Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:900

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-02-2019
Datum publicatie
04-03-2019
Zaaknummer
7439328 AZ VERZ 19-1
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wwz-zaak. BW artt. 7:658a lid 3; 7:669 lid 3 sub g; 7:671b lid 8 sub c; 7:673; 7:673b lid 1; 7:686a lid 3. Ontbinding wegens verstoorde arbeidsverhouding. Geen transitievergoeding. Gelijkwaardige voorziening. Geen billijke vergoeding. Ontbreken plan van aanpak op papier. Wel re-integratie inspanningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0271
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster I Civiele kantonzaken

Breda

zaaknummer 7439328 AZ VERZ 19-1

beschikking d.d. 22 februari 2019

inzake

Stichting Avans

statutair gevestigd te Tilburg en mede kantoorhoudende te Breda

verzoekende partij in de zaak van het verzoek

verwerende partij in de zaak van het tegenverzoek

verder te noemen: Avans

gemachtigde: mr. I.C.M. van de Kerkhof-de Boer

tegen

[verweerster tevens vrz van het tegenverzoek]

wonende te Bavel

verwerende partij in de zaak van het verzoek

verzoekende partij in de zaak van het tegenverzoek

verder te noemen: [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek]

gemachtigde: mr. N.M. de Graaf-Quakkelaar

1 Het procesverloop

in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

1.1.

Avans heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. Het verzoekschrift is op 28 december 2018 ter griffie ontvangen. [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] heeft een verweerschrift en een tegenverzoek ingediend.

1.2.

Op 25 januari 2019 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft Avans nog aanvullende stukken toegezonden.

2 De feiten

in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

2.1.

[verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] , geboren op [geboorte datum] , is op [datum indiensttreding] in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) Avans. De laatste functie die [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] vervulde, is die van [functienaam] binnen de Academie voor Deeltijd (AVD) van Avans Hogeschool.

2.2.

Op de arbeidsovereenkomst is de cao HBO van toepassing (hierna: de cao).

3. Het verzoek

3.1.

Avans verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdelen d, e en g BW. Primair legt zij aan dit verzoek ten grondslag dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Voor het geval dat de arbeidsovereenkomst niet op die grond wordt ontbonden, verzoekt zij de ontbinding daarvan wegens verwijtbaar handelen door [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] dan wel wegens ongeschiktheid van [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] tot het verrichten van de bedongen werkzaamheden.

3.2.

Ter onderbouwing van dit verzoek heeft Avans samengevat en voor zover te dezen van belang het volgende naar voren gebracht.

Sinds februari 2007 is [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] werkzaam binnen de AVD. Aanvankelijk was zij [functienamen] (schaal 12) maar nadat die functie verviel is zij per 1 juli 2016 tijdelijk voor de duur van maximaal vier jaren aangesteld als [functienaam] (schaal 13), op de voorwaarde dat zij voor het einde van die periode een mastergraad zou hebben behaald. Deze tijdelijke benoeming in de functie van [functienaam] is aan [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] bevestigd bij brief van 1 juli 2016. In deze brief is, voor zover hier van belang, tevens opgenomen dat [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] , indien zij op 1 juli 2020 niet beschikte over de vereiste mastergraad, geen recht heeft op een gelijkwaardige functie en dat het alsdan geldende Protocol Herplaatsing op haar van toepassing is en dat in dit verband met een ‘passende’ functie wordt bedoeld de functie van hogeschooldocent met inachtneming van de leidinggevende ervaring van [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] .

De directie van de AVD bestond op dat moment uit een directeur en [functienamen] , waaronder [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] .

De uitgesproken management- en communicatiestijl van [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] heeft binnen een groot deel van het personeel van de AVD geleid tot onrust en ongenoegen, zelfs zodanig dat (ten minste 6) meldingen bij de vertrouwenspersoon zijn gedaan over haar gedrag en de daaruit voortvloeiende spanningen binnen de AVD.

Sinds augustus 2017 is de AVD in financieel zwaar weer komen te verkeren. Om een tekort van 1,2 miljoen euro terug te dringen zijn maatregelen genomen, waaronder het niet verlengen van tijdelijke contracten van personeel. Op 7 juni 2018 heeft de interim directeur van de AVD de hoofdlijnen van een nieuw organisatieplan besproken met de Academieraad, het medezeggenschapsorgaan van de AVD. De Academieraad heeft aan het College van Bestuur van Avans te kennen gegeven dit organisatieplan te ondersteunen, maar geen vertrouwen meer te hebben in de directie van de AVD en heeft aangedrongen op de aan-stelling van een nieuw directieteam. Daarop heeft het College van Bestuur de directieleden met onmiddellijke ingang vrijgesteld van werkzaamheden. Gesprekken met [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] over haar toekomst moesten worden opgeschort omdat zij per 24 april 2018 arbeidsongeschikt was. Niettemin hebben partijen volgens Avans veel gecommuniceerd, onder andere over het (tijdelijk) afsluiten van het Avans e-mailaccount, de registratie van ziekteverzuim en het opnemen van vakantie-uren. Uit de toonzetting van die correspondentie bleek de verhouding tussen het College van Bestuur en [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] steeds verder te verharden. Ook de bedrijfsarts heeft de toenemende verslechtering van de arbeidsverhouding opgemerkt. Naar aanleiding van diens advies is in juli 2018 mediation ingezet. Die werd echter na enkele gesprekken zonder resultaat beëindigd. Intussen heeft [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] bij de landelijke Commissie van beroep HBO een procedure aanhangig gemaakt waarin zij zich op het standpunt stelde dat de vrijstelling van werkzaamheden feitelijk een schorsing betreft die niet voldoet aan de formele vereisten in de cao. Met een verzoek van Avans om die procedure aan te houden in verband met het kort voordien gestarte mediationtraject heeft [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] niet ingestemd.

Na de beëindiging van de mediation en in afwachting van de hersteldmelding heeft Avans willen voldoen aan de door de wet van haar verlangde herplaatsingsinspanning, waarbij voor haar buiten kijf was dat een terugkeer naar de AVD niet in de rede lag en de herplaatsing zich moest toespitsen op een functie in schaal 12, gezien de afspraken die bij de tijdelijke benoeming van [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] waren gemaakt. Op 7 september 2018 heeft zij aan [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] het voorstel gedaan om hetzij een door Avans gecreëerde (schaal 12-) functie bij het Expertisecentrum Sustainable Business (ESB) te aanvaarden, hetzij tot 1 april 2019 binnen dan wel buiten Avans naar een andere passende schaal 12-functie te zoeken en wanneer die tegen die datum niet zou zijn gevonden, een vaststellingsovereenkomst op te maken. De bedrijfsarts achtte de aangeboden functie bij het ESB passend. Tevens oordeelde hij dat [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] per 18 september 2018 weer volledig arbeidsgeschikt was. Diezelfde dag heeft [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] een gesprek over de functie gevoerd met de lector binnen het ESB, die daarbij aan [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] heeft aangeboden een takenpakket te creëren als projectleider in grotere onderzoeken.

Nadien werd de uitspraak van de Commissie van beroep HBO ontvangen. Die oordeelde het beroep van [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] tegen de per 14 juni 2018 verleende vrijstelling van werkzaamheden gegrond. [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] heeft deze uitspraak aangegrepen om, in plaats van in te gaan op de aangeboden functie binnen het ESB, de functie van [functienaam] binnen de AVD te claimen en rehabilitatie te verlangen.

Vervolgens heeft Avans door tussenkomst van haar gemachtigde bij brief van 4 oktober 2018 het eerdere aanbod met betrekking tot de functie bij het ESB herhaald, inclusief een afbouw-regeling voor het salaris van [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] , dat in twee gelijke stappen zou worden verlaagd naar schaal 12. In reactie daarop heeft [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] zich plotseling op het standpunt gesteld dat de aangeboden functie niet passend zou zijn. In een brief van 25 oktober 2018 schreef zij dat zij primair aanspraak maakte op herplaatsing in een schaal 13-functie dan wel een schaal 12-functie inclusief volledige compensatie van het salarisverschil tot 1 juli 2020. Het aanbod om de arbeidsovereenkomst door middel van een vaststellingsovereenkomst te beëindigen heeft [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] afgewezen.

Avans constateert dat [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] op geen enkele manier wenst te bewegen en in plaats daarvan tegen beter weten in vast houdt aan een terugkeer als [functienaam] binnen de AVD. Ook de door haar geclaimde (directie)functies in schaal 13 acht Avans uitgesloten wegens enerzijds de tussen partijen gemaakte afspraken en anderzijds de missende competenties, waaronder de mastertitel.

Daar komt bij dat [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] , ondanks dat zij is vrijgesteld van werkzaamheden, op de werkvloer verschijnt. Meerdere medewerkers hebben te kennen gegeven dat zij hierdoor hun werk niet meer met plezier te kunnen uitvoeren en zich onveilig te voelen. Om die reden heeft Avans sinds 19 december 2018 aan [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] de toegang tot de gebouwen van de AVD ontzegd.

Als gevolg van het bovenstaande is de arbeidsverhouding tussen partijen ernstig en duur-zaam verstoord geraakt. Die verstoring kan aan [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] worden verweten. De verstoorde arbeidsverhouding is in beginsel al gegeven doordat sprake is van een onsuccesvolle mediation, maar los daarvan zijn er meerdere omstandigheden. Tevens is sprake van verwijtbaar handelen door [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] nu zij de aangeboden functie binnen het ESB heeft geweigerd. Ten slotte is sprake van ongeschiktheid voor de bedongen arbeid als [functienaam] , hetgeen blijkt uit het oordeel van de Academieraad.

4 Het verweer en het tegenverzoek

4.1.

[verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] verweert zich tegen het verzoek en stelt primair dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Zij voert daartoe – samengevat – het volgende aan.

4.2.

Indien al sprake is van een duurzaam en ernstig verstoorde arbeidsverhouding, zoals Avans beweert, dan is dit volledig en uitsluitend aan Avans te wijten. Aanleiding voor het voorliggende verzoek is het opzeggen van het vertrouwen in de directie van de AVD door de Academieraad. De reden daarvoor was dat het jaar 2017 werd afgesloten met een tekort en dat dit voor 2018 weer dreigde te gebeuren. Dit werd veroorzaakt door omstandigheden waarop het directieteam geen invloed had. Daarnaast voerde de coördinator van een van de opleidingen een lastercampagne tegen de directie, waaronder [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] . Het College van Bestuur heeft niets gedaan om deze kwaadsprekerij te stoppen.

Avans heeft haar geschorst, in strijd met de procedure in de cao en terwijl zij arbeidsongeschikt was. Gedurende die arbeidsongeschiktheid heeft Avans niets ondernomen om de terugkeer van [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] te bevorderen. Zij heeft verzuimd de verplichtingen uit de Wet Verbetering Poortwachter na te leven. Een plan van aanpak is niet opgemaakt. Avans heeft de bindende uitspraak van de Commissie van beroep HBO naast zich neergelegd en [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] niet meer opgeroepen om haar werkzaamheden te hervatten. Avans heeft ook het eigen herplaatsingsprotocol niet nageleefd. Vanaf de schorsing per 14 juni 2018 heeft Avans slechts één gecreëerde, evident niet passende functie aangeboden. Evenmin heeft Avans aan haar een periodieke salarisverhoging toegekend, ondanks het feit dat zij hier recht op heeft. Avans heeft aan haar de toegang tot het zakelijke e-mailaccount en tot gebouwen ontzegd en heeft medewerkers gevraagd belastende verklaringen over haar af te leggen. In plaats van die verklaringen in de onderhavige procedure in te brengen had Avans de betreffende medewerkers naar de commissie ongewenst gedrag moeten doorverwijzen.

Evenmin heeft Avans aangetoond dat zij verwijtbaar heeft gehandeld doordat zij de functie binnen het ESB niet heeft geaccepteerd. Deze functie is een gecreëerde functie die in eerste instantie aan haar is aangeboden in het kader van haar re-integratie. Avans heeft stelselmatig de argumenten genegeerd die zij heeft aangevoerd om aan te tonen dat geen sprake was van een passende functie. Bovendien heeft Avans geen toepassing gegeven aan haar eigen herplaatsingsprotocol.

Ook van ongeschiktheid voor de functie die zij bekleedde is niet gebleken. De motie van wantrouwen van de Academieraad volstaat niet. In het verslag dat is opgemaakt van het gesprek waarin zij uit haar functie werd gezet staat vermeld dat aan haar loyaliteit en inzet niet wordt getwijfeld, terwijl ook de beoordelingen van haar functioneren in de jaren 2015, 2016 en 2017 steeds goed waren.

4.3.

In het geval dat de arbeidsovereenkomst niettemin wordt ontbonden, verzoekt [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] bij wijze van tegenverzoek om toekenning van een transitievergoeding van

€ 65.520,- en een billijke vergoeding van € 1.340.497,-, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, alles te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.4.

Tevens verzoekt zij voor het geval dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, om bij het bepalen van de datum van ontbinding rekening te houden met de voor haar geldende opzegtermijn van 3 maanden en 8 weken, zonder de periode die is gelegen tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de dag waarop de beschikking wordt gegeven daarop in mindering te brengen, en verzoekt zij om te bepalen dat Avans de periodieke salaris-verhoging van 2,2% per 1 augustus 2018 toekent, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.5.

Avans heeft tegen deze verzoeken verweer gevoerd.

5 De beoordeling

in de zaak van het verzoek

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In geval van ontbinding moet ook worden beoordeeld of aan [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] een billijke vergoeding dient te worden toegekend.

5.2.

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).

5.3.

Avans voert aan dat de redelijke grond voor ontbinding primair is gelegen in de tussen partijen verstoorde arbeidsverhouding. [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] , die zich in haar verweerschrift nog verzet tegen de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst, verklaart ter zitting dat zij zich bij Avans niet langer veilig voelt en zij in die onveilige situatie niet meer kan functioneren. Gelet hierop en mede in aanmerking genomen de wijze waarop de communicatie tussen partijen zich heeft ontwikkeld en dat mediation eerder ook niet tot een bevredigend resultaat heeft geleid, kan niet anders worden vastgesteld dan dat sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van Avans in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel g, BW. Onder deze omstandigheden ligt herplaatsing van [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] binnen een redelijke termijn, in de zin van artikel 7:669 lid 1 BW jo. de artikelen 9 en 10 van de Ontslagregeling, niet in de rede. Het verzoek van Avans om de arbeidsovereenkomst te ontbinden zal daarom worden toegewezen.

5.4.

Waar Avans onweersproken stelt dat de opzegtermijn 3 maanden plus 8 weken bedraagt, zal, met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW, de arbeidsovereenkomst worden ontbonden met ingang van 1 juni 2019. Dat is de datum waarop de arbeidsovereen-komst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure. Nu er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van Avans, zoals hierna zal worden toegelicht, bestaat er geen grond om met de duur van de procedure geen rekening te houden, zoals [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] overigens zonder nadere motivering verzoekt.

5.5.

De gebeurtenissen die hebben geleid tot de door Avans gestelde verstoorde arbeids-verhouding en door [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] gevoelde onveilige situatie, alsmede de twee overige gronden die Avans aan haar ontbindingsverzoek ten grondslag legt, behoeven geen nadere beoordeling, behoudens voor zover deze van belang zijn voor het antwoord op de vraag of aan [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] een billijke vergoeding toekomt.

5.6.

De kantonrechter ziet evenwel geen aanleiding om aan [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] een billijke vergoeding toe te kennen. Gelet op artikel 7:671b lid 8, onderdeel c, BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wets-geschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Anders dan [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] stelt doet een dergelijke situatie zich hier niet voor. Ingaand op hetgeen [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] in haar verweerschrift (nrs. 135 t/m 142) aanvoert om wel een billijke vergoeding toe te kennen wordt het volgende overwogen.

5.7.

[verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] is met ingang van 24 april 2018 ziekgemeld. Zij verwijt Avans onder meer dat die haar geen mogelijkheid heeft geboden om te re-integreren nadat de bedrijfsarts op

29 mei 2018 had geoordeeld dat dit wel mogelijk was. Avans heeft ook geen plan van aanpak opgesteld.

Vanaf 11 juni 2018 was [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] voor 50% hersteld gemeld. Overwogen wordt dat het besluit van het College van Bestuur, kort nadien, om de voltallige directie van de AVD van haar functies vrij te stellen, vanuit het perspectief dat een werknemer bij voorkeur in de eigen functie re-integreert, voor [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] bepaald ongelukkig uitviel. Niettemin is niet gebleken, en is ook niet aannemelijk, dat de arbeidsongeschiktheid van [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] bij het besluit om haar vrij te stellen van haar werkzaamheden een rol heeft gespeeld. Blijkens het verslag van het gesprek op 14 juni 2018 tussen [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] en de voorzitter van het College van Bestuur waarin dit besluit is medegedeeld (productie 17 bij het verzoekschrift) is niet voor niets aan [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] medegedeeld dat aan haar loyaliteit en inzet niet wordt getwijfeld en het College van Bestuur heeft gezien dat [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] in de voorgaande periode heel hard gewerkt heeft.

Uit hetzelfde verslag blijkt tevens dat [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] heeft opgemerkt dat zij op dat moment ziek was en zij zich vanaf 15 juni 2018 weer volledig ziek heeft gemeld. In zijn spreekuurverslag van 26 juni 2018 (productie 24 bij het verzoekschrift) adviseerde de bedrijfsarts aan partijen om op relatief korte termijn met elkaar in gesprek te gaan en hierbij ook een mediator in te schakelen. Partijen hebben dit advies opgevolgd. De laatste mediationbijeenkomst vond op

3 september 2018 plaats. Vervolgens heeft Avans in een e-mail van 7 september 2018 aan [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] aangeboden om te re-integreren in een functie bij het lectoraat ESB (productie 30 bij het verzoekschrift). Desgevraagd heeft de bedrijfsarts in zijn werkhervattingsadvies van 18 september 2018 medegedeeld dat zijns inziens het aangeboden werk passend was. Tevens oordeelde hij dat er niet langer sprake was van arbeidsongeschiktheid door ziekte of gebrek (productie 33 bij het verzoekschrift).

Uit het voorgaande volgt niet alleen dat de periode waarin [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] gedurende haar arbeidsongeschiktheid mogelijk had kunnen re-integreren beperkt was, doch tevens dat Avans wel degelijk heeft gepoogd om [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] te re-integreren. Dat, na later bleek, de aangeboden positie bij het lectoraat ESB niet bleek te voldoen aan de verwachtingen van [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] , doet niet af aan de inspanning van Avans om re-integratie mogelijk te maken. Avans heeft weliswaar niet het in artikel 4 van de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar beschreven plan van aanpak (formulier) opgesteld, zoals artikel 7:658a lid 3 BW voorschrijft, maar het is de kantonrechter niet gebleken dat zij daarmee moedwillig in verzuim was. Uit het verhandelde ter zitting en uit de stukken is immers gebleken dat Avans steeds contact heeft gehouden met de bedrijfsarts en met [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] , alsmede getracht heeft afspraken te maken met [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] met betrekking tot haar re-integratie en haar met het oog hierop een functie heeft voorgesteld. Het enkele ontbreken van een formulier met daarop ‘plan van aanpak’ rechtvaardigt niet de conclusie dat er sprake is van ernstig verwijtbaar nalaten door Avans.

5.8.

Voormeld besluit om [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] vrij te stellen van haar werkzaamheden als [functienaam] bij de AVD acht de kantonrechter in de omstandigheden van het geval evenmin zodanig ernstig verwijtbaar dat dit een billijke vergoeding rechtvaardigt. Vast staat dat het tekort van circa 1,2 miljoen euro op de begroting van de AVD noopte tot ingrijpen. Daartoe werd door de interim directeur van de AVD een organisatieplan opgesteld. De Academieraad heeft daarop bij brief van 8 juni 2018 aan het College van Bestuur kenbaar gemaakt dat de uitvoering van dat plan niet succesvol kan verlopen met de bezetting van het toenmalige directieteam en dat zonder nieuw directieteam, de Academieraad niet met enige andere vorm van organisatiestructuur kan instemmen (productie 16 bij het verzoekschrift). Aangezien de Academieraad, naar Avans onweersproken stelt, instemmingsrecht heeft, is het besluit van het College van Bestuur om de voltallige directie van de AVD - dat wil zeggen het collectief, waarvan [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] onderdeel uitmaakte - vrij te stellen van haar taken, niet onbegrijpelijk en ook verdedigbaar.

Uit de reactie van [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] op de voorgenomen communicatie met betrekking tot de vrijstelling van de directie zoals onder andere blijkt uit haar e-mails van 14 juni 2018, blijkt overigens ook niet dat zij die vrijstelling als zodanig aanvecht, maar (vooral) bezwaar maakt dat over de consequenties voor de directeur niet wordt gecommuniceerd. Verder verwijst Avans naar een verslag van een overleg op 15 april 2018 tussen [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] en de vicevoorzitter van het College van Bestuur waarin is beschreven dat [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] heeft opgemerkt dat zij zelf vond dat de voltallige directie, inclusief haarzelf, moest worden ontslagen (productie 49 van Avans). [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] heeft de inhoud van dat verslag niet weersproken.

Met de vrijstelling van de voltallige directie is door het College van Bestuur niet direct een oordeel gegeven omtrent de oorzaken van de slechte financiële situatie bij de AVD (een ‘mission impossible’, aldus [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] ), noch omtrent het functioneren van [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] .

Dat de vrijstelling van werkzaamheden, of naar het oordeel van de Commissie van beroep HBO, de schorsing bij wijze van ordemaatregel (en niet als disciplinaire maatregel), door [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] als zeer diffamerend werd ervaren is voorstelbaar, maar dat gevoel is naar het oordeel van de kantonrechter onterecht. Anders dan [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] stelt volgt uit het oordeel van de Commissie van beroep HBO namelijk niet dat daarmee de vrijstelling van haar werkzaamheden is opgeheven. De Commissie overwoog enkel dat de in de cao vastgelegde procedure bij een schorsing niet is gevolgd en verklaarde alleen om die reden het beroep van [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] gegrond en heeft zich over werkhervatting in de functie van [functienaam] niet uitgelaten.

5.9.

[verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] stelt verder dat Avans ernstig verwijtbaar heeft gehandeld doordat die het herplaatsingsprotocol niet heeft gevolgd en aan haar niet een gelijkwaardige functie heeft aangeboden. Aan [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] kan worden toegegeven dat nu een dergelijke protocol bestaat, dit in beginsel moet worden gevolgd, ook wanneer dit voor Avans betrekkelijk onbekend is. Immers, in de aanstellingsbrief van 1 juli 2016 (productie 11 bij het verzoekschrift) is uitdrukkelijk naar dit protocol verwezen. Echter, bij het zoeken naar een passende functie is naar het oordeel van de kantonrechter het alleen (niet) volgen van het protocol niet van doorslaggevend belang. Voordat [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] werd aangesteld als [functienaam] bij de AVD bekleedde zij een schaal 12-functie. Nadat de voltallige directie van haar taken werd vrijgesteld heeft Avans aan [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] de functie van projectmanager bij het lectoraat ESB aangeboden. Dit betrof een functie op loonschaalniveau 12, waarbij het loon van [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] in een jaar tijd stapsgewijs naar dat niveau zou worden afgebouwd. Stellende dat het geen passende en gelijkwaardige functie betrof heeft [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] deze niet aanvaard. [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] heeft echter niet (voldoende) duidelijk gemaakt waarom deze functie niet passend zou zijn. Dat het een voor haar gecreëerde functie betrof die “totaal anders is dan de eigen functie”, zoals zij aanvoert, doet niet af aan de (mogelijke) passendheid van die functie in de zin van artikel 9 lid 3 Ontslagregeling. Verder mag het zo zijn dat deze functie niet gelijkwaardig was aan de functie van [functienaam] omdat die in een lagere loonschaal was ingedeeld, maar nu [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] niet kon of wilde voldoen aan de voorwaarde dat zij een masterdiploma zou behalen, volgt uit de voormelde aanstellingsbrief dat zij in ieder geval per 1 juli 2020 geen recht zou hebben op een gelijkwaardige alternatieve functie op schaal 13 niveau. Mede in aanmerking genomen dat [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] zonder succes nog heeft gesolliciteerd op enkele vacatures op het door haar gewenste niveau, valt niet goed in te zien waarom zij de aangeboden functie zonder meer van de hand heeft gewezen. Dat Avans het protocol herplaatsing niet heeft gevolgd acht de kantonrechter dan ook niet voldoende ernstig verwijtbaar om ten laste van haar een billijke vergoeding toe te kennen.

5.10.

Evenmin kan als ernstig verwijtbaar worden gekwalificeerd het ontzeggen van de toegang tot de gebouwen waarin de AVD is gehuisvest, om de redenen zoals die bij brief van 19 december 2018 aan [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] zijn medegedeeld (productie 42 bij het verzoekschrift), noch dat Avans aan medewerkers heeft gevraagd om wat [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] noemt, belastende verklaringen af te geven. Dat Avans, gelijk [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] , ter onderbouwing van haar standpunt verklaringen van medewerkers in het geding heeft gebracht, verdient mogelijk niet de schoonheidsprijs, maar is verdedigbaar en is naar het oordeel van de kantonrechter niet zodanig ernstig verwijtbaar dat dit moet leiden tot toekenning van een billijke vergoeding.

5.11.

Dat, ten slotte, [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] zich zowel in persoon als in haar reputatie ernstig beschadigd voelt, kan de kantonrechter zich voorstellen. Hij deelt echter niet de visie van [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] dat dit uitsluitend het gevolg is van de handelwijze van Avans.

5.12.

Omdat aan de ontbinding geen vergoeding wordt verbonden, hoeft Avans geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken.

5.13.

Gelet op de uitkomst van de zaak, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

in de zaak van het tegenverzoek

5.14.

Het tegenverzoek van [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] om toekenning van een billijke vergoeding behoeft niet te worden behandeld, omdat daarop al is beslist in de zaak van het verzoek.

5.15.

[verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] verzoekt tevens om Avans te veroordelen een transitievergoeding te betalen. Volgens [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] is Avans op grond van artikel 7:673 lid 1 BW een transitievergoeding verschuldigd. Avans wijst er echter op dat in het geval [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] recht heeft op een

WW-uitkering, zij op grond van de cao, ten laste van Avans, tevens aanspraak kan maken op een bovenwettelijke uitkering en, bij voortdurende werkloosheid tot 1 december 2023, op een aansluitende en extra aansluitende werkloosheidsuitkering. Daarnaast bestaat de mogelijkheid van loonsuppletie wanneer [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] een nieuwe dienstbetrekking aanvaardt. De betreffende voorzieningen tezamen vertegenwoordigen een bedrag dat gelijk is aan 3,5 keer de verzochte transitievergoeding, aldus Avans.

5.16.

Overwogen wordt dat [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] de stellingen van Avans aangaande de uitkerings-rechten op grond van de cao niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft bestreden. De kantonrechter is het met Avans eens dat de door haar genoemde uitkeringsrechten moeten worden aangemerkt als een gelijkwaardige voorziening in de zin van artikel 7:673b lid 1 BW. Daaraan doet niet af dat Avans bij brief van 13 november 2018 (productie 40 bij het verzoekschrift) wel heeft aangeboden om aan haar een transitievergoeding uit te betalen, zoals [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] aanvoert. Dat aanbod werd uitdrukkelijk gedaan onder het voorbehoud dat tussen partijen buiten rechte een regeling werd bereikt over een beëindiging van de arbeids-overeenkomst en onder de mededeling dat wanneer dit niet zou slagen, in de procedure een beroep zou worden gedaan op artikel 7:673b BW. De conclusie luidt dan ook dat Avans niet de in artikel 7:673 BW vermelde transitievergoeding verschuldigd is.

5.17.

[verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] heeft verder verzocht om, in het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, te bepalen dat Avans de periodieke verhoging met terugwerkende kracht tot

1 augustus 2018 toekent en deze te laten doorwerken in de cao-verhogingen per 1 september 2018 en 1 april 2019. Overwogen wordt dat die vordering op grond van artikel 7:686a lid 3 BW kan worden ingediend in deze verzoekschriftprocedure, omdat het gaat om een vordering die voldoende verband houdt met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Avans heeft dit ook niet bestreden.

5.18.

Partijen verschillen van mening over de hoogte van het vanaf 1 augustus 2018 aan [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] toekomende loon. Blijkens de salarisspecificatie van november 2018 (productie 3 bij het verzoekschrift) bedraagt het loon € 5.822,87 bruto per maand. [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] stelt dat in dat bedrag de periodieke salarisverhoging van 2,2% per 1 augustus 2018 op grond van de cao nog niet is verwerkt. Overeenkomstig afspraak dient haar salaris vanaf die datum te worden verhoogd tot € 5.750,90 bruto per maand. Als gevolg van cao-verhogingen stijgt het vervolgens tot € 5.894,67 bruto per 1 september 2018 en per 1 april 2019 tot € 6.036,14 bruto, aldus [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] . Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst zij naar een e-mail van 28 juni 2018 van de interim directeur van de AVD aan alle medewerkers waarin die schreef dat de beoordelingen van de individuele medewerkers niet zou plaatsvinden en zij daarom automatisch het eindoordeel ‘goed’ zouden krijgen en, indien van toepassing, de daarbij behorende salarisverhoging per 1 augustus 2018. Avans bestrijdt dit. Zij stelt onder andere dat de verhoging niet is toegekend aan de directieleden, die een andere positie bekleden dan de ‘gewone’ AVD-medewerkers. Tevens zou het merkwaardig zijn geweest om automatisch de beoordeling ‘goed’ toe te kennen aan de directieleden, die uit hun taak zijn ontheven.

5.19.

De kantonrechter volgt Avans hierin niet. Niet gesteld of gebleken is dat voor [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] in 2017 een van de overige medewerkers van de AVD afwijkende beoordelings- en daaraan gekoppelde beloningsmethode is gehanteerd. Daarin kan dan ook geen rechtvaardiging worden gevonden voor een afwijkende wijze van belonen in 2018. Evenmin kan uit de omstandigheid dat de voltallige directie van haar werkzaamheden werd vrijgesteld worden herleid dat [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] zodanig heeft gepresteerd dat zij op de verhoging geen aanspraak zou hebben. Bovendien zijn in de e-mail waar [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] naar verwijst, directieleden niet expliciet uitgezonderd van de automatische loonsverhoging.

5.20.

Op de vordering van [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] zal Avans hierna dan ook worden veroordeeld om de periodieke verhoging (alsnog) uit te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente.

5.21.

Aangezien partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

in de zaak van het verzoek

6.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juni 2019;

6.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

in de zaak van het tegenverzoek

6.3.

bepaalt dat Avans de periodieke loonsverhoging van 2,2% vanaf 1 augustus 2018 aan [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] toekent en veroordeelt Avans om deze verhoging en de daaropvolgende loonsverhogingen conform de cao per 1 september 2018 en 1 april 2019 aan [verweerster tevens vrz van het tegenverzoek] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, telkens vanaf de opeisbaarheid van het loon tot aan de dag van de algehele voldoening;

6.4.

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

6.6.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Zander, kantonrechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 februari 2019, in tegenwoordigheid van de griffier.