Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:5225

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-09-2019
Datum publicatie
28-11-2019
Zaaknummer
7814771 VV EXPL 19-31
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

uitleg relatiebeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1259
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster I Civiele Kantonzaken

Middelburg

zaaknummer / rolnummer: 7814771 VV EXPL 19-31

Vonnis in kort geding van 16 september 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PIA AUTOMATION B.V.,

gevestigd te Tholen,

eiseres in conventie,

verweerster in voorwaardelijke reconventie,

hierna: PIA,

gemachtigde mr. D.M.F. Snelder te Breda,

en

[gedaagde] ,

wonende te Scherpenisse,

gedaagde in conventie,

eiser in voorwaardelijke reconventie,

hierna: [gedaagde] ,

gemachtigde mr. E.F. Gomes te Bergen op Zoom.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in kort geding van 14 juni 2019 met de producties 1-12;

  • -

    de conclusie van antwoord in kort geding tevens houdende conclusie van voorwaardelijke eis in reconventie;

  • -

    de brief van 21 augustus 2019 van mr. Snelder met de producties 13-19;

  • -

    de mondelinge behandeling op 23 augustus 2019, waarvan door de griffier aantekening is gehouden en de bij die gelegenheid zijdens beide partijen voorgedragen en overgelegde pleitaantekeningen.

1.2.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling op 23 augustus 2019 is de zaak voor minnelijk overleg aangehouden en is bepaald dat desgevraagd, uiterlijk 4 oktober 2019, vonnis wordt gewezen.

1.3.

Beide partijen hebben bij brief van 2 september 2019 vonnis gevraagd.

2 De feiten

2.1.

PIA exploiteert een onderneming op het gebied van – samengevat – de ontwikkeling, levering en montage van industriële automatiseringsoplossingen in de elektrotechniek en aanverwante werkzaamheden. Het bestuur van PIA bestaat uit de heer [A.] (hierna: [A.] ) en de heer [B.] (hierna: [B.] ). PIA is ontstaan uit de fusie van PIA Support B.V. en Pro Industrial Automation B.V. op 31 augustus 2018 (hierna: de fusie), waarbij de naam van de fusie-B.V. is gewijzigd in PIA Automation B.V.

2.2.

[gedaagde] is op 1 februari 2007 in dienst getreden van PIA Support B.V. in de functie van Senior Engineer. Als gevolg van de fusie is [gedaagde] per 31 augustus 2018 in voormelde functie in dienst van PIA gekomen. Op het visitekaartje van [gedaagde] is vermeld dat [gedaagde] Project Manager bij PIA is.

2.3.

In de door PIA Support B.V. en [gedaagde] gesloten arbeidsovereenkomst (hierna: de arbeidsovereenkomst) is in artikel 14 een geheimhoudingsbeding opgenomen. De arbeidsovereenkomst bevat in artikel 15 een verbod op het verrichten van nevenwerkzaamheden. In beide bepalingen is op overtreding van het betreffende gebod of verbod een boete gesteld. De arbeidsovereenkomst bevat geen concurrentie- en/of relatiebeding.

2.4.

Op 23 mei 2018 heeft [gedaagde] bij [A.] en [B.] zijn vertrek bij PIA (destijds nog PIA Support B.V.) aangekondigd, in verband met het starten van zijn eigen bedrijf. Naar aanleiding daarvan hebben [gedaagde] , [A.] en [B.] die dag met elkaar gesproken, onder meer over de datum van uitdiensttreding, de lopende projecten, de overdracht van de werkzaamheden van [gedaagde] binnen PIA en de toekomstige werkzaamheden van [gedaagde] binnen zijn eigen bedrijf in relatie tot het bedrijf van PIA. [A.] heeft op 23 mei 2018 per e-mail een verslag van die bespreking gestuurd aan [B.] en [gedaagde] (hierna: het verslag van 23 mei 2018). In het verslag van 23 mei 2018 is, onder meer, het volgende opgenomen:

“(…)

De onderstaande klanten, zijn klanten waar [gedaagde] [ [gedaagde] ; toev. ktr.] de afgelopen jaren veel voor gewerkt heeft. [gedaagde] wilt geen klanten wegkapen en hoopt veel samen te kunnen werken met ons. Wil in de basis zich niet gaan detacheren en wil zelf ook klusjes gaan aannemen. In de basis wil [gedaagde] graag alleen zijn bedrijf runnen.

We gaan ervan uit dat [gedaagde] integer omgaat met de informatie die binnen de Pia bedrijven en gelieerde bedrijven is vergaard.

(…)

Lijst met onze klanten:

(…)

We hebben met elkaar afgesproken dat als er een bestaande klant van ons naar [gedaagde] belt, dat hij ons contacteert en dat we dan in overleg gaan hoe we hiermee om zullen gaan. Ook zal [gedaagde] onze klanten niet actief benaderen. We zullen de lijst met al onze klanten e.d. bijvoegen.

(…)”

Bij e-mail van 4 juni 2018 heeft [A.] aan [gedaagde] gevraagd de juistheid van het verslag van 23 mei 2018 te bevestigen. [gedaagde] heeft in reactie daarop bij e-mail van 4 juni 2018 enige opmerkingen gemaakt. Geen van die opmerkingen betreft de hiervoor onder 2.3. weergegeven passage in het verslag van 23 mei 2018.

2.5.

[gedaagde] heeft de arbeidsovereenkomst met PIA bij brief van 29 mei 2018 per 2 september 2018 opgezegd, met 10 juli 2018 als laatste werkdag. De opzeggingsbrief eindigt met de zinsnede “ik hoop dat we in de toekomst elkaar kunnen aanvullen in samenwerking bij projecten.”

2.6.

Blijkens het handelsregister is op 8 juni 2018 onder de handelsnamen “ [gedaagde] Elektro”, “ [gedaagde] ET” en “ [gedaagde] Elektrotechniek” de eenmanszaak van [gedaagde] (hierna: de eenmanszaak) ingeschreven. De activiteiten van de eenmanszaak zijn omschreven als “Ontwerp en realisatie van elektrotechnische installaties en machinebesturingen. Ontwikkelen, installeren en begeleiden van industriële automatisering. Service en onderhoud aan elektrotechnische installaties.”

2.7.

PIA heeft bij brief van 11 juni 2018 de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op 2 september 2018 bevestigd. In die brief is voorts, onder meer, het volgende opgenomen:

“(…)

Ik bevestig verder hierbij dat wij enkele afspraken hebben gemaakt (o.a. over (…) en dat je na 2 september a.s. geen werk gaat doen voor klanten/relaties van PIA Support B.V. zonder toestemming van ons) die blijken uit mijn e-mail aan jou d.d. 23 mei 2018 20.41 uur en jouw reactie d.d. 4 juni 2018 14.47 uur. (…)

Om hierover geen misverstanden te krijgen benadruk ik hierbij nog dat het op grond van de cao en je arbeidsovereenkomst niet is toegestaan dat je tijdens je dienstverband bij PIA (tot 2 september a.s.) nevenwerkzaamheden verricht. Mocht je dit toch doen dan behouden wij ons alle rechten voor (…).

Bijgaand tref je aan de complete lijst met klanten/relaties van PIA Support B.V. zoals aangekondigd in mijn hiervoor genoemde e-mail van 23 mei jl. Wil je mij zekerheidshalve even per mail bevestigen dat je niet voor de op deze lijst vermelde klanten/relaties zult gaan werken zonder onze toestemming?

Wij bedanken je voor je inzet en wensen je veel succes in de toekomst. Hopelijk kunnen we elkaar nog helpen bij bepaalde projecten.”

Bij de brief van 11 juni 2018 is een uit 9 pagina’s bestaande lijst “Relaties PIA” gevoegd.

2.8.

Op 27 juni 2018 hebben [gedaagde] , [A.] en [B.] wederom met elkaar gesproken op kantoor bij PIA. [A.] heeft op 27 juni 2018 per e-mail een verslag van die bespreking gestuurd aan [gedaagde] en [B.] (hierna: het verslag van 27 juni 2018). In het verslag van 27 juni 2018 is, onder meer, het volgende opgenomen:

“(…)

Brief en uitwerking n.a.v. eerder gesprek

[gedaagde] gaf aan dat er nog failliete bedrijven in de lijst staan en een aantal klanten/particulieren waar hij een persoonlijke relatie mee heeft. De lijst zal hij herzien en dan bekijken we hem en tekenen we hem.

[gedaagde] zal onze klanten nooit actief benaderen. De periode dat [gedaagde] het gestand wilt houden is 3 jaar en dit vinden wij redelijk. Mark stelt voor als een klant [gedaagde] benaderd gedurende deze periode, dat Pia gaat aanbieden en dat [gedaagde] hierbij een rol kan spelen in de werkzaamheden. [gedaagde] moet hierover nadenken.

(…)”

2.9.

[gedaagde] heeft met betrekking tot 53 klanten/relaties van PIA opmerkingen gemaakt in een daartoe door hem opgestelde lijst, welke lijst (hierna: de lijst van [gedaagde] ) hij aan [B.] heeft verstrekt. Op de lijst van [gedaagde] is onder meer vermeld:

“Relatie Omschrijving

(…)

[C.] Via mij klant geworden!!

(…)

[D.] Klant van PIA, ga ik helpen als hij mij direct vraagt

(…)

[E.] heeft mij gebeld, wil graag zaken met mij gaan doen, is over rest van PIA niet tevreden!!

[F.] Kan ik persoonlijk heel goed mee vinden, klant van pia, Niet mijn doelgroep!”

2.10.

Partijen zijn vervolgens op 11 juli 2018 een schriftelijke overeenkomst (hierna: de overeenkomst) aangegaan waarin het volgende is opgenomen:

“Dat gedurende 2 jaar na datum van ondertekenen [gedaagde] Elektro geen actieve benadering zal doen naar klanten/relaties van PIA Automation zoals vermeld in bijgevoegde lijst “Relaties 2018”.

Wanneer een relatie [gedaagde] Elektro benaderd zal [gedaagde] Elektro contact opnemen met PIA Automation om te overleggen hoe we deze relatie gaan bedienen.”

Bij de overeenkomst is een uit 9 door/namens partijen geparafeerde pagina’s bestaande lijst “Relaties PIA 2018” gevoegd. In die lijst (hierna: de lijst van 11 juli 2018) zijn 538 klanten/relaties opgenomen, waaronder [E.] , [F.] , [D.] B.V. (waarmee [D.] is bedoeld) en [C.] (waarmee [C.] is bedoeld). Op de lijst is handmatig de naam [C.] doorgehaald, welke doorhaling is voorzien van een paraaf van/namens beide partijen.

2.11.

[gedaagde] heeft vanuit zijn eenmanszaak werkzaamheden verricht voor [E.] , [F.] , [D.] en [C.] (hierna: [E.] , [F.] , [D.] en [C.] ). Voorafgaand aan de uitvoering van die werkzaamheden heeft daarover geen overleg tussen partijen plaatsgevonden.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

PIA vordert, na wijziging van eis, [gedaagde] bij wijze van voorlopige voorziening bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

A. te veroordelen om met ingang van de datum van het vonnis al zijn activiteiten, direct en indirect, voor [E.] , [F.] , [D.] en [C.] te staken en gestaakt te houden, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde] hiermee in gebreke is c.q. blijft;

B. primair:

te verbieden gedurende een periode van 5 jaren met ingang van de datum van het vonnis dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, zonder schriftelijke toestemming van PIA werkzaamheden te verrichten voor klanten/relaties van PIA, zoals vermeld op de lijst van 11 juli 2018, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde] hiermee in strijd zal handelen;

subsidiair:

te verplichten gedurende een periode van 5 jaren met ingang van de datum van het vonnis dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, alvorens werkzaamheden te verrichten voor klanten/relaties van PIA, zoals vermeld op de lijst van 11 juli 2018, PIA hierover in te lichten en te overleggen hoe de betreffende relatie door PIA en [gedaagde] zal gaan worden bediend, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde] niet aan deze verplichting zal voldoen;

meer subsidiair:

te verbieden gedurende een periode van 2 jaar (primair) met ingang van het vonnis dan wel (subsidiair) met ingang van 11 juli 2018, klanten van PIA zoals vermeld op de lijst van 11 juli 2018 te benaderen, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde] hiermee in strijd zal handelen; en

te verplichten, indien hij zal worden benaderd door een klant/relatie zoals vermeld op de lijst van 11 juli 2018, gedurende een periode van 5 jaren met ingang van het vonnis, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, alvorens werkzaamheden te verrichten voor klanten/relaties van PIA, zoals vermeld op de lijst van 11 juli 2018, PIA hierover in te lichten en te overleggen hoe de betreffende relatie door PIA en [gedaagde] zal gaan worden bediend, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde] niet aan deze verplichting zal voldoen;

C. te veroordelen ex artikel 843a Rv binnen 5 dagen na betekening van het vonnis aan PIA te verstrekken:

- alle facturen die door [gedaagde] na 8 juni 2018 zijn verzonden;

- de bankafschriften van alle bankrekening(en) van [gedaagde] van juni 2018 tot en met heden;

- een overzicht van alle door [gedaagde] na 8 juni 2018 benaderde klanten/relaties van PIA zoals vermeld op de lijst van 11 juli 2018,

zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 voor overtreding van ieder gebod tot afgifte, te vermeerderen met een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat een overtreding voortduurt;

D. te veroordelen binnen 7 dagen na het vonnis aan PIA te betalen een voorschot op een boete van € 10.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid tot de dag van algehele voldoening;

E. te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

in voorwaardelijke reconventie

3.3.

Voorwaardelijk, voor het geval de voorzieningenrechter enige vordering in conventie toewijst, vordert [gedaagde] bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, het rechtsgevolg van het relatiebeding tussen partijen te schorsen gedurende de looptijd van het geding tot in de bodemzaak vast komt te staan dat PIA een gerechtvaardigd belang heeft bij het relatiebeding, althans de werking van het relatiebeding gedeeltelijk te schorsen, dan wel in goede justitie een beslissing te nemen, met veroordeling van PIA in de proceskosten en in de nakosten, beide te voldoen binnen 14 dagen na vonnisdatum, te vermeerderen met de wettelijke rente indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt.

3.4.

PIA voert verweer.

in conventie en in voorwaardelijke reconventie

3.5.

Op de stellingen van partijen zal in het navolgende, voor zover voor de beoordeling van belang, worden ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in voorwaardelijke reconventie

4.1.

PIA heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling nadere producties ingediend en heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling haar eis in conventie gewijzigd. Aan het bezwaar van [gedaagde] tegen deze nadere producties en tegen de eiswijziging, voor zover deze geen vermindering maar vermeerdering van de eis bij dagvaarding inhoudt, gaat de kantonrechter voorbij. De nadere producties zijn twee dagen voor de zitting ingediend en [gedaagde] heeft daarop kunnen reageren. De eiswijziging is weliswaar niet vóór de zitting schriftelijk meegedeeld, maar is wel in de pleitaantekeningen van PIA opgenomen en ter zitting toegelicht. De eiswijziging kwalificeert niet als een eisvermeerdering, maar is een toevoeging van een subsidiaire respectievelijk meer subsidiaire vordering waarbij het mindere van de primaire respectievelijk subsidiaire vordering wordt gevorderd. [gedaagde] heeft voldoende gelegenheid gehad om op de gewijzigde eis te reageren. Gelet op het voorgaande is [gedaagde] door de indiening van de nadere producties en de eiswijziging niet in zijn verdediging geschaad. De kantonrechter staat de nadere producties en de eiswijziging derhalve toe en zal beslissen op de vorderingen van PIA zoals deze na eiswijziging luiden, als hiervoor onder 3.1. weergegeven.

Staking en verbod activiteiten (vorderingen in conventie onder A en B)

4.2.

Het spoedeisend belang van PIA bij deze vorderingen is met de aard van de vorderingen gegeven, zodat PIA daarin kan worden ontvangen.

4.3.

De kantonrechter stelt voorop dat deze procedure geen bodemprocedure, maar een kort geding is. Dit betekent dat het gaat om een voorlopige voorziening in een spoedeisende zaak, die niet gericht is op een definitieve beslechting van het geschil. Een kort geding procedure leent zich dan ook niet voor bewijslevering. Reeds daarom wordt aan een door partijen gedaan bewijsaanbod voorbijgegaan.

4.4.

Het gaat in dit kort geding om de uitleg van het door partijen in de overeenkomst van 11 juli 2018 neergelegde beding. Dit beding (hierna: het relatiebeding), dat kwalificeert als een beding als bedoeld in artikel 7:653 lid 1 BW (een beding tussen de werkgever en de werknemer waarbij deze laatste wordt beperkt in zijn bevoegdheid om na het einde van de overeenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn) luidt:

“Dat gedurende 2 jaar na datum van ondertekenen [gedaagde] Elektro geen actieve benadering zal doen naar klanten/relaties van PIA Automation zoals vermeld in bijgevoegde lijst “Relaties 2018”.

Wanneer een relatie [gedaagde] Elektro benaderd zal [gedaagde] Elektro contact opnemen met PIA Automation om te overleggen hoe we deze relatie gaan bedienen.”

De inhoud en strekking van de eerste zin in het relatiebeding is tussen partijen niet in geschil. Het gaat in dit kort geding om het tweede deel van het relatiebeding, dat betrekking heeft op klanten/relaties van PIA die zich uit eigen beweging, zonder daartoe eerst door [gedaagde] te zijn benaderd, tot [gedaagde] hebben gewend of nog zullen wenden met het verzoek werkzaamheden uit te voeren die ook door PIA kunnen worden uitgevoerd.

4.5.

Volgens PIA is het [gedaagde] op grond van het relatiebeding niet toegestaan om zonder toestemming van PIA werkzaamheden uit te voeren voor klanten/relaties van PIA en moet [gedaagde] daarom direct al zijn activiteiten voor [E.] , [F.] , [D.] en [C.] staken en zich onthouden van nieuwe werkzaamheden voor deze en andere klanten/relaties van PIA. PIA meent dat de afspraak van 11 juli 2018, inhoudende dat [gedaagde] contact moet opnemen met PIA voor overleg als een op de lijst van 11 juli 2018 vermelde relatie van PIA [gedaagde] benadert, zo moet worden uitgelegd dat daarmee is bedoeld dat [gedaagde] in een dergelijk geval niet zonder toestemming van PIA werkzaamheden voor die relatie mag verrichten. Aangezien [E.] , [F.] , [D.] en [C.] op de lijst van 11 juli 2018 staan en PIA geen toestemming heeft gegeven en evenmin alsnog geeft om voor deze bedrijven te werken, heeft [gedaagde] in strijd met de overeenkomst gehandeld, waardoor PIA schade heeft geleden en dient hij zijn werkzaamheden voor deze bedrijven te staken en gestaakt te houden, aldus PIA.

4.6.

[gedaagde] heeft niet weersproken dat hij zonder voorafgaand contact en overleg met PIA werkzaamheden voor [E.] , [F.] , [D.] en [C.] heeft verricht. Wat betreft de aard van deze werkzaamheden staat tussen partijen vast dat het daarbij steeds om zogenaamde storingswerkzaamheden ging, dat wil zeggen werkzaamheden met betrekking tot een reeds bij de klant/relatie aanwezige installatie en dus geen werkzaamheden waarbij een installatie bij de klant/relatie wordt geplaatst of uitgebreid.

4.7.

Met PIA is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] , door de hiervoor bedoelde werkzaamheden te verrichten zonder daarover vooraf overleg te hebben gevoerd met PIA, is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van 11 juli 2018, behoudens wat betreft de voor [C.] verrichte werkzaamheden. Gelet op de doorhaling van de naam van [C.] op de lijst van 11 juli 2018 valt niet in te zien dat [C.] desondanks (voor bepaalde werkzaamheden) onderdeel is blijven uitmaken van die lijst. Van enig door PIA op dat punt gemaakt voorbehoud is in dit kort geding onvoldoende gebleken. Bovendien heeft PIA zelf gesteld dat de doorhaling van [C.] betrekking heeft op storingswerkzaamheden, zodat het relatiebeding ook om die reden niet aan de door [gedaagde] voor [C.] verrichte storingswerkzaamheden in de weg heeft kunnen staan. Dat [gedaagde] voor Leijsen uitsluitend storingswerkzaamheden heeft verricht, is door PIA niet weersproken.

4.8.

Het verweer van [gedaagde] dat de afspraak om eerst contact op te nemen en overleg te hebben met PIA niet geldt als het om storingswerkzaamheden gaat, treft geen doel. In het relatiebeding is omtrent de aard van de voor klanten/relaties van PIA te verrichten werkzaamheden niets bepaald, zodat moet worden aangenomen dat in beginsel alle werkzaamheden daaronder vallen. De stelling van [gedaagde] dat PIA zelf geen storingswerkzaamheden verricht, althans dat dergelijke werkzaamheden voor PIA slechts van ondergeschikt belang zijn en deze werkzaamheden daarom niet onder het relatiebeding vallen, kan niet worden gevolgd. PIA heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij ook storingswerkzaamheden verricht en dat deze bovendien voor haar bedrijf van groot belang zijn, omdat daarmee ook andere (grotere) opdrachten (kunnen) worden binnengehaald.

4.9.

De kantonrechter volgt PIA echter niet in de door haar voorgestane uitleg van de overeenkomst van 11 juli 2018, in die zin dat daaruit volgt dat [gedaagde] alleen met toestemming van PIA op verzoek van klanten/relaties van PIA voor die klanten/relaties van PIA werkzaamheden mag verrichten. Gelet op de inhoud van de correspondentie tussen partijen voorafgaand aan de ondertekening van de overeenkomst van 11 juli 2018 valt niet in te zien dat beide partijen een dergelijke verstrekkende afspraak hebben beoogd. Het kan zijn dat PIA dit destijds zo heeft gewild en bedoeld, maar dat is onvoldoende. Het gaat er om of [gedaagde] bij het tekenen van de overeenkomst van 11 juli 2018 heeft begrepen of heeft moeten begrijpen dat dit de strekking van de overeenkomst zou zijn en dat hij door ondertekening van de overeenkomst van 11 juli 2018 daarmee heeft ingestemd. Dat dit laatste het geval is, is in het kader van dit kort geding, waarin voor bewijslevering geen plaats is, onvoldoende aannemelijk. In dit verband overweegt de kantonrechter het volgende.

4.10.

De correspondentie tussen partijen is begonnen met de brief van PIA van 23 mei 2018, waarin staat: “We hebben met elkaar afgesproken dat als er een bestaande klant van ons naar [gedaagde] belt, dat hij ons contacteert en dat we dan in overleg gaan hoe we hiermee om zullen gaan. Ook zal [gedaagde] onze klanten niet actief benaderen.” Het woord ‘toestemming’, dan wel een ander woord met overeenkomstige betekenis, komt daarin niet voor. Het enkele begrip ‘overleg’ sluit het vereiste van toestemming uit. Overleg betekent niet meer en niet minder dan dat beide partijen over en weer hun standpunten naar voren moeten kunnen brengen en op elkaars standpunten moeten kunnen reageren, met de intentie om tot overeenstemming te komen. Een verdergaand toestemmingsvereiste ligt daarin niet, althans niet zonder meer besloten. Voor het eerst in de brief van 11 juni 2018, nadat [gedaagde] zijn arbeidsovereenkomst had opgezegd, noemt PIA de voorwaarde dat haar toestemming is vereist. Daarna heeft echter wederom overleg tussen partijen plaatsgevonden, welk overleg heeft geleid tot het verslag bij brief van 27 juni 2018, waarin is opgenomen: “ [gedaagde] zal onze klanten nooit actief benaderen. De periode dat [gedaagde] het gestand wilt houden is 3 jaar en dit vinden wij redelijk. Mark stelt voor als een klant [gedaagde] benaderd gedurende deze periode, dat Pia gaat aanbieden en dat [gedaagde] hierbij een rol kan spelen in de werkzaamheden. [gedaagde] moet hierover nadenken.” Uit dit verslag van 27 juni 2018, waarin is vermeld dat [gedaagde] nog moet nadenken over het voorstel van PIA, volgt dat van overeenstemming op dit punt geen sprake was. Duidelijk is hoe PIA erover dacht en wat haar bedoeling was, maar dit betekent niet dat [gedaagde] daarmee akkoord is gegaan. Anders dan PIA stelt, volgt uit de enkele omstandigheid dat [gedaagde] tegenover PIA heeft verklaard geen klanten van PIA te willen ‘wegkapen’ niet dat [gedaagde] akkoord is gegaan met een regeling zoals door PIA bedoeld. ‘Wegkapen’ duidt op een actieve benadering van klanten met het oogmerk deze bij de ander weg te halen. Op dat punt hebben partijen een duidelijke afspraak gemaakt in het eerste onderdeel van de overeenkomst van 11 juli 2018 en dat [gedaagde] zich niet aan die afspraak houdt, is voorshands niet aannemelijk en wordt ook niet aan de vordering ten grondslag gelegd. Van belang is dat partijen uiteindelijk in de overeenkomst van 11 juli 2018 in het tweede onderdeel daarvan, waar dit geschil op ziet, hebben vastgelegd dat “Wanneer een relatie [gedaagde] Elektro benaderd zal [gedaagde] Elektro contact opnemen met PIA Automation om te overleggen hoe we deze relatie gaan bedienen.” Daarmee zijn partijen dus in feite weer uitgekomen bij hetgeen in de brief van 23 mei 208 is vermeld. De bepaling dat [gedaagde] de toestemming van PIA behoeft voor het verrichten van werkzaamheden voor klanten/relaties van PIA indien hij daartoe door een klant/relatie van PIA wordt benaderd, is uiteindelijk niet opgenomen. Indien PIA op 11 juli 2018 had willen vasthouden aan een afspraak inhoudende dat haar toestemming is vereist, dan had het in de gegeven omstandigheden op haar weg gelegen om dat expliciet in (het concept van) de overeenkomst op te nemen, waarna het aan [gedaagde] zou zijn geweest om daar al dan niet mee in te stemmen. Nu dit niet is gebeurd, is in dit kort geding onvoldoende aannemelijk dat PIA in een bodemprocedure zal worden gevolgd in haar uitleg van de overeenkomst van 11 juli 2018.

4.11.

De voorlopige conclusie in kort geding is derhalve dat op [gedaagde] ingevolge de overeenkomst van 11 juli 2018 de verplichting rust om telkens indien hij door een op de lijst van 11 juli 2018 vermelde klant/relatie van PIA wordt benaderd, alvorens die opdracht aan te nemen, contact op te nemen met PIA en in overleg te gaan met PIA over de uitvoering van die opdracht en dat in die verplichting geen toestemmingsvereiste besloten ligt. Over de concrete invulling van het overleg tussen partijen en de uitkomst en consequenties van dit overleg in ieder specifiek geval kunnen in dit kort geding geen uitspraken worden gedaan. Deze vragen liggen in deze procedure niet ter beantwoording voor. Dat daarmee vooralsnog veel onduidelijkheid tussen partijen blijft bestaan, is een consequentie van de overeenkomst zoals partijen die op 11 juli 2018 met elkaar zijn aangegaan, waarbij partijen er destijds zelf voor hebben gekozen om op dit punt geen concrete afspraken te maken en waarbij zij evenmin in de overeenkomst een geschillenregeling hebben opgenomen voor het geval overleg niet tot overeenstemming over de bediening van de betreffende klant mocht leiden. Partijen hebben na de mondelinge behandeling in kort geding een poging gedaan om tot nadere afspraken te komen, hetgeen niet is gelukt. Mogelijk dat de uitkomst van deze procedure voor partijen aanleiding zal zijn om wederom in overleg te gaan en meer concrete afspraken te maken.

4.12.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van PIA onder A en de primaire vordering van PIA onder B zullen worden afgewezen. De subsidiaire vordering van PIA onder B zal worden toegewezen, met inachtneming van het navolgende omtrent de gevorderde duur en de gevorderde dwangsom.

4.13.

PIA heeft de termijn van 5 jaar in haar subsidiaire vordering onder B niet nader toegelicht. Nu PIA haar vordering baseert op de overeenkomst van 11 juli 2018 en deze betrekking heeft op een periode van 2 jaar vanaf de datum van ondertekening van de overeenkomst, valt niet in te zien dat van die periode thans moet worden afgeweken. Mocht PIA hebben bedoeld te stellen dat de termijn van 2 jaar alleen betrekking heeft op het eerste onderdeel van de overeenkomst van 11 juli 2018 (het niet actief benaderen van klanten/relaties) en niet op het tweede onderdeel, dan gaat de kantonrechter aan die stelling voorbij. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, is niet aannemelijk dat partijen dit onderscheid hebben willen maken en aan het tweede onderdeel geen tijdslimiet hebben willen verbinden. De kantonrechter zal [gedaagde] derhalve gebieden de overeenkomst van 11 juli 2018 na te komen door gedurende een periode van 2 jaar na ondertekening van de overeenkomst van 11 juli 2018, dus tot en met 11 juli 2020, alvorens werkzaamheden te verrichten voor klanten/relaties van PIA, zoals vermeld op de lijst van 11 juli 2018, PIA hierover in te lichten en te overleggen hoe de betreffende relatie door PIA en [gedaagde] zal gaan worden bediend.

4.14.

De kantonrechter ziet aanleiding een dwangsom op te leggen, gelet op hetgeen hiervoor in r.o. 4.6.-4.8. is overwogen met betrekking tot de werkzaamheden die [gedaagde] reeds zonder voorafgaand contact en overleg met PIA en dus in strijd met de overeenkomst van 11 juli 2018 voor [E.] , [F.] en [D.] heeft verricht. Daarbij zal in plaats van de onder B, subsidiair gevorderde dwangsom van € 5.000,00 per dag of dagdeel een dwangsom van € 5.000,00 per overtreding worden opgelegd, met een maximum van € 250.000,00.

Verstrekken bescheiden ex artikel 843a Rv (vordering in conventie onder C)

4.15.

De vordering van PIA onder C betreft een vordering uit hoofde van artikel 843a Rv. PIA stelt dat zij een rechtmatig belang heeft bij afgifte van de door haar genoemde stukken van [gedaagde] (facturen, bankafschriften, overzicht klanten/relaties), omdat zij thans niet met zekerheid kan vaststellen welke klanten/relaties door [gedaagde] zijn benaderd en voor welke klanten/relaties en tot welke bedrag [gedaagde] na 8 juni 2018 werkzaamheden heeft verricht. De kantonrechter begrijpt dit aldus dat PIA stelt een rechtmatig belang te hebben bij de gevorderde administratieve gegevens in verband met een tegen [gedaagde] in te stellen vordering tot vergoeding van door PIA geleden schade als gevolg van een tekortkoming van [gedaagde] in de nakoming van de overeenkomst van 11 juli 2018, bestaande uit het benaderen van klanten/relaties van PIA en/of het zonder toestemming van PIA verrichten van werkzaamheden voor klanten/relaties van PIA. Naar de kantonrechter begrijpt, stelt PIA dat zij de bedoelde bescheiden nodig heeft om de omvang van de door haar geleden schade te kunnen bepalen.

4.16.

De kantonrechter stelt voorop dat de wetgever met artikel 843a Rv geen algemene exhibitieplicht in het leven heeft willen roepen. De vordering van PIA kan slechts worden toegewezen indien (a) PIA een rechtmatig belang heeft bij inzage in dan wel afschrift of uittreksel van (b) voldoende bepaalde bescheiden en (c) deze bescheiden een rechtsbetrekking tussen PIA en [gedaagde] (als houder van de bescheiden) betreffen. Voorts geldt ingevolge het bepaalde in lid 4 van artikel 843a Rv dat de houder van de betreffende bescheiden niet aan een dergelijke vordering hoeft te voldoen indien daarvoor gewichtige redenen zijn, alsmede indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

4.17.

Met de enkele stelling dat zij niet over bepaalde gegevens beschikt, heeft PIA onvoldoende onderbouwd dat zij bij inzage of afschrift van die bescheiden een rechtmatig belang als bedoeld in artikel 843a Rv heeft. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de door PIA genoemde bescheiden niet relevant voor de tussen partijen in geschil zijnde uitleg van de overeenkomst van 11 juli 2018 in een eventuele bodemprocedure. Zij zijn evenmin van belang voor het antwoord op de vraag of [gedaagde] , gelet op de uitleg die in een bodemprocedure aan de overeenkomst zal worden gegeven, in de nakoming van de overeenkomst is tekortgeschoten en zo ja, of PIA daardoor schade heeft geleden. Dat [gedaagde] zonder voorafgaand overleg met PIA en zonder haar toestemming voor klanten/relaties van PIA werkzaamheden heeft verricht, is op zichzelf niet in geschil. Dat de bescheiden van belang (kunnen) zijn bij beantwoording van de vraag of [gedaagde] actief klanten/relaties van PIA heeft benaderd, hetgeen door PIA in dit kort geding niet aannemelijk is gemaakt, valt evenmin in te zin. PIA heeft niet toegelicht hoe naar haar mening uit facturen en bankafschriften zou kunnen worden afgeleid dat de betreffende opdracht van een klant/relatie van PIA aan [gedaagde] is verstrekt als gevolg van een actieve benadering van die klant/relatie van PIA door [gedaagde] . Dat de bescheiden van belang (kunnen) zijn bij een mogelijke vaststelling van de omvang van door PIA geleden schade, maakt niet dat PIA op dit moment een rechtmatig belang heeft bij afgifte daarvan door [gedaagde] . Van een direct en concreet belang van PIA bij de bedoelde gegevens, zoals ingevolge artikel 843a Rv vereist, is thans geen sprake.

4.18.

De vraag of aan de overige, cumulatieve vereisten van artikel 843a Rv is voldaan, kan gelet op het voorgaande onbeantwoord blijven. De vordering van PIA onder C zal worden afgewezen.

Voorschot op boete (vordering in conventie onder D)

4.19.

PIA vordert een voorschot op volgens haar door [gedaagde] verbeurde boetes wegens overtreding van artikel 14 (geheimhoudingsbeding) en artikel 15 (verbod op nevenwerkzaamheden) van de arbeidsovereenkomst.

4.20.

De kantonrechter stelt voorop dat bij de beoordeling van een geldvordering in kort geding terughoudendheid op zijn plaats is. Niet alleen moet worden onderzocht of het bestaan van de gestelde vordering en de omvang daarvan voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl in de afweging van de belangen van partijen tevens moet worden betrokken de vraag naar het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de gevorderde voorziening.

4.21.

[gedaagde] heeft de stelling van PIA dat [gedaagde] bepaalde onderhoudswerkzaamheden bij [C.] niet heeft kunnen verrichten zonder software, tekeningen en documentatie/informatie (hierna: de bedrijfsinformatie) van PIA betreffende [C.] en [E.] te hebben gebruikt en dat [gedaagde] de bedrijfsinformatie moet hebben verkregen door deze tijdens zijn dienstverband te downloaden van het netwerk van PIA, gemotiveerd betwist. Volgens [gedaagde] heeft hij gedurende zijn dienstverband bij PIA wel eens bedrijfsinformatie van het netwerk gehaald, maar alleen indien dit nodig was voor de uitvoering van zijn werkzaamheden bij PIA. [gedaagde] stelt dat hij bij het einde van het dienstverband alle eigendommen van PIA heeft ingeleverd en dat hij geen bedrijfsinformatie in zijn bezit heeft. De werkzaamheden bij [C.] zijn volgens [gedaagde] verricht zonder gebruik te maken van software van PIA. De daarvoor benodigde informatie was op locatie bij [C.] aanwezig. Zou er al gebruik zijn gemaakt van software van PIA, hetgeen wordt betwist, dan zijn daarover geen mededelingen naar buiten gebracht, zodat ook dan van schending van de geheimhoudingsplicht geen sprake is, aldus [gedaagde] . Ook de stelling van PIA dat [gedaagde] tijdens zijn dienstverband bij PIA nevenwerkzaamheden heeft verricht bij (of via) [D.] en bij Quaak Potato B.V., althans in dat verband voorbereidende werkzaamheden heeft verricht, is door [gedaagde] gemotiveerd weersproken.

4.22.

Gelet op het gemotiveerde verweer van [gedaagde] is de juistheid van de stellingen van PIA dat [gedaagde] het geheimhoudingsbeding en het verbod op nevenactiviteiten heeft geschonden, niet zonder bewijslevering, waarvoor in kort geding geen plaats is, vast te stellen. Dat van dergelijke schendingen sprake is geweest, is voorshands onvoldoende aannemelijk. Dit maakt dat de vordering onder D tot betaling van een voorschot reeds daarom dient te worden afgewezen.

Schorsing relatiebeding (vordering in voorwaardelijke reconventie)

4.23.

Met de toewijzing van de subsidiaire vordering onder B in conventie is aan de door [gedaagde] aan zijn vordering in reconventie verbonden voorwaarde voldaan, zodat daarop zal worden beslist.

4.24.

De kantonrechter ziet geen aanleiding om het relatiebeding vooruitlopend op een bodemprocedure te schorsen. Gelet op hetgeen in conventie omtrent de inhoud en strekking van het relatiebeding is overwogen, is niet aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat [gedaagde] door dit relatiebeding, in verhouding tot het te beschermen belang van PIA, onbillijk wordt benadeeld. De vordering van [gedaagde] in reconventie zal derhalve worden afgewezen.

Proceskosten

4.25.

Nu beide partijen over en weer in het gelijk en ongelijk zijn gesteld en gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie, bestaat aanleiding de proceskosten zowel in conventie als in reconventie tussen partijen te compenseren, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter rechtdoende in kort geding

in conventie

5.1.

gebiedt [gedaagde] om met ingang van de datum van dit vonnis gedurende de periode tot en met 11 juli 2020, alvorens (verdere) werkzaamheden te verrichten voor klanten/relaties van PIA, zoals vermeld op de lijst van 11 juli 2018, PIA telkens over de betreffende werkzaamheden in te lichten en te overleggen hoe de betreffende relatie door PIA en [gedaagde] zal gaan worden bediend,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan PIA van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere keer dat [gedaagde] in gebreke is met de naleving van het onder 5.1. aan [gedaagde] opgelegde gebod, met een maximum van € 250.000,00;

5.3.

wijst het meer of anders gevorderde af;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

5.5.

wijst de vordering af;

in conventie en in reconventie

5.6.

compenseert de proceskosten tussen partijen, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 september 2019.

(HV)