Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:91

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-01-2019
Datum publicatie
16-01-2019
Zaaknummer
BRE 18_2539
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing van bijstandsaanvraag omdat betrokkene geen volledige inzage heeft gegeven in haar contract met een muziekmaatschappij over het maken van muziek en de vergoedingen die betrokkene in verband daarmee van die maatschappij ontvangt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 18/2539 PW

uitspraak van 4 januari 2019 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: [naam gemachtigde] ,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 22 maart 2018 (bestreden besluit) van het college over de afwijzing van haar aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 17 december 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam gemachtigde verweerder] .

Overwegingen

1. Feiten

Eiseres heeft zich op 12 juli 2017 gemeld voor een bijstandsuitkering. Zij staat ingeschreven bij de Kamer voor Koophandel. Eiseres heeft sinds 2016 een contract met [muziekmaatschappij] (hierna: [muziekmaatschappij] ).

Aan eiseres is gevraagd om een aantal gegevens in te leveren.

In een brief van 22 augustus 2017 heeft het college haar gevraagd ervoor te zorgen dat de ontbrekende gegevens uiterlijk op 31 augustus 2017 zijn ontvangen.

Eiseres heeft op 25 augustus 2017 een aantal gegevens ingeleverd, waaronder het originele contract met [muziekmaatschappij] . De consulent heeft van het contract een kopie gemaakt en het origineel daarna naar eiseres terug gestuurd.

In een brief van 5 september 2017 heeft het college eiseres gevraagd ervoor te zorgen dat de nog ontbrekende gegevens, zoals over vergoedingen waarop zij volgens het contract met [muziekmaatschappij] recht heeft en de aangifte omzetbelasting, uiterlijk op 19 september 2017 zijn ontvangen.

Eiseres heeft op 18 oktober 2017 een aantal gegevens ingeleverd.

Eiseres heeft op 15 november 2017 gesproken met de bijstandsconsulent en de kopie van het contract met [muziekmaatschappij] mee naar huis genomen. Er is afgesproken dat eiseres uiterlijk op 16 november 2017 nog enkele gegevens zou inleveren, waaronder over het contract met [muziekmaatschappij] en de inkomsten daaruit.

In een besluit van 21 november 2017 (primaire besluit) heeft het college de bijstandsaanvraag afgewezen omdat eiseres onvoldoende informatie heeft verstrekt om het recht op bijstand vast te kunnen stellen.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

In het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

2. Beroepsgronden

Eiseres voert tegen het bestreden besluit aan dat zij alle stukken waarover zij beschikte of redelijkerwijs kon beschikken bij het college heeft ingeleverd en dat het college aan de hand daarvan het recht op bijstand had kunnen vaststellen. Eiseres heeft sinds 2016 een contract met [muziekmaatschappij] . [muziekmaatschappij] heeft haar een geheimhoudingsplicht opgelegd. Eiseres ontvangt geen vergoedingen van [muziekmaatschappij] die zij kan gebruiken voor haar levensonderhoud. Eiseres heeft eerder het contract laten zien aan de consulent. Het college is daarom bekend met de inhoud ervan. Ook heeft eiseres in bezwaar een verklaring van de heer Bergwijn, haar manager bij [muziekmaatschappij] , ingediend. Eiseres heeft in beroep een gedeeltelijk onleesbaar gemaakte kopie van het contract met [muziekmaatschappij] ingediend.

Uit de belastinggegevens over 2017 die eiseres heeft ingeleverd bij het college blijkt dat zij geen winst heeft gemaakt en dus ook dat zij van [muziekmaatschappij] geen vergoedingen heeft ontvangen die als zodanig kunnen worden aangemerkt. Het college had de fiscale gegevens vervolgens bij de belastingdienst kunnen verifiëren op grond van artikel 64 van de Participatiewet. Dat het college dat heeft nagelaten maakt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid.

Ook uit de bankafschriften die eiseres eerder heeft overgelegd blijkt dat er geen vergoedingen van [muziekmaatschappij] naar haar worden overgemaakt.

3. Wettelijk kader

Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

In artikel 17, eerste lid, eerste volzin, van de Participatiewet is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

In artikel 31, eerste lid, eerste zin, van de Participatiewet is bepaald dat tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen worden gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

In artikel 53, zesde lid, eerste zin, van de Participatiewet is bepaald dat het college bevoegd is onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand.

Artikel 65, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat het een ieder is verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van deze wet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan voor de uitvoering van deze wet noodzakelijk is dan wel op grond van deze wet is voorgeschreven of toegestaan.

In het tweede lid is bepaald dat het in het eerste lid vervatte verbod niet van toepassing is indien:

a. enig wettelijk voorschrift tot bekendmaking verplicht;

b. degene op wie de gegevens betrekking hebben schriftelijk heeft verklaard tegen de verstrekking van deze gegevens geen bezwaar te hebben;

c. de gegevens niet herleidbaar zijn tot individuele natuurlijke personen.

4. Beoordeling

4.1

De rechtbank moet beoordelen of het college op goede gronden de bijstandsaanvraag van eiseres heeft afgewezen omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.2

De te beoordelen periode in geval van een aanvraag om algemene bijstand loopt in beginsel vanaf de datum van de melding om een aanvraag te doen tot en met de datum van het primaire besluit. De rechtbank moet dus een oordeel geven over het recht van eiseres op bijstand over de periode van 12 juli 2017 tot en met 21 november 2017 (beoordelingsperiode).

4.3

Omdat het geschil gaat over een beslissing op een aanvraag om bijstand, rust de bewijslast op de aanvrager. Die moet aannemelijk maken dat hij in de beoordelingsperiode in bijstandsbehoeftige omstandigheden verkeerde. In dat kader moet de aanvrager de nodige duidelijkheid verschaffen en volledige openheid van zaken geven.

Het is op grond van artikel 53a, eerste lid, van de Participatiewet aan het college om te bepalen welke gegevens en bewijsstukken de aanvrager moet verstrekken.

Om te kunnen beoordelen of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De aanvrager moet de gegevens verstrekken die nodig zijn voor een goede beoordeling van de aanvraag. Het college is in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand ook bevoegd om gegevens te vragen die gaan over de financiële situatie over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd. Onder financiële gegevens die van belang zijn voor het recht op bijstand behoren ook vergoedingen die worden ontvangen voor het maken van muziek.

4.4

De rechtbank stelt vast dat het college met name duidelijkheid wenst over het contract dat eiseres in 2016 met [muziekmaatschappij] heeft afgesloten.

De rechtbank is met het college van oordeel dat duidelijkheid daarover van belang is om het recht op bijstand te kunnen vaststellen. Het maken van muziek zoals eiseres dat met behulp van [muziekmaatschappij] wil doen, moet naar alle waarschijnlijkheid worden aangemerkt als in het economisch verkeer op geld waardeerbare arbeid. Het college moet dat kunnen beoordelen. Het contract bevat gegevens over de financiële rechten en plichten in de contractuele relatie tussen eiseres en [muziekmaatschappij] . Het college moet in het kader van de bijstand ook kunnen beoordelen of de vergoedingen die eiseres van [muziekmaatschappij] ontvangt, moeten worden aangemerkt als middelen als bedoeld in artikel 31 van de Participatiewet, waarbij de rechtbank voor een enigszins vergelijkbaar geval (royalty’s voor een schrijver) verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 juni 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AP1549. De rechtbank merkt in dit verband op dat uit de verklaring van 12 januari 2018 van de manager van eiseres blijkt dat eiseres van [muziekmaatschappij] daadwerkelijk een vergoeding heeft ontvangen. De hoogte daarvan blijkt echter niet.

Eiseres heeft in beroep een kopie van het contract overgelegd waarin de tekst van de kopjes van de paragrafen leesbaar is, maar de tekst van de inhoud van die paragrafen onleesbaar/zwart is gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat het contract op deze manier slechts op één onderdeel duidelijkheid geeft, namelijk in paragraaf 8 over de hoogte van het voorschot per EP en per album. Dit is inderdaad van belang voor de beoordeling van het recht op bijstand. Het contract bevat gelet op de kopjes bij de overige paragrafen echter meer bepalingen die daarvoor van belang kunnen zijn, bijvoorbeeld waar het gaat over ‘content create budget’, ‘basisroyalty’, ‘reducties op basisroyalty’ enzovoort. Daarover heeft het college nu geen informatie.

Het is niet in geschil dat eiseres op 15 november 2017 de kopie van het contract die haar consulent eerder had gemaakt mee naar huis heeft genomen. Het college beschikte daardoor niet langer over de tekst van het contract. De gemachtigde van het college heeft ter zitting uitgelegd dat de consulent op dat moment nog geen kennis had genomen van (de inhoud van) het contract. De rechtbank ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen. De beroepsgrond van eiseres dat het college al kennis had genomen van de inhoud van het contract treft daarom geen doel.

Eiseres heeft aangevoerd dat het college ook aan de hand van andere informatie dan het contract met [muziekmaatschappij] het recht op bijstand had kunnen vaststellen, zoals uit de gegevens van de fiscus en de afschriften van bankrekeningen. Deze beroepsgrond treft geen doel, omdat niet alle geldstromen hoeven te blijken uit belastinggegevens of bankafschriften.

Uit het voorgaande volgt dat eiseres, door geen volledig transparant (gemaakt) contract over te leggen, de inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet heeft geschonden.

Eiseres heeft aangevoerd dat zij tegenover [muziekmaatschappij] een geheimhoudingsplicht heeft en dat zij die schendt als zij het contract aan het college geeft. Deze beroepsgrond slaagt niet, omdat uit artikel 65 van de Participatiewet volgt dat het college en de medewerkers van de gemeente zorgvuldig moeten omgaan met de informatie waar zij in hun werk kennis van krijgen. De rechtbank is uit het contract zoals eiseres dat heeft ingediend (en dat uitsluitend ziet op de rechtsverhouding tussen eiseres en [muziekmaatschappij] ) overigens niet gebleken dat [muziekmaatschappij] haar een geheimhoudingsplicht heeft opgelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich gelet op het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Reeds hierom kan de vraag of eiseres voldoende fiscale gegevens heeft ingeleverd buiten bespreking blijven.

5. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J. Tolner, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 januari 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.