Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:5970

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-11-2019
Datum publicatie
09-01-2020
Zaaknummer
C/02/361250 JERK 19-1436
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op de vorige zitting is de ondertoezichtstelling voor drie maanden toegewezen. De reden daarvan was dat er geen jeugdzorgwerker was. Ook nu heeft de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant (GI) geen jeugdzorgwerker beschikbaar. Onbekend is wanner die wel beschikbaar komt. Het verzoek wordt daarom weer voor drie maanden toegewezen. Dit wordt nodig geacht om een vinger aan de pols te houden over de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Indien in de komende periode nog steeds geen jeugdzorgwerker beschikbaar is, dan dient door de GI gemotiveerd te worden aangetoond dat alternatieven, zoals een overdracht aan een andere GI, zijn onderzocht.

Op de tweede zitting is de GI niet verschenen. Bij een eventuele derde zitting wordt de GI dringend verzocht om zich ter zitting te laten vertegenwoordigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2020/27.9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaakgegevens: C/02/361250 / JE RK 19-1436

Datum uitspraak: 14 november 2019

nadere beschikking ondertoezichtstelling

in de zaak van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO ZUIDWEST NEDERLAND, hierna te noemen de Raad,

gevestigd te Breda,

betreffende

[minderjarige 4] ,

geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 3] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[minderjarige 3] , voornoemd,

[belanghebbende 1] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

bijgestaan door mr. F.L. Donders, advocaat,

[belanghebbende 2] ,

hierna te noemen de vader,

wonende te Tilburg.

De kinderrechter merkt als informant aan:

STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (GI),

gevestigd te Tilburg.

Het verdere procesverloop


Het verdere procesverloop blijkt uit:

- de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 19 augustus 2019 en de daarin genoemde stukken;

- een brief van de Raad van 10 oktober 2019, ingekomen bij de griffie van deze rechtbank op 11 oktober 2019;

- een brief van de moeder van 20 oktober 2019, ingekomen bij de griffie van deze rechtbank op 22 oktober 2019;

- een e-mailbericht van de vader van 3 november 2019;

- een brief van de GI van 18 oktober 2019, ingekomen bij de griffie van deze rechtbank op 21 oktober 2019;

- een faxbericht met bijlage van de advocaat van de moeder van 7 november 2019.

Op 14 november 2019 heeft de kinderrechter de zaak ter nadere zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de minderjarige [minderjarige 3] , die apart is gehoord,

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,

- de vader,

- een vertegenwoordigster van de Raad.

Hoewel behoorlijk opgeroepen, is niet ter zitting verschenen:

- een vertegenwoordiger van de GI.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige 3] wordt uitgeoefend door de ouders.

[minderjarige 3] woont bij de moeder.

Bij beschikking van 19 augustus 2019 is [minderjarige 3] onder toezicht gesteld van de GI tot

19 november 2019. Het resterende verzoek is toen aangehouden.

Het aangehouden verzoek


De Raad heeft ter zitting volhard in zijn verzoek om [minderjarige 3] onder toezicht te stellen van de GI tot 19 augustus 2020.

Het standpunt van de verzoeker

De vertegenwoordigster van de Raad heeft ter zitting in aanvulling op de eerder aangevoerde onderbouwing van het verzoek de volgende toelichting gegeven. Vooropgesteld wordt dat de Raad het ten zeerste betreurt dat er nog steeds geen jeugdzorgwerker beschikbaar is voor [minderjarige 3] en zijn ouders. Uit het rapport van de Raad van 23 juli 2019 is gebleken dat er zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige 3] . De kinderrechter heeft reeds geconstateerd dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 3] waarvoor een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Volgens de Raad zijn de zorgen over [minderjarige 3] onverkort aanwezig. Dit maakt dat een ondertoezichtstelling nog steeds noodzakelijk is. De omstandigheid dat die op dit moment slechts door de bureaudienst van de GI wordt uitgevoerd acht de Raad een slechte zaak.

De standpunten van de belanghebbenden

De minderjarige [minderjarige 3] heeft, afzonderlijk gehoord, ter zitting verklaard dat hij tot op heden niets heeft gemerkt van de ondertoezichtstelling. Hij heeft met het nieuwe schooljaar een goede start gemaakt op de middelbare school. Op dit moment heeft hij geen contact met de vader; een contactherstel hoeft van hem niet plaats te vinden.

Ter zitting heeft de moeder haar onvrede geuit over de langdurige afwezigheid van een jeugdzorgwerker. In de afgelopen periode heeft de moeder meermalen contact gezocht met de bureaudienst van de GI om een afspraak met [minderjarige 3] in te plannen. Dat is echter door toedoen van die dienst niet gelukt. Verzocht wordt het resterende deel van het verzoek af te wijzen.

Door de advocaat is ter zitting namens de moeder bevestigd dat zij inderdaad niet kan instemmen met een verdere ondertoezichtstelling van [minderjarige 3] . Betreurd wordt dat er geen vertegenwoordiger van de GI ter zitting aanwezig is om de huidige stand van zaken toe te lichten. Op dit moment is er geen jeugdzorgwerker betrokken en er is geen communicatie mogelijk met de GI. Bovendien is ‘Asendo’ betrokken bij [minderjarige 3] , waardoor er zicht blijft bestaan op zijn ontwikkeling.

De vader heeft ter zitting kenbaar gemaakt bezwaren te hebben tegen het aangehouden verzoek van de Raad. [minderjarige 3] en de vader hebben al een geruime tijd geen contact met elkaar. De vader geeft aan dat hij berust in de wens van [minderjarige 3] om het contact met hem (nog) niet te herstellen. Hij benadrukt het jammer te vinden dat er nog steeds geen jeugdzorgwerker beschikbaar is die een eventueel contactherstel tussen [minderjarige 3] en hem zou kunnen stimuleren.

De nadere beoordeling

De kinderrechter overweegt als volgt.

Voor de regelgeving wordt verwezen naar de voornoemde beschikking van 19 augustus 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:4580.

Bij die beschikking heeft de kinderrechter reeds geconcludeerd dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 3] , dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is en dat aan de voorwaarden daarvan wordt voldaan. Echter, om op korte termijn te kunnen toetsen of er daadwerkelijk snel uitvoering wordt gegeven aan de ondertoezichtstelling en of de wettelijke termijnen door de GI in acht worden genomen, is de duur van de maatregel toen beperkt tot drie maanden. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden, dit in afwachting van een bericht van de GI omtrent de actuele stand van zaken omtrent de uitvoering van de ondertoezichtstelling.

De GI heeft middels een brief van 18 oktober 2019 aan de kinderrechter bericht dat er inmiddels gesprekken zijn gevoerd met de vader en de moeder. Met [minderjarige 3] is dat nog niet gebeurd, omdat het niet is gelukt om hem persoonlijk te spreken. Over de beschikbaarheid van een jeugdzorgwerker wordt in die brief niets gezegd. Volgens de toelichting ter zitting van de vader en de moeder blijkt dat de gesprekken zijn gevoerd met een medewerker van de bureaudienst en dat hen ook niets bekend is over het beschikbaar zijn van een jeugdzorgwerker.

Gelet op de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting komt de kinderrechter tot de teleurstellende conclusie dat er feitelijk nog steeds geen uitvoering wordt gegeven aan de ondertoezichtstelling. Ondanks de constatering dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 3] bij de voornoemde beschikking, is er nog steeds geen jeugdzorgwerker beschikbaar voor [minderjarige 3] en zijn ouders. De ouders zijn al langere tijd in een strijd verwikkeld, waarbij het hen niet lukt om op een constructieve wijze met elkaar in het belang van [minderjarige 3] te communiceren en samen te werken. Daarom heeft de kinderrechter destijds geoordeeld dat de onmiddellijke betrokkenheid van een jeugdzorgwerker geboden is. Hoewel de noodzaak voor een ondertoezichtstelling toen ondubbelzinnig is gegeven, blijkt er nog steeds geen uitvoering te zijn gegeven aan de ondertoezichtstelling van [minderjarige 3] . Hoewel de kinderrechter op de hoogte is van de problematiek omtrent het tekort aan jeugdzorgwerkers bij de GI, vindt hij deze situatie zeer zorgelijk. De omstandigheid dat er al langere tijd geen jeugdzorgwerker betrokken is bij [minderjarige 3] en zijn ouders, is immers niet bevorderlijk is voor het hulpverleningstraject. Daarnaast wordt ten zeerste betreurd dat de GI zich niet ter zitting heeft laten vertegenwoordigen. Daardoor is het voor de kinderrechter en de andere betrokkenen onduidelijk wat de (actuele) stand van zaken met betrekking tot de beschikbaarheid van een jeugdzorgwerker is.

De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige 3] nog steeds ernstig wordt bedreigd in zijn ontwikkeling. Op dit moment wordt er geen verbetering gezien in de onderlinge communicatie en samenwerking tussen de ouders. Daar komt bij dat [minderjarige 3] al geruime tijd geen contact heeft met de vader. De kinderrechter benadrukt dat het uitblijven van zo’n contact een belemmering vormt voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige 3] . Door een jeugdzorgwerker als onafhankelijke derde zal bekeken moeten worden of daar hulpverlening voor nodig is. Een voortzetting van de ondertoezichtstelling is daarom nog steeds noodzakelijk.

Wel ziet de kinderrechter aanleiding om de ondertoezichtstelling weer in duur te beperken. Aangezien er momenteel nog steeds geen jeugdzorgwerker beschikbaar is om uitvoering te geven aan de ondertoezichtstelling, vindt de kinderrechter het belangrijk dat er wederom een vinger aan de pols gehouden wordt. Het aangehouden verzoek zal daarom voor de duur van drie maanden worden toegewezen onder aanhouding van het resterende deel daarvan. De kinderrechter verwacht van de GI dat zij uiterlijk twee weken vóór de in het dictum genoemde zittingsdatum een opgave zal doen van de stand van zaken voor wat betreft de vorderingen in de ondertoezichtstelling, waaronder de vraag per wanneer een jeugdzorgwerker beschikbaar is of zal zijn. Indien in de komende periode nog steeds geen jeugdzorgwerker beschikbaar is, dan zal tevens door de GI gemotiveerd moeten worden aangetoond dat alternatieven (zoals een overdracht aan een andere GI) zijn onderzocht.

De betrokkenen krijgen vervolgens de kans om op dat bericht van de GI te reageren en aan te geven of zij een nadere zitting wensen. Indien alle betrokkenen het eens zijn, zou de zaak schriftelijk kunnen worden afgedaan. Bij een eventuele nadere zitting wordt de GI dringend verzocht om zich ter zitting te laten vertegenwoordigen.

Dit betekent dat als volgt wordt beslist.

De beslissing


De kinderrechter:

stelt [minderjarige 3] onder toezicht van de Stichting Jeugdbescherming Brabant, vestiging Tilburg, voor de duur van drie maanden, met ingang van 19 november 2019 tot 19 februari 2020;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek aan tot woensdag

5 februari 2020 te 14:40 uur, bij de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, Stationslaan 10, 4815 GW;

bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor de zitting voor de Raad, de minderjarige [minderjarige 3] , de moeder en haar advocaat, de vader en de GI;

behoudt zich verder iedere beslissing voor.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2019 door mr. W. Toekoen, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. Z.A.M. Visvalingam als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 26 november 2019.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch.