Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:768

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-02-2019
Datum publicatie
25-02-2019
Zaaknummer
C/02/354336 JERK 19-113
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

afwijzing verzoek bekrachtiging schriftelijke aanwijzing wegens onvoldoende belang

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

zaakgegevens : C/02/354336 / JE RK 19-113

datum uitspraak: 13 februari 2019

beschikking bekrachtiging schriftelijke aanwijzing

in de zaak van

STICHTING INTERVENCE, de Gecertificeerde Instelling (hierna te noemen de GI),

gevestigd te Middelburg,

betreffende

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] te Breda, hierna te noemen [naam 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] te Breda, hierna te noemen [naam 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam 1] en [naam 2] , voornoemd,

[belanghebbende 1] hierna te noemen de moeder,

wonende te Etten-Leur, bijgestaan door mr. M. Hofland, advocaat,

[belanghebbende 2] , hierna te noemen de vader,

wonende op een geheim adres, bijgestaan door mr. W.H.P. de Jongh, advocaat.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoek met 2 bijlagen van de GI van 24 januari 2019, ingekomen bij de griffie op 24 januari 2019;

- de brief/het verweer van mr. M. Hofland namens de moeder van 31 januari 2019, met 2 producties;

- de pleitnota van de vader.

Op 1 februari 2019 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- een vertegenwoordigster van de GI,

- de minderjarigen [naam 1] en [naam 2] , die apart zijn gehoord,

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat.

De feiten


Het ouderlijk gezag over [naam 1] en [naam 2] wordt uitgeoefend door de ouders.

Bij beslissing van 15 oktober 2018, schriftelijk bevestigd bij beschikking van 29 oktober 2018, is de ondertoezichtstelling van [naam 1] en [naam 2] met ingang van 18 oktober 2018 verlengd tot 18 april 2019.

De GI heeft op 24 januari 2019 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [naam 1] en [naam 2] . Hierin is – kort samengevat – het volgende opgenomen:

[naam 1] en [naam 2] wonen bij hun moeder en hebben sinds december 2017 geen contact meer gehad met hun vader. Het is Jeugdbescherming Brabant niet gelukt om deze contacten te herstellen. Op 15 oktober 2018 is het verzoek van de vader tot wijziging GI toegewezen. Thans is Stichting Intervence betrokken.

De (huidige) GI heeft op vrijdag 18 januari 2019 een mailbericht ontvangen van de vader met het verzoek een moment te organiseren waarop de kinderen afscheid van hun oma kunnen nemen die op dat moment op sterven ligt. Na intern overleg heeft de GI een handelswijze naar de ouders gecommuniceerd, waarbij is verwezen naar de advocaten om verdere praktische afspraken te maken.

Het is ouders onderling, met behulp van de advocaten, niet gelukt om een moment voor de kinderen te organiseren. De kinderen hebben tot op dat moment geen afscheid kunnen nemen. Op zondag 20 januari 2019 is de oma van [naam 1] en [naam 2] overleden. Op vrijdag 25 januari 2019 zal het afscheid zijn.

De GI is van mening dat er voor de kinderen een kort moment moet zijn waarop zij afscheid kunnen nemen van hun oma zonder verdere aanwezigheid van familie vaderszijde.

De vader is bereid geweest om een apart moment hiervoor, in overleg met het uitvaartcentrum, te plannen. De GI is van mening dat de kinderen recht hebben op dit moment van afscheid, waarbij het moment zo onbelast mogelijk verloopt.

De GI is van mening dat de kinderen door de moeder gebracht moeten worden en vervolgens met de gezinsmanager en een bekend persoon (die ook bekend is voor de kinderen en de vader) naar hun oma kunnen gaan. Na een kort moment van afscheid in het bijzijn van de gezinsmanager en eventueel bekende persoon en een condoleance naar vader toe kunnen de kinderen met moeder mee terug naar huis rijden.

De GI is van mening dat deze constructie voor de kinderen het minst belastend is, omdat de aanwezigheid van de moeder zorgt voor meer spanning. De kinderen zullen dan meer gericht zijn op hun moeder dan op het afscheid van hun oma.

Er is op dinsdagmiddag 22 januari 2019 om 17.00 uur contact geweest met de advocaat van de moeder, nadat de GI de moeder verschillende malen tevergeefs heeft geprobeerd te bereiken om bovenstaande te bespreken. De advocaat van de moeder heeft in de loop van de ochtend van 24 januari 2019 aangegeven, dat de kinderen bij leven afscheid hadden willen nemen en dit niet te willen nu de oma overleden is. Voor de GI is de mening vanuit de kinderen nog onbekend. De advocaat heeft aangegeven dat de moeder niet wil meewerken, omdat de kinderen dit niet willen. Volgens de moeder is er een afscheidsmoment geweest in hun eigen huis door een kaarsje te branden.

Om te voorkomen dat de kinderen in de toekomst spijt krijgen dat ze geen afscheid hebben kunnen nemen, vindt de GI het noodzakelijk dat de volwassenen om hen heen de gelegenheid bieden afscheid te nemen. De GI acht het voor de kinderen schadelijk in hun ontwikkeling wanneer dit definitieve moment aan hun voorbijgaat.

De GI heeft besloten de volgende aanwijzingen te geven:

- De moeder motiveert en stimuleert de kinderen om afscheid te gaan nemen van hun oma (vaderszijde) op vrijdag 25 januari 2019 om 13.30 uur bij: Uitvaartcentrum H. Agterberg, aan de Wolter Heukelslaan 50 te Utrecht;

- De moeder brengt de kinderen naar het uitvaartcentrum en wacht in de auto;

- Wanneer de moeder niet in de gelegenheid is om de kinderen te brengen, stimuleert de moeder de kinderen om mee te rijden met de gezinsmanager;

- De kinderen gaan met de gezinsmanager naar binnen. Eventueel is een bekend persoon voor de kinderen van vaderszijde aanwezig (de kinderen kunnen iets schrijven in het register en zelf besluiten of ze hun oma wel of niet willen zien);

- De kinderen kunnen hun vader een hand geven en condoleren met het verlies van zijn moeder;

- De kinderen worden door de gezinsmanager naar de auto van de moeder gebracht en moeder vertrekt met de kinderen naar huis;

- Wanneer de moeder niet in de gelegenheid is om te rijden, brengt de gezinsmanager de kinderen thuis.

Het verzoek


De GI heeft bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing van 24 januari 2019 verzocht.

Tevens wordt verzocht een dwangsom op te leggen van € 500,= indien de aanwijzing niet wordt nagekomen door de moeder.

Het standpunt van verzoeker

De GI heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat de kinderen door de al jarenlang durende strijd tussen hun ouders klem zijn komen te zitten. De kinderen hebben een negatief beeld over hun vader ontwikkeld en hebben al sinds december 2017 geen contact meer met hem. Het is voor de GI onduidelijk waar het negatieve beeld over de vader vandaan komt. Het lukt de moeder niet voor de kinderen een ander beeld van de vader te schetsen.

De GI is van mening dat de moeder als hoofdopvoeder een grote rol heeft in het stimuleren en motiveren van de kinderen, zeker als het gaat om een moment als afscheid nemen dat nooit meer over gedaan kan worden. De moeder had de kinderen duidelijk moeten maken dat het goed voor hen was om afscheid van hun oma te nemen. De moeder heeft echter aangegeven dat de kinderen niet willen gaan en lijkt daar genoegen mee te nemen. Zij gaf aan geen medewerking te verlenen aan de zorgvuldig door de GI bedachte constructie. Om te voorkomen dat de kinderen de dupe worden van de situatie tussen de ouders, achtte de GI het noodzakelijk om middels een schriftelijke aanwijzing de moeder ertoe te zetten medewerking te verlenen. De GI vindt het belangrijk dat de kinderen de kans kregen om afscheid te nemen van hun oma en de vader te condoleren met het verlies door hem een hand te geven. De GI heeft de indruk dat de moeder de kinderen de gelegenheid tot dat laatste niet geeft, zoals ook voorafgaand aan de zitting bleek.

De GI heeft hierbij opgemerkt dat zij bij de totstandkoming van de schriftelijke aanwijzing geen contact heeft gehad met de kinderen zelf. De reden hiervan was volgens de GI dat de advocaat van de moeder erop had aangedrongen dat alle communicatie via haar moest verlopen.

De GI betwist de stelling van de moeder dat zij voor het geven van de schriftelijke aanwijzing over onvoldoende dossier kennis zou beschikken. Wel is het zo, aldus de GI, dat zij als nieuwe stichting met een frisse blik naar de zaak wil(de) kijken en dat het primaire doel van de ondertoezichtstelling is en blijft op welke wijze de vader een onbelast contact zal kunnen hebben met [naam 1] en [naam 2] .

Het standpunt van de moeder

De moeder heeft de stelling van de GI betwist dat zij naar aanleiding van het bericht van 18 januari 2019 niet direct telefonisch contact zou hebben opgenomen met de GI. De moeder stelde toen voor dat zij aan het einde van de middag samen met de kinderen naar het verzorgingshuis in Utrecht zou rijden, zodat zij daar afscheid konden nemen van oma. Volgens de moeder liet de vader via zijn advocaat uitdrukkelijk weten dat zijzelf niet welkom zou zijn. Omdat de moeder het te belastend vond voor de kinderen om in deze situatie, zonder de aanwezigheid van een hechtingsfiguur afscheid te moeten nemen van de oma (die ze al jaren niet hadden gezien), heeft zij de GI om advies gevraagd. In haar mail van diezelfde dag heeft de GI duidelijk aangegeven dat zij het in het belang van de minderjarigen acht, dat de moeder zelf bij het afscheid aanwezig zal zijn of op de achtergrond aanwezig zal zijn. De wens van de kinderen hierin stond volgens de GI voorop.

Naar aanleiding van het mailbericht van de GI van 18 januari 2019 heeft de moeder zekerheidshalve nogmaals aan de advocaat van de vader verzocht of de vader niet van gedachten was veranderd, zodat de moeder en de kinderen alsnog konden gaan. Hierop kwam geen reactie. Omdat de vader het niet eens was met de door de GI gestelde voorwaarden, werd er geen afscheid meer genomen van de oma.

Op maandag 21 januari 2019 ontving de moeder via de advocaat van de vader om 14.30 uur het bericht dat de oma was overleden. Op dinsdag 22 januari 2019 werd de advocaat van de moeder rond 17.00 uur gebeld door de GI met het verzoek aan de moeder te vragen of de kinderen bij de plechtigheden aanwezig konden zijn, dan wel een kort moment voorafgaand aan de plechtigheden. Het voorstel was dat de moeder de kinderen naar Utrecht zou brengen en dat zijzelf vervolgens in de auto zou blijven zitten. De kinderen konden dan met de nieuwe gezinsvoogd (die de kinderen nog nooit hadden ontmoet) alsmede met een kennis van de vader naar oma om afscheid te nemen. De moeder betwist dat er op dat moment al verschillende keren door de GI met haar gebeld zou zijn en dat zij niet bereikbaar was.

Op donderdagochtend 24 januari 2019 was er opnieuw telefonisch contact tussen de GI en de advocaat van de moeder, waarin aan de GI werd verteld dat de moeder niet naar de plechtigheden of voorafgaand aan de plechtigheden zal gaan als zij niet mee mag met de kinderen. Nogmaals werd door de advocaat van de moeder aan de GI verzocht om hierover zelf contact op te nemen met de moeder om dit soort belangrijke zaken persoonlijke met haar te bespreken. De teammanager zegde toe de moeder nog diezelfde dag te zullen bellen.

Daarnaast werd uitdrukkelijk aan de GI meegegeven dat de verwachting is dat het dwingen van de kinderen om toch te gaan vermoedelijk meer spanning zal opleveren bij de kinderen en dat dit niet in hun belang zou zijn.

Volgens de moeder werd zij kennelijk door de teammanager gebeld om 15.15 uur (zij was aan het werk), maar werd voicemail bericht achtergelaten. Bovendien werd er gebeld met een anoniem nummer, zodat de moeder niet kon terugbellen. Tot haar verbazing ontving de moeder vervolgens op diezelfde dag om 16.14 uur een faxbericht met de schriftelijke aanwijzing. Na het versturen van het faxbericht werd aan de moeder om 16.39 uur ook nog een e-mailbericht gestuurd, waarin werd aangegeven dat de moeder is gebeld maar dat de voicemail aanging.

Waar de moeder het meeste moeite mee heeft, is het feit dat de GI een schriftelijke aanwijzing afgeeft, zonder met de kinderen gesproken te hebben en zonder enige kennis van het dossier. Zo heeft de nieuwe gezinsvoogd letterlijk aan de moeder te kennen gegeven sinds 24 januari 2019 te zijn aangesteld en zich nog niet te hebben verdiept in de voorgeschiedenis, noch zich te hebben ingelezen. De moeder betwist de stelling van de GI dat de moeder heeft gezegd dat alle communicatie via haar advocaat moest verlopen. Ook betwist de moeder de stellingen van de GI en de vader dat zij de kinderen niet of onvoldoende zou stimuleren om contact te (blijven) houden met familie vaderszijde. De moeder begrijpt ook niet waarom in eerste instantie de GI het standpunt in heeft genomen dat de wens van de kinderen voorop stond, wat inhield dat de moeder tijdens het bezoek bij oma aanwezig zou zijn of op de achtergrond aanwezig zou zijn en later aangaf dat er geen hechtingsfiguur bij het afscheid van de oma mocht zijn.

Concluderend is de moeder op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden van oordeel, dat de schriftelijke aanwijzing onterecht en op onjuiste gronden is afgegeven en als vervallen dient te worden verklaard en dat het daarmee voor zichzelf spreekt dat ook de gevraagde dwangsom dient te worden afgewezen.

Het standpunt van de vader

De vader heeft verklaard het ernstig te betreuren dat de moeder de kinderen niet de emotionele toestemming geeft om contact te kunnen blijven onderhouden met hem en zijn familie, met name bij het afscheid van zijn moeder.

De vader heeft de inhoud van de door de GI gegeven schriftelijke aanwijzing ten volle onderschreven en heeft het verzoek van de GI tot bekrachtiging van de aanwijzing ondersteund.

Het standpunt van de minderjarigen

De minderjarige [naam 1] heeft aangegeven dat hij op vrijdag 25 januari 2019 een kennismakingsgesprek met de nieuwe gezinsvoogd heeft gehad. Dit was de eerste keer dat hij haar sprak. [naam 1] betreurt dat de nieuwe gezinsvoogd toen onvoldoende oor had voor wat hij en zijn zusje graag zouden hebben gewild ten aanzien van het afscheid van hun oma. Volgens [naam 1] en [naam 2] hadden zijzelf het liefste in aanwezigheid van hun moeder afscheid genomen van hun oma, en wel op het moment dat de oma nog leefde. Toen hun oma eenmaal was overleden hadden [naam 1] en [naam 2] geen behoefte meer aan een afscheidsdienst, omdat zij zich dan tussen de familie van en bij de vader niet prettig zouden hebben gevoeld. [naam 1] benoemt dat zijn vader het afscheid zag als een moment om weer contact met zijn kinderen te hebben, maar [naam 1] en [naam 2] willen geen contact. Indien zij op dat moment afscheid hadden kunnen nemen van hun oma met de moeder en zonder de vader of zijn familie dan zouden zij dit wel hebben gewild.

De beoordeling


De kinderrechter stelt uitdrukkelijk voorop dat het zeer betreurenswaardig is dat vastgesteld moet worden dat de minderjarigen, hoewel zij dit wel hadden gewild, geen afscheid hebben kunnen nemen van hun oma (vz). Dit feit valt niet meer ongedaan te maken. Daarnaast is het (naderende) overlijden van hun oma onderdeel geworden van de strijd tussen de ouders, wat extra spanningen met zich heeft meegebracht.

Ook voor de vader moet het uiterst pijnlijk zijn dat hij naast het verdriet om het overlijden van zijn moeder, er wederom mee is geconfronteerd dat zijn kinderen geen deel uitmaken van (de belangrijke momenten in) zijn leven.

Beide ouders verwijzen in verband met de gang van zaken naar de rol van de andere ouder en de moeder en de kinderen zijn zeer ontstemd over het optreden van de GI.

De kinderrechter wijst de ouders erop dat het primair hun verantwoordelijkheid blijft om gezamenlijk zorg te dragen voor de opvoeding van hun kinderen, waar ook onder valt dat zij hen begeleiden en steunen bij het omgaan met de belangrijke gebeurtenissen in hun levens, zoals het overlijden van grootouders.

Het is de ouders gezamenlijk echter niet gelukt om wat betreft het afscheid van de oma het belang van de minderjarigen voorop te zetten.

De kinderrechter moet de voorliggende verzoeken toetsen aan de hand van de wet en de jurisprudentie.

Op grond van artikel 1:263, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de GI ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Zij kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen.

Blijkens artikel 1:263 lid 3 BW kan de GI de kinderrechter verzoeken om een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen.

De schriftelijke aanwijzing van de GI wordt aangemerkt als een beslissing als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De kinderrechter stelt in de eerste plaats vast dat de schriftelijke aanwijzing betrekking heeft op handelingen die de moeder voor of op vrijdag 25 januari 2019 diende te verrichten. Nu deze datum inmiddels is verstreken, heeft de GI geen belang meer bij bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing en zal het verzoek van de GI daarom afgewezen moeten worden.

De GI heeft in dit verband gesteld dat het doel van de ondertoezichtstelling is ervoor te zorgen dat de minderjarigen op onbelaste wijze contact kunnen hebben met de vader. Door het overlijden van de oma moest er beweging in de zaak komen, zodat de minderjarigen afscheid konden nemen van de oma. De GI zou graag zien dat de kinderrechter door de schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen een soort van mandaat afgeeft zodat zij door kan gaan met het bewerkstelligen van contact tussen de vader en de kinderen, waarbij aan de moeder duidelijk wordt gemaakt dat zij daar ook een belangrijke rol in heeft en zal moeten bewegen.

De kinderrechter overweegt in dat verband dat er een ondertoezichtstelling is uitgesproken en dat de GI in dat kader aan de geformuleerde doelstellingen zal moeten werken. Een nader mandaat in de vorm van de bekrachtiging van de onderhavige schriftelijke aanwijzing is daarvoor niet nodig.

Ten overvloede overweegt de kinderrechter nog het volgende.

Namens de moeder en de minderjarigen is aangevoerd dat de schriftelijke aanwijzing niet op een zorgvuldige wijze en na een zorgvuldige belangenafweging tot stand is gekomen.

De kinderrechter begrijpt uit de toelichting van de GI dat zij getracht heeft om de impasse die was ontstaan te doorbreken, om zo ervoor te zorgen dat de minderjarigen afscheid konden nemen van hun oma en hun vader konden condoleren. Dit moment kon immers niet worden overgedaan.

Het optreden van de GI werd bemoeilijkt door het gegeven dat zij pas eind oktober 2018 de vorige GI heeft vervangen en nadat een gezinsvoogd aan de zaak was gekoppeld, deze de zaak heeft moeten overdragen aan een collega. Dit heeft tot gevolg gehad dat de moeder en de minderjarigen op 25 januari 2018 kennis hebben gemaakt met de nieuwe gezinsvoogd, dus na het moment van het geven van de schriftelijke aanwijzing. Dit neemt niet weg dat de GI bij het geven van een schriftelijke aanwijzing dient te handelen met inachtneming van de beginselen van behoorlijk bestuur. In het kader van een zorgvuldige besluitvorming en een goede belangenafweging had het, mede gelet op de leeftijd van de minderjarigen, op de weg van de GI gelegen om de minderjarigen te spreken voordat deze aanwijzing werd vastgesteld.

De kinderrechter neemt echter aan dat de GI met oprechte en juiste intenties heeft gehandeld en hoopt dat de moeder en de minderjarigen dit ook kunnen inzien.

Op grond van het bovenstaande kan naar het oordeel van de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing niet worden bekrachtigd.

Dit brengt mee dat de verzochte dwangsom bij niet nakoming van de aanwijzing ook niet kan worden toegewezen.

De beslissing


De kinderrechter:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R. Combee, kinderrechter, in tegenwoordigheid van M. van Dongen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2019.