Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:5971

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-12-2019
Datum publicatie
09-01-2020
Zaaknummer
C/02/365398 / JE RK 19-2121
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Art. 1:265f jo 1:265 vierde lid BW, vervallen verklaring fictieve weigering betreffende verzoek in kader van de omgangsregeling. Kinderrechter bepaalt beslistermijn waarbinnen GI alsnog een gemotiveerde beslissing dient te nemen op verzoek moeder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Zaakgegevens: C/02/357571 / JE RK 19-678 (restant verlenging uithuisplaatsing)
C/02/365398 / JE RK 19-2121 (verzoek vervallenverklaring)

datum uitspraak: 3 december 2019

(nadere) beschikking verlenging uithuisplaatsing en verzoek vervallenverklaring

in de zaak met zaaknummer JE RK 19-678 van

WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (de GI),

gevestigd te Amsterdam Zuidoost,

en in de zaak met zaaknummer JE RK 19-2121 van

[belanghebbende 1] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. A. van Vliet te Breda,


beide zaken betreffende

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2015 te Roosendaal, hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende in de zaak met zaaknummer JE RK 19-678 aan:

[belanghebbende 1] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats]
advocaat: mr. A. van Vliet te Breda,


en in de zaak met zaaknummer JE RK 19-2121:


WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (de GI),

gevestigd te Amsterdam Zuidoost,

In beide zaken wordt als belanghebbende aangemerkt:

[belanghebbende 2] , hierna te noemen de vader,

wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.A. Smits te Rotterdam, ter zitting waargenomen door mr. M. Kalle.

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

JE RK 19-678

- de beschikking van de kinderrechter d.d. 7 juni 2019, met de daarin genoemde stukken;

- de brief met bijlagen van de GI d.d. 11 november 2019, ingekomen bij de griffie op 12 november 2019;

JE RK 19-2121

- het verzoek met bijlagen van de moeder d.d. 14 november 2019, ingekomen bij de griffie op 15 november 2019;

Op 3 december 2019 heeft de kinderrechter de zaken gelijktijdig ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door mr. Van Vliet,

- de vader, bijgestaan door mr. Kalle,

- een vertegenwoordiger van de GI.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.

Bij beschikking van de kinderrechter van 8 juni 2017 is [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 8 juni 2017 en tot 8 juni 2018.

Bij beschikking van de kinderrechter van 6 september 2018 is de GI Stichting Jeugdbescherming Brabant vervangen door de GI William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering.

Bij beschikking van 8 januari 2019 is een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] met ingang van 8 januari 2019 en tot 22 januari 2019. Bij beschikking van 29 januari 2019 heeft de kinderrechter de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd met ingang van 22 januari 2019 en tot 22 april 2019.

Bij beschikking van 7 juni 2019 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling laatstelijk verlengd met ingang van 8 juni 2019 en tot 8 juni 2020. Daarnaast is bij genoemde beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] laatstelijk verlengd met 8 juni 2019 en tot 8 december 2019. Het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing is aangehouden.

Bij beschikking van 14 oktober 2019 is de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om in het kader van de geschillenregeling ex art. 1:262b BW te bepalen dat de moeder en de minderjarige gerechtigd zijn tot het hebben van contact/omgang één keer per twee weken een weekend van zaterdagochtend tot en met zondagavond, althans een zodanige regeling als de kinderrechter rechtbank in goede justitie juist acht.

Het verzoek


JE RK 19-678
De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar.Tevens wordt verzocht de uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinshuis verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Thans ligt nog ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek, strekkende tot de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinshuis voor de periode van 8 december 2019 en tot 8 juni 2020.

JE RK 19-2121


De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen het weigeringsbesluit van 5 november 2019 te vernietigen en te bepalen dat de moeder en de minderjarige gerechtigd zijn tot het hebben van contact/omgang één keer per twee weken een weekend van zaterdagochtend tot en met zondagavond, althans een zodanige regeling als de kinderrechter rechtbank in goede justitie juist acht.

De standpunten

In de overgelegde stukken en de toelichting ter zitting heeft de GI het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige] in het gezinshuis gehandhaafd. De GI acht het in het belang van [minderjarige] dat hij verder zal opgroeien in het gezinshuis. Er is een verzoek tot onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel gedaan aan de Raad. [minderjarige] heeft veel meegemaakt en hij heeft duidelijkheid, structuur en rust nodig, hetgeen hem binnen het gezinshuis wordt geboden. Sinds zijn plaatsing binnen het gezinshuis wordt er gezien dat het goed met hem gaat en er zijn geen nieuwe blauwe plekken bij hem waargenomen. Ten aanzien van de bezoeken tussen de moeder en [minderjarige] heeft de GI aangegeven dat de moeder het lastig vindt om zich aan afspraken te houden, bijvoorbeeld het tijdig doorgeven van de aanwezigen bij het bezoekmoment met [minderjarige] . Dit zorgt voor verrassingen voor [minderjarige] , terwijl hij behoefte heeft aan voorspelbaarheid en duidelijkheid. Ook kiest de moeder structureel voor dezelfde locatie voor de bezoekmomenten, waarbij zij voornamelijk aan haar eigen belang lijkt te denken. De omgangsmomenten worden bovendien nog veelal ingevuld door de gezinshuisouders, aangezien zij zorgen voor een activiteit en bijvoorbeeld speelgoed voor [minderjarige] . De gezinshuisouders begeleiden de omgang en sturen de moeder veel tijdens deze omgangsmomenten, hetgeen nodig is omdat zij veel afgeleid is. Daarnaast komt de moeder vaak beloftes niet na die ze aan [minderjarige] heeft gedaan. Indien de moeder voor een langere periode de afspraken kan nakomen en zij inzicht toont in hetgeen [minderjarige] nodig heeft, kan er gekeken worden naar een uitbreiding van de contacten, maar dat is gelet op voorgaande punten nog niet aan de orde. Daar komt bij dat de bezoeken naar het oordeel van de GI nog steeds begeleid dienen plaats te vinden gelet op de blauwe plekken die bij [minderjarige] in het verleden zijn ontstaan onder de verantwoordelijkheid van de moeder. Onlangs is bovendien gebleken dat de leefomgeving van de moeder nog steeds niet passend is voor een klein kind, zoals door het SDW aangegeven. Hier heeft veelvuldige inzet van hulpverlening nog geen blijvend positief effect op gehad.

Ter zitting is gebleken dat mr. Van Vliet de stukken van de GI d.d. 11 november 2019 niet voorafgaand aan de zitting heeft ontvangen, zij heeft zich dan ook niet adequaat kunnen voorbereiden en zij kan zich naar haar mening derhalve onvoldoende verweren tegen de door de GI gedane verklaringen. Bovendien is er al geruime tijd geen jeugdzorgwerker actief betrokken bij de moeder en is het plan van aanpak nimmer met de moeder besproken. Zoals ook uit de rapportages van het gezinshuis blijkt reageert [minderjarige] goed op de moeder en op de bezoeken. De moeder regelt de bezoeken in onderling overleg met het gezinshuis. Het SDW is zodoende niet meer betrokken bij het vormgeven van de bezoekmomenten. Ook vinden de bezoeken niet plaats op het kantoor van het SDW, maar op een locatie naar keuze van de moeder. Zij kiest bewust voor dezelfde plek voor de bezoekmomenten, omdat hier veel mogelijkheden zijn. De moeder houdt zich aan de gemaakte afspraken en los daarvan is zij hard aan de slag om een eigen woning te zoeken, gaat zij naar school en probeert zij alles in het belang van [minderjarige] zo goed mogelijk te regelen. Hoewel de moeder af en toe een kleine terugval heeft in het bijhouden van het huishouden, wordt zij hierin goed ondersteund door haar huidige partner. Er wordt door de GI geen argument gegeven op basis waarvan de omgangsmomenten niet uitgebreid zouden kunnen worden. De GI heeft geen (voorafgaand) onderzoek gedaan naar de mogelijkheden en er is dan ook geen actuele informatie bekend bij de GI over de opvoedvaardigheden en mogelijkheden van de moeder. De GI heeft een opvoedbesluit genomen, maar zonder gedegen onderzoek. De GI heeft haar verzoek gebaseerd op oude informatie, waarbij de ontwikkelingen van het afgelopen jaar niet zijn meegenomen. De moeder verzoekt dan ook om een afwijzing van het resterende deel van het verzoek van de GI. Indien de kinderrechter de moeder hierin niet zal volgen, verzoekt zij om de duur van de verlenging van de uithuisplaatsing te beperken tot twee maanden waarbij er een onafhankelijk onderzoek op grond van artikel 810a Rv wordt gelast, teneinde onderzoek te doen naar de opvoedvaardigheden en mogelijkheden van de moeder.

Ten aanzien van het verzoek tot vervallenverklaring is namens de moeder als volgt toegelicht. Kort na de beschikking van 14 oktober 2019 heeft mr. Van Vliet de GI gemaild met het verzoek om een gemotiveerde beslissing te geven over de omgang tussen de moeder en [minderjarige] , maar hier is nimmer op gereageerd. Om die reden stelt de moeder dat er sprake is van een fictieve weigering op het verzoek van de GI om te beslissen op het verzoek van de moeder en verzoekt de moeder de kinderrechter om te beslissen op het verzoek van de moeder. De moeder stelt dat er, gelet op het eerder gestelde, geen contra-indicaties zijn voor het uitbreiden van de bezoekmomenten tussen haar en [minderjarige] . Hierbij kan gedacht worden aan een soortgelijke regeling als thans geldt ten aanzien van de vader. Tot slot is aangegeven dat al langere periode door de moeder wordt aangegeven dat de bezoekmomenten op vrijdag lastig haalbaar zijn voor haar gelet op haar school. Hier wordt echter door de GI niets mee gedaan.

Namens de vader is geen verweer gevoerd tegen de verlenging van de uithuisplaatsing. De vader zou het liefst zien dat [minderjarige] bij hem komt wonen, maar hij ziet in dat dit nu niet aan de orde is. [minderjarige] maakt het goed in het gezinshuis en zijn perspectief lijkt daar te liggen. De vader deelt het standpunt van de moeder dat de GI niet veel lijkt te hebben gedaan de afgelopen periode. Ook met de vader is er weinig tot geen contact geweest. De contacten tussen de vader en [minderjarige] verlopen erg goed. [minderjarige] is om de week van zaterdag tot zondag bij de vader, waarbij de partner van de vader aanwezig is en hulpverlening regelmatig langskomt. Ten aanzien van de omgang tussen de moeder en [minderjarige] refereert de vader zich aan het oordeel van de rechtbank. Wel merkt mr. Kalle namens de vader op dat de GI zich niet heeft gehouden aan de duidelijke opdracht die aan de GI is gegeven in de beschikking van 14 oktober 2019.

De beoordeling

JE RK 19-678

Thans ligt nog ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek, strekkende tot de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinshuis voor de periode van 8 december 2019 en tot 8 juni 2020.

De kinderrechter deelt het standpunt van mr. Van Vliet dat de GI onvoldoende actuele informatie heeft overgelegd over de situatie van de moeder en de ontwikkelingen van de afgelopen periode. Uit de rapportage van het gezinshuis blijk echter duidelijk dat [minderjarige] veel behoefte heeft aan structuur, rust en duidelijkheid. Om deze factoren te waarborgen acht de kinderrechter het van belang dat [minderjarige] in ieder geval voorlopig binnen het gezinshuis blijft. De Raad is bezig met een onderzoek naar een verderstrekkende maatregel en het is in het belang van [minderjarige] dat hij vooralsnog rust en stabiliteit ervaart over zijn verblijfplaats, hetgeen betekent dat de plaatsing in het gezinshuis gecontinueerd zal worden. De kinderrechter zal de machtiging uithuisplaatsing verlengen voor de duur van drie maanden onder aanhouding van het resterende deel. Het resterende deel van het verzoek zal nader worden behandeld ter zitting van 5 maart 2020. Van de GI wordt verwacht dat zij uiterlijk twee weken voor de genoemde zittingsdatum een geactualiseerde rapportage overlegt, onder gelijke toezending van een kopie hiervan aan beide advocaten. De moeder heeft ter zitting kenbaar gemaakt zich niet te herkennen in de informatie zoals schriftelijk aangeleverd en mondeling ter zitting verstrekt door de GI en de kinderrechter verwacht van de GI dat zij hier actie op onderneemt en dat zij inzicht verschaft in de situatie en in de beoordeling op basis waarvan zij het resterende deel van het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] al dan niet handhaaft.

Ten aanzien van het verzoek van de moeder om een onafhankelijk onderzoek op grond van artikel 810a Rv te gelasten overweegt de kinderrechter dat een dergelijk onderzoek, naast het reeds lopende raadsonderzoek, niet in het belang van [minderjarige] is. Hij verblijft in het gezinshuis en blijkens de rapportages van het gezinshuis heeft hij het niet makkelijk. Een extra onderzoek zal dan ook te belastend zijn voor hem. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen.

JE RK 19-2121

Ingevolge artikel 1:265f lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de GI, voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing van de minderjarige en voor de duur daarvan, de contacten tussen de met het gezag belaste ouder en de minderjarige beperken. Deze beslissing van de GI geldt als een schriftelijke aanwijzing en de artikelen 1:264 en 1:265 BW zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de kinderrechter een zodanige regeling kan vaststellen als haar in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt.

Het vorenstaande houdt naar het oordeel van de kinderrechter in dat de moeder vervallenverklaring kan vragen van een gegeven aanwijzing met betrekking tot de omgang tussen haar en [minderjarige] (artikel 1:264 BW), maar eveneens dat, indien de GI niet of niet tijdig beslist (schriftelijk en binnen twee weken na ontvangst van het verzoek van de moeder) op een verzoek van de moeder om omgang vast te stellen tussen haar en [minderjarige] c.q. een gewijzigde omgang tussen hen vast te stellen, dit niet beslissen gelijk wordt gesteld met een afwijzing van het verzoek, derhalve een fictief afwijzend besluit, welk besluit ter toetsing aan de kinderrechter kan worden voorgelegd (artikel 1:265 BW).


De moeder heeft een eerdere procedure aanhangig gemaakt op grond van de geschillenregeling, waarbij de omgangsmomenten tussen haar en [minderjarige] het onderwerp van geschil waren. Ter zitting van 25 september 2019 heeft de GI erkend dat zij heeft nagelaten een schriftelijke aanwijzing te geven aangaande de omgangsmomenten tussen de moeder en [minderjarige] . De kinderrechter heeft in de beschikking van 14 oktober 2019 overwogen dat van de GI wordt verwacht dat zij alsnog op zo kort mogelijke termijn een weloverwogen beslissing omtrent deze contacten zou nemen. Namens de moeder is vervolgens op 22 oktober 2019 per e-mail aan de GI verzocht om een dergelijke gemotiveerde beslissing te nemen.

De kinderrechter stelt vast dat door de GI op geen enkele wijze is gereageerd op het door de moeder in navolging van het besprokene ter zitting van 25 september 2019 ingediende verzoek tot vaststelling/wijziging van de vastgestelde omgang tussen haar en [minderjarige] d.d. 22 oktober 2019. Dit niet beslissen dient gezien het hiervoor weergegeven wettelijk kader geduid te worden als een afwijzing van het verzoek van de moeder.

De kinderrechter is van oordeel dat deze afwijzing van het verzoek geen stand kan houden. Daartoe overweegt zij allereerst dat de GI tekort is geschoten in haar wettelijke verplichting om tijdig een besluit te nemen op het verzoek van de moeder. Dit klemt echter temeer nu reeds ter zitting van 25 september 2019 besproken was en ook in de betreffende beschikking is opgenomen dat de GI op zo kort mogelijke termijn een schriftelijke beslissing zou nemen over de omgang tussen de moeder en [minderjarige] . De kinderrechter acht dit, juist gelet op de rol van de GI bij nemen van beslissingen met betrekking tot contact tussen de ouder en een uithuisgeplaatst kind – de GI heeft hierin het primaat – onbegrijpelijk. Reeds om deze reden dient het thans aan de orde zijnde fictieve besluit (tot afwijzing van het verzoek) vervallen te worden verklaard.

Ten aanzien van het verzoek van de moeder om zelf te voorzien in een omgangsregeling tussen haar en [minderjarige] en te bepalen dat zij gerechtigd zijn tot het hebben van contact/omgang één keer per twee weken een weekend van zaterdagochtend tot en met zondagavond, overweegt de kinderrechter dat voor een dergelijke beslissing thans te weinig zicht bestaat op de situatie van de moeder en [minderjarige] . De GI heeft geen stukken ingediend in het kader van dit verzoek, de stukken in het kader van het gelijktijdig behandelde verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing zijn gedateerd en het ter zitting door de GI ingenomen standpunt dat een uitbreiding van de contacten niet in het belang van [minderjarige] is, is niet voorzien van enige onderbouwing. De moeder stelt hier tegenover dat zij positieve stappen heeft gezet en dat de contacten tussen haar en [minderjarige] goed verlopen.

Gelet hierop zal de kinderrechter dit verzoek afwijzen, hetgeen betekent dat de tot op heden geldende contactregeling tussen [minderjarige] en de moeder van kracht blijft (niet duidelijk is of deze regeling door de GI op schrift is gesteld).

Gezien de opstelling van de GI ziet de kinderrechter wel aanleiding te bepalen dat de GI binnen vier weken na de mondelinge behandeling d.d. 3 december 2019 een weloverwogen en gemotiveerde beslissing in de vorm van een schriftelijke aanwijzing dient te geven aan de moeder, waarbij het verzoek van de moeder en de door haar aangevoerde omstandigheden duidelijk worden meegenomen in de beoordeling van de vraag welke omgangsregeling het meeste in het belang van [minderjarige] is. Hierbij benadrukt de kinderrechter dat hiervoor vereist is dat de GI contact opneemt met de moeder om de situatie te bespreken.

De beslissing


De kinderrechter:


JE RK 19-678

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinshuis met ingang van 6 december 2019 en tot 6 maart 2020;

verklaart deze beschikking tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek aan tot de zitting van 5 maart 2020 te 10.15 uur, bij de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant locatie Middelburg, Kousteensedijk 2, 4331 JE in afwachting van het verslag van de GI zoals weergegeven in de beoordeling;

bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor beide ouders met hun advocaten en de GI;

wijst het verzoek tot gelasting van een deskundigenonderzoek ex artikel 810a Rv af.

JE RK 19-2121

verklaart de afwijzing door de GI van het verzoek van de moeder tot vaststelling/wijziging van de vastgestelde omgang vervallen;

bepaalt dat de GI binnen vier weken na 3 december 2019 een weloverwogen en gemotiveerde beslissing in de vorm van een schriftelijke aanwijzing aan de moeder zal geven aangaande de omgangsmomenten tussen haar en [minderjarige] .

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2019 door mr. I. Dijkman, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. K.M.P. van Ginneke als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 19 december 2019

(K)

Hoger beroep tegen deze beschikking, voor zover het betreft de uithuisplaatsing, kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
's-Hertogenbosch