Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:6038

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-10-2019
Datum publicatie
06-02-2020
Zaaknummer
C/02/361687 JERK 19-1510 en C/02/362622 JERK 19-1656
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing. De minderjarige verblijft samen met zijn moeder in een ouder-kind voorziening van Amarant. Het toekomstperspectief van de minderjarige ligt niet langer bij de moeder. De kinderrechter wijst de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaakgegevens : C/02/361687 / JE RK 19-1510 en C/02/362622 / JE RK 19-1656

datum uitspraak: 7 oktober 2019

verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing

in de zaken van

WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (GI),

gevestigd te Amsterdam.

betreffende

[naam 1] geboren op [geboortedatum] 2018 te Tilburg, hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[belanghebbende] , hierna te noemen de moeder,

bijgestaan door mr. T.M. ten Velde, hierna te noemen de advocaat,

wonende te Tilburg.

De kinderrechter merkt als informant aan:

[naam 2] , hierna te noemen de vader,

wonende te Tilburg.

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- een verzoek met bijlagen van de GI van 6 augustus 2019 in de zaak met kenmerk C/02/361687 / JE RK 19-1510, ingekomen bij de griffie van deze rechtbank op

7 augustus 2019;

- een verzoek met bijlagen van de GI van 2 september 2019 in de zaak met kenmerk C/02/362622 / JE RK 19-1656, ingekomen bij de griffie van deze rechtbank op

3 september 2019;

- een e-mailbericht met bijlagen van de GI van 24 september 2019;

- een brief met bijlagen van mr. T.M. ten Velde van 24 september 2019, ingekomen bij de griffie van deze rechtbank op 25 september 2019.

Op 27 september 2019 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting – met gesloten deuren –behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- een vertegenwoordigster van de GI.

Hoewel behoorlijk opgeroepen, is niet ter zitting verschenen:

- de vader.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder.

[minderjarige] verblijft met de moeder binnen een ouder-kind voorziening van Amarant.

Bij beschikking van 3 oktober 2018 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot

12 oktober 2019. Tevens heeft de kinderrechter bij deze beschikking een machtiging uithuisplaatsing betreffende [minderjarige] verleend in een voorziening voor pleegzorg tot uiterlijk 12 januari 2019.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 8 januari 2019 een machtiging uithuisplaatsing betreffende [minderjarige] verleend in een voorziening voor pleegzorg tot uiterlijk 12 oktober 2019. Uit de stukken blijkt dat [minderjarige] sinds mei met de moeder binnen Amarant verblijft. Vanaf dat moment is de machtiging uithuisplaatsing dus niet meer uitgevoerd.

De verzoeken

De GI heeft in de zaak met kenmerk C/02/361687 / JE RK 19-1510 verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van één jaar.

Tevens wordt in de zaak met kenmerk C/02/362622 / JE RK 19-1656 de uithuisplaatsing van [minderjarige] verzocht in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De standpunten

Mevrouw Jansen van de GI heeft op de zitting uitgelegd waarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd moet worden en waarom de GI vindt dat [minderjarige] uit huis moet worden geplaatst. De moeder heeft erg haar best gedaan bij Amarant. Sommige dingen gaan beter. Bijvoorbeeld dat de moeder nu voor [minderjarige] een ritueel heeft met tanden poetsen en met naar bed gaan. Maar het echte opvoeden van [minderjarige] gaat nog niet goed genoeg. Alleen de laatste maand is het beter gegaan, toen de moeder wist dat er een uithuisplaatsing gevraagd werd. Het lijkt dan alsof de druk van dat verzoek om uithuisplaatsing ervoor zorgt dat het de moeder beter lukt. Maar de vraag is of dat genoeg is. De moeder kan tot nu toe niet het goed blijven doen voor [minderjarige] voor een langere tijd. Ook lukt het de moeder dus niet vanuit zichzelf om het beter te doen; alleen als door anderen gezegd wordt dat het écht moet lukt het de moeder. Bovendien heeft de gedragswetenschapper van Amarant grote zorgen over [minderjarige] . De gedragswetenschapper ziet dat [minderjarige] in zijn gedrag een getraumatiseerd kind lijkt. Er lijkt ook hechtingsproblematiek bij [minderjarige] . Daarom heeft [minderjarige] structuur, duidelijkheid en veiligheid nodig. Dat kan de moeder hem nu niet genoeg geven. Dan loopt [minderjarige] nog meer schade op bij zijn ontwikkeling. Juist nu [minderjarige] anderhalf jaar is, heeft hij dit allemaal nodig en moet het voor hem rustig en stabiel zijn. Dan kan hij zich veilig gaan hechten. Daarom is een uithuisplaatsing nodig. De moeder zal natuurlijk wel contact houden met [minderjarige] , vertelt de GI. De ondertoezichtstelling moet ook langer duren.

De advocaat van de moeder heeft verteld dat de moeder het wel eens is met de ondertoezichtstelling. De moeder is het helemaal niet eens met de uithuisplaatsing die de GI vraagt. De moeder is nog maar sinds mei met [minderjarige] bij Amarant. De bedoeling was dat dit veel langer zou gaan duren. Eigenlijk is de moeder dus nog maar in het begin. Het is dan ook veel te vroeg om nu te beslissen over een uithuisplaatsing. De moeder krijgt anders niet echt de kans om te laten zien dat zij goed voor [minderjarige] kan zorgen. De moeder en [minderjarige] moeten hun tijd bij Amarant af kunnen maken en pas daarna kan er gekeken worden of de moeder goed genoeg voor [minderjarige] kan zorgen en hem kan opvoeden. De advocaat heeft ook verteld dat het juist niet goed is om [minderjarige] weg te halen bij de moeder als er zorgen zijn over hechtingsproblemen. Er komen juist hechtingsproblemen als [minderjarige] nu weg wordt gehaald bij de moeder. De moeder heeft heel goed haar best gedaan bij Amarant. Ze heeft om hup gevraagd bij de problemen die er zijn met de vader van [minderjarige] . Het is wel heel vervelend dat zij nu aan de straatkant woont, tegenover de zus van de vader. De moeder mag niet naar een andere plek bij Amarant. De moeder vindt het lastig om zich veilig te voelen op deze manier. Ook wijst de advocaat op de aftekenlijsten. Op die lijsten is te zien dat de moeder [minderjarige] goed verzorgt en goed naar de tips van Amarant luistert.

De moeder heeft op de zitting nog verteld dat zij bij Amarant heeft laten zien dat zij kan leren. Ze werkt mee met de hulpverlening en staat open voor de begeleiding. De moeder neemt nu ook medicatie, omdat Amarant dat wil. Ook heeft de moeder nu gesprekken. Het is wel vervelend dat zij lang op de wachtlijst heeft gestaan voor de goede gesprekken. Ze is nu eindelijk aan de beurt, maar Amarant had dit niet goed doorgegeven. Daardoor begint ze nu drie weken later met de echte behandeling. De moeder wil graag een eerlijke kans om te laten zien dat zij [minderjarige] kan opvoeden. Die eerlijke kans heeft zij nog niet gehad.

De beoordeling

De kinderrechter overweegt als volgt.

In artikel 1:255, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat wanneer de kinderrechter een kind onder toezicht kan stellen. Daar staat dat een kind onder toezicht kan worden gesteld als dat kind zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, lid 2, van het BW, in staat zijn te dragen.

Op grond van artikel 1:260 van het BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255, lid 1, van het BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste één jaar.

In artikel 1:265b lid 1 BW staat wanneer de kinderrechter een kind uit huis kan plaatsen. De kinderrechter kan dit doen als dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste één jaar.

De GI en de moeder zijn het eens dat een ondertoezichtstelling nog nodig is. Ook de kinderrechter is het daarmee eens. Daarom zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling een jaar verlengen.

De moeder vindt niet dat [minderjarige] uit huis moet worden geplaatst. De GI vindt dat wel nodig. De kinderrechter heeft gelezen dat de moeder eerder bij Pluryn heeft gewoond met [minderjarige] en bij Sterk Huis. Daar is het toen niet goed gegaan. Nu woont de moeder met [minderjarige] bij Amarant. Er zijn veel zorgen geweest over de vader van [minderjarige] . De ruzies tussen de moeder en de vader zijn heel heftig geweest. De vader heeft de moeder mishandeld en daar was [minderjarige] bij, of hij was er vlak bij. Bij Amarant is er wel wat gedoe geweest met de vader van [minderjarige] , maar is het veel rustiger geweest dan bij Pluryn en Sterk Huis. Ook heeft de moeder een veel betere klik gehad met de begeleiding. Bij Pluryn en Sterk Huis was de moeder vaak onaardig en boos naar de begeleiding. Bij Amarant niet. De kinderrechter vindt daarom dat er bij Amarant goed gekeken kan worden naar de moeder en hoe zij het doet met de opvoeding van [minderjarige] . Zij luistert ook naar de begeleiding. Het klopt dat de moeder en [minderjarige] langere tijd bij Amarant kunnen blijven. Maar, Amarant moet ook advies geven of zij denken dat het zin heeft om alle tijd te gebruiken. De kinderrechter leest dat Amarant vindt dat het niet goed zou zijn voor [minderjarige] om alle tijd te gebruiken. Amarant vindt dat de moeder niet goed genoeg voor [minderjarige] kan zorgen. Er zijn verschillende problemen. Eén probleem is dat de moeder het moeilijk vindt om een vaste structuur voor [minderjarige] te houden. Als de begeleiding zegt dat iets moet, dan doet de moeder dat, maar vooral omdat de moeder vindt dat de begeleiding anders maar blijft doorzeuren. Een ander probleem is dat de moeder niet altijd snapt dat [minderjarige] een klein jongetje is. De moeder zegt dan bijvoorbeeld dat [minderjarige] al vaak genoeg heeft gehoord dat hij niet op de bank mag lopen. Als hij niet wil luisteren, moet hij er maar afvallen. Dan leert hij het vast wel, zegt de moeder dan. Maar zo werkt het niet bij een klein jongetje als [minderjarige] . Hij zal dingen blijven uitproberen en dan moet de moeder blijven herhalen dat het niet mag en blijven ingrijpen. Het belangrijkste probleem is dat de moeder zelf niet stabiel is én de hechtingsproblemen bij [minderjarige] . Amarant heeft uitgelegd dat de moeder niet snapt wat er moet gebeuren om [minderjarige] goed te laten hechten aan haar. De moeder neemt [minderjarige] bijvoorbeeld wel op schoot, maar houdt hem dan niet vast. Juist omdat er zorgen zijn over de hechting is het heel erg belangrijk dat de moeder goed rustig kan blijven naar [minderjarige] . Ze mag dan dus niet de ene keer heel boos worden en de andere keer niet. Of een dag niet lekker in haar vel zitten en dan weinig aandacht hebben voor [minderjarige] . Dat is alleen nu wel zo. Er gaat wel een behandeling beginnen voor de moeder, maar [minderjarige] kan niet meer wachten tot die behandeling werkt. Hij moet nú een goede situatie hebben om zich veilig te kunnen hechten. Juist omdat er vroeger veel gebeurd is waar hij last van kan hebben. Als er langer gewacht wordt, zal [minderjarige] zich alleen maar meer en langer onveilig gaan hechten aan de moeder.

De kinderrechter vindt het daarom nodig dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst in een pleeggezin. Zo kan [minderjarige] zich veilig gaan hechten in het pleeggezin. De kinderrechter weet dat het heel heftig zal zijn voor [minderjarige] om bij de moeder weg te gaan. Maar toch vindt de kinderrechter dat beter dan om nu langer bij de moeder te blijven. Wel is het belangrijk dat de goede dingen tussen [minderjarige] en de moeder blijven. Er moet dus wel contact blijven en het is ook belangrijk dat de moeder verder gaat met haar behandeling. Als het goed gaat met de moeder en als zij stabiel is, kan zij een goede contactregeling hebben met [minderjarige] . Ook is het belangrijk dat de moeder uitgelegd blijft krijgen wat zij moet doen om een zo veilig mogelijke hechting met [minderjarige] te hebben. Zij kan daar hulp bij blijven krijgen.

Dit betekent dat de kinderrechter het volgende beslist.

De beslissing

De kinderrechter:

In de zaak met kenmerk: C/02/361687 / JE RK 19-1510

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van één jaar, te weten van

12 oktober 2019 tot 12 oktober 2020;

In de zaak met kenmerk: C/02/362622 / JE RK 19-1656

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten van 12 oktober 2019 tot uiterlijk

12 oktober 2020;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. S. Tempel, kinderrechter, in tegenwoordigheid van

mr. Z.A.M. Visvalingam als griffier en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2019.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
's-Hertogenbosch