuistslagen gegeven. Ook heeft hij een in plastic verpakt rolgordijn gepakt en het slachtoffer daarmee geslagen. Verdachte is daarbij enorm tekeer gegaan. Een aanwezige getuige kon het niet langer aanzien en is gevlucht. Zijn tante, die riep dat hij moest stoppen en die wilde ingrijpen, kreeg het ook te verduren; zij werd door verdachte geslagen en zodanig hard aan de haren getrokken dat een pluk haren losraakte. Vervolgens is verdachte vertrokken, slachtoffer [naam 5] bewusteloos achterlatend. De foto’s van het slachtoffer in het dossier laten een gruwelijk beeld zien van een volledig gehavend gezicht.

Als gevolg van de mishandeling door verdachte heeft het slachtoffer [naam 5] blijvend letsel aan zijn rechteroog, resulterend in een gezichtsvermogen waarbij alleen donker en licht kan worden waargenomen. Ook is sprake van een blijvend litteken op de linkerwang en aan het rechter bovenooglid. Ten gevolge van de breuken in het gezicht en aan de oogkas is sprake van een asymmetrie van het gezicht. En dit alleen maar omdat het verdachte niet aanstond dat het slachtoffer bij zijn tante op bezoek was.

Bij de beoordeling van de soort en de hoogte van de op te leggen sanctie heeft de rechtbank rekening gehouden met de volgende omstandigheden.

Verdachte is pas 19 jaar. In zijn puberteit is hij in aanraking gekomen met alcohol en drugs, zowel soft- als harddrugs. Ook is hij toen al in aanraking gekomen met justitie. Omdat de problemen zich opstapelden is in het gezin waartoe verdachte behoorde een gezinsondersteuner actief geworden. Op diverse leefgebieden was sprake van grote zorgen waarbij het blowen door verdachte als grootste probleem werd gezien. De problemen in de ontwikkeling van verdachte hebben uiteindelijk geleid tot een ondertoezichtstelling, inmenging van de raad voor de kinderbescherming en jeugdreclassering.

Begeleiding van verdachte heeft tot op heden helaas niet geresulteerd in een positieve ontwikkeling van de persoon van verdachte.

Diverse deskundigen hebben over verdachte gerapporteerd. In eerste instantie is gerapporteerd door psychiater Van Bakel en GZ-psycholoog Seters. Zij zijn niet tot een eenduidig advies kunnen komen. Op verzoek van de verdediging zijn de rapporten voorgelegd aan psycholoog Oudejans die geconcludeerd heeft dat er onvoldoende duidelijkheid bestaat over de aard en de ernst van de bij verdachte bestaande stoornis.

Dit heeft geleid tot een nieuwe dubbelrapportage.

Psychiater Weeda heeft zich allereerst uitgelaten over de vraag of toepassing van het jeugdstrafrecht passend is. Die vraag is negatief beantwoord omdat verdachte, vanuit zijn persoonlijkheidsproblematiek, kwetsbaar is en zich tussen adolescenten zal opblazen waarbij hij gemakkelijk in verleiding wordt gebracht. Diezelfde mening is psycholoog Van Giessen toegedaan.

Met deze deskundigen is de rechtbank van oordeel dat toepassing van het jeugdstrafrecht niet aan de orde is.

Door psychiater Weeda en psycholoog Van Giessen is geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een ernstig bedreigde en inmiddels ook beschadigde persoonlijkheidsontwikkeling op grond waarvan kan worden gesproken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een borderline persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast is sprake van een ernstige verslavingsproblematiek aan verschillende middelen, waaronder alcohol en kalmeringsmiddelen. Ten slotte is sprake van een ouder-kindrelatieprobleem.

Zowel de deskundigen als verdachte zelf hebben aangegeven dat met name het gebruik van alcohol bij hem leidt tot agressief gedrag waarbij hij nog nauwelijks controle heeft over zijn impulsen. Meerdere malen is het al voorgekomen dat verdachte geen of nauwelijks herinneringen heeft aan wat hij onder invloed heeft gedaan. Ook zonder het gebruik van middelen is verdachte geneigd tot impulsiviteit, agressiviteit en affectieve instabiliteit. Daarbij zijn ook zijn copingvaardigheden beperkt ontwikkeld; verdachte kan de gevolgen van zijn gedrag niet altijd overzien.

De gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens maakt volgens de deskundigen dat hetgeen hiervoor bewezen is verklaard, verdachte in een verminderde mate toe te rekenen valt. Hiermee houdt de rechtbank rekening.

Gerapporteerd is verder dat verdachte met zijn 19 jaar nog erg jong is en dat zijn persoonlijkheid nog niet volledig uitgerijpt is. Mogelijk kan met behandelinterventies een (verdere) scheefgroei van de persoonlijkheid worden voorkomen. Positief in de rapportages vindt de rechtbank de constateringen dat een gunstige ontwikkeling, gezien de leeftijd van verdachte, nog steeds mogelijk is. Verdachte is nog leerbaar.

Beide deskundigen zijn van mening dat een tbs met voorwaarden een passende maatregel is.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan onder meer een misdrijf dat is gericht tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten zware mishandeling van slachtoffer [naam 5] .

Gelet op de inhoud van de rapporten, de ernst van de feiten en het strafblad van verdachte is de rechtbank van oordeel dat een tbs-maatregel noodzakelijk is. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaraan stelt, te weten:

- bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van de feiten een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens;

- op het gepleegde misdrijf is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld;

- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist die maatregel.

De rechtbank overweegt verder dat de tbs-maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Met de verdediging en de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat de nadruk dient te liggen op behandeling van verdachte, met name teneinde verdere scheefgroei in de ontwikkeling van verdachte te voorkomen.

Verdachte lijkt gemotiveerd te zijn voor intensieve behandeling. Binnen de setting van een (aanvankelijk gesloten) kliniek met de juiste expertise, stevige begeleiding en voldoende toezicht is het reëel te veronderstellen dat verdachte in staat zal zijn zich aan afspraken en voorwaarden te houden. De verwachting is bovendien dat verdachte binnen een dergelijke setting voldoende snel kan profiteren van behandeling om na verloop van tijd een ambulante voortzetting van de behandeling en terugkeer in de maatschappij mogelijk te maken, eerder dan in het kader van een tbs met dwangverpleging mogelijk is. Met de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat oplegging van dwangverpleging thans niet nodig is. Volstaan kan worden met het opleggen van een tbs met de hierna omschreven voorwaarden.

Verdachte heeft zich ter zitting bereid verklaard tot naleving van die voorwaarden.

Ten aanzien van deze voorwaarden overweegt de rechtbank nog dat zij een contactverbod met alle slachtoffers niet nodig acht. Enkel een contactverbod met [naam 5] acht de rechtbank noodzakelijk. Ten aanzien van het slachtoffer [naam 6] zal de rechtbank bepalen dat verdachte geen contact met haar heeft of zoekt zolang de reclassering dit verbod nodig vindt. Ook een volledig locatieverbod voor Breda acht de rechtbank niet noodzakelijk en zeker ook niet wenselijk, onder meer nu de oma van verdachte, zoals de raadsvrouw ter zitting heeft aangegeven, ook in Breda woonachtig is. De rechtbank zal bepalen dat dit locatieverbod geldt zolang de reclassering dat nodig acht.

Gelet op de vaststelling van de deskundigen dat sprake is van een hoog recidiverisico zal de rechtbank bepalen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Daarnaast acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 405 dagen noodzakelijk. Deze gevangenisstraf is gelijk aan de duur van het voorarrest. Hiermee wordt bereikt dat verdachte direct aan zijn behandeling kan beginnen, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank ook de hoogste prioriteit moet hebben. Uit het rapport dat uitgebracht is door de reclassering is de rechtbank gebleken dat plaatsing inmiddels in gang is gezet.

7 De benadeelde partij

Feit 1

De benadeelde partij [naam 2] te Breda vordert een schadevergoeding van

€ 2.442,37.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 992,37 een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit 1 en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

De gevorderde schade tot laatstgenoemd bedrag is voldoende aannemelijk gemaakt en niet betwist door verdachte, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

Nu niet aannemelijk is geworden dat overige schade zich heeft voorgedaan dient de vordering voor dat overige gedeelte te worden afgewezen.

Feit 3

De benadeelde partij [naam 5] vordert een schadevergoeding van € 62.002,=. Ter zitting is deze vordering verminderd tot een bedrag van € 56.002,=. De vordering bestaat uit een bedrag van € 33.502,= aan materiële schade en € 25.000,= aan immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 770,= toewijsbaar is. De rechtbank acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot een hoogte van € 770,= voldoende aannemelijk gemaakt en niet betwist. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit 3.

Voor het overige deel van de materiële schade, de inkomstenderving wegens arbeidsongeschiktheid, is de rechtbank van oordeel dat de vordering niet van eenvoudige aard is en dat de behandeling van dat deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij zal daarom voor dat deel niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat deze in het geheel kan worden toegewezen.

Daarmee komt de rechtbank tot de conclusie dat aan de benadeelde partij [naam 5] een bedrag van € 25.770,= zal worden toegewezen.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip (10 maart 2018) waarop het feit werd gepleegd.

Met betrekking tot deze toegekende vorderingen van de benadeelde partijen zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De vorderingen tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van 1 maand jeugddetentie die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de kinderrechter te Breda van 16 februari 2017 onder parketnummer 02/029152-16 ten uitvoer zal worden gelegd. Tevens is gevorderd dat de voorwaardelijke straf van 30 dagen gevangenisstraf die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter te Breda van 6 december 2017 onder parketnummer 02/168476-17 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kunnen de vorderingen tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank zal hiertoe niet besluiten, omdat tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straffen, gelet op de hierna op te leggen straf en maatregel, niet opportuun wordt geacht.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 37a, 38, 38a, 57, 63, 285, 300, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

Spreekt verdachte vrij van de onder feit 2 tenlastegelegde bedreiging van [naam 4] ;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 3: zware mishandeling;

feit 4: mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 405 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Maatregel

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte en stelt daarbij als voorwaarden:

  • -

    dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit

  • -

    dat verdachte meewerkt aan reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:

o dat verdachte meewerkt aan huisbezoeken;

o dat verdachte zich meldt op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;

o dat verdachte een of meer vingerafdrukken laat nemen en een geldig identiteitsbewijs laat zien. Dit is nodig om de identiteit van verdachte vast te stellen;

o dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden;

o dat verdachte de reclassering helpt aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;

o dat verdachte de reclassering inzicht geeft in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.

o dat verdachte zich niet vestigt op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;

o dat verdachte meewerkt aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht;

  • -

    dat verdachte, als de reclassering dat nodig acht, meewerkt werkt aan een time-out in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt maximaal 7 weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal 7 weken, tot maximaal 14 weken per jaar;

  • -

    dat verdachte niet naar het buitenland of de overige landen van het Koninkrijk der Nederlanden, dan wel het Caribisch deel van Nederland, gaat zonder toestemming van het Openbaar Ministerie;

  • -

    dat verdachte zich laat opnemen in een forensische klinische zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Totdat die plaatsing mogelijk is, laat verdachte zich eventueel ter overbrugging opnemen in een soortgelijke forensische, klinische zorginstelling. De opname start aansluitend op detentie. De opname duurt de gehele duur van de maatregel of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen en/of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

  • -

    dat verdachte zich ambulant laat behandelen door een nader te bepalen forensische polikliniek of soortgelijke instelling. De behandeling start aansluitend op de klinische opname. De behandeling duurt de gehele maatregel of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

  • -

    dat verdachte verblijft in een nader te indiceren instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang. Het verblijf start aansluitend op de klinische opname. Het verblijf duurt de gehele maatregel of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

  • -

    dat verdachte geen soft- of harddrugs gebruikt en meewerkt aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;

  • -

    dat verdachte geen alcohol gebruikt en meewerkt aan controle op dit alcoholverbod. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd. Mogelijke controlemiddelen zijn urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest);

  • -

    dat verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect – contact heeft of zoekt met [naam 5] De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;

  • -

    dat verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect – contact heeft of zoekt met [naam 6] , zolang de reclassering dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;

  • -

    dat verdachte zich gedurende de maatregel niet in Breda bevindt, zolang de reclassering dit verbod nodig vindt. Verdachte werkt mee aan elektronische controle op dit locatieverbod;

  • -

    dat verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan budgetbeheer, beschermingsbewind of schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;

  • -

    dat verdachte zich actief inzet om een passende dagbesteding te verkrijgen en behouden welke door de reclassering is goedgekeurd.

- draagt de reclassering op verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van de voorwaarden;

- beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is;

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vorderingen tot tenuitvoerlegging in de zaken met de parketnummers

02/029152-16 en 02/168476-17 af;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 2] te Breda van € 992,37 ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf 2 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- wijs de vordering voor het overige af;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 5] van

€ 25.770,=, waarvan € 770,= ter zake van materiële schade en € 25.000,= ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf 10 maart 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

Schadevergoedingsmaatregel

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de hierna te noemen slachtoffers de daarbij vermelde bedragen te betalen, bij niet betaling te vervangen door het daarbij vermelde aantal dagen hechtenis:

  • -

    benadeelde partij [naam 2] (feit 1), € 992,37, te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf 2 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, 19 dagen hechtenis,

  • -

    benadeelde partij [naam 5] (feit 3), € 25.770,=, te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf 10 maart 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, 163 dagen hechtenis,

met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis

- heft op de voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk is aan de duur van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. Dekker, voorzitter, mr. Fleskens en mr. Diepenhorst, rechters, in tegenwoordigheid van Van den Goorbergh, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 6 maart 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2018002145 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 30 (hierna te noemen proces-verbaal 1) of een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer ZB3R018024 van de regionale politie eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 189 (hierna te noemen proces-verbaal 2) De verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 20 februari 2019.

2 Het proces-verbaal van verhoor aangever [naam 3] , pagina 20 van proces-verbaal 1.

3 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 4] , pagina 22 van proces-verbaal 1.

4 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 26 van proces-verbaal 1.

5 De verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 20 februari 2019.

6 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 136 van proces-verbaal 2.

7 Het proces-verbaal van aangifte van [naam 5] , pagina 107 van proces-verbaal 2.

8 Het proces-verbaal verhoor van [naam 6] , pagina 69 van proces-verbaal 2.

9 De geschriften, inhoudende letselrapportages over [naam 5] d.d. 14 maart 2018 (pagina 112 van proces-verbaal 2), 30 mei 2018 (pagina 121 van proces-verbaal 2) en 28 november 2018 (ongenummerd).