Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:759

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-02-2019
Datum publicatie
25-02-2019
Zaaknummer
02-820450-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

“doodslag op echtgenote. Voorbedachten rade niet bewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/820450-18

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 februari 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1970 te [geboorteplaats]

wonende te ( [adres]

thans verblijvende in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum Vught

raadsman mr. Hörchner, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 februari 2019, waarbij de officier van justitie, mr. Simpelaar, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering gewijzigd. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat

hij op of omstreeks 25 maart 2018 te Wernhout, gemeente Zundert, [slachtoffer]

opzettelijk en al dan met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] met een kabel te wurgen en/of met een mes een of meermalen in de romp, in elk geval het lichaam te steken.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt dat op grond van de resultaten van het sporenonderzoek, de letselbeschrijvingen, de vastgestelde doodsoorzaak en de verklaring van verdachte kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] door verdachte met een kabel is gewurgd en

met een mes meermalen in de romp is gestoken en dat [slachtoffer] daaraan is overleden.

De officier van justitie stelt voorts dat de handelingen die verdachte heeft verricht naar zijn uiterlijke verschijningsvorm volledig gericht zijn geweest op de dood. Volgens de officier van justitie kan daarom worden vastgesteld dat verdachte primair vol opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .

De officier van justitie stelt verder dat het dossier weliswaar geen aanknopingspunten biedt voor een andere conclusie dan dat de verwondingen aan het hoofd van [slachtoffer] door verdachte zijn toegebracht in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, maar dat op grond van het letseldateringsonderzoek kan worden vastgesteld dat die verwondingen enkele tientallen minuten tot meerdere tientallen minuten voor het intreden van de dood zijn toegebracht. De officier van justitie stelt dat hieruit kan worden afgeleid dat het toebrengen van de dodelijke verwondingen het gevolg is geweest van een tevoren door verdachte genomen besluit. In die tussenliggende tijd heeft verdachte op meerdere momenten ruim de gelegenheid gehad zich te beraden over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Voor het steken heeft hij immers een mes moeten halen in de keuken en voor het wurgen heeft hij het snoer moeten pakken en dat snoer onder haar hoofd moeten doorhalen.

Van blinde paniek is geen sprake geweest, hetgeen volgens de officier van justitie ook reeds blijkt uit het feit dat verdachte na het plegen van zijn daad de tijd heeft genomen zijn sporen uit te wissen en een overval in scène te zetten.

De officier van justitie acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de (impliciet) primair ten laste gelegde moord op [slachtoffer] .

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat verdachte moet worden vrijgesproken van de (impliciet) primair ten laste gelegde moord, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Uit het letseldateringsonderzoek kan volgens de verdediging niet worden afgeleid dat er tientallen minuten tot meerdere tientallen minuten hebben gezeten tussen het toebrengen van de verwondingen aan het hoofd van [slachtoffer] en het toebrengen van de dodelijke verwondingen. Evenmin bevat het dossier aanwijzingen dat verdachte het mes in de keuken heeft gepakt noch dat hij dat mes ergens is gaan halen. Volgens de verklaring van verdachte lag het snoer bovendien vermoedelijk in zijn onmiddellijke nabijheid.

De verdediging stelt voorts dat het dossier geen aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat verdachte ruim de gelegenheid heeft gehad om zich te beraden over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Op grond van het dossier kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat hij heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

Wel kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de (impliciet) subsidiair ten laste gelegde doodslag.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Aanleiding

Op 25 maart 2018 om 03:08 uur (zomertijd) komt er een 112-melding binnen bij de alarm- centrale-112 van de Landelijke Meldkamer te Driebergen. De melder geeft aan dat hij in zijn woning aan de [adres] in Wernhout is overvallen, waarbij de melder op zijn hoofd is geslagen en gewond is geraakt. De man geeft daarnaast meerdere malen aan dat hij niet weet waar zijn vrouw is. Zijn dochter ligt te slapen.1

Omstreeks 03:19 uur komen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ter plaatse. In de tuin van de woning ziet [verbalisant 1] een man liggen. Voor hem liggen diverse spullen, waaronder een tablet, paspoort, telefoon, PlayStation en een plastictas van Dirk. De deur van de woning staat open en in de woning staan diverse lades open. Er liggen geen goederen uit de lades op de grond. De man in de tuin draagt een donkere joggingsbroek, een zwart shirt met lange mouwen en crocs. De man geeft aan dat hij iets wilde weggooien in de kliko en dat hij door een persoon op het achterhoofd werd geslagen op het moment dat hij buiten kwam. [verbalisant 1] ziet op het achterhoofd van de man echter geen zichtbare kneuzing. Ook ziet [verbalisant 1] geen afval in de omgeving van de man noch een slagvoorwerp. Verder ligt de man op een onlogische route, omdat hij niet in de route ligt van de uitgang van de woning naar de afvalcontainers.

Kort nadat verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] de woning zijn binnengegaan hoorde [verbalisant 1] van [verbalisant 3] dat er een persoon is aangetroffen. [verbalisant 1] is toen samen met [verbalisant 2] via de bijkeuken, keuken, woonkamer en de televisiekamer naar de achterste ruimte in de woning gelopen. Op de grond ziet [verbalisant 1] een vrouw liggen. De vrouw ligt op haar buik met haar voeten richting de deuropening. Links naast de vrouw ligt een plas bloed. De armen van de vrouw liggen onder het lichaam. De vrouw heeft minimaal twee messteken in de rug. Links naast haar ligt een mes. Om de nek van de vrouw zit een elektriciteitssnoer. Bij haar ligt een op een afstandsbediening gelijkend voorwerp. De vrouw heeft tevens ernstige verwondingen op haar hoofd. De vrouw blijkt geen hartritme meer te hebben.2

De dode vrouw blijkt [slachtoffer] te zijn en zij is de echtgenote van de man die de 112-melding heeft gedaan.34

Letselbeschrijving en doodsoorzaak

Er is sectie verricht op het lichaam van [slachtoffer] om de doodsoorzaak te onderzoeken. Het sectierapport dat door arts en patholoog J. Fronczek op 3 september 2018 is opgemaakt wijst uit dat er sprake is van twee mogelijke doodsoorzaken die elk op zich of in combinatie het intreden van de dood kunnen verklaren, te weten:

3. Letsels hals/nek inwendig en uitwendig

Er was aan de hals/nek een vrijwel horizontaal circulair verlopend snoerspoor met een breedte van circa 0,5 centimeter. In het snoerspoor was er centraal bleekheid van de huid, plaatselijk indroging en aan de randen (vage) rode huidverkleuring van in de huid gelegen bloeduitstorting. Er was in relatie met dit snoerspoor bloeduitstorting in de halsspieren en het vetweefsel links zij-achterwaarts, in de diepere halsspieren rechts voorwaarts en een dwars verlopende bandvormige bloeduitstorting in de hals- spieren voorwaarts ter hoogte van het schildkraakbeen.

4. Scherprandige letsels (steek- en snijletsels

Er waren aan de romp twaalf steekletsels en aan de rechterkaakrand-overgang hals rechts één snijletsel. Van de steekletsels aan de romp bereikten er drie de lichaamsholten (waaronder letsels I en J):

- in relatie met letsel I aan de rug links was er onder andere perforatie van de linker- borstholte en de onderkwab van de linkerlong. Er was circa 350 milliliter bloed in de linkerborstholte;

- in relatie met letsel J aan de romp rechts was er onder andere perforatie van de rechterborstholte (met beschadiging van de negende rib rechts zijwaarts), de onder-kwab van de rechterlong, het middenrif en de rechterleverkwab. Er was circa 250 milliliter bloed in de rechterborstholte en circa 50 milliliter bloed in de buikholte.5

Deze letsels zijn als volgt geïnterpreteerd:

1. Aan de hals /nek was rondom een snoerspoor met inwendig bloeduitstortingen in de weke delen van de hals. Deze letsels waren gezien de bloeduitstortingen bij leven ontstaan als gevolg van inwerking van uitwendig mechanisch omsnoerend, samendrukkend geweld op de hals/ nek, goed passend bij ligatuurstrangulatie (ligeren door het aantrekken met een structuur, (partiële) verhanging), al of niet in combinatie met stomp botsend geweld op de hals en al of niet in combinatie met manuele strangulatie. Het intreden van de dood kan goed worden verklaard door verwikkelingen van bovengenoemd geweld op de hals als gevolg van zuurstofgebrek in de hersenen (cerebrale hypoxie) en/of ‘nerve effects’ te weten sinus carotis reflex met als gevolg hartritmestoornissen. (…)

2. Aan de romp werden 12 steekletsels en aan de rechterkaakrand-overgang hals rechts 1 snijletsel vastgesteld. Deze letsels waren bij leven ontstaan door ingewerkt uitwendig mechanisch scherprandig snijdend en perforerend geweld, zoals kan worden opgeleverd door één of meerdere messen. In relatie met twee steekletsels aan de romp (letsels I en J) waren er perforaties van onder andere de borstholten, de longen en de lever. Als gevolg hiervan waren beide longen samengevallen en was er bloedverlies ontstaan. Het overlijden kan worden verklaard op basis van longfunctiestoornissen en bloedverlies door deze twee steekletsels, waardoor algehele weefselschade is ontstaan. De overige steekletsels en het snijletsel kunnen tezamen middels bloedverlies hebben bijgedragen aan (de snelheid van) het intreden van de dood.6

Op grond van de conclusies uit het pathologisch rapport, die de rechtbank overneemt, staat voor de rechtbank vast dat [slachtoffer] , 46 jaar oud geworden, op 25 maart 2018 te Wernhout, gemeente Zundert, van het leven is beroofd door verwurging met een snoer en meerdere messteken in de romp.

Dader

Onder de gegeven feiten en omstandigheden is het vermoeden ontstaan dat de man alles in scène heeft gezet om een misdrijf te verhullen dat hij zelf heeft begaan. De man is daarop aangemerkt als verdachte.7 De verdachte blijkt [verdachte] te zijn.8

Er is forensisch onderzoek verricht in en om de woning aan de [adres] in Wernhout.

Het bebloede keukenmes met zwart heft, dat links naast het slachtoffer is aangetroffen, is in beslag genomen en voorzien van SIN-nummer AALF7136NL.9 Op de punt, de snijrand en de rechterzijde van het lemmet van dat mes zijn bloedsporen aangetroffen en bemonsterd. Onderzoek wijst uit dat het DNA van de drie bloedsporen matcht met het DNA-profiel van het slachtoffer met een matchkans van kleiner dan één op één miljard.10

In de keuken op het aanrecht in de woning wordt naast de kookplaat een messenblok met daarin twee lege plaatsen aangetroffen. Het heft en het lemmet van de messen in dat messenblok zijn qua verschijningsvorm soortgelijk als het inbeslaggenomen keukenmes.11

Verdachte droeg bij zijn aanhouding slippers van het merk Crocs. De slippers zijn in beslag genomen en voorzien van de SIN-nummers AAIJ5758NL (linker slipper) en AAIJ5759NL (rechter slipper).12 Op de bovenzijde en op de band van de linker slipper en op de linkerzijde van de rechterslipper zijn bloedsporen aangetroffen die zijn bemonsterd. Onderzoek wijst uit dat het DNA van deze bloedsporen matcht met het DNA-profiel van het slachtoffer met een matchkans van kleiner dan één op één miljard.13

Achter het voorpaneel van het inbouwtoilet gesitueerd in de hal van de woning worden na het verwijderen van een plank die is aangebracht bovenop de ruimte waarin zich onder meer het spoelreservoir bevindt een bebloede donkerkleurige trainingsbroek en twee schoenen met mogelijk bloedsporen op de zool van de rechterschoen en op de bovenzijde van de schoenen aangetroffen. De trainingsbroek en schoenen zijn in beslag genomen en voorzien van SIN-nummers AALF9779NL, waarbij de rechtbank begrijpt dat bedoeld wordt SIN: AALF9679NL, gelet op het NFI-rapport, (trainingsbroek) en AALF9678NL (schoenen).14

Op deze broek zijn drie bloedsporen ter hoogte van de linker kuit aangetroffen (een groot bloedspoor en twee kleinere bloedsporen). De rand van het grote bloedspoor is bemonsterd en veiliggesteld onder SIN-nummer AALF9679NL#01. Onderzoek wijst uit dat het DNA van dat bloedspoor matcht met het DNA-profiel van het slachtoffer met een matchkans van kleiner dan één op één miljard.

Op beide schoenen zijn meerdere bloedsporen aangetroffen. De bloedsporen onder het geveterde gedeelte en in een groef in de zool van de rechterschoen zijn bemonsterd en veiliggesteld onder respectievelijk SIN: AALF9678NL#01 en SIN: AALF9678NL#02.

De bloedsporen onder het geveterde gedeelte en op de neus van de linkerschoen zijn bemonsterd en veiliggesteld onder respectievelijk SIN: AALF9678NL#03 en SIN: AALF9678NL#04. Onderzoek wijst uit dat het DNA van deze bloedsporen matcht met het DNA-profiel van het slachtoffer met een matchkans van kleiner dan één op één miljard.

Het DNA van de binnenkant van de instap van de linkerschoen matcht met het afgeleid DNA-hoofdprofiel van verdachte met een matchkans van kleiner dan één op één miljard.15

Verdachte heeft een deels bekennende verklaring afgelegd. Ter zitting heeft hij onder meer verklaard dat hij zich nog kan herinneren dat hij een snoer heeft gepakt en dat hij [slachtoffer] daarmee heeft gewurgd. Hij heeft dat snoer om haar hals gedaan en is met zijn voet op het ene uiteinde van het snoer gaan staan en heeft het andere uiteinde om zijn pols gedraaid en eraan getrokken. Dat hij haar met een mes heeft gestoken weet verdachte niet meer, maar volgens hem kan het niet anders zijn dan dat hij dat heeft gedaan.16

Op 14 september 2018 heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij weet dat hij zich heeft verkleed. Ook heeft hij andere schoenen aangetrokken die in de garage bij de deur stonden. Daarna is hij weer teruggelopen. Toen verdachte zag dat er bloed op de schoenen zat heeft hij deze weer uitgetrokken. Hij weet zeker dat hij deze toen heeft verstopt.17

Op grond van de resultaten van het sporenonderzoek en de verklaring van verdachte staat voor de rechtbank vast dat verdachte betrokken is geweest bij de dood van [slachtoffer] . Verdachte heeft bekend dat hij [slachtoffer] met een snoer heeft gewurgd. Ook heeft hij gedetailleerd verklaard over de wijze waarop hij dat heeft gedaan.

De vraag is nu of verdachte ook degene is geweest die [slachtoffer] met een mes heeft gestoken.

Op de crocs die verdachte bij zijn aanhouding aan had en op de broek en de schoenen die waren verstopt achter het voorpaneel van het inbouwtoilet zijn bloedsporen van [slachtoffer] aangetroffen.

Op de punt en de snijrand van het mes dat naast [slachtoffer] is aangetroffen, zaten voorts bloedsporen van [slachtoffer] . Daar komt bij dat verdachte heeft verklaard dat er niemand in de woning was, behalve hij en [benadeelde partij 1] . Volgens verdachte lag [benadeelde partij 1] te slapen. [benadeelde partij 1] is door verbalisanten ook slapend in haar slaapkamer aangetroffen.

Uit camerabeelden afkomstig van de camera van de woning aan de [adres 1] , welke camera onder meer gericht was op de woning aan de [adres] kan worden afgeleid dat er tussen 24 maart 2018 te 23:23 uur en 25 maart 2018 te 02:18 uur geen personen vanaf de straatzijde richting de voorzijde, voordeur of achterdeur van de woning aan de [adres] waren gelopen. Ook kan daaruit worden afgeleid dat er geen personen waren weggelopen vanaf de woning aan de [adres] naar de straatzijde in de richting van een eventuele brandgang.

Gelet op genoemde feiten en omstandigheden kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer] meermalen met een mes heeft gestoken in de romp. Hij was immers de enige die samen met het slachtoffer beneden in de woning was. Het bloed van het slachtoffer is aangetroffen op het mes dat bij [slachtoffer] op de grond lag. Ten slotte wijzen ook de bloedsporen, afkomstig van het slachtoffer, op de crocs, schoenen en kleding op de betrokkenheid van verdachte bij het steken.

Opzet

Vast staat dat [slachtoffer] om het leven is gebracht door verwurging met een snoer en door het toebrengen van meerdere steekwonden. Deze handelingen zijn van zodanige aard dat zij gericht waren op de dood. Zij waren immers elk op zich dan wel in combinatie de verklaring voor het intreden van de dood. De rechtbank is van oordeel dat reeds hieruit volgt dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] en dat in juridische zin geen ruimte bestaat voor opzet in voorwaardelijke zin.

Voorbedachte raad

Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Daarvoor moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.
Bij de beantwoording van deze vraag zal de rechtbank gebruik kunnen en moeten maken van hetgeen verdachte over de gebeurtenissen in de woning heeft verklaard. Verdachte heeft verklaard dat hij, nadat hij spullen heeft weggegooid, op de bank is gaan zitten en dat hij in slaap is gevallen. Op enig moment is hij wakker geworden omdat hij werd geslagen. Verdachte heeft verklaard dat hij door [slachtoffer] is geslagen, naar hij denkt met een telefoon. Hij heeft de telefoon afgepakt en is [slachtoffer] achterna gerend richting de speelkamer. Hij heeft haar geslagen. Hij herinnert zich niet meer wat daarna is gebeurd. Het volgende dat hij zich wel herinnert is dat [slachtoffer] op de grond lag en dat hij met een verlengsnoer in zijn handen stond. Hij heeft het snoer om de hals van [slachtoffer] gedaan en het snoer aangetrokken.

Vast staat dat [slachtoffer] is gewurgd met een snoer en meerdere malen is gestoken met een mes in de romp en dat deze geweldshandelingen elk op zich of in combinatie hebben geleid tot haar dood. Ook staat vast dat [slachtoffer] op haar hoofd is geslagen. Verdachte heeft ook bekend dat hij haar op haar hoofd heeft geslagen.

Omdat niet duidelijk was in welke volgorde de geweldshandelingen hadden plaatsgevonden is er een letseldateringsonderzoek verricht om een eventuele volgorde in het ontstaan van de letsels te onderzoeken.

Dit letseldateringsonderzoek van patholoog prof. dr. H.W.M. Niessen wijst het volgende uit. * Cas D (voorhoofd links): huid met een vitale wondreactie, gezien het immuun profiel passend bij een enkele tientallen minuten tot meerdere tientallen minuten oud letsel.
* Cas G (rug links): huid met een vitale wondreactie, te denken valt aan meerdere minuten oud letsel. Een letsel richting enkele tientallen minuten oud lijkt niet helemaal uitgesloten te zijn.
* Cas F (linkerarm): moeilijk te dateren huidbiopt. Enerzijds kenmerken van een vroeg vitale wondreactie, gezien het immuunprofiel passend bij een meerdere minuten oud letsel. Opvallend is dan echter de beginnende infiltratie van PMN en lymfocyten suggererende dat het letsel al iets ouder is. Hiermee in tegenspraak is echter de beperkte expressie van met name CD62p. Het meest waarschijnlijke is derhalve dat de ouderdom van letsel F in de buurt van letsel G ligt.
* Cas A, B (A: hals rechts, B: hals rechts): door mechanische compressieartefacten in met name A moeilijk beoordeelbare morfologie en IH. Voor zover beoordeelbaar focaal tekenen van een vroeg vitaal letsel, gezien het IH profiel passend bij een enkele, mogelijk meerdere minuten oud letsel. Doch door de weefselartefacten dient deze datering met de nodige voorzichtigheid betracht te worden.
* Cas E (linker schouder): huid met een dubieus vitale wondreactie
* Cas C (controle): huid zonder afwijkingen. Enkel in vetweefsel plaatselijk macrofagen zonder ijzer, waarschijnlijk pre-existent.

Zoals uit het sectierapport blijkt zijn bij [slachtoffer] letsels aan het hoofd geconstateerd. Deze zijn veroorzaakt door ingewerkt uitwendig mechanisch heftig stomp, mogelijk deels kantig geweld, zoals door slaan, al dan niet met een voorwerp, en vallen. Dit geweld moet gezien de schedelbreuk deels hevig zijn geweest. De letsels hebben geen rol van betekenis gespeeld bij het intreden van de dood. Wel kunnen zij, aldus het sectierapport, het bewustzijn hebben beïnvloed.

De rechtbank is van oordeel dat uit het letseldateringsonderzoek kan worden afgeleid dat er op zichzelf enige tijd (enkele tientallen minuten) moet zijn verstreken tussen de klap op het voorhoofd (voornoemd letsel ‘Cas D’) en het uiteindelijke overlijden van [slachtoffer] . Ook kan uit dit onderzoek worden afgeleid dat de verwondingen als gevolg van het wurgen enkele, mogelijk meerdere minuten oud letsel betreffen. Over de onderzochte steekwonden is het rapport echter minder eenduidig.

De rechtbank overweegt dat het dossier te weinig gegevens bevat om te kunnen vast stellen wat er ten tijde van de dood van [slachtoffer] is gebeurd, in welke volgorde en in welk tijdsbestek.
Hoewel de klap op het voorhoofd (Cas D) minimaal enige tientallen minuten voor het intreden van de dood is ontstaan, kan niet worden vastgesteld in welk tijdsbestek het steken en het verwurgen hebben plaatsgevonden. Daar biedt het letseldateringsonderzoek geen uitsluitsel over. Er wordt in het onderzoek weliswaar benoemd dat de verwondingen als gevolg van het wurgen enkele, mogelijk meerdere minuten voor het intreden van de dood moeten zijn ontstaan. Over de verwondingen van het steken is het rapport echter minder eenduidig. Het onderzoek geeft ook onvoldoende uitsluitsel over de volgorde van de verwurging en het steken.
Dat [slachtoffer] op enig moment zodanig is geslagen of gevallen dat haar schedel is gebarsten lijkt zeer aannemelijk. Op welk moment dat moet zijn gebeurd – voor of na het toebrengen van de steekwonden – kan op grond van het dossier met onvoldoende mate van zekerheid worden vastgesteld. Verder kan ook niet worden vastgesteld op grond van het dossier welke gevolgen het letsel op het hoofd heeft gehad. Zo is niet vast te stellen of [slachtoffer] bijvoorbeeld het bewustzijn heeft verloren als gevolg van het letsel en op welk moment dat zou zijn geweest. Een periode van bewusteloosheid van het slachtoffer zou verdachte immers de gelegenheid hebben geboden zich te beraden over zijn daden.
Verder kan niet worden vastgesteld waar het mes, waarmee is gestoken, vandaan kwam en waar het ten tijde van het steken lag. Als verdachte het mes uit de keuken had moeten pakken, waarvan de officier van justitie in haar requisitoir is uitgegaan, had dit tijdsbestek immers verdachte de gelegenheid kunnen bieden over zijn daden na te denken. Het dossier, noch de verklaring van verdachte, biedt hier echter uitsluitsel over.
Ook kan niet worden vastgesteld waar het verlengsnoer lag, dat verdachte heeft gebruikt om [slachtoffer] te verwurgen. Verdachte heeft hierover verklaard dat het snoer dat hij om de nek van [slachtoffer] heeft gedaan zich in zijn directe omgeving bevond. Het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten om deze verklaring te weerleggen.
Gelet op het voorgaande kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat verdachte zich heeft kunnen beraden over de betekenis en de gevolgen van zijn voornomen daad en zich daarvan rekenschap heeft kunnen geven. Om die reden kan niet tot een bewezenverklaring van voorbedachte raad worden gekomen.

Conclusie
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de impliciet primair ten laste gelegde moord op [slachtoffer] . Wel acht de rechtbank verdachte schuldig aan de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op of omstreeks 25 maart 2018 te Wernhout, gemeente Zundert, [slachtoffer]

opzettelijk en al dan met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] met een kabel te wurgen en/of met een mes een of meermalen in de romp, in elk geval het lichaam te steken.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte moord wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft bij haar eis onder meer acht geslagen op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder verdachte dat feit heeft begaan. Ook heeft zij acht geslagen op de deskundigenrapportages, waaruit volgt dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat verdachte vier verschillende medicijnen gebruikt en dat uit het deskundigenrapport van prof. H.J. Guchelaar van 30 juli 2018 volgt dat er twee soorten bijwerkingen zijn; de versterkte vorm van de werking van het middel zelf en de bizarre

bijwerkingen. Uit de registratie van Bijwerkingencentrum Lareb volgt dat er bij de vier medicijnen die verdachte gebruikt in totaal 257 meldingen worden genoemd in de categorie “psychisch”. Volgens de verdediging moet op grond van alle omstandigheden van het geval, de 257 door Guchelaar genoemde bizarre bijwerkingen alsmede wegens het gebrek aan enig ander motief, worden uitgegaan van een situatie waarin het feit verdachte verminderd moet worden toegerekend. De verdediging neemt daarbij ook in aanmerking dat verdachte al een jaar lang nog maar twee tot drie uur per nacht sliep vanwege de enorme pijn die hij had.

Verder stelt de verdediging dat moet worden volstaan met het opleggen van een veel lagere straf dan door de officier van justitie is geëist, omdat slechts tot een bewezenverklaring van doodslag kan worden gekomen. Voor de hoogte van de straf refereert de verdediging zich verder aan het oordeel van de rechtbank.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan één van de meest ernstige strafbare feiten die het Nederlandse Wetboek van Strafrecht kent. Verdachte heeft zijn echtgenote [slachtoffer] het leven gebracht, waarbij verdachte bruut geweld op haar heeft uitgeoefend door haar te slaan, dertien keer te steken met een mes en te wurgen met een snoer. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Uit het dossier maakt de rechtbank op dat er in de aanloop naar het feit bij verdachte een enorme woede lijkt te zijn ontstaan. Verdachte heeft daarover verklaard dat [slachtoffer] hem uit het niets op zijn hoofd sloeg en dat hij vervolgens door het lint is gegaan. Dit vormt echter geen begin van een rechtvaardiging voor de daden van verdachte. Door zijn handelen heeft verdachte [slachtoffer] het belangrijkste dat zij had, namelijk haar leven, ontnomen.

Voorts maakt de rechtbank uit het dossier op dat de toen 14-jarige dochter [benadeelde partij 1] van verdachte boven lag te slapen toen hij het feit beging en dat de 17-jarige zoon [benadeelde partij 2] elk moment thuis kon komen van het uitgaan. Verdachte heeft hiermee het risico genomen dat zijn kinderen geconfronteerd zouden worden met het buitensporige geweld op hun moeder. Door het handelen van verdachte zijn de kinderen in één klap hun moeder, maar ook hun vader, kwijtgeraakt. Hun vertrouwde omgeving is hiermee ineens weggevallen en het gezin is uiteengerukt. De kinderen wonen inmiddels ook apart van elkaar bij andere gezinnen. Dat deze gevolgen de toekomstige ontwikkelingen van de kinderen negatief zal beïnvloeden staat vast, de vraag is alleen in welke mate. Ook dit neemt de rechtbank verdachte bijzonder kwalijk.

Het door verdachte gepleegde strafbare feit heeft met name bij de nabestaanden van [slachtoffer] een intens groot en onherstelbaar verdriet veroorzaakt. Dit blijkt ook wel uit het spreekrecht dat door de broer van [slachtoffer] is uitgeoefend namens hemzelf, maar ook namens hun moeder.

Ook rekent de rechtbank verdachte aan dat hij geruime tijd geprobeerd heeft om de politie te misleiden door een overval in scène te zetten.

Voor wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank onder meer kennis genomen van het strafblad van verdachte, waaruit volgt dat verdachte niet eerder met politie of justitie in aanraking is geweest.

Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van de rapportages die over verdachte zijn opgemaakt, waaruit blijkt dat de psycholoog en psychiater hebben geconcludeerd dat er bij verdachte geen sprake is van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en dat dit ook niet het geval was ten tijde van het plegen van het feit.

De rechtbank merkt hierbij op dat verdachte geen inzicht heeft willen dan wel kunnen geven in de gebeurtenissen die avond. Volgens de deskundigen kan dissociatieve amnesie weliswaar niet geheel worden uitgesloten, maar zij achten dit onaannemelijk. Evenmin zijn er volgens hen aanwijzingen om een reflexmatige reactie of vernauwd bewustzijn aan te nemen op het moment van het slaan, steken en wurgen van zijn vrouw.

Ten slotte heeft deskundige Guchelaar geconcludeerd dat er vanuit het medicijngebruik van verdachte geen incidenteel of impulsief gedrag zoals een plotselinge geweldsuitbarsting kan worden verklaard. De rechtbank ziet geen reden om hier anders over te denken.

Gelet op voornoemde omstandigheden acht de rechtbank het opleggen van een langdurige gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank zal een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat zij van oordeel is dat geen sprake is geweest van moord maar van doodslag.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf houdt de rechtbank ook rekening met straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. In zaken waarin doodslag bewezen wordt geacht, worden doorgaans gevangenisstraffen opgelegd van twaalf jaar. Vanwege het brute geweld dat verdachte op het slachtoffer heeft uitgeoefend, de omstandigheid dat verdachte na zijn daad eerst nog heeft getracht de politie te misleiden door te doen voorkomen dat sprake was geweest van een woningoverval, en het feit dat hun kinderen onherstelbaar leed is toegebracht acht de rechtbank een enigszins hogere gevangenisstraf op zijn plaats. De rechtbank zal aan verdachte opleggen een gevangenisstraf van dertien jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

7 De benadeelde partijen

Ten aanzien van [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert een materiële schadevergoeding ter hoogte van primair € 79.675,00, subsidiair € 18.033,00 en meer subsidiair een nader in goede justitie vast te stellen bedrag op basis van de berekeningen van het NRL, bestaande uit gederfd levensonderhoud, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf primair de datum waarop het feit is gepleegd en subsidiair vanaf de datum van het vonnis. Ook vordert [benadeelde partij 1] vergoeding van de kosten van het NRL voor het maken van de berekening wegens gederfd levensonderhoud van € 2.359,50.

Ten slotte vordert zij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Naar het oordeel van de rechtbank is in voldoende mate komen vast te staan dat het gederfde levensonderhoud tot het moment van indienen van de vordering in ieder geval een bedrag van € 10.000,00 behelst. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit en de rechtbank acht verdachte ook aansprakelijk voor deze schade. De rechtbank zal de vordering daarom tot dat bedrag toewijzen.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de behandeling van het overige gedeelte van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij zal daarom voor dat gedeelte niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorts zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit is gepleegd, te weten 25 maart 2018. Met betrekking tot de toegekende vordering zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Ten aanzien van [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert een materiële schadevergoeding ter hoogte van primair € 62.924,00, subsidiair € 26.017,00 en meer subsidiair een nader in goede justitie vaste te stellen bedrag op basis van de berekeningen van het NRL, bestaande uit gederfd levensonderhoud, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf primair de datum waarop het feit is gepleegd en subsidiair vanaf de datum van het vonnis. Ook vordert [benadeelde partij 2] vergoeding van de kosten van het NRL voor het maken van de berekening wegens gederfd levensonderhoud van € 2.359,50.

Ten slotte vordert hij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Naar het oordeel van de rechtbank is in voldoende mate komen vast te staan dat het gederfde levensonderhoud tot het moment van indienen van de vordering in ieder geval een bedrag van € 10.000,00 behelst. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit en de rechtbank acht verdachte ook aansprakelijk voor deze schade. De rechtbank zal de vordering daarom tot dat bedrag toewijzen.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de behandeling van het overige gedeelte van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij zal daarom voor dat gedeelte niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. Hij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorts zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit is gepleegd, te weten 25 maart 2018. Met betrekking tot de toegekende vordering zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Ten aanzien van [benadeelde partij 3]

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert een materiële schadevergoeding van € 9.622,26, bestaande uit overlijdensschade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tevens vordert zij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Naar het oordeel van de rechtbank is voormelde vordering voldoende aannemelijk gemaakt. De gevorderde schade is naar het oordeel van de rechtbank een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit en de rechtbank acht verdachte ook aansprakelijk voor die schade.

De vordering van € 9.622,26 zal daarom worden toegewezen.

Voorts zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop deze kosten feitelijk geacht kunnen worden te zijn voldaan, waarbij de rechtbank zal uitgaan van betaling per factuurdatum van 1 mei 2018. Met betrekking tot de toegekende vordering zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 24c, 27, 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het impliciet primair ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

doodslag;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van dertien jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partijen van:

- € 10.000,00 aan [benadeelde partij 1] ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 25 maart 2018 tot de dag der algehele voldoening;

- € 10.000,00 aan [benadeelde partij 2] ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 25 maart 2018 tot de dag der algehele voldoening;

- € 9.622,26 aan [benadeelde partij 3] ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 1 mei 2018 tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partijen tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij die vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

Schadevergoedingsmaatregel

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de slachtoffers te betalen:

- € 10.000,00 aan [benadeelde partij 1] , te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 25 maart 2018 tot de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 85 dagen hechtenis;

- € 10.000,00 aan [benadeelde partij 2] , te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 25 maart 2018 tot de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 85 dagen hechtenis;

- € 9.622,26 aan [benadeelde partij 3] , te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 1 mei 2018 tot de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 83 dagen hechtenis;

- met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partijen vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Weert, voorzitter, mr. Speekenbrink en mr. Schild, rechters, in tegenwoordigheid van Joosen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting

op 25 februari 2019.

Mr. Schild is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2018067356 van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporings- ambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 750 (hierna: het eindproces-verbaal) of een pagina van het forensisch dossier met dossiernummer PL2000-2018067356 van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 534 (hierna: het forensisch dossier). Proces-verbaal van bevindingen, pagina 39 en 40 van het eindproces-verbaal.

2 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 45 en 46 van het eindproces-verbaal.

3 Proces-verbaal aanvraag doorzoeking, pagina 98 van het eindproces-verbaal.

4 Proces-verbaal van bevindingen confrontatie/identificatie, pagina 307 van het eindproces-verbaal.

5 Geschrift, te weten NFI-rapport Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, pagina 272 van het forensisch dossier

6 Geschrift, te weten NFI-rapport Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, pagina 274 van het forensisch dossier.

7 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 81 van het eindproces-verbaal.

8 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 89 van het eindproces-verbaal.

9 Proces-verbaal sporenonderzoek, pagina 36 van het forensisch dossier.

10 Geschrift, te weten het NFI-rapport, pagina 452 en 453 van het forensisch dossier.

11 Proces-verbaal sporenonderzoek dag 2 begane grond woning, pagina 64 van het forensisch dossier.

12 Proces-verbaal sporenonderzoek, pagina 312 van het forensisch dossier.

13 Geschrift, te weten het NFI-rapport, pagina 442 en 443 van het forensisch dossier.

14 Proces-verbaal sporenonderzoek, pagina 137 en 138 van het forensisch dossier.

15 Geschrift, te weten het NFI-rapport, pagina 440 tot en met 444 van het forensisch dossier.

16 De verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 11 februari 2019.

17 De verklaring van verdachte, afgelegd bij de politie, pagina 712 en 717 van het eindproces-verbaal.