Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:512

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-02-2019
Datum publicatie
11-02-2019
Zaaknummer
02-064259-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

“Verduistering in dienstbetrekking van 98.354,88 euro. Verdachte verrichte op vrijwillige basis werkzaamheden in het bedrijf van haar partner en zijn compagnon.

Taakstraf, voorwaardelijke gevangenisstraf en een ontzetting van het recht een boekhoudkundig of administratief beroep uit te oefenen voor de duur van 5 jaren.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02-064259-18

vonnis van de meervoudige kamer van 8 februari 2019

in de strafzaak tegen

[Verdachte]

geboren op [Geboortedag] 1974 te [Geboorteplaats]

wonende aan de [Adres]

raadsvrouw mr. C.E.J.E. Kouijzer, advocaat te Middelburg

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 januari 2019, waarbij de officier van justitie, mr. Gaillard, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 februari 2016 tot en met 20 juli 2017 te Middelburg, althans in Nederland, opzettelijk een geldbedrag, te weten in totaal 98.354,88 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehoorde aan [Slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking, te weten als medewerkster (behulpzaam) in de boekhouding/administratie, elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het bedrag van
€ 98.354,88 heeft verduisterd, terwijl zij dat bedrag uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking onder zich had. De officier van justitie baseert zich daarbij op de aangifte die is gedaan, de bekennende verklaringen van verdachte en de processen-verbaal met betrekking tot het onderzoek van de politie naar de rekeningen van verdachte.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat geen sprake is van een persoonlijke dienstbetrekking. De verdediging is daarom van mening dat de rechtbank uitsluitend tot een bewezenverklaring van de verduistering kan komen en niet van de ten laste gelegde verduistering uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking of beroep.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft bij de politie bekend geld te hebben overgemaakt vanaf de bankrekening van [Slachtoffer] (hierna te noemen: [Slachtoffer] ) naar bankrekeningen waar zij de beschikking over had, met het doel zich dit geld toe te eigenen. Ter zitting heeft zij dit nog een keer bevestigd.

De verdediging heeft geen vrijspraak bepleit. Om deze reden volstaat de rechtbank met een opgave van bewijsmiddelen in de zin van artikel 359 lid 3 Sv.

De rechtbank acht de ten laste gelegde verduistering in dienstbetrekking van het bedrag van € 98.354,88 wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte ter zitting1;

- de aangifte van [Naam 1] , gedaan namens [Slachtoffer] , van 21 december 20172;

- het verhoor van [Naam 1] van 4 april 20183

- het proces-verbaal van bevindingen van bij- en afschrijvingen4.

Met betrekking tot het verweer van de verdediging dat geen sprake is geweest van verduistering uit hoofde van een persoonlijke dienstbetrekking overweegt de rechtbank als volgt. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad is sprake van een dergelijke persoonlijke dienstbetrekking wanneer iemand werkzaam is in ondergeschiktheid. Of daar sprake van is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Het feit dat er geen betaling plaats heeft gevonden voor de verrichte werkzaamheden is in ieder geval niet van doorslaggevend belang (vergelijk ECLI:NL:HR:2015:3368).

Uit de aangifte van de heer [Naam 1] en de verklaring van verdachte ter zitting blijkt dat verdachte in opdracht van [Slachtoffer] verschillende boekhoudwerkzaamheden verrichtte. Zo kreeg zij de taak betalingen te verrichten vanaf de bankrekening van [Slachtoffer] . Er was hiermee sprake van een zeker gezag en een instructiebevoegdheid, zodat de rechtbank van oordeel is dat er sprake was van een persoonlijke dienstbetrekking, terwijl verdachte vanuit deze dienstbetrekking het door haar verduisterde geld onder zich had. Verdachte heeft zich daarom schuldig gemaakt aan de ten laste gelegde verduistering in dienstbetrekking. Het verweer van de raadsvrouw van verdachte wordt verworpen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 februari 2016 tot en met 20 juli 2017 te Middelburg, althans in Nederland, opzettelijk een geldbedrag, te weten in totaal 98.354,88 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [Slachtoffer] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking, te weten als medewerkster (behulpzaam) in de boekhouding/administratie, elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 150 uren, te vervangen door 75 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie vordert hierbij als bijzondere voorwaarden de meldplicht, het opvolgen van de aanwijzingen van de reclassering en een ambulante behandeling als geadviseerd door de reclassering op te leggen. Tot slot vordert de officier van justitie verdachte te ontzetten van het recht een boekhoudkundig of administratief beroep uit te oefenen, gedurende vijf jaar.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat, gelet op de medische situatie van verdachte, een taakstraf en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf te zwaar zullen zijn voor haar. Daarom verzoekt de verdediging een voorwaardelijke gevangenisstraf met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden op te leggen. De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde ontzetting van het recht een boekhoudkundig of administratief beroep uit te oefenen gedurende vijf jaar, maar laat het aan de rechtbank hierover te beslissen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking.

Verdachte heeft van april 2015 tot halverwege juli 2017 boekhoudkundige werkzaamheden verricht bij [Slachtoffer] , het bedrijf dat haar partner de heer [Naam 2] kort daarvoor was gestart met zijn compagnon, de heer [Naam 1] . In februari 2016 is verdachte begonnen met het overboeken van geld naar haar eigen bankrekeningen. Dit deed zij door bedragen twee keer over te boeken: één keer naar het bedrijf waaraan [Slachtoffer] het bedrag daadwerkelijk verschuldigd was en één keer naar zichzelf. Verdachte heeft hierdoor het vertrouwen dat in haar werd gesteld ernstig geschaad. Omdat haar naam niet verscheen op de rekeningafschriften – wat zij was nagegaan – bleven de dubbele betalingen langere tijd onopgemerkt. Verdachte kon hierdoor lang doorgaan met het verduisteren van geld en deed dit ook. Verdachte heeft in totaal het bedrag van € 98.354,88 naar zichzelf overgemaakt in zo’n 17 maanden tijd. Dit geld heeft zij, zo blijkt uit het overzicht van af- en bijschrijvingen dat de politie heeft opgesteld, voor een groot deel gespendeerd aan luxe uitgaven. Op geen moment heeft zij bedacht haar uitgaven te matigen naar haar inkomensniveau. Pas toen de heer [Naam 2] de dubbele overboekingen op 15 juli 2017 ontdekte, stopte zij hiermee. Het feit dat verdachte niet uit eigen beweging is gestopt met het verduisteren van geld weegt de rechtbank in haar nadeel mee. Aanvankelijk heeft zij ook geen verantwoordelijkheid genomen voor haar daden, maar geprobeerd de schuld op haar ex-man te schuiven. Na acht maanden heeft verdachte toegegeven dat zij degene was die het geld had weggesluisd.

Bij de beantwoording van de vraag welke straf verdachte moet krijgen houdt de rechtbank rekening met de hoogte van het verduisterde bedrag, en met de omstandigheden waaronder de verduistering is gepleegd, zoals hiervoor overwogen. Verder houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De reclassering heeft met verdachte gesproken en een rapport opgesteld, dat de rechtbank betrekt in haar oordeel. Uit dit rapport blijkt dat verdachte haar rol in het gebeuren lijkt te bagatelliseren en moeite heeft haar problemen onder ogen te zien. Zij lijkt geen daadwerkelijke verantwoordelijkheid te nemen voor haar gedrag. De rechtbank heeft dit ook ter zitting waargenomen. De reclassering acht behandeling in een forensisch kader noodzakelijk om verdachte op de verantwoordelijkheid voor haar delictgedrag te wijzen en om inzicht te verkrijgen in de totstandkoming van dit gedrag. Op deze manier zou het recidiverisico kunnen worden verlaagd. Uit het rapport blijkt namelijk ook dat de reclassering vermoedt dat verdachte vanwege een gebrek aan vaardigheden en vanwege haar psychische problemen in eenzelfde soort situatie weer de fout in zou kunnen gaan. Ter zitting is de rechtbank daarbij duidelijk geworden dat verdachte zich eerder al eens, namelijk toen zij nog als financieel adviseur bij een bank werkte, heeft verrijkt ten koste van haar werkgever. Het recidiverisico is dus – ondanks het blanco strafblad van verdachte – reëel. De reclassering adviseert een voorwaardelijke straf op te leggen, met als voorwaarden meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling.

Al deze zaken overziend acht de rechtbank het gedrag van verdachte bijzonder kwalijk en zorgelijk. Mede hierdoor is een fikse voorwaardelijke gevangenisstraf met een lange proeftijd geboden, met daaraan gekoppeld de voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, te weten een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandeling bij Forensische Zorg Zeeland of een soortgelijke zorgverlener. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een langere taakstraf dan geëist door de officier van justitie passend is, gelet op de ernst van het feit. Verdachte zal dan ook worden veroordeeld tot een taakstraf van 200 uren. Dat zij in het geheel niet in staat zou zijn een taakstraf te verrichten, zoals de verdediging ter zitting heeft gesteld, is niet gebleken, temeer niet nu zij ter zitting heeft verklaard ook nu nog hand- en spandiensten te verrichten bij [Slachtoffer] .

De rechtbank acht de kans dat verdachte zich wederom schuldig zal maken aan verduistering terwijl zij werkzaamheden verricht als financieel adviseur/boekhouder, aanzienlijk. Gelet op deze recidivekans en de ernst van het bewezenverklaarde feit, ontzet de rechtbank verdachte van het recht om een boekhoudkundig of administratief beroep uit te uitoefenen voor de duur van vijf jaren.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [Slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 98.000,00 voor het tenlastegelegde feit.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit en acht verdachte ook aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 juli 2017 tot aan de dag van volledige betaling.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank geen schadevergoedingsmaatregel opleggen, gelet op de huidige benarde financiële situatie van verdachte en de onderlinge verhouding tussen haar en de benadeelde partij.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 28, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

verduistering gepleegd door zij die het goed uit hoofde van haar persoonlijke
dienstbetrekking onder zich heeft.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 200 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf naar rato van twee uur per dag;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd van twee jaren na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarden:

* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

* dat verdachte medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij Reclassering Nederland op het adres Vrijlandstraat 33, 4337 EA Middelburg en zich daarna gedurende een door de reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal blijven melden, zo lang en zo frequent als de reclassering noodzakelijk acht;

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclassering;

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat behandelen door Forensische Zorg Zeeland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Bijkomende straffen

- ontzet verdachte van het recht een boekhoudkundig of administratief beroep uit te oefenen voor de duur van 5 jaren;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Slachtoffer] van
€ 98.000,00 ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
20 juli 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. Vermariën, voorzitter, mr. Scheffers en mr. Felix, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Eekelen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 8 februari 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers wordt bedoeld de pagina’s van het eindproces-verbaal met nummer PL2000-2017306468 van de politie, Eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 25 januari 2019.

2 Het proces-verbaal van aangifte van 21 december 2017, pagina 7 tot en met 9.

3 Het proces-verbaal van verhoor aangever van 4 april 2018, pagina 27.

4 Het proces-verbaal van bevindingen van bij- en afschrijvingen, pagina 34 tot en met 47.