Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:541

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
06-02-2019
Datum publicatie
12-02-2019
Zaaknummer
341919 / HA ZA 18-135
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Intellectueel eigendomsrecht; inbreuk op auteursrecht (art. 12 en 13 Aw) en persoonlijkheidsrechten (art. 25 lid 1 sub a en c Aw); abstracte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster II Handelszaken

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/341919 / HA ZA 18-135

Vonnis van 6 februari 2019

in de zaak van

[naam eiseres] H.O.D.N. [bedrijfsnaam],

wonende te [plaatsnaam] ,

eiseres,

advocaat: mr. I. Brouwer te Bussum,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KWANTUM NEDERLAND BV,

gevestigd te Tilburg,

gedaagde,

advocaat: mr. M.M.M. van Gerwen en mr. M.R. Rijks te Eindhoven.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Kwantum worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 15 augustus 2018, met de daarin genoemde processtukken;

  • -

    de door [eiseres] nagezonden producties 22 en 23;

  • -

    de door Kwantum nagezonden productie 7;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 23 november 2018;

  • -

    de brief van [eiseres] van 20 december 2018;

  • -

    de brief van Kwantum van 20 december 2018;

  • -

    de brief van Kwantum van 31 december 2018;

  • -

    de brief van [eiseres] van 2 januari 2019.

Ten aanzien van de brieven van partijen na de zitting geldt dat de inhoud daarvan uitsluitend in de beoordeling wordt betrokken voor zover die betreft het standpunt dat het proces-verbaal gelet op het besprokene ter zitting onjuist of onvolledig is.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is sinds 2011 eigenaar van de eenmanszaak ‘ [bedrijfsnaam] ’. Zij ontwerpt (onder andere) kaarten en posters en biedt deze ter verkoop aan.

2.2.

In oktober 2016 heeft [eiseres] een kerstkaart ontworpen in het kader van kerst 2016 (verder te noemen: ‘het ontwerp’). [bedrijfsnaam] heeft deze kerstkaart in oktober 2016 aangeboden aan een vaste kring van afnemers. Deze afnemers hebben de kerstkaart, geleverd op A4-formaat karton in folie, in 2016 en 2017 van [bedrijfsnaam] ingekocht en aan hun klanten verkocht.

2.3.

In december 2016 is de kerstkaart gepubliceerd op de Facebookpagina van [bedrijfsnaam] en op Pinterest, onder de vermelding [website] .

2.4.

Op 27 november 2017 heeft [eiseres] van een van haar afnemers vernomen dat Kwantum dezelfde kerstkaart in de vorm van een A4-formaat tekstbord te koop aanbiedt in haar winkels, fysieke folders en online via haar website. [eiseres] heeft diezelfde dag telefonisch contact gezocht met Kwantum.

2.5.

Bij brief van 1 december 2017 heeft (de gemachtigde van) [eiseres] Kwantum gesommeerd de verkoop van de tekstborden te staken, een opgave te verstrekken van het aantal verkochte tekstborden, een schadevergoeding te betalen wegens schending van het auteursrecht van [eiseres] en de advocaatkosten te vergoeden.

2.6.

Op 6 december 2017 heeft Kwantum telefonisch op de sommatie van [eiseres] gereageerd. In het telefoongesprek heeft Kwantum de inbreuk op het auteursrecht erkend. Tussen 6 en 12 december 2017 hebben partijen gesproken over de voorwaarden van een eventuele schikking, maar zijn uiteindelijk niet op elkaars voorstellen ingegaan.

2.7.

Op 12 december 2017 heeft Kwantum aan [eiseres] een ‘onthoudingsverklaring’ afgegeven, waarin staat dat de verkoop van het tekstbord vanaf 6 december 2017 niet meer plaatsvindt, op straffe van een boete van € 50,00 per overtreding.

2.8.

Op 14 en 22 december 2017 heeft [eiseres] Kwantum laten weten dat de verkoop van de tekstborden niet is gestaakt. Partijen hebben op 22 december 2017 en 3 en 4 januari 2018 opnieuw schikkingsvoorstellen gedaan, maar zijn wederom niet op elkaars voorstellen ingegaan.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. een verklaring voor recht dat Kwantum:

a. inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht en de persoonlijkheidsrechten van [eiseres] ;

b. door op die manier te handelen onrechtmatig heeft gehandeld en schade aan [eiseres] heeft veroorzaakt;

c. gehouden is tot betaling van een schadevergoeding;

II. Kwantum te veroordelen zich met onmiddellijke ingang na dagtekening van het vonnis te onthouden van iedere inbreuk op de auteursrechten en persoonlijkheidsrechten van [eiseres] en deze inbreuk nu en in de toekomst gestaakt te houden;

III. Kwantum te veroordelen een officiële en door een accountant gewaarmerkte opgave van het aantal door Kwantum verkochte tekstborden te verstrekken over het jaar 2017, dan wel over de periode waarin Kwantum de tekstborden heeft verkocht;

IV. Kwantum te veroordelen aan [eiseres] te betalen een bedrag aan schadevergoeding ter hoogte van € 41.925,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2017, althans vanaf 14 dagen na de dag der dagvaarding;

V. Kwantum te veroordelen tot betaling van de proceskosten, tot de dag der dagvaarding begroot op € 8.988,55 exclusief btw en exclusief kantoorkosten, te vermeerderen met de kosten vanaf de dag der dagvaarding tot aan de datum van het vonnis, alsmede het griffierecht, de kosten van de dagvaarding en de nakosten.

3.2.

[eiseres] legt – samengevat – aan haar vorderingen ten grondslag dat Kwantum inbreuk heeft gemaakt op het op het ontwerp rustende auteursrecht en persoonlijkheidsrecht van [eiseres] . [eiseres] heeft geconstateerd dat Kwantum zonder haar toestemming en naamsvermelding haar ontwerp openbaar heeft gemaakt en verveelvoudigd, waarbij Kwantum bovendien het ontwerp heeft veranderd door het aan te bieden als een A4-formaat tekstbord met gewijzigde kleuren. Hierdoor is de oorspronkelijke bedoeling en de exclusiviteit van het werk verloren gegaan. [eiseres] heeft daardoor schade geleden.

3.3.

Kwantum voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] in haar vorderingen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen, primair met veroordeling van [eiseres] in de volledige proceskosten conform het liquidatietarief en subsidiair, voor zover de rechtbank van oordeel is dat, zo begrijpt de rechtbank, enige vordering van [eiseres] toewijsbaar is en dat artikel 1019h Rv van toepassing is, de proceskosten te compenseren, althans te matigen tot € 8.000,00 conform de Indicatietarieven.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Vordering I (inbreuk auteursrecht en persoonlijkheidsrecht)

4.1.

[eiseres] vordert allereerst een verklaring voor recht dat Kwantum inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht en de persoonlijkheidsrechten van [eiseres] , dat Kwantum daardoor onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld en schade aan [eiseres] heeft veroorzaakt, en dat Kwantum gehouden is tot betaling van een schadevergoeding aan [eiseres] .

4.2.

Kwantum voert aan dat [eiseres] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering sub I wegens een gebrek aan belang bij die vordering. Kwantum heeft reeds erkend een inbreuk te hebben gemaakt op de auteursrechten van [eiseres] en zij heeft toegezegd enig bedrag aan schade te zullen vergoeden. Kwantum betwist daarentegen een persoonlijkheidsrecht van [eiseres] te hebben geschonden. Volgens Kwantum is het niet gebruikelijk de naam van een ontwerper te vermelden als het gaat om industriële vormgeving.

4.3.

Ingevolge artikel 3:303 BW komt [eiseres] geen rechtsvordering toe zonder voldoende belang. Anders dan Kwantum betoogt, is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] voldoende belang heeft bij haar gevorderde verklaring voor recht. Deze verklaring voor recht dient immers tot het op bindende wijze vaststellen van de rechtsverhouding tussen partijen en vormt eveneens de grondslag voor de door [eiseres] ingestelde vordering tot schadevergoeding.

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] – krachtens artikel 1 Auteurswet (Aw) – het auteursrecht op het ontwerp van de kerstkaart heeft omdat het ontwerp aan de “werktoets” van artikel 10 Aw voldoet. Nu Kwantum heeft erkend dat zij het ontwerp van [eiseres] zonder haar toestemming heeft overgenomen, openbaar heeft gemaakt en heeft verveelvoudigd, zonder dat sprake is van een nieuw werk als bedoeld in artikel 10 Aw, staat vast dat Kwantum dit auteursrecht van [eiseres] heeft geschonden (ex artikelen 12 en 13 Aw).

4.5.

Door de naam van [eiseres] niet bij het ontwerp te vermelden, heeft Kwantum het persoonlijkheidsrecht van [eiseres] geschonden in de zin van artikel 25 lid 1 sub a Aw. Door het formaat van de kerstkaart te wijzigen in een A4-formaat tekstbord en door de kleurstelling te wijzigen, heeft Kwantum tevens het persoonlijkheidsrecht van [eiseres] geschonden in de zin van artikel 25 lid 1 sub c Aw. Op grond van deze bepalingen heeft [eiseres] het recht zich te verzetten tegen respectievelijk de openbaarmaking van haar ontwerp zonder naamsvermelding en de wijziging van haar ontwerp, tenzij dat verzet in strijd zou zijn met de redelijkheid. Naar het oordeel van de rechtbank is het verzet van [eiseres] niet in strijd met de redelijkheid. Dat het volgens Kwantum niet gebruikelijk is de naam van een ontwerper te vermelden als het gaat om industriële vormgeving doet niets aan de redelijkheid van dit verzet af. Een dergelijke uitzondering kent artikel 25 Aw immers niet. Daarnaast kan [eiseres] zich redelijkerwijs verzetten nu, door het gewijzigde ontwerp, afbreuk wordt gedaan aan de exclusiviteitswaarde van haar kerstkaart.

4.6.

Gelet op bovenstaande heeft Kwantum het auteursrecht en het persoonlijkheids-recht van [eiseres] geschonden. De inbreuken van Kwantum zijn te duiden als een handelen in strijd met een wettelijke plicht, hetgeen een onrechtmatige daad oplevert jegens [eiseres] . Nu de mogelijkheid van schade aannemelijk is – hetgeen ook volgt uit de brief van Kwantum van 4 januari 2018 waarin ze meldt enig bedrag aan schade te zullen vergoeden als gevolg van de gemaakte auteursrechtinbreuk – ligt de onder sub I gevorderde verklaring voor recht integraal voor toewijzing gereed.

Vordering II (stakingsvordering)

4.7.

[eiseres] vordert Kwantum te veroordelen zich met onmiddellijke ingang te onthouden van iedere inbreuk op het auteursrecht en het persoonlijkheidsrecht van [eiseres] en deze inbreuk in de toekomst gestaakt te houden.

4.8.

Kwantum voert aan dat [eiseres] geen belang heeft bij haar vordering sub II. Kwantum voert daartoe aan dat zij sinds 6 december 2017 de verkoop van de tekstborden daadwerkelijk heeft gestaakt. Met de afgifte van de onthoudingsverklaring heeft Kwantum zich bovendien verbonden zich in de toekomst te zullen onthouden van enige inbreuk op de auteurs- en persoonlijkheidsrechten van [eiseres] , aldus Kwantum.

4.9.

De rechtbank overweegt als volgt. In de onthoudingsverklaring die Kwantum heeft opgesteld heeft zij, zonder daarbij enig voorbehoud te maken, verklaard ieder inbreukmakend gebruik te staken en gestaakt te houden, onder verbeurte van een dwangsom bij iedere overtreding daarvan. Gelet op de aard, tekst en strekking van deze verklaring valt niet in te zien welk belang [eiseres] nog heeft bij handhaving van haar vordering. [eiseres] heeft nog naar voren gebracht dat de verkoop van de tekstborden na afgifte van de onthoudingsverklaring niet is gestaakt, maar die stelling heeft [eiseres] – tegen het verweer van Kwantum – met onvoldoende feiten onderbouwd. Zo blijkt uit het verweer van Kwantum dat de tekstborden weliswaar niet direct uit de (meer dan 100) winkels zijn gehaald, maar dat wel direct de prijs van de tekstborden in de winkels en online via de website van Kwantum is aangepast naar € 999,99. Dat het tekstbord in de fysieke folder van 9 december 2017 nog voor een bedrag van € 3,50 werd aangeboden, doet ook geen belang ontstaan. Kwantum heeft immers aangevoerd dat de fysieke folders van 9 december 2017 reeds gedrukt waren en dat verspreiding daarvan niet meer kon worden tegengehouden, en dat zij dit ook direct aan [eiseres] heeft gecommuniceerd. De omstandigheid dat de tekstborden tot op de dag van vandaag online via Google(cache-resultaten) zichtbaar zouden zijn (hetgeen de rechtbank overigens niet heeft kunnen vaststellen), impliceert ook niet dat Kwantum de tekstborden thans nog online aanbiedt. Leidend daarvoor is immers de website van Kwantum als aanbieder van deze tekstborden en niet het cache-‘geheugen’ van Google. Van nog openbaar maken is hiermee evenmin sprake. Met een gebruikelijke zoekopdracht is het ontwerp van [eiseres] niet op internet vindbaar.

4.10.

Gesteld noch gebleken is van enige aanwijzing van welke aard dan ook dat Kwantum in de toekomst opnieuw inbreuk zal gaan maken op het auteursrecht en/of het persoonlijkheidsrecht van [eiseres] . [eiseres] wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in dit onderdeel van haar vordering.

Vordering III (opgave gegevens accountant)

4.11.

[eiseres] vordert voorts Kwantum te veroordelen een officiële en door een accountant gewaarmerkte opgave van het aantal door Kwantum verkochte tekstborden te verstrekken.

4.12.

Kwantum voert aan dat [eiseres] evenmin belang heeft bij haar vordering sub III. Kwantum heeft reeds openheid van zaken gegeven over het aantal verkochte tekstborden, namelijk dat zij het tekstbord vanaf 1 november 2017 heeft verhandeld en dat er 2.975 stuks zijn verkocht tegen een bruto verkoopprijs van € 2,89 excl. btw. Bij een verklaring gewaarmerkt door een accountant heeft [eiseres] geen aanvullend belang, temeer niet omdat [eiseres] niet heeft gesteld dat de verklaring van Kwantum onjuist zou zijn, aldus Kwantum.

4.13.

Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien welk belang [eiseres] heeft bij een door de accountant gewaarmerkte opgave van het aantal door Kwantum verkochte tekstborden. [eiseres] heeft namelijk een concreet bedrag aan schadevergoeding gevorderd, waarvoor artikel 27 Aw de grondslag biedt, en geen afdracht van als gevolg van de inbreuk behaalde winst, welke nog door een accountant zou moeten worden vastgesteld, waarvoor artikel 27a Aw de grondslag biedt – veelal gekozen als alternatief bij gebreke van aanknopingspunten om bij een schadevordering een bedrag te kunnen noemen. Ook in deze vordering zal [eiseres] derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

Vordering IV (schadevergoeding)

4.14.

[eiseres] vordert van Kwantum op grond van artikel 27 Aw een bedrag aan schadevergoeding ter hoogte van € 41.925,00. [eiseres] hanteert voor haar schadeberekening haar gebruikelijke verkooptarief van € 3,00 per kerstkaart op A4-formaat. Omdat Kwantum stelt dat zij 2.795 tekstborden heeft verkocht, is de schade in totaal € 3,00 x 2.795 = € 8.385,00. Naast de inbreuk op het auteursrecht is sprake van meerdere inbreuken op het persoonlijkheidsrecht van [eiseres] , namelijk 1. het ontbreken van een naamsvermelding, 2. wijziging van het ontwerp en 3. verlies van de oorspronkelijke bedoeling van het werk en van exclusiviteit. Kwantum heeft deze inbreuken bovendien bewust gepleegd in de wetenschap dat achteraf alsnog toestemming gekocht zou kunnen worden door betaling van een licentievergoeding, hetgeen volstrekt in strijd is met de letter en de geest van de Auteurswet. Door deze vijfvoudige inbreuk op het auteursrecht en het persoonlijkheidsrecht van [eiseres] is Kwantum – naar analogie van de standaardvoorwaarden van de Nederlandse Vereniging van Journalisten en de Fotografenfederatie, en conform vaste rechtspraak – vijf keer schadevergoeding verschuldigd. De totale schade komt daarmee uit op een bedrag van 5 x € 8.385,00 = € 41.925,00, aldus [eiseres] .

4.15.

Kwantum voert primair het verweer dat zij [eiseres] reeds een redelijke licentievergoeding heeft aangeboden ter hoogte van 3% van de bruto verkoopprijs van Kwantum. Om die reden heeft [eiseres] geen enkel belang meer bij haar vordering sub IV en dient zij niet-ontvankelijk te worden verklaard in die vordering. Subsidiair voert Kwantum aan dat uitsluitend de door [eiseres] gederfde nettowinst als schadevergoeding voor toewijzing in aanmerking kan komen. Een bedrag aan netto winstderving heeft [eiseres] echter niet genoemd en niet onderbouwd. Voor zover toch van winstderving zou worden uitgegaan, dient die te worden gemaximeerd op € 0,90 per product en dus op € 2.515,50 in totaal. Uiterst subsidiair heeft te gelden dat als van € 3,00 per product wordt uitgegaan, maximaal een bedrag van € 8.385,00 voor vergoeding in aanmerking zou komen, omdat punitive damages (zoals het toepassen van een vermenigvuldigingsfactor) onder het Nederlandse recht niet mogelijk zijn.

4.16.

De rechtbank komt een grote mate van vrijheid toe om de omvang van de toe te kennen schadevergoeding te begroten. Die rechterlijke vrijheid ziet niet alleen op de begroting van de hoogte van de schade, maar ook op de vraag of en hoe (langs welke meetlat) de schade zo nauwkeuring mogelijk kan worden begroot. Nu Kwantum ten onrechte het ontwerp van [eiseres] heeft verspreid en vermenigvuldigd, is de mogelijkheid aannemelijk dat [eiseres] als gevolg daarvan schade heeft geleden, hetgeen in beginsel een aanspraak op schadevergoeding geeft. Uitgangspunt bij de begroting is dat [eiseres] door het ontvangen van schadevergoeding zoveel mogelijk in de toestand dient te worden gebracht waarin zij zou hebben verkeerd zonder de schade toebrengende gebeurtenis (“herstel in de oude toestand”). Een concrete begroting van de schade, waarbij rekening wordt gehouden met alle relevante omstandigheden van het geval, is daarvoor het meest geëigend. Wanneer dit echter niet mogelijk is kan (deels) voor een abstracte wijze van begroting worden gekozen. Wanneer de mogelijkheid van schade aannemelijk is, maar (bij gebreke van de benodigde gegevens) noch een concrete, noch een abstracte schadebegroting mogelijk is, volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 7 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1435) dat de rechter de omvang van de schade, al dan niet na nadere instructie, op de voet van artikel 6:97 BW moet schatten, dan wel partijen naar de schadestaatprocedure moet verwijzen, ook zonder dat dit uitdrukkelijk is gevorderd.

4.17.

De rechtbank is in onderhavige zaak verplicht te onderzoeken of daadwerkelijk schade is geleden en zo ja, de schade op een van de bovenstaande wijzen te begroten, tenzij zij dat op dit moment geheel onmogelijk acht. Dat laatste is niet het geval zodat verwijzing van deze zaak naar de schadestaatprocedure niet aan de orde is.

4.18.

De rechtbank acht in dit geval onvoldoende aanknopingspunten aanwezig voor een concrete schadebegroting. Of, en zo ja in welke mate, [eiseres] minder kaarten heeft verkocht als gevolg van de inbreuk door Kwantum is niet vast te stellen. [eiseres] heeft namelijk ter zitting verklaard dat het haar eigen keuze is geweest om de verkoop van de betreffende kaarten te staken, omdat ze van mening was dat ze niet langer exclusiviteit genoot. [eiseres] heeft bovendien geen duidelijk antwoord gegeven op de vraag hoeveel kaarten ze verkocht zou hebben als ze de kaarten niet uit de handel zou hebben gehaald. [eiseres] heeft ter zitting gesteld dat ze honderd(en) tot duizend kaarten per jaar verkocht zou hebben, maar die stelling heeft zij op geen enkele wijze onderbouwd en ze is door Kwantum betwist. Een nadere instructie is dan niet zinvol.

4.19.

Ten aanzien van de abstracte schadebegroting heeft het volgende te gelden. Artikel 27 lid 2 Aw bepaalt dat de rechter “in passende gevallen” de schadevergoeding als een forfaitair bedrag kan vaststellen. Dit wetsartikel is ingevoerd in het kader van de implementatie van de Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (verder te noemen: ‘de Handhavingsrichtlijn’). In artikel 13 lid 1 van de Handhavingsrichtlijn worden (facultatief) twee wijzen van schadeberekening voorgesteld:

(…) De rechterlijke instanties die de schadevergoeding vaststellen:

a. a) houden rekening met alle passende aspecten, zoals de negatieve economische gevolgen, waaronder winstderving, die de benadeelde partij heeft ondervonden, de onrechtmatige winst die de inbreukmaker heeft genoten en, in passende gevallen, andere elementen dan economische factoren, onder meer de morele schade die de rechthebbende door de inbreuk heeft geleden,

of

b) kunnen, als alternatief voor het bepaalde onder a), in passende gevallen de schadevergoeding vaststellen als een forfaitair bedrag, op basis van elementen zoals ten minste het bedrag aan royalty’s of vergoedingen dat verschuldigd was geweest indien de inbreukmaker toestemming had gevraagd om het desbetreffende intellectuele-eigendomsrecht te gebruiken.

4.20.

[eiseres] heeft in de processtukken en ter zitting te kennen gegeven dat ze met haar eenmanszaak [bedrijfsnaam] , omdat die onderneming exclusiviteit van haar producten nastreeft, nooit een licentie aan Kwantum, als zijnde grootwinkelbedrijf, zou hebben gegeven, en zeker niet voor het bedrag/percentage dat Kwantum daarvoor biedt, omdat zij ieder uitdrukkelijk in een andere branche opereren. Gelet op deze omstandigheid acht de rechtbank het niet passend om de schade te begroten aan de hand van bovengenoemde b-grond.

4.21.

De rechtbank zal de schade voor wat betreft de inbreuk op het auteursrecht derhalve begroten aan de hand van bovengenoemde a-grond en wel met inachtneming van de bij die grond genoemde aspecten voor zover de rechtbank dat passend oordeelt. Het aspect winstafdracht neemt de rechtbank niet in aanmerking nu [eiseres] geen vordering daartoe heeft ingesteld (rechtsoverweging 4.13), hoewel artikel 27a Aw daartoe uitdrukkelijk de mogelijkheid biedt. Winstderving van [eiseres] is een aspect dat wel in aanmerking kan worden genomen, met dien verstande dat begroting van een concreet bedrag niet mogelijk is zodat schatting aangewezen is. De door [eiseres] ondervonden winstderving dient op grond van het arrest van het Benelux Gerechtshof van 24 oktober 2005 (ECLI:NL:XX:2005:AW2551, Delhaize/Dior) te worden berekend aan de hand van de nettowinst die [eiseres] had kunnen maken met de verkoop van haar ontwerp als geen inbreuk had plaatsgehad. De nettowinst bestaat uit de omzet die [eiseres] normaliter met de verkoop van haar A4-posters maakt minus de door haar gemaakte kosten om die omzet te kunnen maken. Desgevraagd ter zitting heeft [eiseres] , zoals hierboven is overwogen, geen deugdelijk antwoord kunnen geven op de vraag wat voor haar de financiële impact is geweest van de auteursrechtinbreuk. Kwantum heeft als uitgangspunt genomen dat, uitgaande van een nettomarge van 30%, de nettowinst van [eiseres] € 0,90 per product is. [eiseres] heeft niet onderbouwd wat haar nettomarge op het ontwerp is. De rechtbank neemt daarom, bij wijze van schatting, als uitgangspunt voor de begroting € 0,90 per ontwerp. De misgelopen verkopen moeten worden geschat. Nu [eiseres] deze schat op honderd(en) tot duizend per jaar, neemt de rechtbank bij wijze van voorzichtige schatting – voorkomen moet immers worden dat meer dan de werkelijke schade wordt vergoed – 300 gederfde verkopen. Dat leidt tot een bedrag aan schadevergoeding van € 270,00. Bij de begroting van de financiële/economische schade in geval van inbreuk op een auteursrecht moet buiten beschouwing blijven het geven van een prikkel, al dan niet in de vorm van een vermenigvuldigingsfactor, om een hernieuwde inbreuk te voorkomen. Het Nederlandse schadevergoedingsrecht noch de Handhavingsrichtlijn bieden een grondslag voor dergelijke punitive damages. Bovendien ligt een berekening van de schade op grond van de standaardvoorwaarden van de Nederlandse Vereniging van Journalisten en FotografenFederatie – waar [eiseres] zich op beroept – niet in de rede, nu toepasselijkheid van deze voorwaarden niet tussen partijen is overeengekomen. Ook gaat het hier om een ander product dan foto’s.

4.22.

Voor zover de rechtbank dat passend acht kan zij ook morele schade in aanmerking nemen. Uit de in de dagvaarding beschreven handelingen van [eiseres] en uit hetgeen zij ter zitting heeft verklaard maakt de rechtbank op dat juist dit aspect voor haar het zwaarst weegt. De rechtbank oordeelt het passend de morele schade in aanmerking te nemen, mede gelet op hetgeen het Hof van Justitie van de EU voor deze schade in het arrest van 17 maart 2016 (ECLI:EU:C:2016:173, Liffers/Producciones Mandarina en Mediaset España Comunicación) heeft overwogen:

“(…)

17 De eerste alinea van artikel 13, lid 1, van richtlijn 2004/48 bevat (…) de algemene regel dat de bevoegde rechterlijke instanties de inbreukmaker moeten gelasten de benadeelde houder van het intellectuele-eigendomsrecht een ‘passende’ schadevergoeding te betalen ‘tot herstel van de schade die deze wegens de inbreuk [werkelijk] heeft geleden’. Zoals de advocaat-generaal in punt 28 van zijn conclusie heeft opgemerkt, maakt morele schade, zoals afbreuk aan de reputatie van de auteur van een werk, mits die schade is bewezen, deel uit van de door hem werkelijk geleden schade.

(…)

21 In de laatste plaats zij aangaande de door richtlijn 2004/48 nagestreefde doelstellingen allereerst eraan herinnerd dat deze richtlijn overeenkomstig overweging 10 tot doel heeft, met name een hoog, gelijkwaardig en homogeen niveau van bescherming van de intellectuele eigendom in de interne markt te waarborgen.

22 Vervolgens moeten volgens overweging 17 van deze richtlijn de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen waarin zij voorziet, in elk afzonderlijk geval zodanig worden vastgesteld dat naar behoren rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van dat geval.

23 Ten slotte wordt in overweging 26 van deze richtlijn onder meer verklaard dat ter vergoeding van de schade die het gevolg is van een inbreuk door een inbreukmaker, het bedrag van de aan de rechthebbende toegekende schadevergoeding moet worden vastgesteld rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, en met name de aan de rechthebbende toegebrachte morele schade.

24 Derhalve vloeit uit de overwegingen 10, 17 en 26 van richtlijn 2004/48 voort dat zij ernaar streeft een hoog niveau van bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten te bereiken, dat rekening houdt met alle specifieke kenmerken van elk afzonderlijk geval en gebaseerd is op een berekeningswijze van de schadevergoeding die beoogt aan deze specifieke kenmerken tegemoet te komen.

25 Gelet op de doelstellingen van richtlijn 2004/48 moet artikel 13, lid 1, eerste alinea, ervan aldus worden uitgelegd dat daarin het beginsel wordt geponeerd dat de berekening van de aan de rechthebbende van een intellectuele-eigendomsrecht te betalen schadevergoeding moet beogen hem integraal herstel van de door hem werkelijk geleden schade te waarborgen, door daaronder ook eventuele morele schade te begrijpen.

4.23.

Ook de morele schade moet worden geschat. De rechtbank acht van belang dat [eiseres] een onderneming is die exclusieve producten ontwerpt en aan (kleinere) speciaalzaken ter verkoop aanbiedt. Door de inbreuk van Kwantum is het werk van [eiseres] plots op grote schaal aangeboden in een context die haaks staat op het marktsegment voor haar eenmanszaak. Uit de handelwijze van [eiseres] blijkt dat zij door de handelwijze van Kwantum hevig ontdaan was en is. Daarnaast is van belang dat enkele vaste afnemers van [eiseres] twijfelen aan de authenticiteit van haar producten en aarzelen om opnieuw producten te bestellen. Voor het aannemen van morele schade bestaat dan ook een objectieve grond. De rechtbank begroot deze schade bij wijze van schatting op een bedrag van € 3.500,00.

4.24.

De rechtbank begroot de schade aldus op een totaalbedrag van € 3.770,00. Voor het begroten van een hoger bedrag, zoals [eiseres] vordert, ziet de rechtbank geen objectieve grond. Voorkomen moet worden dat de schade wordt begroot op een hoger bedrag dan waarvoor objectieve aanknopingspunten bestaan en met als resultaat dat de benadeelde meer dan integraal herstel van de door hem werkelijk geleden schade wordt betaald. Bij een schatting van de schade klemt dat te meer. Voor het ook begroten van schade als gevolg van de inbreuk op het persoonlijkheidsrecht bestaat geen grond, omdat de omstandigheden die daarbij in aanmerking zouden kunnen worden genomen al zijn betrokken bij de begroting van de morele schade.

4.25.

Vanwege betalingsverzuim zal de door [eiseres] gevorderde wettelijke rente worden toegewezen over het toe te wijzen bedrag van in totaal € 3.770,00, zoals is gevorderd en niet weersproken, vanaf 1 december 2017 tot de dag der algehele voldoening.

Vordering V (proceskosten)

4.26.

Kwantum zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. [eiseres] vordert Kwantum in de proceskosten te veroordelen. Kwantum voert hiertegen verweer.

4.27.

Partijen hebben ter zitting hun standpunten ten aanzien van de proceskosten nader toegelicht. Kwantum heeft deze nadere toelichting gegeven middels een uitgeschreven pleitnotitie. [eiseres] stelt verrast te zijn door dit voorbereide betoog van Kwantum en stelt niet in staat te zijn adequaat op de inhoud van de pleitnotitie te kunnen reageren. [eiseres] wenst derhalve, voordat vonnis wordt gewezen, in de gelegenheid te worden gesteld op de pleitnotitie van Kwantum te reageren.

4.28.

Zoals de rechtbank reeds ter zitting aan [eiseres] heeft medegedeeld, kon van [eiseres] – ondanks de voorbereide pleitnotitie van Kwantum – worden verwacht dat zij direct op het verweer van Kwantum zou reageren. De discussie over de proceskosten beperkt zich immers enkel tot de inhoud van de zelf door [eiseres] in het geding gebrachte facturen (hoogte en redelijkheid) en de toepasselijkheid van artikel 237 Rv e.v. of artikel 1019h Rv. De inhoud van de eigen producties wordt (de advocaat van) [eiseres] geacht te kennen en over de toepasselijkheid van genoemde artikelen wordt zij geacht beroepshalve kennis te hebben. De rechtbank zal derhalve direct een proceskostenveroordeling uitspreken.

4.29.

Artikel 1019h Rv bepaalt ten aanzien van de proceskosten in IE-zaken dat de in het ongelijk gestelde partij desgevorderd wordt veroordeeld in de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet.

4.30.

Kwantum heeft aangevoerd dat artikel 1019h Rv niet van toepassing is, omdat [eiseres] niet uitdrukkelijk in het petitum van haar dagvaarding een proceskosten-veroordeling op grond van artikel 1019h Rv heeft gevorderd. Dit verweer faalt. De vordering onder 6 ziet, gelet op het vermelde bedrag, op kosten als bedoeld in artikel 1019h Rv. Bovendien geldt dat onder het woord “desgevorderd” in artikel 1019h Rv dient te worden begrepen dat de gevorderde kosten zodanig tijdig dienen te worden opgegeven en gespecificeerd dat de wederpartij zich daartegen behoorlijk kan verweren. Aan dat vereiste heeft [eiseres] voldaan, zodat [eiseres] de proceskosten op grond van artikel 1019h Rv heeft gevorderd.

4.31.

Naast de proceskosten in de hoofdzaak, dient de rechtbank thans te beslissen over de proceskosten in het incident, aangezien die beslissing bij vonnis in incident van 23 mei 2018 is aangehouden.

Hoofdzaak

4.32.

De rechtbank stelt vast dat de vorderingen van [eiseres] in de hoofdzaak hun grondslag vinden in de handhaving van rechten van intellectuele eigendom ingevolge de Auteurswet. Kwantum stelt nog dat onderhavige procedure niet onder het bereik van artikel 1019h Rv valt, omdat deze procedure uitsluitend ziet op het bepalen van de hoogte van de schade en proceskosten en derhalve niet op de handhaving van een intellectueel eigendomsrecht. De rechtbank verwerpt dit verweer. Tussen partijen is – ook na het uitbrengen van de dagvaarding – in geschil (gebleven) het antwoord op de vraag of sprake was van schending van de persoonlijkheidsrechten van [eiseres] , op welke vraag de rechtbank in rechtsoverweging 4.5 heeft beslist. Op de proceskostenbeoordeling is artikel 1019h Rv van toepassing.

4.33.

Ten aanzien van de hoogte van de gevorderde kosten overweegt de rechtbank als volgt. De landelijk vastgestelde indicatietarieven in IE-zaken bieden aanknopingspunten de hoogte van de opgevoerde kosten te beoordelen. De rechtbank zal het indicatietarief voor een eenvoudige zaak tot uitgangspunt nemen, omdat het debat over auteursrecht en persoonlijkheidsrecht zeer beperkt is geweest. Voor dergelijke zaken geldt dat de kostenvergoeding maximaal € 8.000,00 bedraagt. De door [eiseres] bij producties 21a, 21b en 22 overgelegde facturen bevatten een voldoende specificatie van de door [eiseres] gemaakte kosten.

4.34.

Voor wat betreft de gevorderde advocaatkosten gaat de rechtbank uit van het door mr. Brouwer gehanteerde uurtarief van € 250,00. Voor het opstellen van de dagvaarding acht de rechtbank een omvang van 10 uren redelijk en evenredig (zijnde € 2.500,00) en voor de gevoerde correspondentie 1,5 uur (zijnde € 375,00). De door [eiseres] overgelegde facturen voor de maanden april en mei 2018 zullen buiten beschouwing worden gelaten, aangezien in die maanden uitsluitend de incidentele vordering aan de orde was en uit de facturen niet blijkt dat de opgegeven werkzaamheden betrekking hebben op de vorderingen in de hoofdzaak. De advocaatkosten zoals opgegeven in de facturen van augustus en november 2018 zullen integraal worden toegewezen, zijnde een bedrag van respectievelijk € 275,00 en € 1.075,00. De gevorderde kantoorkosten van 6% zijn niet ongebruikelijk en zullen in de begroting worden begrepen. Naast de gevorderde advocaatkosten acht de rechtbank ook de gevorderde deurwaarderskosten (€ 102,00), kosten voor uittreksel KvK (€ 9,55), reiskosten (€ 113,49) en kosten voor verzending aangetekende post (€ 10,90) redelijk en evenredig, alsook de gevorderde btw van 21% over de advocaatkosten en overige kosten. Tot slot is het door [eiseres] gevorderde griffierecht ad € 895,00 toewijsbaar.

4.35.

Het vorenstaande resulteert in een begroting van de proceskosten in de hoofdzaak op een bedrag van € 6.599,47.

Incident

4.36.

De rechtbank stelt vast dat de vordering van [eiseres] in het incident geen grondslag vindt in de handhaving van rechten van intellectuele eigendom, nu die vordering ziet op het verstrekken van een memo c.q. instructies waarin het contact tussen [eiseres] en Kwantum zou worden ontmoedigd. De proceskosten in het incident die [eiseres] als in het ongelijk gestelde partij moet betalen zullen derhalve worden berekend op basis van het liquidatietarief, zijnde (1,5 procespunt x € 543,00, tarief II) = € 814,50.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vorderingen sub II en III,

5.2.

verklaart voor recht dat Kwantum inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht en het persoonlijkheidsrecht van [eiseres] op het ontwerp, dat Kwantum daardoor onrechtmatig heeft gehandeld en schade bij [eiseres] heeft veroorzaakt en dat Kwantum gehouden is tot betaling van schadevergoeding,

5.3.

veroordeelt Kwantum om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 3.770,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag met ingang van 1 december 2017 tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt Kwantum in de proceskosten in de hoofdzaak, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 6.599,47,

5.5.

veroordeelt Kwantum in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis is voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.6.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten in het incident, aan de zijde van Kwantum tot op heden begroot op € 814,50,

5.7.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.3., 5.4., 5.5. en 5.6. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Geloven en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2019, in tegenwoordigheid van mr. Hartman als griffier.