Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:517

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
31-01-2019
Datum publicatie
14-02-2019
Zaaknummer
BRE 18_686
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:4078, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Met toepassing van artikel 3.14a, derde lid, van het van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim, hierna: het Activiteitenbesluit) zijn door middel van maatwerkvoorschriften minder strenge geluidsnormen opgelegd ten behoeve van de toegelaten geluidsbelasting door Windpark Kattenberg-Reedijk op de gevel van de woning Kattenbergsesteeg 9 te Oirschot.

Toegestaan is nu Lden-waarde tot 53 en Lnight-waarde tot 46. De vraag of sprake is van bijzondere lokale omstandigheden die ruimere geluidsnormen kunnen rechtvaardigen, moet worden beantwoord aan de hand van de concrete plaatselijke feiten en omstandigheden. Alle door verweerder opgesomde omstandigheden kunnen geen aanknopingspunt kunnen bieden voor de vaststelling dat sprake is van een bijzondere lokale omstandigheid. Verweerder was dus niet bevoegd. Beroep is gegrond, het bestreden besluit zal worden vernietigd, het primaire besluit wordt herroepen en het verzoek van derde partij om toepassing van artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit, wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2019/8050
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 18/686 BESLU

uitspraak van 31 januari 2019 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

Kavar Holding B.V ., te Heukelom , eiseres,

gemachtigde: mr. P.J.G. Goumans

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

RWE Innogy Windpower Netherlands B.V., te ‘s-Hertogenbosch ,

gemachtigde: mr. E.M.N. Noordover.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 19 december 2017

(bestreden besluit) inzake het opleggen van maatwerkvoorschriften ten behoeve van de toegelaten geluidsbelasting door Windpark Kattenberg-Reedijk op de gevel van de woning Kattenbergsesteeg 9 te Oirschot.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 15 november 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] en [naam vertegenwoordiger] , bijgestaan door mr. P.J.G. Goumans. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.F.H.T. Hordijk. Derde partij heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Tingen, drs. ing. R. Smit en ing. J. Geleijns.

Het beroepschrift was mede door [naam persoon] en [naam persoon] , voor zichzelf en namens V.O.F. [naam V.O.F.] , ingediend. Zij hebben het beroep ter zitting ingetrokken.

De termijn voor het doen van uitspraak is verlengd.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De gemeenteraden van Oisterwijk en Oirschot hebben de realisatie van een windmolenpark mogelijk gemaakt. Dit Windpark Kattenberg-Reedijk betreft vier windturbines langs de A58 bij Oirschot. In mei 2013 is voor de windturbines een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw en beperkte milieutoets verleend. Deze vergunning is onherroepelijk.

Op 13 mei 2015 heeft het college van Oirschot omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een bedrijfswoning op het perceel (met agrarische bestemming) Kattenbergse-steeg 9 te Oirschot. Ook deze vergunning is onherroepelijk.

De geluidsbelasting op de gevel van deze (nog niet gebouwde) woning ten gevolge van de vier windturbines geeft een overschrijding van de ingevolge artikel 3.14a, eerste lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim, hierna: het Activiteitenbesluit) wettelijk toegestane normen 47 dB Lden en 41 dB Lnight. Daarom heeft derde partij als eigenaar van het windpark op 23 juli 2015 verzocht om met toepassing van artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit maatwerkvoorschriften op te leggen ten behoeve van de toegelaten geluidsbelasting door het windpark op de gevel van de woning Kattenbergsesteeg 9. Verzocht is om de toegestane Lden-waarde te verhogen tot 53 en de Lnight-waarde tot 46.

Bij het primaire besluit van 6 februari 2017 heeft verweerder dit verzoek ingewilligd en de gevraagde maatwerkvoorschriften vastgesteld.

Hiertegen hebben de rechtsvoorgangers van eiseres als eigenaar van het perceel Kattenbergsesteeg 9 een bezwaarschrift ingediend. Met ingang van 22 december 2017 is de eigendom van het perceel overgegaan op eiseres, die ter plaatse een agrarisch bedrijf wil gaan exploiteren en de bedrijfswoning (na realisatie) in gebruik wil gaan nemen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, in afwijking van het advies van de gemeentelijke bezwaarschriftencommissie, de bezwaren ongegrond verklaard. Volgens verweerder is sprake van bijzondere lokale omstandigheden als bedoeld in artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit die rechtvaardigen dat, in afwijking van het eerste lid, normen met een hogere waarde worden vastgesteld. De door verweerder in dit verband genoemde bijzondere lokale omstandigheden zijn:

  • -

    de ligging van de woning nabij een snelweg (de Rijksweg A58 op een afstand van ongeveer 300 meter), met als gevolg een aanzienlijk hoger dan gemiddeld achtergrondgeluidsniveau;

  • -

    de ligging van de woning nabij een windturbine (op ongeveer 200 meter afstand);

  • -

    het geluid van de Rijksweg A58 is jaargemiddeld hoger dan het geluid van de windturbine (en ‘camoufleert’ daarmee het geluid van de windturbine);

  • -

    er is een geluidswering noodzakelijk vanwege de Rijksweg A58 en dat heeft positieve gevolgen voor de beleving van het geluid van de windturbine in de woning;

  • -

    zonder de maatwerkvoorschriften is er een omvangrijk verlies van duurzame energie, hetgeen benadrukt dat er sprake is van een bijzondere lokale omstandigheid.

2. Artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit bepaalt dat een windturbine of een combinatie van windturbines ten behoeve van het voorkomen of beperken van geluidhinder voldoet aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en aan de norm van ten hoogste 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen, tenzij deze zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein, en bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein.

Artikel 3.14a, tweede lid, van het Activiteitenbesluit bepaalt dat, onverminderd het eerste lid, het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift teneinde rekening te houden met cumulatie van geluid als gevolg van een andere windturbine of een andere combinatie van windturbines, normen met een lagere waarde kan vaststellen ten aanzien (van) een van de windturbines of een combinatie van windturbines.

Ingevolge artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit kan het bevoegd gezag, in afwijking van het eerste lid, bij maatwerkvoorschrift in verband met bijzondere lokale omstandigheden normen met een andere waarde vaststellen.

3. Tussen partijen is niet (langer) in geschil, en ook de rechtbank gaat ervan uit, dat de in artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit bedoelde bevoegdheid ook ziet op het vaststellen van normen met een hogere waarde ten aanzien van een van de windturbines of een combinatie van windturbines. Eiseres heeft in beroep primair betoogd dat de door verweerder genoemde omstandigheden niet aangemerkt kunnen worden als bijzondere lokale omstandigheden in de zin van artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit. Subsidiair heeft eiseres aangevoerd dat verweerder, bij afweging van alle betrokken belangen, niet in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot het vaststellen van hogere normen.

4. De rechtbank stelt voorop dat het bestuursorgaan volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) beleidsruimte toekomt bij de beantwoording van de vraag of het gebruik maakt van de bevoegdheid maatwerkvoorschriften te stellen en dat het daarbij een belangenafweging dient te maken. Ook heeft de AbRS herhaaldelijk overwogen dat het bestuursorgaan beoordelingsruimte toekomt bij de beantwoording van de vraag of sprake is van bijzondere lokale omstandigheden als bedoeld in artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit (vergelijk onder meer de uitspraak van de AbRS van 17 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:141). Een gedegen motivering, waarin de afwijking van de norm wordt gerechtvaardigd, is dan wel een vereiste. Voorts overweegt de rechtbank dat de vraag of sprake is van bijzondere lokale omstandigheden, moet worden beantwoord aan de hand van de concrete plaatselijke feiten en omstandigheden.

4.1

De rechtbank is van oordeel dat de ligging van een woning nabij een snelweg in Nederland een veel voorkomende situatie is. Ook is het in Nederland niet ongebruikelijk dat windturbines langs snelwegen gebouwd worden. Het feit dat de woning van eiseres en de dichtstbijzijnde windturbine allebei vergund zijn terwijl ze op ongeveer 200 meter van elkaar gesitueerd zijn, doet zich volgens verweerder nagenoeg nergens in Nederland voor. Maar dit is door verweerder niet onderbouwd en de rechtbank acht dit ook niet aannemelijk. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het oprichten van windturbines in de nabijheid van woningen ook vergund kan worden met het verbinden van het maatwerkvoorschrift aan de omgevingsvergunning dat lagere normen in acht genomen moeten worden dan de normen die genoemd zijn in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit. Bovendien heeft deze situatie kunnen ontstaan door de planologische keuze om mee te werken aan de realisering van een windmolenpark op deze locatie, in de nabijheid van een beoogde bouwlocatie die al was neergelegd in het vigerende bestemmingsplan. Dientengevolge is de onderhavige conflicterende situatie ontstaan, of eigenlijk gecreëerd, waarvan niet in redelijkheid achteraf kan worden gesteld dat die aangemerkt dient te worden als een bijzondere lokale omstandigheid als bedoeld in artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit. Daarbij betrekt de rechtbank dat de keuze – in overleg met het bevoegd gezag – om de woning tijdens de planologische en vergunningsprocedures voor de realisatie van het windpark niet uitputtend mee te nemen in de geluidonderzoeken, niet op eiseres kan worden afgewenteld.

De omstandigheid dat de onderhavige beide bouwwerken nabij de snelweg liggen, maakt het voorgaande niet anders omdat het niet in de rede ligt om in een gebied met een hoger dan gemiddeld achtergrondgeluidsniveau met toepassing van artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit ook nog minder strenge geluidsnormen acceptabel te achten. In dergelijke gebieden is een hoger achtergrondgeluidsniveau bovendien gebruikelijk.

4.2

In het verlengde van het vorenstaande kan de rechtbank verweerder evenmin volgen in de stelling dat de camouflage van het geluid van de windturbine als een bijzondere lokale omstandigheid heeft te gelden. Die camouflage treedt op in alle situaties waarin snelwegen, woningen en windturbines in elkanders nabijheid liggen. Voorts is de noodzaak van het aanbrengen van een geluidshinderwering voor de woning van eiseres een gevolg van de situering van die woning ten opzichte van de snelweg. In dat opzicht is er geen verschil met alle hiervoor beschreven situaties waarin ook maatregelen genomen moeten worden om de woningen te laten voldoen aan de geldende geluidsnormen. Dat de aan te brengen geluidshinderwering mogelijk positieve gevolgen heeft voor de beleving van het geluid van de windturbine in de woning is bovendien een omstandigheid die veel meer een rol zou kunnen spelen in de belangenafweging, en niet bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een bijzondere lokale omstandigheid. Dit geldt ook voor het door verweerder gestelde verlies van duurzame energiewinning. Dat zonder de maatwerkvoorschriften één van de turbines niet optimaal in bedrijf kan zijn, is een gevolg waar alle windparken in vergelijkbare situaties mee te kampen hebben en vloeit bovendien voort uit de keuze om in de nabijheid van de beoogde bouwlocatie een windturbine op te richten.

5. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van bijzondere lokale omstandigheden als bedoeld in artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit. Daarbij merkt de rechtbank op dat alle door verweerder opgesomde omstandigheden ook niet in onderling verband en samenhang bezien een aanknopingspunt kunnen bieden voor de vaststelling dat sprake is van een bijzondere lokale omstandigheid.

6. Nu niet gebleken is van een bijzondere lokale omstandigheid, moet worden geoordeeld dat verweerder niet bevoegd was om toepassing te geven aan artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit.

Het beroep van eiseres zal daarom gegrond verklaard worden en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank ziet in het ontbreken van een bijzondere lokale omstandigheid aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen en het verzoek van derde partij om toepassing van artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit, af te wijzen. Een aanvullende motivering van het standpunt van verweerder kan de plaatselijke situatie, die in redelijkheid niet als bijzonder kan worden aangemerkt, immers niet veranderen. Een andere uitkomst van deze procedure dan thans door de rechtbank voorzien, is daarom niet aan de orde.

7. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit en wijst het verzoek van derde partij om toepassing van artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit, af;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,-- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.024,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.M. van Lanen, voorzitter, en mr. T. Peters en mr. J.E.C. Vriends, leden, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2019.

P.H.M. Verdonschot, griffier J.J.M. van Lanen, voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.