Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:5946

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
31-12-2019
Datum publicatie
21-01-2020
Zaaknummer
AWB - 17 _ 7430
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2021:347, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

IB/PVV, hypotheekrenteaftrek, echtscheiding (art. 2.17, 3.110, 3.111 en 6.3 Wet IB 2001).

Belanghebbende en zijn ex-echtgenote waren buiten iedere gemeenschap van goederen gehuwd. De volledige eigendom van de echtelijke woning was gelegen bij de ex-echtgenote. Gedurende het jaar heeft belanghebbende de echtelijke woning verlaten. Belanghebbende en zijn ex-echtgenote waren daarnaast ieder voor 50% eigenaar van een woning in aanbouw. Op beide woningen rustten hypothecaire geldleningen, waarvoor belanghebbende en zijn ex-echtgenote beide hoofdelijk aansprakelijk waren. Belanghebbende heeft alle rente van de hypothecaire geldleningen voor beide woningen betaald. De inspecteur heeft slechts een deel van de hypotheekrente in aftrek toegelaten. Belanghebbende en zijn ex-echtgenote hebben niet gekozen voor voljaarspartnerschap. De rentekosten worden dan in aanmerking genomen bij degene op wie ze drukken. De rechtbank is van oordeel dat de schuld en de daarmee samenhangende kosten van de voormalige echtelijke woning drukken op het vermogen van de ex-echtgenote. De betaling van de rente door belanghebbende leidt tot een wettelijk verhaalsrecht op zijn ex-echtgenote en hierdoor drukken de rentekosten niet op belanghebbende. Belanghebbende heeft geen recht op renteaftrek met betrekking tot de voormalige echtelijke woning. Voor de woning in aanbouw drukken 50% van de kosten op belanghebbende en dus heeft belanghebbende voor die woning recht op aftrek voor de helft van de betaalde rente. Het betoog dat recht op aftrek bestaat in verband met onderhoudsverplichtingen wordt verworpen. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 2.17
Wet inkomstenbelasting 2001 3.110
Wet inkomstenbelasting 2001 3.111
Wet inkomstenbelasting 2001 6.3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 22-01-2020
V-N Vandaag 2020/172
FutD 2020-0248 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2020/597 met annotatie van
V-N 2020/16.2.2
Vp-bulletin 2020/17 met annotatie van S.G.M.J. Rebbens, J.M.P. Tobben
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 17/7430

uitspraak van 31 december 2019

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2013 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 88.120 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 568 negatief. Tevens is bij gelijktijdige beschikking een bedrag van € 753 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 6 oktober 2017 de aanslag herberekend, hetgeen heeft geleid tot de (kennelijke) slotsom dat het belastbaar inkomen uit werk en woning eerder te laag dan te hoog is vastgesteld. Het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang is gehandhaafd. Bij gelijktijdige beslissing is de beschikking belastingrente verminderd en is een kostenvergoeding toegekend.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 17 november 2017, ontvangen bij de rechtbank op 20 november 2017, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 16 mei 2019 te Breda. Voor de aldaar verschenen personen wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting dat op 3 juni 2019 naar partijen is verzonden. In diezelfde brief heeft de rechtbank partijen geïnformeerd dat het onderzoek is heropend en is aan partijen meegedeeld dat de behandeling van de beroepen is verwezen naar de een meervoudige kamer.

1.6.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 14 november 2019 te Breda. Voor de aldaar verschenen personen en het verhandelde ter zitting, wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting, waarvan een afschrift tegelijk met een afschrift van deze uitspraak aan partijen wordt gezonden. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de inspecteur. De rechtbank heeft de pleitnota tot de stukken van het geding gerekend.

1.7.

De rechtbank heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd. Bij brieven van 24 december 2019 heeft de rechtbank partijen geïnformeerd dat de uitspraakdatum is verlengd.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zittingen staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende was buiten iedere gemeenschap van goederen gehuwd met [ex-echtgenote] (hierna: ex-echtgenote). Belanghebbende en zijn ex-echtgenote woonden in een woning aan [adres 1] te [plaats 1] (hierna: de woning in [plaats 1] ). De volledige eigendom van de woning in [plaats 1] was gelegen bij de ex-echtgenote. Belanghebbende heeft met ingang van 1 juni 2013 de woning in [plaats 1] verlaten.

2.2.

Belanghebbende en zijn ex-echtgenote hadden vanaf 2008 een woning in aanbouw in mede-eigendom aan [adres 2] te [plaats 2] (België) (hierna: de woning in [plaats 2] ).

2.3.

Op beide woningen rustten hypothecaire geldleningen, waarvoor belanghebbende en zijn ex-echtgenote beide hoofdelijk aansprakelijk waren.

2.4.

Op 13 augustus 2013 heeft belanghebbende een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Oost-Brabant. De datum van de echtscheidingsbeschikking is 5 november 2014 en deze beschikking is op 21 november 2014 ingeschreven. Op 25 januari 2016 heeft de rechtbank Oost-Brabant bij beschikking beslist op de overige verzoeken ter zake van de echtscheiding.

2.5.

Per 1 december 2013 heeft belanghebbende zich uitgeschreven van het adres [adres 1] te [plaats 1] en ingeschreven op het adres [adres 3] te [plaats 1] .

2.6.

Belanghebbende en zijn ex-echtgenote hebben niet gekozen voor voljaarspartnerschap in het kader van toerekening van inkomensbestanddelen in de zin van artikel 2.17, zevende lid, van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

2.7.

In onderdeel 2.6 van de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 25 januari 2016 is opgenomen:

“Uit de overgelegde stukken heeft de rechtbank niet kunnen afleiden dat er, zoals door de vrouw is gesteld, een verband bestaat tussen het door de vrouw intrekken van haar verzoek tot het vaststellen van partneralimentatie en de betaling door de man van de hypothecaire lasten en overige woonlasten. In de door de rechtbank gegeven beschikking voorlopige voorzieningen is hierover niets opgenomen, hetgeen wel voor de hand had gelegen, gelet op de fiscale gevolgen van een dergelijke afspraak voor partijen. Bovendien staat in het aanvullende verweerschrift/aanvullend verzoekschrift van de man te lezen dat de vrouw is gaan samenwonen en dat zij dat heeft erkend, zodat zij om die reden geen recht meer zou hebben op partneralimentatie.”

2.8.

Bij kennisgeving van 10 november 2017 is de beschikking belastingrente verminderd tot nihil.

3 Geschil

3.1.

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

- Heeft belanghebbende recht op de volledige aftrek van de hypotheekrente voor de woningen;

- Zo nee, zijn de betaalde bedragen aan hypotheekrente aftrekbaar als uitgaven voor onderhoudsverplichtingen als bedoeld in artikel 6.3, lid 1, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001.

Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de inspecteur ontkennend. Tussen partijen is niet in geschil dat de woning in [plaats 2] kwalificeert als eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, derde lid, van de Wet IB 2001. De inspecteur heeft zich op het nadere standpunt gesteld dat voor geen van de woningen sprake is van voordelen uit eigen woning. De beschikking belastingrente maakt niet langer onderdeel uit van het geschil.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter beide zittingen.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

Wettelijk kader

4.1.

Art. 2.17, eerste lid, van de Wet IB 2001 bepaalt: ‘Inkomensbestanddelen van de belastingplichtige en zijn partner worden in aanmerking genomen bij degene door wie de inkomensbestanddelen zijn genoten of op wie deze drukken.’.

Ingevolge artikel 3.110 Wet IB 2001 zijn belastbare inkomsten uit eigen woning de voordelen uit eigen woning verminderd met de op die voordelen drukkende aftrekbare kosten.

Art. 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001 bepaalt vervolgens: ‘In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder eigen woning: een gebouw, (…), voorzover dat de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van:

a. eigendom, (…), indien met betrekking tot die woning de belastingplichtige op zijn partner de voordelen geniet, de kosten en lasten op de belastingplichtige of zijn partner drukken en de waardverandering de belastingplichtige of zijn partner grotendeels aangaat;

Art. 3.111, vierde lid, van de Wet IB 2001 bepaalt: ‘Een woning wordt voor ten hoogste twee jaren na het tijdstip waarop de woning de belastingplichtige niet langer anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat mede aangemerkt als eigen woning indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat gedurende die periode de woning zijn gewezen partner anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat. Voor de toepassing van dit lid en van het achtste lid wordt onder de gewezen partner mede verstaan de duurzaam gescheiden levende echtgenoot.

4.2.

Belanghebbende en zijn ex-echtgenote hebben met betrekking tot het jaar 2013 niet gekozen voor voljaarspartnerschap als bedoeld in artikel 2.17, zevende lid, van de Wet IB 2001. Dit heeft als gevolg dat de toerekening van de inkomsten en de kosten wordt bepaald op grond van de hoofdregel van 2.17, eerste lid, van de Wet IB 2001. Voor de kosten geldt dat deze dan in aanmerking worden genomen bij degene op wie ze drukken.

Woning [plaats 1]

4.3.

De woning in [plaats 1] is volledige eigendom van de ex-echtgenote. Belanghebbende en zijn ex-echtgenote zijn ieder hoofdelijk aansprakelijk voor de hypothecaire geldlening. Deze hoofdelijke aansprakelijkheid brengt mee dat belanghebbende en zijn ex-echtgenote ieder tot betaling van de hele schuld kunnen worden aangesproken. Niet in geschil is dat belanghebbende feitelijk alle rente heeft betaald. In geschil is enkel de vraag of de door belanghebbende betaalde rente ook op hem drukt en aldus bij hem aftrekbaar is als eigenwoningrente.

4.4.

De woning in [plaats 1] is voor belanghebbende een eigen woning als bedoeld in art. 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001 en vanaf juni 2013 (toen partijen duurzaam gescheiden gingen leven) op grond van art. 3.111, vierde lid, van de Wet IB 2001. Dat wil niet zeggen dat alle kosten op belanghebbende drukken. Hiervoor is vereist dat de schuld tot het vermogen van belanghebbende behoort. Partijen hebben geen afschriften overgelegd van de hypotheekakte(n). Omdat de woning volledige eigendom is van de ex-echtgenote gaat de rechtbank ervan uit dat ook de schuld volledig tot het vermogen van de ex-echtgenote behoort. Van afspraken tussen partijen omtrent de draagplicht is niet gebleken. Bij het ontbreken van dergelijke afspraken brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid mee dat de onderlinge draagplicht van de lening – en daarmee ook de rente – gelijk is aan de eigendomsverhouding (vgl. Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 13 maart 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1104). Hiermee drukken de schuld en de daarmee samenhangende kosten op het vermogen van de ex-echtgenote. De betaling van de rente door belanghebbende uit hoofde van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid maakt niet dat dit anders wordt. Door de rente te betalen, heeft belanghebbende een wettelijk verhaalsrecht gekregen op de ex-echtgenote (artikel 6:10, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek). Hierdoor drukken de rentekosten niet op belanghebbende (vgl. Hoge Raad, 18 mei 1977, nr. 18 339, gepubliceerd in BNB 1977/152). Interne afspraken tussen de (gewezen) echtelieden over de betaling van die rente en het aldus ontstane vorderingsrecht doen hieraan niet af. Dit speelt zich af in de bestedingensfeer en raakt het fiscale inkomen niet. Ook de (eventuele) onbekendheid van belanghebbende met de verhaalsmogelijkheid of de feitelijke onverhaalbaarheid van die vordering doet aan het voorgaande niet af.

4.5.

Belanghebbende heeft gesteld dat hij in 2013 de economisch eigendom heeft verkregen van de woning en dat daarom de betaalde rente bij hem aftrekbaar is als eigenwoningrente. Nog afgezien van de vraag of dit maakt dat de rente op belanghebbende drukt, verwerpt de rechtbank deze stelling. In het echtscheidingsconvenant uit 2016 is opgenomen dat de ex-echtgenote de woning voor € 300.000 aan belanghebbende zal leveren. Uit niets blijkt dat dit de waarde van de woning ten tijde van het uit elkaar gaan in 2013 betrof en dat de waardeontwikkeling sinds die tijd voor rekening en risico van belanghebbende zou zijn gekomen. De gestelde verkrijging van economisch eigendom van de woning in [plaats 1] ten tijde van het uit elkaar gaan in 2013 is daarom, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt.

Woning [plaats 2]

4.6.

Het hiervoor beschreven wettelijke toetsingskader is ook van toepassing ten aanzien van de woning in [plaats 2] . Het feitencomplex waarop dat kader moet worden toegepast is anders dan bij de woning in [plaats 1] , omdat belanghebbende voor de helft de eigendom van de woning in [plaats 2] heeft. Dit brengt met zich mee dat de kosten voor de helft op belanghebbende drukken. Tussen partijen is bovendien niet in geschil dat op de woning in [plaats 2] de verhuisregeling van artikel 3.111, derde lid, van de Wet IB 2001 van toepassing is. De hiervoor opgenomen overwegingen leiden tot het oordeel dat belanghebbende voor de woning in [plaats 2] recht heeft op de aftrek voor de helft van de betaalde rente. Tussen partijen is niet in geschil dat het aandeel van belanghebbende in die kosten € 468 bedraagt. Voor de andere helft heeft belanghebbende eveneens een wettelijk verhaalsrecht op de ex-echtgenote. Dat sprake is van economisch eigendom aan de zijde van belanghebbende voor het aandeel van de ex-echtgenote in de woning, is voor de woning in [plaats 2] niet aannemelijk gemaakt. Dit wordt door de inspecteur betwist en daarvoor is geen enkel bewijs overgelegd of aangeboden.

4.7.

Op grond van het hiervoor overwogene moet de eerste in geschil zijnde vraag ontkennend worden beantwoord.

Onderhoudsverplichting

4.8.

Artikel 6.3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001 bepaalt dat onderhoudsverplichtingen periodieke uitkeringen en verstrekkingen zijn op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting, tenzij deze worden gedaan aan bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn.

4.9.

Op belanghebbende rust de bewijslast ter zake van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat sprake is van periodieke uitkeringen of verstrekkingen ingevolge een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting.

4.10.

Uit de gedingstukken volgt dat partijen geen alimentatieverplichting zijn overeengekomen. In artikel 1 van het echtscheidingsconvenant is opgenomen dat de ex-echtgenote haar verzoek aan de rechtbank tot het vaststellen van de partneralimentatie heeft ingetrokken. Uit hetgeen de rechtbank in de beschikking van 25 januari 2016 heeft overwogen (zie hiervoor in 2.7) blijkt dat partijen geen onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 6.3, lid 1, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001 hebben willen overeenkomen. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd biedt onvoldoende basis om de conclusie te rechtvaardigen dat de inspecteur de niet aftrekbare hypotheekrente als onderhoudsverplichting in aftrek moet toestaan. Ook de tweede in geschil zijnde vraag moet daarom ontkennend worden beantwoord.

Slotsom

4.11.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de belastbare inkomsten uit eigen woning voor het jaar 2013 gesteld moeten worden op € 468 negatief. De inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag reeds een bedrag van € 5.637 als negatieve belastbare inkomsten uit eigen woning in aanmerking genomen. Nu de overige elementen van de aanslag niet in geschil zijn, is de conclusie dat de aanslag eerder te laag dan te hoog is vastgesteld.

4.12.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, voorzitter, mr. C.A.F.M. Stassen en prof.mr. I.J.F.A. van Vijfeijken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A.D. Dockx, griffier en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2019.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.