Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:5227

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-10-2019
Datum publicatie
28-11-2019
Zaaknummer
C/02/361165 / KG ZA 19-431
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

overdracht administratie rechtspersoon van door Ondernemingskamer benoemde bestuurder. Gelet op diens bijzondere positie komt deze de bevoegdheid toe een selectie te maken en te bepalen welke stukken wel of niet tot de administratie van de rechtspersoon behoren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2019/277 met annotatie van Broere, P.H.M.
JONDR 2019/1492
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Locatie Breda

Cluster II Handelszaken

zaaknummer / rolnummer: C/02/361165 / KG ZA 19-431

Vonnis in kort geding van 4 oktober 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ENERGIE CONCURRENT BV,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. K. Rutten te Utrecht,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te Ulvenhout,

gedaagde,

advocaat mr. M. Boevink te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Energie Concurrent en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 de dagvaarding van 30 juli 2019 met producties 1 t/m 20;

 de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 13;

 de brief van mr. Rutten van 10 september 2019 met producties 21 t/m 23;

 de brief van mr. Boevink van 10 september 2019 met een nadere productie;

 de mondelinge behandeling van 11 september 2019;

 de pleitnota van Energie Concurrent.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

Energie Concurrent vordert als voorlopige voorziening:

Primair:

I [gedaagde] te veroordelen tot onmiddellijke afgifte van (digitale kopieën van) de emailcorrespondentie die ter gerechtelijke bewaring aan DigiJuris is afgegeven;

II te bepalen dat het vonnis tot afgifte van de emailcorrespondentie in plaats zal treden van de opdracht van [gedaagde] aan de gerechtelijk bewaarder (DigiJuris) om (digitale kopieën van) de emailcorresondentie af te geven aan Energie Concurrent, zulks op kosten van [gedaagde] ;

III [gedaagde] te bevelen mee te werken aan het verstrekken van digitale inlogcodes en passwords en andere relevante informatie indien dat noodzakelijk is om de in beslag genomen en in bewaring gegeven (digitale kopieën van de) emailcorrespondentie toegankelijk te maken voor Energie Concurrent;

subsidiair:

I [gedaagde] te veroordelen tot onmiddellijke afgifte van (digitale kopieën van) de emailcorrespondentie die ter gerechtelijke bewaring aan DigiJuris is afgegeven;

II [gedaagde] te bevelen opdracht te verlenen aan de gerechtelijk bewaarder om (digitale kopieën van) de emailcorrespondentie af te dragen aan Energie Concurrent, zulks op kosten van [gedaagde] ;

III [gedaagde] te bevelen mee te werken aan het verstrekken van digitale inlogcodes en passwords en andere relevante informatie indien dat noodzakelijk is om de in beslag genomen en in bewaring gegeven (digitale kopieën van de) emailcorrespondentie toegankelijk te maken voor Energie Concurrent;

zowel primair als subsidiair:

I te bepalen dat voor iedere overtreding van de veroordeling onder I, II of III een direct opeisbare dwangsom wordt verbeurd van € 20.000,= ineens en daarnaast een dwangsom van € 5.000,= voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft aan deze veroordelingen te voldoen;

II [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding en in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten;

III [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het gelegde conservatoir beslag, te vermeerderen met wettelijke rente.

2.2.

[gedaagde] voert verweer.

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Tussen partijen staat het navolgende vast:

 Energie Concurrent is op 26 november 2002 opgericht door [namen oprichters] en houdt zich bezig met het investeren in groene energieprojecten. Energie Concurrent houdt thans 70% van de aandelen in het aandelenkapitaal van energieleverancier Greenchoice. De overige 30% van de aandelen wordt gehouden door Eneco.

 De aandelen in Energie Concurrent worden gehouden door [namen oprichters] (50,57%), [namen oprichters] (22,38%), [namen oprichters] (10,99%) en beleggingsfonds Meewind (16,07%).

 Het bestuur van Energie Concurrent wordt op dit moment gevormd door [namen oprichters] (middels haar bestuurder [namen oprichters] ) en [namen oprichters] ). [namen oprichters] is vanaf de oprichting van de vennootschap bestuurder van Energie Concurrent. [namen oprichters] is vanaf 15 januari 2019 weer bestuurder.

 Bij beschikking van 27 april 2012 heeft de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam (hierna: de Ondernemingskamer) op verzoek van Eneco een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Greenchoice over de periode vanaf 24 juli 2007 (hierna: de Greenchoice-enquête). Bij wijze van onmiddellijke voorziening heeft de Ondernemingskamer Energie Concurrent geschorst als bestuurder van Greenchoice, een nader aan te wijzen bestuurder benoemd en bepaald dat de door Energie Concurrent gehouden aandelen in Greenchoice den titel van beheer zijn overgedragen aan een nader aan te wijzen persoon. Bij beschikking van 3 mei 2012 is [bestuurder] aangewezen als tijdelijk bestuurder en [naam beheerder] als tijdelijk beheerder van de aandelen.

– Onder verwijzing naar de beschikkingen van de Ondernemingskamer van 27 april en 3 mei 2012, heeft Greenchoice Energie Concurrent, [namen oprichters] , [namen oprichters] , [namen oprichters] , [namen oprichters] , [namen oprichters] en [namen oprichters] aansprakelijk gesteld voor de door Greenchoice geleden en te lijden schade aangezien ‘uw beleid ertoe [heeft] geleid dat de Vennootschap op grond van de Boetebesluiten alleen al
€ 9.727.000,- moest afdragen aan de NMa en de Consumentenautoriteit. (…)

 Naar aanleiding van het op 10 december 2013 bij de griffie van de Ondernemingskamer gedeponeerde onderzoeksverslag in de Greenchoice-enquête heeft een groep (toenmalige) aandeelhouders van Energie Concurrent ( [namen oprichters] c.s.) op 13 januari 2014 bij de Ondernemingskamer een enquêteverzoek met betrekking tot Energie Concurrent ingediend (hierna: de EC-enquête) en daarbij als onmiddellijke voorziening  onder meer  verzocht [namen oprichters] te schorsen als bestuurder van Energie Concurrent en een tijdelijke onafhankelijk bestuurder te benoemen.

 In de Greenchoice-enquête heeft de Ondernemingskamer bij beschikking van 9 juli 2014 (onder meer) geoordeeld dat gebleken is van wanbeleid van Greenchoice in de periode vanaf 24 juli 2007 tot en met 27 april 2012 en dat Energie Concurrent, [namen oprichters] en [namen oprichters] daarvoor hoofdverantwoordelijk zijn. Energie Concurrent, [namen oprichters] en [namen oprichters] hebben in dit oordeel berust.

– In de EC-enquête heeft de Ondernemingskamer in zijn eerste fasebeschikking van 9 juli 2014 geoordeeld dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid van Energie Concurrent te twijfelen en een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Energie Concurrent vanaf 10 maart 2011. Vanwege het tegenstrijdig belang tussen [namen oprichters] als bestuurder van Energie Concurrent en Energie Concurrent heeft de Ondernemingskamer het geboden geacht om bij wijze van onmiddellijke voorziening [namen oprichters] te schorsen als bestuurder van Energie Concurrent en in haar plaats een tijdelijk bestuurder aan te wijzen met doorslaggevende stem. Bij beschikking van 21 juli 2014 is [gedaagde] voor de duur van het geding benoemd tot bestuurder van Energie Concurrent. Kort na het aantreden van [gedaagde] is [namen oprichters] teruggetreden als bestuurder van Energie Concurrent, waardoor [gedaagde] de enig bestuurder werd van Energie Concurrent.

– In de tweede fasebeschikking van 15 juli 2018 heeft de Ondernemingskamer geoordeeld dat niet is gebleken van wanbeleid binnen Energie Concurrent. [namen oprichters] c.s. heeft tijdig cassatie ingesteld tegen deze beschikking. Het cassatieberoep is op 11 januari 2019 ingetrokken nadat de betrokken procespartijen overeenstemming hadden bereikt. Daarmee is de tweede fasebeschikking onherroepelijk geworden en de schorsing van [namen oprichters] als bestuurder van Energie Concurrent geëindigd, evenals de benoeming van [gedaagde] als tijdelijk bestuurder. Per 15 januari 2019 is [gedaagde] als bestuurder van Energie Concurrent uitgeschreven in het handelsregister.

 In december 2018 hebben [namen oprichters] en [gedaagde] contact gehad over de overdracht van de administratie van de vennootschap. Op 22 en 24 december 2018 hebben zij hierover per e-mail met elkaar gecorrespondeerd. Daarbij heeft [gedaagde] aangegeven dat hij de door hem over te dragen e-mails heeft samengebracht in een actieve mailbox, die hij met [namen oprichters] zal delen. [gedaagde] schrijft op 24 december 2018: ‘Het betreft de mails die voor het bestuur en de administratie van EC relevant zijn. Daarin zit dus alles wat je nodig hebt. Het zal zichtbaar worden als je straks toegang hebt.’

 Op 7 januari 2019 heeft [gedaagde] de fysieke administratie aan [namen oprichters] overgedragen.

 Op 9 januari 2019 heeft [namen oprichters] aan [gedaagde] geschreven dat, samengevat, alle e-mails die [gedaagde] in zijn hoedanigheid van bestuurder van Energie Concurrent heeft geschreven en ontvangen tot de administratie van Energie Concurrent behoren en dat hij de door [gedaagde] uitgefilterde e-mails nog van hem wenst te ontvangen.

 Tussen (de advocaten van) partijen heeft vervolgens een discussie plaatsgevonden over de vraag of [gedaagde] de gehele administratie aan Energie Concurrent heeft overgedragen.

 Energie Concurrent heeft op 27 juni 2019 bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend tot het leggen van conservatoir beslag tot afgifte van (digitale kopieën van) e-mailcorrespondentie, meer in het bijzonder alle e-mails die [gedaagde] heeft verstuurd en/of heeft ontvangen in de periode dat hij bestuurder was van Energie Concurrent (21 juli 2014 tot en met 11 januari 2019) die voldoen aan de in het verzoekschrift genoemde criteria:

 alle e-mails waarin de bedrijfsnamen “Energie Concurrent” en/of “EC” voorkomen;

 alle e-mails waarin de bedrijfsnamen “Greenchoice” en/of “Eneco” voorkomen;

 alle e-mails die zijn verstuurd en/of ontvangen naar/van (voormalig) functionarissen van Greenchoice:
(…);

 alle e-mails die zijn verstuurd en/of ontvangen naar/van functionarissen van Eneco:
(…)

 alle e-mails die zijn overstuurd en/of ontvangen van/naar (medewerkers van) de voormalig advocaat van Energie Concurrent:

(…)

 Bij beschikking van 28 juni 2019 heeft de voorzieningenrechter Energie Concurrent verlof verleend ten laste van [gedaagde] conservatoir bewijsbeslag te leggen op zijn woonadres op de in het verzoekschrift onder 7.2. genoemde
e-mailcorrespondentie, met aanwijzing van DigiJuris als gerechtelijk bewaarder.

 Het beslag is op 9 juli 2019 gelegd, waarbij de e-mailcorrespondentie die zich bevond op 2 privé emailboxen van [gedaagde] in beslag zijn genomen. De (digitale kopieën van de) e-mailcorrespondentie is (zijn) afgegeven aan de gerechtelijk bewaarder.

 Energie Concurrent heeft [gedaagde] direct na de beslaglegging op 9 en 10 juli 2019 verzocht de e-mailcorrespondentie aan haar over te dragen. [gedaagde] heeft dat geweigerd.

 Energie Concurrent is vervolgens het onderhavige kort geding gestart.

3.2.

Energie Concurrent legt aan haar vordering tot afgifte de stelling ten grondslag dat de gehele e-mailcorrespondentie die [gedaagde] als bestuurder van Energie Concurrent heeft gevoerd tot de administratie van Energie Concurrent behoort en niet slechts de door [gedaagde] gemaakte selectie daarvan. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 24 november 2017, JOR 2018, 40 stelt Energie Concurrent dat de administratie van een rechtspersoon toebehoort aan de rechtspersoon. Het bestuur is op grond van artikel 2:10 BW verplicht de administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend. Na een bestuurswisseling behoort de administratie bij de rechtspersoon te blijven berusten. Wanneer de administratie zich niet onder de rechtspersoon bevindt, dient deze feitelijk ter hand te worden gesteld. Energie Concurrent baseert haar vordering tot afgifte op artikel 5:2 BW. Zij stelt een spoedeisend belang te hebben bij afgifte van de e-mailcorrespondentie, omdat haar bestuurders thans het risico lopen niet te kunnen voldoen aan hun uit artikel 2:10 BW voortvloeiende wettelijke verplichting. Daarnaast is het niet uitgesloten dat [gedaagde] besluiten heeft genomen die niet kenbaar zijn uit het deel van de administratie die hij ter beschikking heeft gesteld, en waarvan het recht om op grond van artikel 2:15 BW vernietiging te vorderen verjaart na verloop van een jaar.

3.3.

[gedaagde] voert als verweer aan dat hij de volledige administratie van Energie Concurrent heeft overgedragen. Hij stelt zich op het standpunt dat niet alle
e-mailcorrespondentie die hij heeft gevoerd in de periode dat hij door de Ondernemingskamer was benoemd tot tijdelijk bestuurder van Energie Concurrent tot de administratie van Energie Concurrent behoort. Gelet op de reikwijdte van de administratieplicht als bedoeld in artikel 2:10 BW is niet vereist dat een bestuurder alle gegevens moeten bewaren. Voldoende is het bewaren van die gegevens waaruit te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon blijken. Met de administratie die Energie Concurrent heeft ontvangen kunnen de bestuurders aan hun administratieplicht voldoen, hetgeen blijkt uit het feit dat Energie Concurrent sinds het vertrek van [gedaagde] en de overdracht van de administratie in staat is geweest om de jaarrekeningen 2014, 2015 en 2016 binnen een tijdsbestek van vier maanden (alsnog) vast te stellen. Energie Concurrent heeft niet onderbouwd waarom zij de e-mailcorrespondentie nodig heeft om aan haar administratieplicht te voldoen. Daarnaast geldt dat een belangrijk deel van de
e-mailcorrespondentie vertrouwelijke correspondentie is die [gedaagde] heeft gevoerd in zijn hoedanigheid van OK-bestuurder. [gedaagde] heeft als een door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder naast zijn rechten en verplichtingen als ‘gewone’ bestuurder in de zin van boek 2 BW ook andere taken en functies. Deze taken vloeien voort uit de aard van het zijn van OK-functionaris en de doeleinden van de enquêteprocedure. Uit de literatuur en jurisprudentie volgt dat de OK-bestuurder ook de taak heeft om als bemiddelaar de verhoudingen tussen partijen te herstellen en de mogelijkheid van een minnelijke regeling te onderzoeken. Bij de uitoefening van die taak is vertrouwelijkheid essentieel. Daarnaast moet hij als OK-bestuurder informeel en vertrouwelijk met andere OK-functionarissen kunnen overleggen. Er is dan ook onderscheid aan te brengen in de communicatie die [gedaagde] voerde in zijn hoedanigheid van ‘gewone’ bestuurder en zijn hoedanigheid van OK-bestuurder. [gedaagde] stelt dat Energie Concurrent geen enkel belang heeft bij afgifte van de beslagen e-mailcorrespondentie, laat staan een spoedeisend belang. [gedaagde] heeft het gefundeerde vermoeden dat Energie Concurrent bezig is met een zogenaamde fishing expedition, en de onderhavige procedure misbruikt om materiaal te vergaren voor het instellen van een of meer vorderingen tegen [gedaagde] . [gedaagde] heeft als tijdelijk bestuurder een vaststellingsovereenkomst gesloten met Greenchoice, waarvan (het bestuur van) Energie Concurrent meent dat deze vaststellingsovereenkomst onder voor Energie Concurrent nadelige voorwaarden zou zijn gesloten. Energie Concurrent onderzoekt (kennelijk) of zij de beweerde nadelige gevolgen kan verhalen op [gedaagde] . Dit laatste blijkt met zoveel woorden uit de recent gepubliceerde jaarrekening van Energie Concurrent over 2014, aldus [gedaagde] .

3.4.

Als uitgangspunt heeft te gelden, naar Energie Concurrent terecht onder verwijzing naar de door haar genoemde uitspraak van de Hoge Raad stelt, dat de administratie van een rechtspersoon toebehoort aan die rechtspersoon en dat de tot de administratie behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers na een bestuurswisseling bij de rechtspersoon behoren te blijven berusten. [gedaagde] heeft dit ook niet bestreden. De vraag is of de beslagen e-mailcorrespondentie tot die administratie behoort. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het enkele feit dat Energie Concurrent, naar [gedaagde] stelt, deze bescheiden niet nodig heeft om aan de administratieplicht van artikel 2:10 BW te voldoen, nog niet betekent dat de
e-mailcorrespondentie niet tot de administratie van Energie Concurrent behoort. [gedaagde] is gehouden de volledige administratie die hij ten behoeve van de rechtspersoon heeft gevoerd aan de Energie Concurrent over te dragen, ook wanneer die administratie meer bescheiden omvat dan waartoe hij op grond van zijn wettelijke administratieplicht gehouden was.

3.5.

De voorzieningenrechter verwerpt het standpunt van Energie Concurrent, dat alle administratie die [gedaagde] heeft gevoerd in de periode van zijn benoeming tot bestuurder tot de administratie van de rechtspersoon behoort en dat hij niet bevoegd is daaruit een selectie te maken. Van belang is, naar [gedaagde] terecht stelt, dat hij een door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder is. Weliswaar komt een door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder niet meer, maar ook niet minder rechten en verplichtingen toe dan een gewone, niet door de Ondernemingskamer benoemde, bestuurder, zoals Energie Concurrent terecht stelt onder verwijzing naar de Begeman-beschikking van de Ondernemingskamer van 19 april 2007, JOR 2007, 142, maar daarmee is niet gezegd dat een door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder geen bijzondere positie heeft. Uit de Begeman-beschikking volgt immers ook dat een door de Ondernemingskamer benoemde functionaris omtrent zijn handelen en nalaten in het kader van de door de Ondernemingskamer aangewezen taak geen verantwoording verschuldigd is aan de vennootschap, haar aandeelhouders of aan andere bij de vennootschap betrokken partijen. Hij behoeft daarvan, noch van zijn bevindingen aan enig orgaan van de vennootschap of aan andere bij de vennootschap betrokken partijen verslag uit te brengen. Evenmin draagt hij verantwoordelijkheid of heeft hij anderszins in te staan voor de juistheid van die bevindingen.

3.6.

De door de Ondernemingskamer op de voet van artikel 2:349a lid 2 BW benoemde tijdelijk bestuurder verricht zijn taken in beginsel zelfstandig. Het is aan de door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder om binnen de grenzen van zijn taken en bevoegdheden te beoordelen of bepaalde maatregelen binnen of door de rechtspersoon moet worden getroffen en, zo ja, die te treffen. De bestuurder moet zijn taken onder bijzondere omstandigheden verrichten. Hij wordt immers tot bestuurder benoemd in een situatie waarbij er volgens de Ondernemingskamer gegronde redenen zijn om aan een juist beleid binnen de vennootschap te twijfelen. Dat hij in het kader van de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden gesprekken voert met derden die vertrouwelijk moeten blijven, zoals [gedaagde] stelt, is alleszins begrijpelijk, zeker wanneer het gaat om gesprekken die hij voert om tot een goed beleid en zorgvuldig afgewogen beslissingen te kunnen komen.
E-mailcorrespondentie die betrekking heeft op deze vertrouwelijke gesprekken behoren niet dat de administratie van de vennootschap. Datzelfde geldt voor de
e-mailcorrespondentie die specifiek betrekking heeft op zijn werkzaamheden als OK-functionaris, zoals de door hem gevoerde overleggen met andere door de Ondernemingskamer benoemde functionarissen. Gelet op zijn bijzondere positie komt aan [gedaagde] dan ook de bevoegdheid toe om een selectie te maken uit de door hem gevoerde correspondentie en te bepalen welke correspondentie wel en niet tot de administratie van Energie Concurrent behoort. De vraag of tot de door hem geselecteerde en niet overgedragen correspondentie e-mails behoren die geacht kunnen worden tot de administratie van Energie Concurrent te behoren, kan de voorzieningenrechter in dit stadium niet beantwoorden. Daarvoor is het verzoek van Energie Concurrent tot afgifte van de (digitale kopieën van) de
e-mailcorrespondentie te algemeen geformuleerd. Energie Concurrent vordert immers afgifte van alle e-mailcorrespondentie die [gedaagde] heeft verstuurd en/of ontvangen in de periode dat hij bestuurder van Energie Concurrent is geweest en waarin de bedrijfsnamen ‘Energie Concurrent’, ‘EC’, ‘Greenchoice’ en/of ‘Eneco’ voorkomen, alle e-mails die zijn verstuurd en/of ontvangen naar/van (voormalige) functionarissen van Greenchoice, (voormalige) functionarissen Eneco, de door de Ondernemingskamer benoemde beheerder van de aandelen en (medewerkers van) de voormalige advocaat van Energie Concurrent. Voor wat betreft dat laatste verzoek heeft bedoelde advocaat per brief aan partijen kenbaar gemaakt bezwaar te hebben tegen afgifte van e-mails tussen hem, zijn (voormalige) kantoorgenoten en [gedaagde] . Daarbij heeft hij onder meer aangegeven dat ten tijde van het bestuur door [gedaagde] de relatie met Greenchoice ernstig verstoord was en dat hetzelfde gold voor de aandeelhouders. Het beleid van [gedaagde] was primair gericht op de-escalatie en het vinden van (deel)oplossingen. De gespannen omstandigheden maakten dat betrokkenen, onder wie ook [namen oprichters] , daarbij geregeld hun pijlen op [gedaagde] als bestuurder van Energie Concurrent richtten. [gedaagde] had daarover veelvuldig overleg met zijn advocaat en zijn (voormalig) kantoorgenoten, welk overleg vertrouwelijk was. Deze e-mailcorrespondentie behoort niet tot de administratie van Energie Concurrent, aldus de advocaat.

3.7

Gelet op het voorgaande en de hoeveelheid informatie die al is verstrekt, had het op de weg van Energie Concurrent gelegen haar verzoek nader te specificeren. Ter zitting heeft Energie Concurrent nog aangegeven dat zij belang heeft bij de correspondentie die betrekking heeft op de procedure tegen Eneco over de afgegeven gasgaranties. Ook wil zij nadere informatie over de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst met Greenchoice, meer in het bijzonder de totstandkoming van het bedrag van € 4.000.000,00, waarvoor een schikking is bereikt. Zij wil dit schikkingsbedrag in haar jaarrekening van 2018 kunnen verwerken. Bovendien wil zij afspraken kunnen maken met haar aandeelhouders over de verdeling van het bedrag, zo stelt Energie Concurrent. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij alle vragen hierover heeft beantwoord en alle van belang zijnde e-mailcorrespondentie heeft overhandigd. Voor zover er nog vragen zijn, heeft hij zich bereid getoond deze te beantwoorden.

3.8.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat Energie Concurrent ook ter zitting niet aannemelijk heeft kunnen maken een belang te hebben, laat staan een spoedeisend belang, bij afgifte van de beslagen e-mailcorrespondentie. Energie Concurrent heeft niet aannemelijke gemaakt dat zij stukken mist waardoor zij niet aan haar administratieplicht ex artikel 2:10 BW kan voldoen en evenmin aannemelijk gemaakt dat er besluiten zijn genomen door [gedaagde] waarvan Energie Concurrent vernietiging zou kunnen vorderen. Dit leidt tot de slotsom dat de vorderingen worden afgewezen.

3.9.

Energie Concurrent zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld als na te melden.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

wijst de vorderingen af;

4.2.

veroordeelt eiseres in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde gevallen en tot op heden begroot op € 1.277,00, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van vijftien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

4.3.

veroordeelt eiseres in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat gedaagde niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van vijftien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

4.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Hermans, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.