Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:771

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
25-02-2019
Zaaknummer
C/02/354761 JERK 19-197
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

afwijzing verzoek omzetting voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp; minderjarige heeft 3 van de 5 voorwaarden overtreden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

zaakgegevens : C/02/354761 / JE RK 19-197

datum uitspraak: 19 februari 2019

beschikking inzake omzetting voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp

in de zaak van

[minderjarige], hierna te noemen [naam 1],

geboren op [geboortedatum] te Tilburg,

verblijvende op SJS Almata te Ossendrecht,

bijgestaan door mr. A. van Vliet, advocaat te Breda.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE TILBURG, hierna te noemen het college,

[belanghebbende 1], hierna te noemen de moeder,

wonende te Tilburg,

[belanghebbende 2], hierna te noemen de vader,

wonende te Tilburg.

Op grond van het bepaalde in artikel 6.1.10 van de Jeugdwet is tevens in deze procedure tevens gekend:

de jeugdhulpaanbieder Stichting Jeugdzorg Sint Joseph (SJSJ) Almata, hierna te noemen Almata, gevestigd te Ossendrecht.

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoek met bijlage van [naam 1] van 30 januari 2019, ingekomen bij de griffie op 30 januari 2019;

- het verzoek met bijlagen van [naam 1], ingekomen bij de griffie op 6 februari 2019.

Op 8 februari 2019 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord is:

  • -

    de minderjarige [naam 1] en haar advocaat,

  • -

    de moeder,

- de vader,

- een vertegenwoordigster van het college,

- een vertegenwoordiger van Almata.

De feiten


Het ouderlijk gezag over [naam 1] wordt uitgeoefend door de ouders.

Bij beschikking van 14 januari 2019 is op verzoek van het college en met instemming van de ouders een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp verleend van 15 januari 2019 tot 15 mei 2019. Aan deze beschikking is het door [naam 1] en de moeder ondertekende hulpverleningsplan van Almata aangehecht van 24 december 2019.

In het hulpverleningsplan zijn – kort – de volgende voorwaarden opgenomen:

  • -

    Voorwaarde 1: [naam 1] heeft een gedegen dagbesteding en houdt zich aan de daar over gemaakte afspraken.

  • -

    Voorwaarde 2: [naam 1] onttrekt zich niet aan het toezicht van haar moeder.

  • -

    Voorwaarde 3: [naam 1] gebruikt geen middelen (blowen)

  • -

    Voorwaarde 4: [naam 1] houdt zich aan de afspraken die gemaakt worden in het kader van het behandeltraject MST en het ThuisBest traject van Almata en met de casemanager [naam 2].

De jeugdhulpaanbieder heeft op 23 januari 2019 de beslissing genomen om [naam 1] op te nemen.

Op 30 januari 2019 heeft [naam 1] de kinderrechter verzocht de beslissing tot opneming in een gesloten accommodatie geheel vervallen te verklaren.

Almata heeft [naam 1] op 31 januari 2019 opgenomen in een gesloten accommodatie.

Het verzoek


[naam 1] heeft verzocht de beslissing van Almata tot ‘Omzetting voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdzorg’ van 23 januari 2019 geheel vervallen te verklaren.

[naam 1] stelt zich primair op het standpunt dat het besluit van Almata niet voldoet aan de formele vereisten en om die reden vervallen verklaard moet worden. Onvoldoende is komen vast te staan dat Almata zich voorafgaand aan de opneming van [naam 1] op de hoogte heeft gesteld van de actuele toestand van de opgroei- en opvoedingsproblemen, zoals bepaald in artikel 6.1.6 lid 4 van de Jeugdwet. Dit blijkt geenszins uit de beslissing van Almata. Dit klemt te meer omdat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever het van groot belang heeft geacht dat de schriftelijke kennisgeving de motieven van de beslissing bevat en dat zulks nodig is om in rechte tegen de beslissing te kunnen opkomen (TK 2012-2013, 33684, nr. 3, blz. 192).

Uit de wetsgeschiedenis volgt voorts dat, in het kader van de verplichting als bedoeld in artikel 6.1.6 lid 4 van de Jeugdwet, aspecten als de subsidiariteit en de proportionaliteit van de gedwongen opneming in ogenschouw moeten worden genomen. Deze beslissing moet berusten op een deugdelijke en voor de minderjarige en haar ouders kenbare motivering.

Daar komt nog bij dat de opneming van de minderjarige op grond van artikel 6.1.6 van de Jeugdwet een inmenging van het openbaar gezag betekent in de uitoefening van het door artikel 8 lid 1 EVRM beschermde recht op respect voor het familie- en gezinsleven van de minderjarige. Deze inmenging is niet toegestaan, tenzij zij bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in de in artikel 8 lid 2 EVRM genoemde gevallen. Indien, zoals in het onderhavige geval, niet is voldaan aan de vereisten die de nationale wet stelt voor de hiervoor bedoelde inmenging, is sprake van schending van artikel 8 EVRM.

Bovendien blijkt uit de omzettingsbeslissing dat [naam 1] niet op de hoogte is gesteld van deze beslissing. Almata heeft daarom onvoldoende kunnen beoordelen of er sprake is van een situatie die de omzettingsbeslissing rechtvaardigde. Daarnaast heeft de advocaat van [naam 1] de omzettingsbeslissing pas op 28 januari 2019 op schrift ontvangen. Uit het voorgaande volgt dat de gedwongen opneming van [naam 1] op 31 januari 2019, nu deze niet heeft plaatsgevonden met inachtneming van de eisen die de wet daaraan stelt, als onrechtmatig moet worden bestempeld.

Subsidiair heeft [naam 1] aangevoerd dat de beslissing van Almata onvoldoende is onderbouwd. Vanwege haar psychische gesteldheid is [naam 1] niet in staat de consequenties van haar handelen te overzien. Zij is onvoldoende duidelijk gewaarschuwd voor de consequenties van haar handelen. Uit het emailbericht van mevrouw [naam 3] van 16 november 2018 blijkt ook dat [naam 1] op licht verstandelijk beperkt niveau functioneert. Ook de gebrekkige communicatie tussen de moeder, Almata en MST hebben bijgedragen aan de onduidelijke situatie voor [naam 1]. Uit de beslissing blijkt dat Almata het nalaat om concreet aan te geven dat [naam 1] niet actief op zoek is naar een dagbesteding. Het niet naleven van de voorwaarden door [naam 1] kan de omzettingsbeslissing niet rechtvaardigen. De gesloten plaatsing is in strijd met artikel 8 EVRM. [naam 1] mist haar ouders, gaat niet naar school en daardoor staat haar ontwikkeling stil. Sinds haar gesloten plaatsing is er geen omslag in haar gedrag, maar zij blokkeert en leeft toe naar het einde van haar gesloten plaatsing. Er is echter een alternatief bij haar moeder. Haar moeder is druk doende met het regelen van een dagbesteding bestaande uit school en werk. [naam 1] kan dan ook weer thuis wonen als haar voldoende duidelijkheid wordt geboden. Daarvoor is een plan van aanpak noodzakelijk waarin staat vermeld wat zij wel en niet mag. Als het niet goed gaat wil [naam 1] dat het duidelijk aan haar wordt uitgelegd, zo nodig met een waarschuwing. Als de opneming van [naam 1] op 31 januari 2018 als onrechtmatig wordt bestempeld dan heeft dit tot gevolg dat de bij beschikking van 14 januari 2019 verleende voorwaardelijke machtiging en de daarbij geldende voorwaarden ‘herleven’.

De standpunten ter zitting (samengevat en zakelijk weergegeven)

[naam 1] heeft in het bijzijn van haar advocaat ter zitting aangegeven dat zij zo snel mogelijk weer naar huis wenst te gaan. Een gesloten plaatsing is wat haar betreft helemaal niet noodzakelijk. Zij erkent dat zij zich niet aan de voorwaarden heeft gehouden, maar zij verdient een tweede kans. Na het verliezen van haar bijbaantje (dagbesteding) is [naam 1] in paniek geraakt en heeft zij verkeerde beslissingen genomen. Er zijn ook positieve ontwikkelingen. [naam 1] heeft bijvoorbeeld een intakegesprek voor een nieuwe opleiding gehad. Zij kon op 1 februari 2019 beginnen. Het is wenselijk dat zij vanuit thuis naar school kan gaan.

Namens [naam 1] wordt gesteld dat bij het vaststellen van de voorwaarden al duidelijk was dat het bijbaantje een kwetsbaar punt was. Het betrof maar 12 uur en de vraag was of [naam 1] dat zou aankunnen. Er zou van week tot week bekeken worden wat de situatie was, ook de thuissituatie bij de moeder zou daarbij betrokken worden. Uit de stukken wordt de gang van zaken in de periode voorafgaand aan de beslissing tot omzetting niet duidelijk. Vier maanden gesloten zitten is niet passend voor [naam 1]. Er moet zo snel mogelijk passende hulp worden geregeld.

De vertegenwoordigster van het college heeft ter zitting verklaard dat er in het kader van de voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp duidelijke voorwaarden waren gesteld. Het is wat het college betreft ook duidelijk dat [naam 1] zich niet aan de voorwaarden heeft gehouden. Er zijn drie moment geweest dat [naam 1] niet bereikbaar was. Bij twee momenten wist de moeder ook niet waar [naam 1] was.

De vertegenwoordiger van Almata heeft als reactie op het formele standpunt van [naam 1] ter zitting naar voren gebracht dat [naam 1] niet geïnformeerd kon worden over de omzettingsbeslissing, omdat zij niet bereikbaar was voor Almata. Er is meerdere malen telefonisch contact gezocht met [naam 1], echter zij heeft daar niet op gereageerd. De dag nadat de omzettingsbeslissing op schrift is gesteld, is het per post naar het adres van de moeder gestuurd. Verder heeft de vertegenwoordiger van Almata naar voren gebracht dat de voorwaarden met [naam 1] heel duidelijk zijn besproken. Zij en haar moeder zijn daar ook mee akkoord gegaan. [naam 1] heeft zich meerdere keren onttrokken dus Almata heeft [naam 1] al meerdere kansen gegeven. Dit blijkt ook uit het feit dat tweemaal een OAT is uitgegaan. MST is beëindigd mede omdat er in de thuissituatie sprake was agressief gedrag van [naam 1]. Toen [naam 1] wegliep, was MST helemaal niet meer uitvoerbaar. Vanuit MST is inmiddels aangegeven dat het ook niet meer zal worden opgestart. Almata zal de door de moeder ingeschakelde hulpverlening niet blokkeren.

De moeder heeft ter zitting laten weten dat zij het standpunt van [naam 1] ondersteunt. De twee momenten waarop [naam 1] was weggelopen, had de moeder wel contact met haar. Op enig moment is [naam 1] in België bij een tante verbleven om tot rust te komen. De moeder heeft dat ook kenbaar gemaakt aan het college en aan Almata. MST was geen passend hulpverleningstraject en de dagbesteding van [naam 1] was voor haar niet uitvoerbaar. De moeder heeft vervolgens op eigen initiatief zelf passende behandeling en onderwijs voor [naam 1] geregeld. [naam 1] kan gesprekken voeren met een psycholoog en de revalidatie weer opstarten.

De beoordeling

De kinderrechter overweegt als volgt.

Op grond van artikel 6.1.4 Jeugdwet is bij beschikking van 14 januari 2019 een voorwaardelijke machtiging verleend om [naam 1] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie. Aan deze beschikking is een hulpverleningsplan gehecht dat een omschrijving van de voorwaarden en het toezicht daarop en van de jeugdhulp die zal worden ingezet teneinde de opgroei- en opvoedproblemen te verminderen, te stabiliseren, op te heffen of om te gaan met de opgroei- en opvoedproblemen. De machtiging is verleend onder de voorwaarde dat de jeugdige de hulp aanvaard, overeenkomstig het hulpverleningsplan. Bovendien heeft de jeugdige zich bereid verklaard tot naleving van de voorwaarden of redelijkerwijs was aan te nemen dat de voorwaarden zouden worden nageleefd.

Blijkens het bepaalde in artikel 6.1.6, eerste lid, Jeugdwet ziet de jeugdhulpaanbieder die bereid is de jeugdige op te nemen in een gesloten accommodatie toe op de naleving van de voorwaarden.

De jeugdhulpaanbieder doet de jeugdige opnemen in een gesloten accommodatie, indien door de naleving van de voorwaarden buiten de gesloten accommodatie de ernstige belemmering van de ontwikkeling naar volwassenheid als gevolg van de ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen, niet langer kan worden afgewend en de jeugdige zich onttrekt of door anderen wordt onttrokken aan de jeugdhulp.

Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.6, derde lid, Jeugdwet kan een jeugdhulpaanbieder de jeugdige doen opnemen in een gesloten accommodatie, wanneer deze de voorwaarden niet naleeft waardoor de jeugdige ernstig wordt belemmerd in de ontwikkeling naar volwassenheid en deze ernstige belemmering niet buiten de gesloten accommodatie kan worden afgewend.

Ingevolge artikel 6.1.6, vierde lid, Jeugdwet stelt de jeugdhulpaanbieder zich voorafgaand aan de opneming op de hoogte van de actuele toestand van de ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de jeugdige heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren.

Op grond van artikel 6.1.6, zesde lid, Jeugdwet stelt de jeugdhulpaanbieder de jeugdige uiterlijk vier dagen na zijn beslissing de jeugdige op te nemen, daarvan schriftelijk in kennis onder mededeling van de redenen van beslissing. Een afschrift van de mededeling wordt zo spoedig mogelijk gezonden aan de verzoeker van de machtiging, de advocaat van de jeugdige en aan de griffier van de rechtbank die de voorwaardelijke machtiging heeft verleend.

Ingevolge artikel 6.1.7, eerste lid, Jeugdwet kan de kinderrechter de opneming als bedoeld in artikel 6.1.6, tweede of derde lid op verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger of de jeugdige geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren.

Voor wat betreft de formele vereisten ten aanzien van de beslissing van de jeugdhulpaanbieder van 23 januari 2019 overweegt de kinderrechter het volgende. Allereerst wordt geconstateerd dat Almata op grond van artikel 6.1.6, zesde lid, Jeugdwet de jeugdige tijdig (binnen vier dagen) schriftelijk in kennis heeft gesteld van de beslissing tot omzetting van de voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp. Namens Almata is aangegeven dat een dag na de beslissing tot omzetting deze beslissing aan het adres van [naam 1] is gestuurd. [naam 1] zelf was op dat moment voor Almata niet bereikbaar. De kinderrechter gaat uit van de juistheid van deze stelling. Voorts heeft [naam 1] onverminderd gebruik kunnen maken van de mogelijkheid om tegen de beslissing op te komen.

[naam 1] stelt dat onvoldoende vast is komen te staan dat Almata zich voorafgaand aan de opneming van [naam 1] op de hoogte heeft gesteld van de actuele toestand van de opgroei- en opvoedingsproblemen, zoals bepaald in artikel 6.1.6 lid 4 van de Jeugdwet. Uit de door het college overgelegde e-mails en hetgeen op zitting is besproken kan het volgende worden vastgesteld.

Uit een e-mail van 14 januari 2019 van mevrouw [naam 4] (MST-therapeute) aan mevrouw [naam 5] (IMW) en de heer Bathoorn (Almata) blijkt dat [naam 1] op 11 januari 2019 is weggelopen. Daarover is op 14 januari 2019 een gesprek geweest tussen de MST-therapeute, [naam 1] en de moeder. Op 14 januari 2019 is [naam 1] opnieuw weggelopen en dezelfde dag weer teruggekomen. Op 15 januari 2019 zijn de voorwaarden in het kader van de voorwaardelijke machtiging van kracht geworden. Uit de e-mails blijkt vervolgens dat er op 16 januari 2019 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen de MST-therapeute, de moeder en [naam 1]. Op 18 januari 2019 is er vanuit Almata een OAT uitgevaardigd, omdat [naam 1] (wederom) is weggelopen. Vervolgens is er steeds getracht om contact te krijgen met [naam 1]. Op 22 januari 2019 heeft mevrouw [naam 5] (IMW) aan [naam 1] aangegeven dat zij om 14:00 uur zich thuis moest melden. Omdat [naam 1] niet was verschenen is er op verzoek van Almata opnieuw een OAT uitgevaardigd. Op 23 januari 2019 is de beslissing van Almata tot omzetting van de voorwaardelijke machtiging genomen. De kinderrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat voldoende uit de e-mails voorts voldoende is gebleken dat Almata zich voordat de beslissing tot opneming is genomen op de hoogte heeft doen stellen van de actuele situatie rondom de opgroei- en opvoedproblemen van [naam 1] zoals bedoeld in artikel 6.1.6. lid 4 Jeugdwet. Almata is steeds betrokken geweest bij de actuele ontwikkelingen en kon daarom op 23 januari 2019 beslissen of de omzetting voldeed aan de maatstaven van proportionaliteit en subsidiariteit zonder [naam 1], die niet bereikbaar voor hen was, te horen.

Voorts is in beslissing opgenomen dat de voorwaarden 1, 2 en 4 door [naam 1] zijn overtreden. Gelet op de gang van zaken waarbij [naam 1] haar bijbaantje kwijt was en inmiddels tweemaal een OAT was uitgevaardigd, omdat [naam 1] niet bereikbaar was voor Almata, moet haar voldoende duidelijk zijn geweest waarom men meende dat de voorwaarden waren overtreden.

Dit maakt dat voldaan is aan de formele vereisten.

Wat betreft de door [naam 1] aangevoerde materiele bezwaren tegen de beslissing tot omzetting van de voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp overweegt de kinderrechter als volgt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat Almata in de beslissing tot ‘Omzetting voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdzorg’ van 23 januari 2019 heeft aangegeven dat [naam 1] zich aan voorwaarde 1, 2 en 4 niet heeft gehouden. Vast staat dat [naam 1] geen dagbesteding meer heeft. Verder staat vast dat [naam 1] een aantal keren van huis is weggeweest zonder toezicht en toestemming van haar moeder. Tevens heeft zij zich niet gehouden aan de MST/Thuis Best plannen. Ook al stelt [naam 1] dat zij op momenten gewoon thuis was, vast staat dat er meerdere keren vanuit Almata of overige betrokken hulpverlening contact is gezocht met [naam 1]. Zij heeft er kennelijk voor gekozen om daarop niet te reageren of aanwijzingen niet op te volgen. Dit maakt dat er meerdere keren niet is voldaan aan de voorwaarde dat zich niet zou onttrekken aan de noodzakelijke hulp. Dat het een paniekreactie was, doet daar niets aan af. [naam 1] was niet bereikbaar voor Almata en ingezette hulpverlening. Voorts passeert de kinderrechter het verweer dat [naam 1] vanwege haar psychische gesteldheid niet in staat zou zijn de consequenties van haar handelen te overzien. Voorafgaand aan de afgifte van de voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp is immers met [naam 1] (op de zitting en door Almata) uitvoerig besproken wat de voorwaarden zijn. [naam 1] heeft toen voldoende de gelegenheid gekregen om aan te geven wat zij wel of niet begrijpt. De kinderrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat Almata terecht en op goede gronden heeft besloten tot omzetting van de voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp van [naam 1].

De vraag is vervolgens of er op een andere wijze dan een gesloten plaatsing ingegrepen kan worden. De kinderrechter is van oordeel dat dit niet meer kan. De voorwaarden zoals opgenomen in het hulpverleningsplan waaronder [naam 1] thuis kon wonen, waren voldoende duidelijk en desondanks is het [naam 1] niet gelukt zich hieraan te houden. Zodra zij haar bijbaantje kwijt raakte, is zij niet in gesprek gegaan met Almata, maar heeft zij zich steeds weer onbereikbaar gehouden. Daarnaast is de noodzakelijke ambulante hulp (MST) stopgezet en is er vanuit MST ook aangegeven dat die hulp op dit moment ook geen optie meer is. Daarmee bestaat er naar het oordeel van de kinderrechter op dit moment nog een groot risico dat [naam 1] zonder de structuur die haar binnen Almata wordt geboden zal terugvallen, zodat zij onbereikbaar is voor hulpverlening en in onveilige situaties belandt.

Daarmee is voldaan aan de vereisten die de nationale wet stelt aan de beslissing tot omzetting en is geen sprake van schending van artikel 8 EVRM.

Het verzoek van [naam 1] om de beslissing van Almata tot ‘Omzetting voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdzorg’ van 23 januari 2019 geheel vervallen te verklaren, wordt daarom afgewezen.

De kinderrechter merkt tot slot op dat de omgezette machtiging gesloten jeugdhulp loopt tot 15 mei 2019. Verwacht wordt van het college dat er niet langer dan noodzakelijk gebruik zal worden gemaakt van deze machtiging. [naam 1], de moeder, Almata en het college moeten zo spoedig mogelijk een plan van aanpak voor de komende periode realiseren. Belangrijke onderwerpen in het plan zijn het (realiseren van) onderwijs en de therapieën voor [naam 1].

Dit betekent dat als volgt worden beslist.

De beslissing


De kinderrechter:

wijst het verzoek van [naam 1] af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Combee, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2019 in tegenwoordigheid van Weterings, griffier

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • -

    door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

  • -

    door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch