Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:5973

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
06-12-2019
Datum publicatie
09-01-2020
Zaaknummer
C/02/363835 FARK 19-5048
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoeken vervangende toestemming verhuizing, inschrijving gemeente en inschrijving lagere school afgewezen. Geen reden voor aanhouding van de zaak. Wijziging verdeling zorg- en opvoedingstaken. Vaststelling kinderalimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaaknummer: C/02/363835 FA RK 19-5048

datum uitspraak:

beschikking betreffende art. 1:253a BW


in de zaak van

[verzoekster] , hierna te noemen: de vrouw,

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. A.J.Y.M. Thomas te Breda,

tegen

[verweerder] , hierna te noemen de man,

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. A.M.J. van Uitert te Waalwijk .

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,

hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1 Het procesverloop

1.1

De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

- het op 7 oktober 2019 ontvangen verzoek met bijlagen;

- de brieven van 7 oktober 2019, 5 november 2019 en 7 november 2019 met bijlagen van de advocaat van de vrouw;

- de brieven van de griffier van de rechtbank van 10 oktober 2019 aan de partijen;

- het op 5 november 2019 ontvangen aanvullende verzoek met bijlagen;

- het op 5 november 2019 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen;

- de brief van 6 november 2019 met bijlagen van de advocaat van de man;

- de uittreksels uit het gezagsregister betreffende na te noemen minderjarigen;

- het proces-verbaal van de zitting van 8 november 2019.

1.2

De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 8 november 2019. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een medewerker namens de Raad.

2 De feiten

2.1

Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie de navolgende thans

nog minderjarige kinderen zijn geboren:

- [minderjarige 1] [naam] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2012;
- [minderjarige 2] [naam] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 2] 2016.

2.2

De man heeft de minderjarigen erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het

ouderlijk gezag over de minderjarigen.

2.3

In het op 1 juni 2018 door beide partijen ondertekende ouderschapsplan is onder meer bepaald dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats hebben bij de moeder. Bij een voorgenomen verhuizing zullen de ouders vooraf met elkaar in overleg treden. De ouders streven ernaar om zo min mogelijk te verhuizen en in elkaars nabijheid te blijven wonen. Uitgangspunt hierbij is dat de ouders binnen een straal van 15 kilometer van elkaar blijven wonen om het contact met de minderjarigen niet ernstig te verstoren. Blijkens de bijlage bij het ouderschapsplan heeft de man contact met de minderjarigen gedurende een weekend per veertien dagen van vrijdag omstreeks 16.30 uur tot zondag omstreeks 18.00 uur en gedurende een deel van de vakanties. Van het in de bijlage opgenomen contactschema kan worden afgeweken in overleg. Mocht een van de ouders de minderjarigen tussentijds willen zien, of wanneer een van de (of beide) minderjarigen reële behoefte hebben aan de aanwezigheid van een van de ouders, zal de andere ouder zich daar altijd voor inspannen dit mogelijk te maken.

2.4

Partijen en de minderjarigen hebben de Nederlandse nationaliteit.

3 De verzoeken

3.1

De vrouw verzoekt de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:

- de vrouw vervangende toestemming te verlenen om met de hiervoor genoemde minderjarigen te mogen verhuizen naar de woning gelegen aan [adres ] te [woonplaats 2] ;

- de vrouw vervangende toestemming te verlenen om de minderjarigen in te schrijven bij de gemeente [woonplaats 2] aan voornoemd adres;

- de vrouw vervangende toestemming te verlenen om de minderjarigen te mogen inschrijven bij een lagere school te [woonplaats 2] , nader door partijen in onderling overleg aan te wijzen.

Bij wege van aanvullend verzoek verzoekt de vrouw, naar de rechtbank begrijpt, samengevat:

- de tussen partijen in het ouderschapsplan overeengekomen afspraak omtrent de kinderalimentatie te bekrachtigen, in dier voege dat de man maandelijks bij vooruitbetaling voor de eerste van iedere maand een bijdrage van € 200,- per minderjarige aan de vrouw dient te betalen.

De vrouw voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de man.

3.2

De man voert verweer tegen de verzoeken van de vrouw ten aanzien van de vervangende toestemming tot verhuizing met de minderjarigen naar [woonplaats 2] en de vervangende toestemming voor inschrijving van de minderjarigen bij de gemeente [woonplaats 2] en op een lagere school in [woonplaats 2] en verzoekt deze verzoeken af te wijzen.

Bij wijze van zelfstandig verzoeken verzoekt de man de rechtbank bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:

Primair

  • -

    te bepalen dat de minderjarigen voortaan hun hoofdverblijfplaats bij de man zullen hebben in [woonplaats 1] ;

  • -

    te bepalen dat de vrouw en de minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot contact met elkaar:

o een weekend per 14 dagen van vrijdag 16.30 uur tot en met zondag 18.00 uur; alsmede

o elke week op maandag en dinsdag tot woensdagochtend schooltijd;

welk verzoek de man zal intrekken als zal worden beslist dat de vervangende toestemming om te verhuizen en de overige verzoeken worden afgewezen en de vrouw daadwerkelijk in [woonplaats 1] blijft wonen.

Subsidiair

- te bepalen dat de man en de minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot contact met elkaar:

o een weekend per 14 dagen van vrijdag 16.30 uur tot en met zondag 18.00 uur; alsmede

o elke week op donderdag en vrijdag.

3.3

Op de standpunten van partijen en de Raad wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

Op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting overweegt de

rechtbank als volgt.

4.2

Ingevolge artikel 1:253a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Ingevolge artikel 1:253a, tweede lid, BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:

- een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken

- de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.

4.3

Alvorens te beslissen dient de rechter, op grond van artikel 1:253a, vijfde lid, BW, een

vergelijk tussen beide ouders te beproeven. Ter zitting is gebleken dat dit ten aanzien van de

verzoeken omtrent de verhuizing, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de

hoofdverblijfplaats niet is gelukt. De man verzet zich niet tegen het verzoek van de vrouw tot

vaststelling van de kinderalimentatie. De rechtbank zal hierop in het vervolg van de beschikking

nader ingaan.

Vervangende toestemming verhuizing, inschrijving gemeente en inschrijving lagere school

4.4

De vrouw heeft de rechtbank verzocht vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarigen te mogen verhuizen naar [woonplaats 2] . Ook heeft de vrouw verzocht vervangende toestemming te verlenen om de minderjarigen in te schrijven bij de gemeente [woonplaats 2] en op een lagere school te [woonplaats 2] .
4.5 De Hoge Raad heeft in het arrest van 25 april 2008, LJN: BC5901 geoordeeld dat vooropgesteld dient te worden dat uit de omstandigheid dat in artikel 1:253a BW is bepaald dat de rechtbank een zodanige beslissing neemt als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt, niet mag worden afgeleid, dat het belang van het kind bij geschillen over gezamenlijke gezagsuitoefening altijd zwaarder weegt dan andere belangen. De rechter zal bij zijn beslissing over dergelijke geschillen alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen, wat er in voorkomend geval ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen. Bij de beoordeling van dergelijke geschillen dient de rechter alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, waaronder:

- de noodzaak om te verhuizen;
- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;
- het recht en het belang van de verhuizende ouder om te verhuizen en de vrijheid om zijn of haar leven opnieuw in te richten;
- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;
- de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;
- de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in hun vertrouwde omgeving;
- de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de continuïteit van de zorg;
- de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de verhuizing;
- de leeftijd van de minderjarige, zijn of haar mening en de mate waarin hij of zij geworteld is in zijn of haar omgeving of juist gewend is aan verhuizingen;
- de (extra) kosten van het contact met de andere ouder na de verhuizing.

Aanhouding van de zaak
4.6 De Raad voor de Kinderbescherming heeft ter zitting aangevoerd dat hij van mening is dat de zaak voor de duur van drie maanden dient te worden aangehouden, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen alsnog met elkaar in gesprek te gaan om er onderling uit te komen. De rechtbank overweegt dat ter zitting is gebleken dat de standpunten van partijen uiteenlopen en dat partijen in onderling overleg geen overeenstemming hebben kunnen bereiken. Beide partijen hebben behoefte aan duidelijkheid daaromtrent en zij verzoeken de rechtbank thans een beslissing te nemen. De rechtbank zal derhalve in het navolgende voornoemde verzoeken van partijen beoordelen en een beslissing nemen die haar in het belang van de minderjarigen wenselijk voorkomt.

Inhoudelijke beoordeling
4.7 De rechtbank stelt voorop dat de vrouw het recht heeft haar verblijfplaats te kiezen en een nieuw leven op te bouwen. De vrijheid van de vrouw om met de minderjarigen te verhuizen, kan echter worden beperkt op een wijze die in de wet is voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk is ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Nu de vrouw en de man gezamenlijk het gezag over de minderjarigen uitoefenen en de man een structurele contactregeling met de minderjarigen heeft, zou een verhuizing van de minderjarigen meebrengen dat de daadwerkelijke uitoefening van het gezag door de man en de contactregeling worden beperkt. Om die reden zou de bescherming van de rechten en vrijheden van de man of van de minderjarigen (indirect) een inbreuk op de vrijheid van verplaatsing van de vrouw kunnen rechtvaardigen.
De noodzaak om te verhuizen
4.8 De vrouw heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat voor haar de noodzaak bestaat om met de minderjarigen naar [woonplaats 2] te verhuizen. Gesteld noch gebleken is dat de vrouw niet langer in [woonplaats 1] kan verblijven. Weliswaar heeft de vrouw aangevoerd dat zij goedkoper wilde gaan wonen en dat zij hierdoor sowieso met de minderjarigen moest verhuizen, echter is niet gebleken dat er in [woonplaats 1] geen woningen met een lagere huurprijs te vinden zijn. Sterker nog, de vrouw heeft ter zitting verklaard dat zij niet heeft gekeken naar woningen in [woonplaats 1] . Dat de vrouw – zoals zij stelt – via de lokale woningstichting nog geen geschikte woning is aangeboden, doet hier niet aan af.
Voorts heeft de vrouw gesteld dat zij en [minderjarige 1] niet gelukkig zijn in [woonplaats 1] . Wat hier ook van zij, de rechtbank constateert dat de vrouw niet heeft gezocht naar minder ingrijpende alternatieven. Zo heeft zij bijvoorbeeld niet gekeken naar woningen in de directe omgeving van [woonplaats 1] .
Daarnaast heeft de vrouw aangevoerd dat het haar wens is om in de buurt te gaan wonen van haar nieuwe partner, die in [woonplaats 3] woont. De partner van de vrouw heeft er belang bij om in [woonplaats 3] te blijven wonen, gelet op de co-ouderschapsregeling die hij samen met zijn ex-partner heeft en het koophuis dat hij bezit, met een grote tuin waar de minderjarigen veel plezier aan beleven. De partner van de vrouw heeft zijn sociale leven in [woonplaats 2] . De rechtbank is van oordeel dat het belang van de partner van de vrouw niet zwaarder dient te wegen dan het belang van de man en de minderjarigen bij handhaving van de huidige contacten. Ook dit (afgeleide) belang maakt niet dat voor de vrouw de noodzaak bestaat om met de minderjarigen naar [woonplaats 2] te verhuizen.
De mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid
4.9 Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de vrouw de verhuizing naar [woonplaats 2] onvoldoende heeft voorbereid en doordacht. Dit blijkt alleen al uit het korte tijdsbestek waarin de vrouw tot haar beslissing is gekomen. De rechtbank overweegt dat de vrouw relatief kort na het ontmoeten van haar huidige partner heeft besloten te verhuizen. De vrouw heeft haar partner in maart 2019 ontmoet en heeft in mei 2019 besloten dat zij wilde verhuizen.
Er is in onvoldoende mate overleg gevoerd met de man. De vrouw heeft zonder daadwerkelijk overleg met de man een woning uitgezocht en een huurovereenkomst getekend. De vrouw heeft in dit kader aangevoerd dat de man niet met haar in gesprek wilde gaan en dat zij op korte termijn moest beslissen of zij de huurovereenkomst zou ondertekenen. Het had naar het oordeel van de rechtbank op de weg van de vrouw gelegen te trachten door middel van mediation of een andere vorm van oudergesprekken met de man in gesprek te komen en overeenstemming te bereiken, alvorens een knoop door te hakken.
De vrouw stelt dat er in de nieuwe woonomgeving zes scholen zijn, waaruit partijen kunnen kiezen. Gesteld noch gebleken is of een van deze scholen geschikt is voor de minderjarigen. Aangezien de vrouw heeft aangevoerd dat het met [minderjarige 1] op haar huidige school niet goed gaat en dat [minderjarige 1] op dit moment moeilijk aansluiting kan vinden, mocht naar het oordeel van de rechtbank op zijn minst van de vrouw worden verwacht dat zij gedegen onderzoek had gedaan naar de geschiktheid van de scholen. Dat het voor [minderjarige 1] fijn zal zijn om naar een andere school te gaan – zoals door de vrouw is gesteld – blijkt dan ook niet. Daar komt bij dat de rechtbank twijfelt of het wenselijk is voor een meisje als [minderjarige 1] , dat moeilijk aansluiting vindt, om opnieuw te moeten beginnen met het vinden van die aansluiting op een andere school. Het standpunt van de vrouw dat zij met de minderjarigen in een fijne buurt zal gaan wonen, is niet onderbouwd.
De vrouw heeft bovendien naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende stil gestaan bij de emotionele en praktische gevolgen die een verhuizing zal hebben voor de minderjarigen en voor de contactregeling van de man met de minderjarigen. Voor de minderjarigen zal een verhuizing betekenen dat zij hun vertrouwde omgeving moeten verlaten en aan een nieuwe omgeving en een nieuwe school moeten wennen. Voorzienbaar is dat dit de nodige gevolgen zal hebben.


De mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg
4.10 De rechtbank heeft bij de belangenafweging tevens betrokken de mate waarin partijen in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg. De rechtbank stelt vast dat het partijen na het uiteengaan is gelukt met elkaar te overleggen op ouderniveau. De mogelijke verhuizing van de vrouw met de minderjarigen heeft echter de afgelopen periode de nodige escalaties met zich meegebracht. Gelet op de verslechterde situatie acht de rechtbank het in het belang van de minderjarigen dat partijen werken aan het herstel van de communicatie op ouderniveau. De rechtbank geeft partijen dan ook dringend in overweging om na deze beslissing met elkaar de mogelijkheden van mediation of een andere vorm van oudergesprekken te bekijken.

De leeftijd van de minderjarige, zijn of haar mening en de mate waarin het geworteld is in zijn of haar omgeving of juist gewend is aan de verhuizingen
4.11 De rechtbank overweegt dat de minderjarigen op dit moment 7 jaar en ruim 3,5 jaar oud zijn. Zij hebben hun hele leven in [woonplaats 1] gewoond, waar ook de families van partijen wonen. [minderjarige 2] zit er op de peuterspeelzaal en [minderjarige 1] gaat er naar school. Het standpunt van de vrouw dat de minderjarigen nog niet in [woonplaats 1] zijn gehecht, omdat zij geen sociaal leven hebben, wordt door de rechtbank niet onderschreven. Het is algemeen bekend dat kinderen zich vanaf zeer jonge leeftijd bewust hechten aan (personen in) hun directe woonomgeving, ongeacht of zij al beschikken over een eigen sociaal leven. Ook zijn de minderjarigen geworteld in hun omgeving. Hun jonge leeftijd brengt wel met zich mee dat de minderjarigen gemakkelijker dan oudere kinderen kunnen omgaan met een nieuwe woonsituatie.

De overige in acht te nemen omstandigheden

4.12

De rechtbank overweegt dat sprake is van een contactregeling tussen de man en de minderjarigen. Vaststaat dat de man in ieder geval eenmaal per twee weken in het weekend van vrijdag 16.30 uur tot zondag 18.00 uur contact heeft met de minderjarigen en gedurende een deel van de vakanties. Partijen zijn het er daarnaast over eens dat de man op momenten doordeweeks contact heeft met de minderjarigen. Zij verschillen echter van mening over de regelmaat van de doordeweekse contacten. De man heeft aangevoerd dat hij de minderjarigen met enige regelmaat ook doordeweeks ziet. Namens de vrouw is gesteld dat er vooral in het verleden sprake was van spontane bezoekjes tussen de man en de minderjarigen en dat de man de minderjarigen nu ongeveer een keer in de twee weken doordeweeks ziet tijdens de lunch of het avondeten. Het standpunt van de vrouw dat een verhuizing naar [woonplaats 2] de contacten van de man met de minderjarigen niet zal schaden, volgt de rechtbank niet. Vaststaat immers dat met een verhuizing naar [woonplaats 2] de reisafstand (en de reiskosten) tussen de woningen van partijen in aanzienlijke mate wordt vergroot. Een verhuizing zal invloed hebben op de doordeweekse contacten, waardoor de man niet langer meer dan enkel in het weekend betrokken kan zijn bij de dagelijkse routine en leefwereld van de minderjarigen. De door de vrouw aangeboden compensatie, dat zij te allen tijde bereid is de minderjarigen naar de man te brengen als de minderjarigen dit willen, acht de rechtbank niet realistisch. Bij een verhuizing naar [woonplaats 2] zullen de minderjarigen, zeker naarmate zij ouder worden, een nieuw leven opbouwen in deze plaats. Zij zullen daar gaan sporten en overige sociale activiteiten ondernemen. Redelijkerwijs is naar het oordeel van de rechtbank dan ook te verwachten, zoals ook door de man is aangevoerd, dat dit zal leiden tot een andere invulling en zeer waarschijnlijk tot een beperking van de contactregeling met de man. De man zal dan minder betrokken zijn bij het dagelijkse leven van de minderjarigen. Dat de vrouw bereid is om een bijdrage te leveren in het halen en brengen, maakt dit niet anders.

4.13

Alle belangen in aanmerking nemend is de rechtbank van oordeel dat onder voornoemde omstandigheden het belang van de minderjarigen om in hun vertrouwde omgeving te blijven wonen en het belang van de minderjarigen en de man bij instandhouding van de contactregeling zwaarder wegen dan het belang en de – op zich begrijpelijke – wens van de vrouw om met de minderjarigen naar [woonplaats 2] te verhuizen om daar een nieuw leven op te bouwen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om aan haar vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarigen naar [woonplaats 2] te verhuizen dan ook afwijzen. Dit betekent dat ook de verzoeken van de vrouw tot verkrijging van vervangende toestemming voor de inschrijving van de minderjarigen bij de gemeente [woonplaats 2] en op een school in [woonplaats 2] zullen worden afgewezen.

Hoofdverblijf en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

4.14

Bij wege van zelfstandige verzoeken heeft de man de rechtbank primair verzocht het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de man te bepalen en tevens een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de vrouw en de minderjarigen vast te leggen. De man heeft aangegeven voornoemde verzoeken in te trekken, indien de rechtbank het verzoek van de vrouw tot het verkrijgen van vervangende toestemming om met de minderjarigen naar [woonplaats 2] te verhuizen zal afwijzen. De rechtbank begrijpt voormelde verzoeken van de man dan ook als voorwaardelijke verzoeken. Nu de rechtbank het verzoek van de vrouw tot het verkrijgen van vervangende toestemming voor de verhuizing naar [woonplaats 2] zal afwijzen, wordt de door de man beoogde voorwaarde niet vervuld. Dit betekent dat de rechtbank deze primaire verzoeken zal afwijzen.

4.15

Subsidiair heeft de man de rechtbank verzocht te bepalen dat de man en de minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot contact met elkaar een weekend per 14 dagen van vrijdag 16.30 uur tot en met zondag 18.00 uur, alsmede elke week op donderdag en vrijdag.

4.16

Op het onderhavige geschil zijn de artikelen 1:253a juncto 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing. Ingevolge artikel 1:377e BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing inzake een zorgregeling wijzigen indien de omstandigheden nadien zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

4.17

Uit de inhoud van de stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, nu duidelijk is dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in de praktijk ruimer is dan de in het ouderschapsplan opgenomen verdeling. Dit betekent dat de man in zijn verzoek kan worden ontvangen.

4.18

De rechtbank ziet zich voorts voor de vraag gesteld of de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken moet worden gewijzigd. Onweersproken is gesteld dat de contacten van de man met de minderjarigen goed verlopen. Zoals de rechtbank in de rechtsoverwegingen 2.3 en 4.12 heeft uiteengezet, staat vast dat de man op dit moment eenmaal per twee weken in het weekend contact heeft met de minderjarigen en dat de man en de minderjarigen elkaar ook doordeweeks zien. Gelet op de jonge leeftijd van de minderjarigen acht de rechtbank duidelijkheid over de minimale invulling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken noodzakelijk. Er dient sprake te zijn van een regelmatig en voorspelbaar contact. Dit betekent dat de rechtbank zal bepalen dat de minderjarigen naast de huidige weekendregeling minimaal ook eenmaal per week op donderdag na schooltijd tot en met vrijdag voor schooltijd contact hebben met de man. Het staat de ouders overigens vrij, zoals zij dit eerder ook hebben gedaan en naar gelang de wens van de minderjarigen, deze regeling verder uit te breiden. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat zij het waarschijnlijk acht dat de partner van de man of de grootmoeder vaderszijde doordeweeks een deel van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen op zich zal nemen en dat zij dit niet wenselijk acht. De man heeft dit weersproken. De rechtbank kan in het algemeen onderschrijven dat het in het belang van minderjarigen is dat hun ouders zoveel mogelijk de verzorging en opvoeding op zich nemen. De rechtbank constateert echter dat in het geval van de minderjarigen de grootmoeder al geruime tijd betrokken is geweest bij de opvang onder werktijd en dat ook de partner van de man al enige tijd bij de minderjarigen in beeld is. Het is daarnaast de verantwoordelijkheid van de ouder bij wie de minderjarigen op dat moment verblijven om personen in te schakelen wanneer deze ouder zelf onverhoopt niet beschikbaar is voor de zorg van de minderjarigen. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek van de man zal toewijzen als hierna te melden.

Kinderalimentatie

4.19

De vrouw heeft aanvullend verzocht de tussen partijen in het ouderschapsplan overeengekomen afspraak omtrent de kinderalimentatie te bekrachtigen, in dier voege dat de man maandelijks bij vooruitbetaling voor de eerste van iedere maand een bijdrage van
€ 200,= per minderjarige aan de vrouw dient te betalen.

4.20

De man heeft aangevoerd dat hij zich niet verzet tegen dit verzoek van de vrouw.

4.21

Nu voornoemd verzoek door de man niet is weersproken en de rechtbank niet onrechtmatig voorkomt, zal de rechtbank de kinderalimentatie als na te melden vastleggen met ingang van 1 juni 2018, overeenkomstig de afspraak tussen partijen zoals die blijkt uit het ouderschapsplan.

Proceskosten

4.22

Nu partijen een affectieve relatie met elkaar hebben gehad en het geschil betrekking heeft op (een van) hun beider kind(eren), zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

4.23

Dit betekent dat de rechtbank als volgt beslist.

5 De beslissing

De rechtbank

bepaalt – met wijziging van het ouderschapsplan op dat punt – dat de man en de minderjarigen [minderjarige 1] [naam] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2012 en [minderjarige 2] [naam] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2016 in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar

  • -

    een weekend per veertien dagen van vrijdag omstreeks 16.30 uur tot zondag omstreeks 18.00 uur;

  • -

    eenmaal per week op donderdag na schooltijd tot en met vrijdag voor schooltijd;

  • -

    nader in onderling overleg door partijen uit te breiden en/of te regelen;

bepaalt dat de man met ingang van 1 juni 2018 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarigen aan de vrouw bij vooruitbetaling zal voldoen een bedrag van € 200,= (tweehonderd euro) per maand per kind;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Phillips, mr. Tempel en mr. Oomes, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. Saelman als griffier en in het openbaar uitgesproken op

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

verzonden op:

1

1 In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.