Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:514

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
13-02-2019
Zaaknummer
BRE 18_4825
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser wil een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) voor het lidmaatschap van een airsoft sportbond (een soort schietvereniging). Hij is in 2015 veroordeeld vanwege 4 gevallen van bezit/verspreiding kinderpornografie. Deze veroordeling vormde voor de minister aanleiding om de VOG te weigeren. De rechtbank moet eerst toetsen aan het objectieve criterium: vormt dit zedendelict een risico bij het lidmaatschap van een airsoft sportbond? De rechtbank vindt dat de veroordeling van eiser wegens bezit/verspreiding van kinderpornografie onvoldoende is om op grond van het objectieve criterium de gevraagde VOG te weigeren. Het lidmaatschap van de airsoft sportbond staat alleen open voor meerderjarigen. Er bestaat geen verband tussen het bezit van kinderpornografie en zedendelicten tegen volwassenen. De rechtbank draagt de minister op om de gevraagde VOG te verstrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 18/4825 VOG

uitspraak van 29 januari 2019 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

en

de minister voor Rechtsbescherming, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 6 juli 2018 (bestreden besluit) van de minister. Dit besluit gaat over het weigeren van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG).

De zaak is behandeld in Breda op 21 december 2018. Eiser was daarbij aanwezig. Namens de minister was aanwezig mr. P. Trijsburg.

Wat is in het kort het oordeel van de rechtbank?

De rechtbank vindt dat de veroordeling van eiser wegens bezit/verspreiding van kinderpornografie onvoldoende is om op grond van het objectieve criterium een VOG te weigeren voor het lidmaatschap van de airsoft sportbond. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen vier weken na verzending van deze uitspraak de door eiser gevraagde VOG aan hem dient te verstrekken. De rechtbank zal hierna motiveren waarom zij tot dit oordeel is gekomen.

Overwegingen

Wat is een VOG ?

1. Een VOG is een verklaring waaruit blijkt dat iemands gedrag in het verleden geen bezwaar vormt voor het vervullen van een specifieke taak of functie. Verder kan een VOG bijvoorbeeld nodig zijn voor het lidmaatschap van een schietvereniging.

De aanvraag van eiser

2. Eiser heeft een VOG aangevraagd voor het lidmaatschap van de airsoft sportbond. Airsoft is een schietsport, waarbij er geschoten wordt met biologisch afbreekbare balletjes.

De minister heeft eerst een brief gestuurd naar eiser, waarin staat dat hij van plan is om de aanvraag af te wijzen. Eiser heeft een reactie gegeven op dit voornemen.

Op 8 februari 2018 heeft de minister de aanvraag van eiser afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

In het bestreden besluit heeft de minister de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Waarom is de VOG geweigerd ?

3. De minister heeft het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) geraadpleegd. In dit systeem worden alle misdrijven en een groot aantal overtredingen van natuurlijke personen en rechtspersonen geregistreerd. De minister heeft geconstateerd dat eiser in het JDS voorkomt met een zedendelict, waarvoor hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf. Dit is de reden dat de VOG is geweigerd.

Veroordeling van eiser

4. Volgens het JDS is eiser in 2015 veroordeeld vanwege 4 gevallen van bezit en/of verspreiding van kinderpornografie. Hij heeft een gevangenisstraf van 3 jaren opgelegd gekregen, waarvan 1 jaar voorwaardelijk. Ook heeft hij een proeftijd gekregen van 5 jaren. De proeftijd loopt tot 9 juli 2020.

De minister moet deze veroordeling meenemen in zijn beoordeling. De minister kan dus geen rekening houden met de stelling van eiser dat hij onschuldig is en dat hij ten onrechte is veroordeeld.

Beleidsregels

5. De minister beoordeelt een VOG-aanvraag aan de hand van beleidsregels, de ‘Beleidsregels VOG-NP-RP 2018’. Kort gezegd komen deze regels op het volgende neer:

  • -

    als iemand niet voorkomt in het JDS, dan wordt een VOG afgegeven;

  • -

    als iemand wel voorkomt in het JDS, dan wordt de aanvraag beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium.

Eiser komt voor in het JDS, zodat er bij hem moet worden gekeken naar het objectieve en subjectieve criterium.

Objectief criterium

6 Wat houdt het objectieve criterium in ?

Bij het objectieve criterium wordt gekeken naar de volgende vraag:

  • -

    is er een risico voor de samenleving

  • -

    wanneer dit (of een soortgelijk) strafbaar feit zou worden gepleegd

  • -

    door een willekeurig persoon

  • -

    in de uitoefening van de activiteit waarvoor de VOG wordt aangevraagd ?

Zo zal snel aan het objectieve criterium zijn voldaan als iemand met een veroordeling voor diefstal wil gaan werken als pakketbezorger. Of als iemand met een veroordeling voor verkeersdelicten wil gaan werken als chauffeur.

Bij het objectieve criterium wordt niet gekeken naar de persoon van eiser zelf. Er wordt alleen gekeken of het zedendelict waarvoor eiser is veroordeeld een risico vormt bij het lidmaatschap van een airsoft sportbond.

De afgifte van de VOG wordt in principe geweigerd als wordt voldaan aan het objectieve criterium.

7 Screeningsprofiel

Bij het risico voor de samenleving werkt de minister met een algemeen screeningsprofiel en een aantal specifieke screeningsprofielen. Voor het lidmaatschap van een schietvereniging geldt een specifiek screeningsprofiel:

Bij de schietvereniging kan men gebruik maken van wapens en munitie. Het toegang hebben tot wapens en munitie kan een ernstige bedreiging vormen voor de veiligheid van de samenleving. Het oneigenlijke gebruik van wapens en munitie kan ernstige geweldsmisdrijven, chantage en andere ernstige verstoringen van de rechtsorde tot gevolg hebben. Daarom worden aanvragen streng beoordeeld. […] Een lid van een schietvereniging heeft een bijzondere positie ten opzichte van zijn/haar medeburgers, aangezien die geen wapens of munitie ter beschikking hebben. Door oneigenlijk gebruik te maken van wapens en munitie kan misbruik worden gemaakt van deze bijzondere positie. Hierom wordt strikte naleving van de (wapen)wettelijke voorschriften verlangd.

8 Waarom is er volgens de minister voldaan aan het objectieve criterium ?

De minister vindt dat er een risico is voor de samenleving als iemand met een zedendelict lid wordt van de airsoft sportbond. Zo krijgt men door het lidmaatschap van deze sportbond de beschikking over replica’s van vuurwapens (nepwapens die op echte wapens lijken). Ook krijgt men te maken met andere leden en bezoekers van de sportbond. Het risico bestaat dat airsoft wapens worden ingezet als machtsmiddel voor het plegen van een zedendelict. De mogelijkheid bestaat dat andere leden en bezoekers in aanraking komen met onzedelijk gedrag en hier het slachtoffer van worden.

Het ligt niet voor de hand dat er een directe relatie bestaat tussen het bezit/verspreiding van kinderpornografie en (seksueel) misbruik van volwassenen. Dit wil volgens de minister echter nog niet zeggen dat het risico - objectief gezien - is uitgesloten. Zedendelicten veroorzaken maatschappelijke onrust, zodat zelfs een zeer klein risico al voldoende is om te voldoen aan het objectieve criterium. Bovendien kan niet worden uitgesloten dat men als lid van de airsoft sportbond in aanraking komt met minderjarigen.

De minister vindt verder dat een zedendelict in strijd is met de integriteit en professionaliteit die van een schietsportbeoefenaar wordt verwacht.

Oordeel van de rechtbank over het objectieve criterium

9. In het beleid staat dat de minister bij het objectieve criterium kijkt of het strafbare feit een risico vormt bij de uitoefening van de activiteit waarvoor een VOG wordt gevraagd. Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister dit beleid zó invult, dat er onder het objectieve criterium geen VOG wordt verleend voor het lidmaatschap van een schietvereniging als er sprake is van een zedendelict. Er wordt door de minister dus geen onderscheid gemaakt in het soort zedendelict. De minister heeft dit ter zitting bevestigd.

De rechtbank vindt dat de minister niet zomaar alle zedendelicten over één kam kan scheren bij de beoordeling van het objectieve criterium. De rechtbank verwijst daarbij naar een uitspraak van 9 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:620) van de hoogste rechter in dit soort zaken, de Raad van State (RVS). Bij die zaak voerde de staatssecretaris bij zedendelicten nog het beleid dat er geen VOG werd verleend voor een activiteit met een afhankelijkheids-relatie (het ging in die zaak om een bejaardenverzorger met een veroordeling wegens bezit van kinderpornografie). De hoogste rechter vond dit beleid te ‘grofmazig’. Volgens de hoogste rechter werd in het beleid onvoldoende rekening gehouden met de verschillen die bestaan tussen de verschillende soorten zedendelicten.

Naar het oordeel van de rechtbank moet er ook in dit geval worden gekeken of het specifieke zedendelict (bezit/verspreiding van kinderpornografie) een risico vormt bij het lidmaatschap van een airsoft sportbond.

10. De rechtbank heeft gekeken of de hoogste rechter zich al heeft uitgelaten over de vraag of dat risico er is. De rechtbank heeft daarbij gekeken naar uitspraken die gaan over de afgifte van een VOG voor het lidmaatschap van een schietvereniging, waarbij er sprake is van een veroordeling wegens bezit/verspreiding van kinderpornografie. Er zijn door de hoogste rechter wel enkele uitspraken gedaan, maar daarbij was er sprake van bezit verspreiding van kinderpornografie en een ander zedendelict. Het ging dan om verleiding van een minderjarige tot ontucht (ECLI:NL:RVS:2018:1565) en het seksueel binnendringen van een persoon (ECLI:NL:RVS:2018:871). Verder is er nog een uitspraak van de rechtbank Roermond (ECLI:NL:RBROE:2012:4067), maar daarbij ging het naast bezit/verspreiding van kinderpornografie ook om feitelijke aanranding van de eerbaarheid en overtreding van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank vindt dat er bij zedendelicten waarbij er sprake is van (pogingen tot) seksueel contact er inderdaad een risico is dat (nep)wapens worden ingezet om dergelijke zedendelicten te plegen. De vraag is of dat risico er ook is als het gaat om bezit/verspreiding van kinderpornografie.

11. Tussen partijen is niet in geschil dat het lidmaatschap van de airsoft sportbond alleen open staat voor meerderjarigen (18+). Daarnaast heeft de minister erkend dat een direct verband tussen bezit/verspreiding van kinderpornografie en (seksueel) misbruik van volwassenen niet voor de hand ligt. In de hiervoor (onderdeel 9) genoemde zaak van de bejaardenverzorger heeft de hoogste rechter dit gegeven ook meegenomen in zijn beoordeling. Zo zegt de hoogste rechter dat uit een ingebrachte verklaring van een psycholoog blijkt dat “tussen het bezit van kinderpornografie en zedendelicten tegen volwassenen geen verband bestaat.” Dat er volgens de minister sprake is van een zeer klein risico, volgt de rechtbank dan ook niet.

De minister heeft verder van belang geacht dat een zedendelict in strijd is met de integriteit en professionaliteit die van een schietsportbeoefenaar wordt verwacht. De rechtbank merkt op dat dit argument voor alle strafrechtelijke veroordelingen geldt en dat op basis van dit argument heel gemakkelijk besloten kan worden om niemand met een strafblad een VOG te verlenen voor een lidmaatschap van een schietvereniging. Het argument overtuigt dus niet.

12. De rechtbank vindt daarom dat de veroordeling van eiser wegens bezit/verspreiding van kinderpornografie onvoldoende is om op grond van het objectieve criterium een VOG te weigeren voor het lidmaatschap van de airsoft sportbond.

13. Omdat het beroep van eiser al slaagt bij het objectieve criterium, hoeft de rechtbank niet meer in te gaan op het subjectieve criterium (oftewel de persoonlijke omstandigheden van eiser zelf).

Conclusie

14. Het beroep zal gegrond worden verklaard en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen.

Nu de rechtbank vindt dat het objectieve criterium in dit geval niet aan verlening van de gevraagde VOG in de weg staat, is er maar één uitkomst mogelijk: verlening van de VOG. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 8 februari 2018 te herroepen. Dit betekent dat dit besluit niet meer bestaat en de aanvraag van eiser weer open ligt. De rechtbank zal de minister de opdracht geven om aan eiser binnen vier weken na verzending van deze uitspraak de door eiser gevraagde VOG te verstrekken.

Griffierecht en proceskosten

15. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.

16. De rechtbank zal de minister veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De proceskosten worden berekend op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Eiser heeft gevraagd om een vergoeding van de reiskosten (€ 12,80). De rechtbank zal de minister veroordelen om deze kosten aan eiser te betalen.

Eiser heeft daarnaast gevraagd om verletkosten (€ 100,-) in verband met het bijwonen van de zitting. De rechtbank stelt vast dat het bij verletkosten alleen gaat om kosten van tijdverzuim (door bijvoorbeeld vrijaf te moeten nemen voor het bijwonen van een zitting, met inbegrip van de heen- en terugreis). In het Besluit proceskosten bestuursrecht staat dat hiervoor een tarief geldt dat ligt tussen € 7,- en € 78,-. Als de verletkosten -zoals in dit geval- niet zijn aangetoond door middel van bewijsstukken, dan is dat een reden om de vergoeding vast te stellen op het minimumtarief. De rechtbank zal de minister dan ook veroordelen om € 7,- aan verletkosten aan eiser te betalen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het besluit van 8 februari 2018;

  • -

    bepaalt dat de minister binnen vier weken na verzending van deze uitspraak aan eiser de door hem gevraagde VOG verstrekt;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 19,80.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Sierkstra, rechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.