Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:686

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-01-2019
Datum publicatie
22-03-2019
Zaaknummer
BRE 18_1605 en 18_4109
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

n.v.t.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 18/1605 PW en BRE 18/4109 PW

uitspraak van 10 januari 2019 van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 6 februari 2018 (bestreden besluit I) van het college inzake de afwijzing van zijn aanvraag voor bijzondere bijstand voor eigen bijdrage rechtsbijstand en griffierecht van € 534,-. Deze zaak is geregistreerd onder nummer BRE 18/1605 PW.

Voorts heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van 29 maart 2018 (bestreden besluit II) van het college inzake de afwijzing van zijn aanvraag voor bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage rechtsbijstand van € 143,-. Deze zaak is geregistreerd onder nummer BRE 18/4109 PW.

Het onderzoek ter zitting heeft in beide zaken tegelijk plaatsgevonden in Breda op

13 december 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door [naam persoon] en

[naam persoon] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] .

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 12 september 2017 heeft eiser twee aanvragen voor bijzondere bijstand ingediend, voor de kosten van eigen bijdrage rechtsbijstand en griffierecht van € 534,- en voor de kosten van eigen bijdrage rechtsbijstand van € 143,-.

Bij besluiten van 19 oktober 2017 (primaire besluiten I en II) heeft het college deze aanvragen afgewezen.

Tegen deze besluiten heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij de bestreden besluiten zijn de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiser voldoende draagkracht heeft om de kosten zelf te voldoen.

2. Eiser voert, kort samengevat, aan dat op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 16, eerste lid, van de Participatiewet bijstand dient te worden toegekend gezien zijn acute noodsituatie. Hij heeft ook verwezen naar de bezwaargronden, waarbij onder meer is aangevoerd dat ten onrechte de kostendelersnorm is toegepast.

3. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Participatiewet bestaat geen recht op bijstand, voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.

Artikel 16 van de Participatiewet bepaalt dat het college aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, bijstand kan verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

Op grond van artikel 19a van de Participatiewet wordt onder kostendelende medebewoner verstaan de persoon van 21 jaar of ouder die in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft en niet valt onder de uitzonderingen zoals vermeld in dit artikel.

Artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat de alleenstaande of het gezin, onverminderd paragraaf 2.2, recht heeft op bijzondere bijstand voorzover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voorzover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.

4.1

In geschil is of het college op goede gronden de aanvragen van eiser voor bijzondere bijstand heeft afgewezen.

4.2

Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet dient volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), bijvoorbeeld de uitspraak van 17 april 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW3654), allereerst te worden beoordeeld (1) of de kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd zich voordoen, (2) vervolgens of die kosten in het individuele geval noodzakelijk zijn en daarna (3) of die kosten voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden. (4) Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de aanwezige middelen, op welk punt het dagelijks bestuur ingevolge artikel 35 van de Participatiewet een zekere beoordelingsvrijheid heeft.

4.3

De aanvragen zijn afgewezen, omdat eiser voldoende draagkracht zou hebben. Dat betekent dat de aanvragen zijn gestrand op de beantwoording van de vierde vraag. Eisers draagkracht is in het kader van een eerdere aanvraag voor de periode van 1 september 2017 tot en met 31 augustus 2018 vastgesteld. De beoordeling van de aanvragen is gebaseerd op een resterende draagkracht van € 1.220,02.

Eiser heeft aangevoerd dat de kosten voor homeopathische medicatie in mindering dienen te worden gebracht op zijn draagkracht. In het dossier bevinden zich onvoldoende aanknopingspunten dat de verstrekking van bijzondere bijstand voor de aanschaf van de homeopathische middelen onvermijdelijk is om te voorkomen dat eiser in een acute noodsituatie geraakt. Uit de gedingstukken blijkt slechts dat hij de conventionele medicatie niet wil nemen omdat hij er geen vertrouwen in heeft en dat hij enige baat heeft bij de homeopathische middelen. Het college was dan ook niet gehouden om bij zijn berekening van de draagkracht rekening is houden met die kosten.

Voorts heeft eiser gesteld dat ten onrechte de kostendelersnorm is toegepast. De rechtbank stelt op basis van de gedingstukken vast dat eiser bij zijn broer en diens echtgenote inwoont. Op grond van artikel 19a, eerste lid, van de Participatiewet dienen die personen als kostendelende medebewoners te worden beschouwd. Van een uitzondering, zoals genoemd in die bepaling is geen sprake. Het college heeft dan ook terecht de kostendelersnorm toegepast bij de berekening van eisers draagkracht.

4.4

Wat betreft eisers stelling dat sprake is van een acute noodsituatie, overweegt de rechtbank als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB, bijvoorbeeld de uitspraak van 11 april 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1366), doen dringende redenen als bedoeld in artikel 16 van de Participatiewet zich voor als er sprake is van een acute noodsituatie en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van (bijzondere) bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Een acute noodsituatie is aan de orde als een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben.

De rechtbank is van oordeel dat in wat eiser heeft aangevoerd geen dringende redenen zijn gelegen om met toepassing van artikel 16 van de Participatiewet alsnog bijzondere bijstand aan hem te verstrekken. Dat eiser, zoals is gesteld, kampt met psychische klachten maakt niet dat sprake is van een acute noodsituatie zoals hiervoor bedoeld.

4.5

Eiser heeft nagelaten zijn beroep op artikel 8 van het EVRM, waarin is neergelegd dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven en zijn woning, nader te onderbouwen. Reeds hierom komt de rechtbank tot de conclusie dat van een ongerechtvaardigde schending van artikel 8 van het EVRM geen sprake is.

4.6

De kosten waarvoor eiser bijzondere bijstand heeft aangevraagd, bedragen € 534,- en € 143,-. Nu de resterende draagkracht € 1.220,02 bedraagt, wordt met het college geoordeeld dat eiser over voldoende draagkracht beschikt om die kosten zelf te dragen. Dit blijkt ook uit de verklaring van eiser ter zitting dat hij de draagkrachtberekening niet betwist en dat hij de kosten waardoor de bijzondere bijstand is gevraagd (inmiddels) zelf volledig heeft voldaan.

De rechtbank komt tot de conclusie dat het college terecht heeft geweigerd aan eiser voor de genoemde kosten bijzondere bijstand te verstrekken. Dat, zoals eiser heeft gesteld, eerder wel bijzondere bijstand is verleend, kan niet tot een ander oordeel leiden. Het college heeft onderbouwd toegelicht dat destijds sprake is geweest van een omissie, waarbij ten onrechte geen toepassing is gegeven aan de kostendelersnorm. Naar vaste rechtspraak van de CRvB, waaronder de uitspraak van 9 september 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3049), kan aan een door een bestuursorgaan in het verleden bij de besluitvorming gemaakte fout niet een rechtens te honoreren vertrouwen worden ontleend dat in de toekomst daarin wordt volhard.

5. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het college de aanvragen van bijzondere bijstand terecht heeft afgewezen. De beroepen zullen dan ook ongegrond worden verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.