Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:6005

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-12-2019
Datum publicatie
10-01-2020
Zaaknummer
BRE 18_4788, 18_4841, 18_6116, 19_2964, 19_3016 en 19_3017
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning eerste en tweede fase appartementengebouw Boulevard de Wielingen, Cadzand-Bad

Omgevingsvergunning eerste fase (afwijken beheersverordening) in redelijkheid verleend. Bouwplan is voorzien van goede ruimtelijke onderbouwing en voldoet aan goede ruimtelijke ordening. College heeft zich mogen baseren op stedenbouwkundige uitgangspunten neergelegd in bijlage 10 bij Ontwikkelingsplan en heeft zich mogen laten adviseren door Q-team. Gekozen situering voorgevel niet in strijd met goede ruimtelijke ordening. Van onevenredige aantasting woongenot is niet gebleken.

Omgevingsvergunning tweede fase (bouwen) ook op goede gronden verleend. Wijzigingen in bouwplan t.o.v. eerste fase waren toegestaan, omdat deze binnen de kaders van de ruimtelijke onderbouwing passen. Dat geldt ook voor het aantal ingetekende parkeerplaatsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 18/4788 WABOA, BRE 18/4841 WABOA, BRE 18/6116 WABOA, BRE 19/2964 WABOA, BRE 19/3016 WABOA en BRE 19/3017 WABOA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2019 in de zaak tussen

1. [naam eiser 1] , [naam eiser 2] , [naam eiser 3] , [naam eiser 4] , [naam eiser 5] , [naam eiser 6] , [naam eiser 7] en [naam eiser 8],

gemachtigde: mr. F.J.M. Wolbers,

2. [naam eiser 9] , [naam eiser 10] en [naam eiser 11],

gemachtigde: mr. B. de Haan,

3. [naam eiser 12] , [naam eiser 13] en [naam eiser 14],

eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam derde partij] , te Amsterdam,

gemachtigde: mr. F.A. Pommer.

Procesverloop

In het besluit van 6 juni 2018 (bestreden besluit 1) heeft het college een omgevingsvergunning eerste fase verleend aan [naam derde partij] ( [naam derde partij] ) voor het bouwen van een appartementengebouw [naam appartementengebouw 1] ’ op het perceel [naam perceel] te [naam woonplaats] .

In het besluit van 13 mei 2019 (bestreden besluit 2) heeft de omgevingsvergunning tweede fase verleend.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

[naam derde partij] heeft schriftelijk op de beroepschriften gereageerd.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 30 september 2019.

Van eisers onder 1 waren hierbij aanwezig [naam eiser 1] , [naam eiser 2] , [naam eiser 4] , [naam eiser 5] , [naam eiser 6] en [naam eiser 7] , bijgestaan door hun gemachtigde en [naam vertegenwoordiger 1] .

Eisers onder 2 waren aanwezig met hun gemachtigde.

Van eisers onder 3 was aanwezig [naam eiser 12] , bijgestaan door [naam vertegenwoordiger 2] .

Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam stedenbouwkundige 1] , [naam stedenbouwkundige 2] en [naam stedenbouwkundige 3] (stedenbouwkundige).

[naam derde partij] heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, [naam gemachtigde 1] , [naam gemachtigde 2] en [naam gemachtigde 3] .

Overwegingen

Feiten

1.1.

Op 2 augustus 2016 heeft [naam derde partij] een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning fase 1 voor de sloop van bestaande opstallen en de bouw van een complex met maximaal elf recreatieappartementen, waarvan maximaal één permanent. De eerste fase omvat de activiteit ‘gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’.

Met ingang van 18 augustus 2016 heeft het college een ontwerpbesluit tot het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning fase 1 met bijbehorende stukken ter inzage gelegd. Het college heeft een kennisgeving van het ontwerpbesluit gepubliceerd op 17 augustus 2016. Tegen het ontwerpbesluit zijn zienswijzen ingediend.

Bij bestreden besluit 1 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning fase 1 aan [naam derde partij] verleend. Het college heeft in de ‘Notitie zienswijzen en ambtshalve wijzigingen’ op de zienswijzen van eisers gereageerd.

1.2.

Op 29 juni 2018 heeft [naam derde partij] een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning fase 2 voor de nieuwbouw van tien recreatieappartementen met bijbehorende commerciële ruimte, bergingen en parkeerruimte. De tweede fase omvat de activiteit ‘bouwen van een bouwwerk’.

Met ingang van 22 november 2018 heeft het college een ontwerpbesluit tot het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning fase 2 met bijbehorende stukken ter inzage gelegd. Het college heeft een kennisgeving van het ontwerpbesluit gepubliceerd op 23 november 2018. Tegen het ontwerpbesluit zijn zienswijzen ingediend.

Bij bestreden besluit 2 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning fase 2 aan [naam derde partij] verleend. Het college heeft in de ‘Notitie zienswijzen en ambtshalve wijzigingen’ op de zienswijzen van eisers gereageerd.

Ontvankelijkheid (fase 1 & 2)

2.1

Eisers onder 1 zijn eigenaar van appartementen in het appartementengebouw ‘ [naam appartementengebouw 2] ’ aan de [adres 1] te [naam woonplaats] . Eisers onder 2 zijn eigenaar van het perceel [adres 2] ( [naam appartementengebouw 3] ) en [adres 3] te [naam woonplaats] ( [naam appartementengebouw 4] ). Deze percelen/panden zijn gelegen aan dezelfde zijde van de boulevard als het in geding zijnde appartementengebouw.

Eisers onder 3 zijn eigenaars van appartementen die tegenover het in geding zijnde appartementengebouw zijn gelegen: [naam eiser 12] van een appartement in het gebouw [adres 4] , [naam eiser 13] van een appartement in het gebouw [adres 5] en [naam eiser 14] van een appartement in het gebouw [adres 6] .

2.2

De grootste afstand van het in geding zijnde appartementengebouw tot de woningen van eisers is de afstand tussen [naam perceel] en [adres 7] , en bedraagt ongeveer 50 meter.

2.3

Om als belanghebbende bij een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) – bijvoorbeeld de uitspraak van 30 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2347) – een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

Zoals de AbRS heeft overwogen in haar uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271, is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef-, of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

2.4

[naam derde partij] heeft terecht erop gewezen dat vanuit het appartementengebouw [adres 7] [adres 2] geen direct zicht bestaat op het in geding zijnde appartementengebouw. Evenwel, gelet op de geringe afstand tussen beide appartementengebouwen, bezien in combinatie met de ruimtelijke uitstraling van het in geding zijnde appartementengebouw, moeten alle eisers (dus ook [naam appartementengebouw 3] ) als belanghebbenden worden beschouwd.

3.1.

In artikel 6:13 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen een besluit, indien hem redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen tegen het ontwerpbesluit naar voren heeft gebracht.

3.2.

Tegen het ontwerpbesluit fase 1 zijn zienswijzen ingediend door eisers onder 2. Eisers onder 1 en 3 hebben geen zienswijzen naar voren gebracht.

3.3.

Eisers onder 1 hebben geen zienswijzen naar voren gebracht, omdat zij in de periode waarin het ontwerpbesluit ter inzage lag nog geen eigenaar waren van hun appartementen. Zij stellen dat zij in mei 2017 eigenaars zijn geworden van de appartementsrechten en dat dit ruim na de periode van terinzagelegging (18 augustus 2016 tot en met 29 september 2016) is geweest. Zij hebben kopieën van de koopovereenkomsten overgelegd, die allemaal begin mei 2017 zijn ondertekend.

In lijn met de uitspraak van de AbRS van 14 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1541, is de rechtbank van oordeel dat eisers onder 1 in redelijkheid niet kan worden verweten dat zij geen zienswijze hebben ingediend naar aanleiding van het ontwerpbesluit fase 1. Immers, zij waren in de zienswijzentermijn nog geen eigenaar van de appartementsrechten en de koopovereenkomsten zijn geruime tijd later gesloten. De rechtbank ziet in wat het college en [naam derde partij] hebben aangevoerd onvoldoende concrete aanknopingspunten om aan te nemen dat er al eerder in het koopproces (voorlopige) overeenkomsten met eisers onder 1 zijn gesloten over de aankoop van de appartementen of het voornemen daartoe.

Het beroep van eisers onder 1 tegen bestreden besluit 1 is dus ontvankelijk.

3.4.

Eisers onder 3 hebben ter zitting toegelicht dat zij geen zienswijzen tegen ontwerpbesluit fase 1 hebben ingediend, omdat zij daarvan niet op de hoogte waren.

Het college heeft een kennisgeving van het ontwerpbesluit fase 1 gepubliceerd in het huis-aan-huisblad ‘ [naam huis-aan-huisblad] ’ en in de Staatscourant. Daarmee heeft het college voldaan aan artikel 3:12, tweede lid, van de Awb. Dat het [naam huis-aan-huisblad] in de zomerperiode slecht wordt bezorgd in [naam woonplaats] , zoals eisers onder 3 hebben betoogd, doet daaraan niet af. Uit de jurisprudentie van de AbRS – bijvoorbeeld de uitspraak van 14 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1751 – volgt dat van belanghebbenden wordt verwacht dat zij zich inspannen om zich op te hoogte te stellen van de voor hen van belang zijnde ruimtelijke ontwikkelingen. Eisers onder 3 hadden in dit geval door het lezen van de Staatscourant op de hoogte kunnen raken van de terinzagelegging van ontwerpbesluit fase 1 en hadden vervolgens tijdig hun zienswijzen naar voren kunnen brengen.

3.5.

Bestreden besluit 1 is op 7 juni 2018 aan [naam derde partij] toegezonden. Ook dat besluit is gepubliceerd in de Staatscourant en in het [naam huis-aan-huisblad] en is met ingang van 14 juni 2018 ter inzage gelegd.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift is, zoals in artikel 6:8, vierde lid, van de Awb is voorgeschreven, aangevangen met ingang van 15 juni 2018. De laatste dag waarop een beroepschrift kon worden ingediend was 26 juli 2018. De rechtbank stelt vast dat eisers onder 3 hun beroepschrift pas op 14 augustus 2018 hebben ingediend. Voor die termijnoverschrijding hadden zij geen goede reden.

Ook voor bestreden besluit 1 geldt dat het college heeft voldaan aan de regels van de Awb voor het bekendmaken van besluiten door deze te publiceren in het [naam huis-aan-huisblad] en de Staatscourant. Omdat eisers onder 3 geen zienswijzen tegen het ontwerpbesluit naar voren hebben gebracht, kon aan hen niet persoonlijk mededeling worden gedaan van de bekendmaking van bestreden besluit 1. Ook daarvoor geldt dat eisers onder 3 door het lezen van de Staatscourant op de hoogte hadden kunnen raken van dit besluit.

Het beroep van eisers onder 3 tegen bestreden besluit 1 dient op basis van het voorgaande niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4. Alle eisers hebben zienswijzen naar voren gebracht tegen het ontwerpbesluit fase 2 en hebben tijdig beroep ingesteld tegen bestreden besluit 2. De beroepen van eisers tegen bestreden besluit 2 zijn dus ontvankelijk.

Procedureel

5. Eisers onder 1 hebben gewezen op de onvolledigheid van de dossiers en hebben de rechtbank verzocht om het college te wijzen op zijn plicht om alle op de zaak betrekking hebbende stukken in geding te brengen en dat op een wijze te doen dat de samenhang hiertussen kenbaar is. De rechtbank heeft het college op 17 september 2019 schriftelijk verzocht om nog een aantal ontbrekende stukken over te leggen. Met de daarna overgelegde stukken beschikt de rechtbank over voldoende relevante informatie om uitspraak te kunnen doen.

6. Eisers onder 1 hebben in hun beroep aandacht gevraagd voor het feit dat er sprake is van twee vergunninghouders.

De rechtbank stelt vast dat de omgevingsvergunning fase 1 is aangevraagd door [naam derde partij] met [naam gemachtigde 2] als gemachtigde. [naam gemachtigde 2] is degene die de ruimtelijke onderbouwing heeft opgesteld. De omgevingsvergunning fase 1 is aan [naam derde partij] verleend. De tweede fase is inderdaad aangevraagd door en verleend aan een ander bedrijf, namelijk het aannemingsbedrijf dat het project gaat uitvoeren.

De rechtbank acht deze gang van zaken niet in strijd met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), het Besluit omgevingsrecht (Bor) of de Regeling omgevingsrecht (Mor). [naam derde partij] heeft in haar schriftelijke reactie terecht gewezen op artikel 2.25 van de Wabo en op het zaaksgebonden karakter van de beschikking. In de omgevingsvergunning fase 2 wordt naar fase 1 verwezen. Het feit dat de omgevingsvergunningen fase 1 en fase 2 zijn gericht aan andere geadresseerden, wil niet zeggen dat de vergunning daardoor niet ondeelbaar zou zijn. De rechtbank ziet hierin dan ook geen reden voor vernietiging van de bestreden besluiten.

omgevingsvergunning fase 1

Beroepsgronden

7.1

Eisers onder 1 hebben aangevoerd dat zij niet zozeer bezwaar hebben tegen de bouw van een appartementengebouw, maar wel tegen de vergaande reikwijdte van de afwijking. Die afwijking heeft nadelige gevolgen voor het uitzicht vanuit hun appartementen en de toetreding van middag- en avondzon. Het bouwplan vormt ook een ongewenst precedent voor een nieuwe overschrijding van de voorgevelrooilijn. Eisers onder 1 vrezen voor een forse waardedaling van hun appartementen. Eisers onder 1 stellen zich op het standpunt dat het project niet is voorzien van een goede ruimtelijke motivering en dat aan het besluit geen zorgvuldige belangenafweging is voorafgegaan. Ook is volgens hen geen sprake van een helder en consistent beleidskader, met aan de ene kant een al tamelijk verouderd ontwikkelingsplan en aan de andere kant een beheersverordening, die teruggrijpt op de oude planregels uit 1993. Van een toekomstige beleidsvisie blijkt volgens eisers onder 1 niet. Zij stellen zich voorts op het standpunt dat het college ten aanzien van de voorgevelrooilijn het beginsel van ‘gelijke monniken, gelijke kappen’ moet hanteren en wijzen in dat verband erop dat eerder de beleidskeuze voor één lijn is gemaakt.

7.2

Ook eisers onder 2 hebben vooral problemen met de voorgevelrooilijn. Zij stellen dat het college voor het afwijken van de beheersverordening met betrekking tot de overschrijding van het bouwvlak geen omgevingsvergunning heeft verleend, althans daarvoor is geen inhoudelijke afweging gemaakt. Zij wijzen er tevens op dat volgens het bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan] ’ voor het bouwvlak een strook is gelegen met de bestemming ‘Tuin’ en dat daarop uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen mogen worden gebouwd. Volgens eisers onder 2 heeft het college geen deugdelijke belangenafweging gemaakt. Zij wijzen erop dat in het verleden vergunde projecten ( [adres 2] ) wel de bestaande bouwgrenzen moesten respecteren en dat dat ook is gebeurd.

Eisers onder 2 hebben verder gewezen op de vermelding in de omgevingsvergunning dat het Q-team de plannen heeft geaccordeerd en dat deze daarmee in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening, maar dat de afweging van het Q-team nergens is vastgelegd. Bovendien vragen zij zich af wat de status is van dit Q-team. Daarnaast stellen zij dat het voorgestelde plan niet kan voldoen aan de parkeerbehoefte. Eisers onder 2 betwisten voorts dat geen verklaring van geen bedenkingen (v.v.g.b.) nodig was voor dit project van de gemeenteraad. Verder merken zij op dat in de ruimtelijke onderbouwing slechts een summiere beschouwing wordt gegeven op de actuele marktbehoefte en dat een integrale beschouwing ontbreekt. Ook de verkeerskundige onderbouwing vinden zij te summier.

7.3

Ook eisers onder 3 hebben aangevoerd dat de rooilijn dient te worden gerespecteerd. Zij vinden het onacceptabel om de rooilijn drie meter naar voren te verplaatsen. Zij wijzen erop dat het voetgangersgebied en het verkeer daardoor gedwongen wordt verplaatst naar de noordkant en dat daardoor de geluidsoverlast zal toenemen. Ook vinden zij het onaanvaardbaar dat de inrit van de parkeergarage direct aan de openbare weg komt te liggen. Eisers onder 3 stellen zich verder op het standpunt dat de luchtkwaliteit in de omgeving dient te worden onderzocht. Gevreesd wordt voor een grote toename van fijnstof door nauwere bebouwing en toename van verkeer. Ook zal volgens hen de lichtinval sterk verminderd worden.

Verklaring van geen bedenkingen (v.v.g.b.)

8.1

Uit bestreden besluit 1 blijkt dat het bouwplan is getoetst aan het Ontwikkelingsplan [naam ontwikkelingsplan] Natuurlijk Stijlvol (het Ontwikkelingsplan). Het college heeft ter zitting toegelicht dat dit een beleidskader betreft, vastgesteld door de gemeenteraad. Bijlage 10 bij het Ontwikkelingsplan betreft de stedenbouwkundige uitwerking daarvan.

De gemeenteraad van Sluis heeft op 23 november 2017 een besluit genomen tot het aanwijzen van categorieën gevallen, als bedoeld in artikel 6.5 van het Bor, waarin een v.v.g.b. niet is vereist. De rechtbank stelt vast dat daarin als categorie (1.1) is opgenomen: aanvragen om een omgevingsvergunning waarvoor reeds een stedenbouwkundige visie, stedenbouwkundige randvoorwaarden, een master plan, een gebiedsvisie, een projectplan of daarmee te vergelijken ruimtelijk kader is vastgesteld door de gemeenteraad. Het Ontwikkelingsplan is daarbij expliciet als voorbeeld genoemd.

8.2

De rechtbank is van oordeel dat Bijlage 10 bij het Ontwikkelingsplan een voldoende ruimtelijk kader biedt om een v.v.g.b. achterwege te kunnen laten. In deze bijlage is nadrukkelijk aandacht besteed aan het gedeelte van [naam bestemmingsplan] waar het bouwplan is voorzien (in de bijlage aangeduid als ‘ [naam bouwplan 1] ’). Daarin is – bijvoorbeeld – vermeld dat dit gedeelte van de boulevard zich ontwikkelt tot een stijlvolle winkelstraat met een centrumkarakter en dat de aanwezige bebouwing tussen de huisnummers 48 en 65 geheel vernieuwd mag worden.

In lijn met de door [naam derde partij] aangehaalde uitspraak van de AbRS van 3 oktober 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX8983) is de rechtbank van oordeel dat deze aanwijzing duidelijk aangeeft in welke gevallen een v.v.g.b. niet vereist is. Niet bestreden is dat de aangevraagde activiteit onder categorie 1.1 van het raadsbesluit van 23 november 2017 valt. Het college heeft daarom terecht aangenomen dat in dit geval geen v.v.g.b. is vereist.

Planologisch toetsingskader & Q-team

9.1

Het perceel [naam perceel] te [naam woonplaats] is gelegen in het gebied waarvoor de Beheersverordening [naam ontwikkelingsplan] (de beheersverordening) geldt.

Ingevolge lid 3.1, sub a, van de beheersverordening mogen de in het besluitvlak ‘Beheersverordening [naam ontwikkelingsplan] ’ gelegen gronden en bestaande bouwwerken worden gebruikt overeenkomstig het bestaand gebruik.

Bestaande bouwwerken mogen op grond van lid 3.1, sub b, van de beheersverordening worden vervangen door bouwwerken van dezelfde afmetingen en op dezelfde locatie.

Lid 3.2, sub a, van de beheersverordening bepaalt dat, in aanvulling op lid 3.1, ten aanzien van het bouwen en gebruik de voorschriften en kaarten van de bestemmingsplannen gelden, zoals opgenomen in bijlage 1 tot en met 12 bij de regels.

Lid 3.2, sub b, van de beheersverordening bepaalt dat, in aanvulling op lid 3.1, de wijzigingsbevoegdheden, als opgenomen in de voorschriften van de bestemmingsplannen zoals opgenomen in de bijlage 1 tot en met 12, niet van toepassing zijn.

9.2

De rechtbank stelt vast dat het bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan] ’ als bijlage 3 aan de beheersverordening is gehecht. Tussen partijen is niet in geschil dat de bouw- en gebruiksregels van dat bestemmingsplan op het bouwplan van toepassing zijn. Volgens de kaart van dat bestemmingsplan heeft het perceel [naam perceel] te [naam woonplaats] de bestemming ‘Woondoeleinden’, ‘Erf’ en ‘Tuin’.

Tussen partijen is ook niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met de beheersverordening voor wat betreft het aan het perceel toegekende bouwvlak, de maximale goothoogte en voor wat betreft het bouwen binnen de bestemmingsvlak ‘Tuin’.

10. De rechtbank dient te beoordelen of het college in redelijkheid heeft besloten om een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van de beheersverordening. In dat verband is het de vraag of het bouwplan voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en of het bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

Voorop dient te worden gesteld dat de bevoegdheid van het college om een dergelijke omgevingsvergunning te verlenen een discretionaire bevoegdheid is, die de rechtbank slechts terughoudend kan toetsen.

11. Het stedenbouwkundig beleidskader waaraan dient te worden getoetst, is neergelegd in bijlage 10 bij het Ontwikkelingsplan. Het betreft een ontwikkelingsschets op hoofdlijnen. In bijlage 10 is eveneens opgenomen dat er een kwaliteitsteam in het leven is geroepen die de ontwerpkwaliteit bewaakt. Dat team wordt ook wel het Q-team genoemd. Ter zitting is toegelicht dat het Q-team een adviesorgaan betreft. Het bestaat uit twee externe leden (stedenbouwkundigen) en de voorzitter werkt bij de gemeente. [naam stedenbouwkundige 3] is een van de twee externe leden en heeft ter zitting toegelicht dat de adviezen worden uitgebracht door de externe leden en dat de voorzitter alleen de vergaderingen voorzit.

Het college heeft het bouwplan ter advisering voorgelegd aan het Q-team. Het Q-team heeft positief over de plannen geadviseerd.

12. Rekening houdend met de door het college ter zitting aangehaalde uitspraak van de AbRS van 2 februari 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BP2756), is de rechtbank van oordeel dat het college bestreden besluit 1 heeft mogen baseren op de stedenbouwkundige uitgangspunten neergelegd in bijlage 10 bij het Ontwikkelingsplan en zich in dat kader heeft mogen laten adviseren door het Q-team.

Voorgevel

13. Eisers hebben met name problemen met de situering van de voorgevel van het bouwplan.

In de ruimtelijke onderbouwing is toegelicht dat het bouwplan over de grenzen van het bouwvlak gaat en hoger is dan maximaal is toegestaan. De uitgangspunten voor wat betreft maatvoering zijn verder uitgewerkt op blz. 9, 10 en 11 van de ruimtelijke onderbouwing. Daarin is onder meer vermeld dat de maximale omvang van het bouwvlak waarop de gevels van het hoofdvolume van de bebouwing staat (voor zover van belang) als volgt begrensd is.

 De gevellijn aan de zijde van [naam bestemmingsplan] ligt op de kadastrale perceelgrens.

 De maximale diepte van het gebouw bedraagt 18 meter.

De rechtbank stelt vast dat het bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan] ’ geen voorgevelrooilijn heeft voorgeschreven. In bijlage 10 bij het Ontwikkelingsplan (p. 43) is wel iets vermeld over de voorgevels binnen de ‘ [naam bouwplan 1] ’:

“De voorgevels staan in één rooilijn direct aan de straat. Kleine verspringingen zijn toegestaan om de percelering en de individuele karakteristiek van de panden te benadrukken.”

Tussen partijen is in geschil of het bouwplan in strijd is met die uitgangspunten.

Ter zitting heeft [naam stedenbouwkundige 3] toegelicht dat het voor wat betreft de ‘ [naam bouwplan 1] ’ uitdrukkelijk niet de bedoeling is geweest om een vaste voorgevelrooilijn voor te schrijven. Hij heeft de vergelijking gemaakt met het ‘ [naam bouwplan 2] ’, waarin wel een duidelijke rooilijn is voorgeschreven. Volgens [naam stedenbouwkundige 3] is het voor wat betreft de ‘ [naam bouwplan 1] ’ uitdrukkelijk de bedoeling geweest om ruimte te laten aan de ontwikkelaars. Volgens [naam stedenbouwkundige 3] wordt voldaan aan de stedenbouwkundige uitgangspunten die kleine verspringingen toestaan en ruimte geven voor de individuele karakteristiek.

Met inachtneming van die uitleg acht de rechtbank de gekozen situering van de voorgevel van het bouwplan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

14. Eisers hebben een beroep gedaan op het verbod van willekeur. Zij hebben erop gewezen dat ontwikkelaars van eerder vergunde projecten zich wel aan een voorgevelrooilijn moesten houden, met name [naam eiser 9] voor wat betreft [adres 7] . Eisers onder 1 hebben ter onderbouwing van hun standpunt een e-mail van [naam stedenbouwkundige 3] van 10 mei 2015 overgelegd.

Door het college wordt betwist dat eerdere projectontwikkelaars zich moesten houden aan een voorgevelrooilijn. Het college stelt dat [naam eiser 9] uitdrukkelijk zelf het verzoek heeft gedaan om achter de voorste perceelgrens te bouwen, omdat hij behoefte had aan meer uitstallingsruimte. Dat heeft [naam stedenbouwkundige 3] ter zitting bevestigd. [naam stedenbouwkundige 3] heeft daarbij toegelicht dat die wens is gerespecteerd, maar dat het Q-team in andere gevallen steeds heeft getracht om zich te houden aan de bedoeling van het Ontwikkelingsplan van kleine verspringingen en individuele karakteristiek.

De rechtbank ziet in de overgelegde e-mail van 10 mei 2015 onvoldoende onderbouwing van het standpunt van eisers. Het beroep van eisers op het verbod van willekeur kan daarom niet slagen.

Aantasting woongenot

15. Eisers vinden dat zij met het bouwplan in hun woongenot worden aangetast. Het gaat dan met name om verlies van uitzicht en zonlichtinval.

De rechtbank dient te beoordelen of er sprake is van een onevenredige aantasting van het woongenot, zodanig dat het bouwplan in strijd moet worden geacht met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank stelt voorop dat zij daarbij uitsluitend in aanmerking kan nemen de gevolgen van het bouwplan en dan alleen het onderdeel van het bouwplan dat afwijkt van het bestemmingsplan. Er kan dus geen rekening worden gehouden met de gevolgen van het bouwplan voor het perceel [adres 8] , nu dat bouwplan bij de bestreden besluiten niet is vergund.

16. Voorstelbaar is dat het bouwplan in elk geval voor een aantal eisers enig verlies van uitzicht en zonlichtinval met zich mee zal brengen. Met name zal het bouwplan enig uitzicht vanuit het appartementencomplex [adres 1] in westelijke richting op de jachthaven ontnemen, alsook zonlichtinval in de (late) middag en avond. Deze gevolgen zijn echter voor een groot deel het gevolg van de mogelijkheden die het bestemmingsplan en het Ontwikkelingsplan al bieden. De ontwikkeling was, met name op basis van het Ontwikkelingsplan, dan ook te verwachten.

Van een onevenredige aantasting van het woongenot is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat eisers hun appartementen hebben in stedelijk gebied, in een badplaats die in ontwikkeling is. Een zeker verlies van uitzicht en zonlichtinval behoort tot de risico’s van het verblijven aldaar.

Verkeer

17. In paragraaf 4.5 van de ruimtelijke onderbouwing is aandacht besteed aan de gevolgen van het bouwplan voor het verkeer. Berekend is dat het aantal verkeersbewegingen op de [naam bestemmingsplan] als gevolg van het bouwplan zal stijgen met 40 motorvoertuigen per etmaal gemiddeld. Overwogen is dat deze toename zich in gelijke mate naar beide zijden zal afwikkelen, zodat de toename op de [naam bestemmingsplan] 20 verkeersbewegingen per etmaal bedraagt, dat dit een stijging is van veel minder dan 1% en dat het huidige profiel ruimschoots is berekend op een dergelijke toename.

Die berekening wordt door eiseres niet zozeer betwist. Eisers stellen dat de verkeerskundige onderbouwing te summier is en vrezen daarnaast voor gevolgen voor de verkeersveiligheid.

18. Het college en [naam derde partij] hebben de rechtbank verzocht om bestreden besluit 1 niet op dit punt te vernietigen, waarbij zij een beroep hebben gedaan op het relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:69a van de Awb. Het college stelt in dat verband dat de beroepsgronden van eisers voornamelijk zien op het gebruik van de toe- en afrit naar en vanuit de ondergrondse parkeerkelder en dat de regels, waar zij zich op beroepen, niet strekken tot bescherming van hun belangen. [naam derde partij] trekt haar standpunt nog breder: zij stelt dat de beroepsgronden niet zien op de verkeersveiligheid nabij hun eigen woningen.

De rechtbank kan het beroep op het relativiteitsvereiste niet volgen. Weliswaar zijn eisers niet de gebruikers van de ondergrondse parkeerkelder van het bouwplan, maar de gevolgen van het gebruik van de parkeerkelder strekken tot de verkeersveiligheid op de openbare weg. De rechtbank ziet wel degelijk het belang van eisers bij een verkeersveilige situatie op de openbare weg nabij de ontsluiting van het perceel [naam perceel] . Weliswaar speelt zich die situatie niet direct voor hun appartementen af, maar de afstand tot hun appartementen is zo klein, dat hun belang bij een verkeersveilige situatie ter plaatse niet kan worden ontzegd. De rechtbank beoordeelt de beroepsgronden van eisers met betrekking tot het verkeer en de verkeersveiligheid in het kader van het woon- en leefklimaat en de ‘goede ruimtelijke ordening’ als bedoeld in artikel 2.12 van de Wabo.

Het beroep van het college en [naam derde partij] op artikel 8:69a van de Awb slaagt dus niet.

19. De rechtbank volgt eisers niet in hun standpunt dat de verkeerskundige onderbouwing in de ruimtelijke onderbouwing te summier is. Nu eisers deze niet onderbouwd hebben weersproken, ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om op dit punt aan de ruimtelijke onderbouwing te twijfelen.

[naam derde partij] heeft het bouwplan hangende beroep nog voorgelegd aan een verkeerskundige van advies- en ingenieursbureau [naam ingenieursbureau] voor een verkeersveiligheidscheck. Deze heeft de huidige situatie vergeleken met de toekomstige situatie, en heeft daarbij specifiek ook de ontsluiting van het bouwplan bekeken. Uit het memo van 18 september 2019 blijkt dat de verkeerskundige heeft geconcludeerd dat het ontwerp zoals beoogd geen belemmeringen oplevert ten aanzien van verkeersveiligheid; niet in de huidige, en zeker niet in de toekomstige situatie. De verkeerskundige heeft opgemerkt dat de betreffende ontsluiting een lage naderingssnelheid veroorzaakt en dat dat juist wenselijk is in een verblijfsgebied als dit.

Actuele behoefte

20. In hoofdstuk 3 van de ruimtelijke onderbouwing is aandacht besteed aan de behoefte (onder andere 'marktontwikkeling', paragraaf 3.1). Geconcludeerd is dat er sprake is van een actuele behoefte in de badplaats aan recreatieappartementen en commerciële ruimte. [naam gemachtigde 2] heeft zich in dat kader gebaseerd op rapporten van ZKA en NVM, alsmede op cijfers van het Kenniscentrum Kusttoerisme. Overwogen is dat er over het algemeen een grote vraag is naar recreatiewoningen, dat het aanbod beperkt is en dat het lastig is om in de kustgebieden grote aantallen nieuwe recreatieparken te realiseren door restrictief ruimtelijk beleid. Ten aanzien van de badplaats [naam ontwikkelingsplan] is overwogen dat deze sterk in beweging is. Gewezen wordt op - onder meer - de aanleg van de jachthaven in samenhang met de opwaardering van de openbare ruimte rond het Maritiem Balkon, die de badplaats een enorme boost hebben gegeven en nieuwe doelgroepen hebben aangeboord. Opgemerkt is verder nog dat de verkoopresultaten van verblijfsrecreatie-eenheden uitstekend te noemen zijn, dat er pas gebouwd wordt als er voldoende appartementen verkocht zijn, zodat er geen risico op substantiële leegstand bestaat.

De rechtbank is van oordeel dat de actuele marktbehoefte in de ruimtelijke onderbouwing voldoende is onderbouwd.

Conclusie v.w.b. omgevingsvergunning fase 1

21. Op basis van het voorgaande heeft het college naar het oordeel van de rechtbank mogen aannemen dat het bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft de omgevingsvergunning eerste fase voor het afwijken van de beheersverordening in redelijkheid aan [naam derde partij] mogen verlenen.

omgevingsvergunning fase 2

Beroepsgronden

22. De rechtbank leest in de beroepsgronden veel herhaling van standpunten die tegen bestreden besluit 1 zijn ingenomen. Die beroepsgronden laat de rechtbank in het kader van fase 2 buiten beschouwing.

Eisers onder 1 hebben tegen bestreden besluit 2 aangevoerd dat de verleende omgevingsvergunning fase 2 onvoldoende is gemotiveerd. Met name missen zij een deugdelijke grondslag voor het aspect ‘parkeren’. Zij wijzen erop dat de norm die het college hanteert, afwijkt van de norm uit het Ontwikkelingsplan. Zij wijzen er tevens op dat het bouwplan in fase 2 is gewijzigd. Verder lijkt het college ambtshalve vergunning te hebben verleend voor kantoorruimte op de begane grond, terwijl er een winkelruimte is aangevraagd. Voorts achten eisers onder 1 de toetsing aan het Bouwbesluit, de bouwverordening en de redelijke eisen van welstand niet inzichtelijk en daarmee ondeugdelijk. Daarnaast merken eisers onder 1 op dat er sprake is geweest van een onevenwichtige belangenafweging. Het college heeft alleen maar oog gehad voor het belang van [naam derde partij] en niet, althans onvoldoende, voor de belangen die met en door deze vergunningverlening worden geraakt.

Ook eisers onder 2 wijzen erop dat het plan waarvoor de omgevingsvergunning tweede fase is verleend op essentiële punten afwijkt van het plan waarvoor de eerdere omgevingsvergunning eerste fase is verleend. Eisers onder 2 stellen daarbij dat het bouwplan over te weinig parkeerplaatsen beschikt. Er worden volgens eisers onder 2 wel degelijk 11 appartementen gerealiseerd. Eisers onder 2 stellen zich tot slot op het standpunt dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. De welstandsbeoordeling heeft volgens eisers plaatsgevonden ofwel op basis van onvolledige documentatie ofwel op basis van een onjuist beeld van de omgeving.

De rechtbank leest in het beroepschrift van eisers onder 3 alleen argumenten die zij ook in het kader van de eerste fase hebben aangevoerd.

Wijzigingen bouwplan tussen 1e en 2e fase

23.1

In het bouwplan fase 2 is inderdaad sprake van een aantal wijziging ten opzichte van het bouwplan fase 1. Dat is toegestaan op grond van artikel 2.5, zesde lid, van de Wabo. Het artikel stelt geen eisen aan de omvang van die wijzigingen. Volgens eisers onder 1 wijkt de aanvraag tweede fase echter op essentiële punten af van de eerste fase. De rechtbank begrijpt deze beroepsgrond aldus, dat eisers vinden dat het college de omgevingsvergunning fase 2 niet had mogen verlenen, omdat de wijzigingen in het bouwplan te omvangrijk zijn.

23.2

Ter zitting is met partijen vastgesteld dat het aantal appartementen is gewijzigd en de invulling van de commerciële ruimte. De rechtbank volgt eisers evenwel niet in hun standpunt dat er sprake is van essentiële, en daarmee ontoelaatbare wijzigingen. In fase 1 werd blijkens de ruimtelijke onderbouwing gesproken van minimaal 10 appartementen, maximaal 11, en in fase 2 zijn het er definitief 10 geworden. En voor wat betreft de invulling van de commerciële ruimte werd in fase 1 gesproken van een multifunctionele ruimte, en op de tekeningen in fase 2 is een winkelruimte ingetekend. Nu het bouwplan fase 2 binnen de kaders is gebleven die in de ruimtelijke onderbouwing in fase 1 zijn uitgezet, ziet de rechtbank geen reden om te oordelen dat bestreden besluit 2 om die reden moet worden vernietigd.

Parkeren

24.1

De rechtbank stelt vast dat de beroepen tegen bestreden besluit 2 hoofdzakelijk zien op het aspect ‘parkeren’. De standpunten van eisers komen erop neer dat het bouwplan volgens hen niet in voldoende parkeergelegenheid voorziet. Deze beroepsgrond is niet in fase 1 maar enkel in fase 2 aangevoerd.

24.2

[naam derde partij] heeft in haar schriftelijke reactie op de beroepschriften tegen bestreden besluit 2 terecht opgemerkt dat onderscheid moet worden gemaakt in de te hanteren parkeernorm en de toetsing aan die parkeernorm. [naam derde partij] heeft ook terecht opgemerkt dat de gehanteerde parkeernorm in fase 2 van de vergunningverlening niet meer aan de orde kan worden gesteld. Of er aan een parkeernorm kan worden voldaan, is immers een aspect van ‘ruimtelijke ordening’. Daaraan is in de ruimtelijke onderbouwing ook aandacht besteed. In fase 2 van de vergunningverlening kan slechts nog worden getoetst of het bouwplan in voldoende parkeergelegenheid voorziet. Dat leidt ertoe dat de beroepsgronden tegen bestreden besluit 2, voor zover die zijn gericht tegen de gehanteerde parkeernorm, te laat zijn ingediend en dat deze door de rechtbank buiten bespreking zullen worden gelaten.

24.3

In de ruimtelijke onderbouwing is opgenomen (paragraaf 4.5) dat voor het bouwplan, uitgaande van maximaal 11 appartementen en een multifunctionele ruimte, 14 parkeerplaatsen (13,2) benodigd zijn. Omdat die berekening in het kader van fase 1 door eisers niet is betwist, dient de rechtbank daarvan uit te gaan. [naam gemachtigde 2] heeft voor wat betreft de invulling van de multifunctionele ruimte op dat moment nog rekening gehouden met de komst van een winkel (detailhandel), kantoor (zonder baliefunctie) of commerciële dienstverlening (kantoor met baliefunctie). [naam gemachtigde 2] heeft vervolgens toegelicht dat kantoren en commerciële dienstverlening sowieso binnen de parkeercapaciteit van het plan passen. Voorts heeft hij toegelicht dat, als er 10 appartementen worden gerealiseerd, er dan maximaal 85 m² winkelvloeroppervlakte kan worden gerealiseerd. Dan zou de parkeercapaciteit namelijk net toereikend zijn. [naam derde partij] heeft in haar schriftelijke reactie opgemerkt dat in het bouwplan fase 2 rekening is gehouden met parkeergelegenheid voor 10 appartementen en een commerciële ruimte. Uit de bouwtekening ‘parkeren/begane grond’, die is gewaarmerkt als onderdeel van bestreden besluit 2, blijkt dat de oppervlakte van de commerciële ruimte 64 m² bedraagt en dat er inpandig 14 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Daarmee voldoet het bouwplan fase 2 aan de kaders die in de ruimtelijke onderbouwing zijn uitgezet.

Welstand

25. Uit bestreden besluit 2 blijkt dat het bouwplan is getoetst door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit in haar vergadering van 16 augustus 2018, en dat zij heeft gerapporteerd dat het voldoet aan redelijke eisen van welstand, mits de linker zijgevel ook in eternit sidings wordt uitgevoerd. In het verweerschrift heeft het college toegelicht dat het zich ervan heeft vergewist dat het welstandsadvies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Het college heeft een kopie van het advies als bijlage bij het verweerschrift gevoegd. Het standpunt van eisers, dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, is niet onderbouwd met een deskundig tegenadvies. Ook in de beroepsgronden ziet de rechtbank geen reden om aan te nemen dat het college bestreden besluit 2 voor wat betreft de redelijke eisen van welstand niet op het advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit heeft mogen baseren.

Conclusie v.w.b. omgevingsvergunning fase 2

26. Op basis van het voorgaande heeft het college naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden de omgevingsvergunning fase 2 voor de activiteit bouwen aan [naam derde partij] verleend.

27. Het beroep van eisers onder 3 tegen bestreden besluit 1 is niet-ontvankelijk. De andere beroepen tegen bestreden besluit 1 zijn ongegrond.

De beroepen tegen bestreden besluit 2 zijn ongegrond.

Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep van eisers onder 3 tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart de beroepen van eisers onder 1 en 2 tegen bestreden besluit 1 ongegrond;

  • -

    verklaart de beroepen tegen bestreden besluit 2 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Karsten-Badal, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1, eerste lid:

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

  1. het bouwen van een bouwwerk,

  2. […],

  3. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan,

  4. […].

Artikel 2.5:

  1. Op verzoek van de aanvrager wordt een omgevingsvergunning in twee fasen verleend. De eerste fase heeft slechts betrekking op de door de aanvrager aan te geven activiteiten.

  2. Op een aanvraag om een beschikking met betrekking tot de eerste of tweede fase wordt beslist door het bestuursorgaan dat bevoegd zou zijn te beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het betrokken project. Een beschikking als bedoeld in de eerste volzin wordt voorbereid overeenkomstig de procedure die van toepassing zou zijn op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning.

  3. [….]

  4. De beschikking met betrekking tot de tweede fase wordt niet eerder gegeven dan de beschikking met betrekking tot de eerste fase. Indien daardoor de beslistermijn voor de beschikking met betrekking tot de tweede fase zou worden overschreden geeft het bevoegd gezag, in afwijking daarvan, de beschikking gelijktijdig met de beschikking met betrekking tot de eerste fase.

  5. […]

  6. De beschikking met betrekking tot de eerste fase kan bij de beschikking met betrekking tot de tweede fase worden gewijzigd voor zover dat nodig is met het oog op het verlenen van de omgevingsvergunning.

  7. Het bepaalde bij of krachtens deze wet met betrekking tot een omgevingsvergunning is, met uitzondering van artikel 2.7, van overeenkomstige toepassing op de beschikkingen met betrekking tot de eerste en tweede fase.

  8. De beschikkingen waarbij positief is beslist op de aanvragen met betrekking tot de eerste en tweede fase worden, als deze in werking zijn getreden, tezamen aangemerkt als een omgevingsvergunning.

Artikel 2.10:

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

  1. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet (het Bouwbesluit);

  2. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet;

  3. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

  4. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;

  5. […].

2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a:

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

  1. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

  2. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

  3. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Artikel 2.27, eerste lid:

In bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen wordt een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten. Bij die maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan categorieën gevallen kan aanwijzen waarin de verklaring niet is vereist.

Besluit omgevingsrecht

Artikel 5.20:

Voor zover de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo, zijn de artikelen 3.1.2, 3.1.6 en 3.3.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.5:

  1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is.

  2. De verklaring kan slechts worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening.

  3. De gemeenteraad kan op categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.

  4. […]

Besluit ruimtelijke ordening

Artikel 3.1.6, tweede lid:

De toelichting bij een bestemmingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.