Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:4985

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-10-2019
Datum publicatie
22-11-2019
Zaaknummer
C/02/342034 / HA ZA 18-142
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Geen tekortkoming in nakoming verbintenissen gemeente uit hoofde van een samenwerkingsovereenkomst met projectontwikkelaar in een geval waarin geen wijziging van het bestemmingsplan plaatsvindt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster II Handelszaken

Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/02/342034 / HA ZA 18-142

Vonnis van 16 oktober 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FIVENTE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. B. Martens te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE BERGEN OP ZOOM,

zetelend te Bergen op Zoom,

gedaagde,

advocaat mr. T.E. Hovius te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Fivente en de gemeente genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 13 maart 2019;

  • -

    de brief van 6 mei 2019 van mr. Kruitwagen aan de rechtbank met productie;

  • -

    de door Fivente genomen akte in geding brengen aanvullende producties, met producties;

  • -

    het proces-verbaal van de op 21 mei 2019 gehouden comparitie en de ter gelegenheid van de comparitie overgelegde spreekaantekeningen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De gemeente is eigenaar van een perceel grond gelegen aan de [adres] in Bergen op Zoom (hierna: het perceel). Op het perceel was tot eind 2013 een brandweerkazerne gevestigd.

2.2.

De gemeente heeft het perceel te koop aangeboden ter ontwikkeling daarvan. Begin 2015 is zij in overleg getreden met Fivente die op het perceel een woon-zorgcomplex wilde realiseren.

2.3.

Op 30 juli 2015 heeft Fivente een stedenbouwkundige visie voor het perceel aan de gemeente voorgelegd en een bod gedaan voor de verwerving van het perceel.

2.4.

Op 7 december 2015 heeft de Welstand-Monumenten Commissie (WMC) een advies uitgebracht over de door Fivente aan de gemeente voorgelegde stedenbouwkundige visie.

2.5.

Bij besluit van 15 december 2015 is het college van burgermeester en wethouders van de gemeente (hierna: het college) akkoord gegaan met de door Fivente geboden koopsom voor het perceel en heeft het college besloten medewerking te verlenen aan het wijzigen van het vigerende, door de gemeenteraad op 26 maart 2009 vastgestelde bestemmingsplan ‘Binnenstad’ (wijziging van de bestemming ‘maatschappelijk’ naar de bestemming ‘wonen’) om de door Fivente voorgestane ontwikkeling van het perceel mogelijk te maken.

2.6.

Op 1 november 2016 hebben de gemeente en Fivente een samenwerkingsovereenkomst ondertekend. In die overeenkomst is onder meer het volgende vermeld:

I ALGEMEEN

Doel en definities:

1. Het doel van deze overeenkomst is om met behoud van ieders verantwoordelijkheid en met inachtneming van ieders taken en activiteiten, zoals beschreven in artikel 20 en 21 van deze overeenkomst, de voorwaarden waaronder de gemeente vanuit haar publiekrechtelijke taken en bevoegdheden haar medewerking zal verlenen aan de verdere ontwikkeling en realisatie van een woon-zorgcomplex, bestaand uit maximaal 35 reguliere appartementen en maximaal 30 zorgeenheden (intramuraal), en de bijbehorende boven- en ondergrondse infrastructurele werken in het plangebied door de ontwikkelaar Fivente en de wijze waarop Partners de planuitvoering onderling zullen afstemmen, vast te leggen.
(…)
4. Deze overeenkomst dient door middel van samenwerking de volgende resultaten op te leveren:

  1. de grondtransacties zoals aangegeven in bijlage 1;

  2. de vastlegging van een nieuw bestemmingsplan;

  3. het verkrijgen van een onherroepelijke omgevingsvergunning.

(…)
III BEPALINGEN REALISATIE

Artikel 22 Activiteiten Gemeente
(…)
22.2 De Gemeente spant zich optimaal in om de noodzakelijk geachte planologische procedures zo adequaat mogelijk te voeren.
22.3 Het conform Indicatieve planning beoordelen van de door of namens Fivente opgestelde plannen op DO-niveau (bouwplan voor Westersingel 50) op de volgende onderdelen:
a. bestemmingsplan, ontwikkelplan, stedenbouwkundige uitgangspunten;
(…)
22.4 De Gemeente houdt bij nakoming van hetgeen in deze overeenkomst is bepaald volledig haar publiekrechtelijke verplichtingen ten aanzien van wettelijke procedures op basis van bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend, de Wet ruimtelijke ordening, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet Milieubeheer. Dit houdt in dat er van de zijde van de Gemeente geen sprake van wanprestatie zal zijn, indien het handelen naar deze verplichtingen eist, dat de Gemeente publiekrechtelijke handelingen verricht, die niet in het voordeel zijn van de aard of strekking van deze overeenkomst of de voortgang van de ontwikkeling en realisatie van het Plangebied.
Artikel 23 Activiteiten Fivente
23.1 Fivente zal onder eigen verantwoordelijkheid en voor eigen rekening en risico voor het Plangebied, het schetsontwerp uitwerken tot een voorlopig en definitief ontwerp (DO). Het DO wordt door Fivente aan de Gemeente voorgelegd. Het DO wordt opgesteld met inachtneming van o.a.:
a. bestemmingsplan, ontwikkelplan, stedenbouwkundige uitgangspunten;

b. de gemeentelijke parkeernormering

c.
(…)

23.2

Fivente zal onder eigen verantwoordelijkheid en voor eigen rekening en risico ten behoeve van het onder 13.1 genoemde bouwplan een ruimtelijke onderbouwing aanleveren voor de benodigde bestemmingsplan aanpassing ter plaatse van het Verkochte
(…)
Artikel 27 Benodigde procedures en vergunningen, risico’s

27.1

Voor het realiseren van het Plangebied is een wijziging van het vigerende bestemmingsplan vereist. De Gemeente zal zich optimaal inspannen voor het in gang zetten van of het voortgang maken bij de voor het Plangebied noodzakelijke planologische procedures/maatregelen en te verkrijgen vergunningen benodigd voor de realisatie van het Ontwikkelplan.
27.2 Indien de in lid 1 en 2 van dit artikel bedoelde RO-procedures of omgevingsvergunningprocedures vertragingen optreden, bijvoorbeeld door onthouding van goedkeuring aan deze plannen of ten gevolge van bezwaar- en beroepsprocedures, zullen partij in onderling overleg trachten de plannen zodanig aan te passen dat de vereiste goedkeuring alsnog wordt verkregen. Fivente erkent hierbij dat de Gemeente in het kader van de uitvoering van deze overeenkomst vanuit haar publiekrechtelijke verantwoordelijkheid voor een goede ruimtelijke ordering en volkshuisvesting binnen haar territoir, de uiteindelijke beslissing houdt omtrent de aanvaardbaarheid van de door, vanwege en/of tezamen met Fivente c.q. met haar verbonden partijen vervaardigde plannen, ontwerpen en overige voorstellen betreffende de realisatie en inrichting van het herstructureringsgebied. De Gemeente zal zoveel als redelijkerwijze mogelijk is, rekening houden met de gerechtvaardigde belangen van Fivente en het bepaalde in lid 3 van dit artikel geldt onverkort.
27.3 Het niet verlenen dan wel de niet-tijdige verlening van, respectievelijk het niet-tijdig onaantastbaar zijn, van de vereiste vergunningen geeft op zich geen van partijen het recht om de wederpartij aan te spreken tot vergoeding van enigerlei schade, kosten of interessen.
(…)

Artikel 32 Ontbinding van de overeenkomst

(…)
32.2 Partijen kunnen deze overeenkomst door middel van een aangetekende brief geheel of gedeeltelijk ontbinden (eenzijdig en zonder enige ingebrekestelling en zonder rechterlijke tussenkomst met inachtneming van een termijn van 1 maand):
(…)
d. ingeval de benodigde planologische maatregel en/of omgevingsvergunning ten behoeve van het bouwplan niet kan worden verleend of er zich andere omstandigheden voordoen die van invloed zijn op de realisering van het bouwplan;

e. ingeval voldoende vast staat dat geen onherroepelijke omgevingsvergunning (voor de activiteit bouwen) kan worden verkregen voor het bouwplan, of voor een gedeelte daarvan;

(…)
h. ingeval op 31 december 2017 geen onherroepelijke omgevingsvergunning voor het Ontwikkelplan is afgegeven door de gemeente en het Verkochte niet notarieel is overgedragen aan Koper.
(…)

Artikel 36 Duur van de overeenkomst

Deze overeenkomst treedt in werking na ondertekening en duurt voort totdat partijen aan alle verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst jegens elkaar hebben voldaan, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 30 ter zake van de tussentijdse ontbinding van de overeenkomst, doch uiterlijk tot 31 december 2017, tenzij Partijen anders overeenkomen.

(…)”

2.7.

Op 15 december 2017 heeft het college een ‘ontwerp-postzegelbestemmingsplan’ (hierna: het ontwerpbestemmingsplan) met een ontwikkelingsschets ter ‘oordeelsvorming/peilen van gevoelens’ aan de gemeenteraad toegezonden. Het ontwerpbestemmingsplan is besproken in de raadscommissie Stad en Ruimte.

2.8.

Op 26 januari 2017 heeft de gemeenteraad overwogen dat het in procedure brengen van het ontwerpbestemmingsplan op dat moment nog niet wenselijk was. Zij heeft het college opgedragen een beeldvormende avond te beleggen over het op 27 februari 2014 door de gemeente vastgestelde ontwikkelingsplan voor de buurt (Havenkwartier) waarin het perceel is gelegen (hierna: Ontwikkelingsplan Havenkwartier) en vervolgens een plan van aanpak op te stellen voor de verdere uitwerking van en invulling van het perceel en indien nodig voor herijking van de visie op de ontwikkeling van het Havenkwartier. Daarbij dienden de gemeenteraad, de omgeving en belanghebbenden te worden betrokken. Het besluit van de gemeenteraad wordt hierna in navolging van partijen aangeduid als Motie I.

2.9.

Bij brief van 29 maart 2017 heeft het college de gemeenteraad geïnformeerd over de gehouden bijeenkomsten. In de brief is onder meer vermeld:
“(…) Op basis van hetgeen is opgehaald tijdens de beide bijeenkomsten constateren wij dat het ontwikkelingsplan Havenkwartier als visiedocument nog steeds voldoet. Ook constateren wij dat het bebouwingsvoorstel zoals dat verbeeld is in het ontwerpbestemmingsplan in lijn is met het gedachtengoed van de visie en past in het gekozen maar nog uit te werken voorkeursmodel voor de Westersingel. Daarom stellen wij voor om één á twee uitwerkavonden te organiseren waarin we samen met de ontwikkelaar en architect de plannen verder vorm en inhoud gaan geven.

(…)”

2.10.

Op 22 juni 2017 heeft de gemeenteraad overwogen dat het onvoldoende duidelijk is of het ontwikkelplan Havenkwartier nog voldoende valide is om als basis voor toekomstige ontwikkelingen te kunnen dienen of dat de visie moet worden herijkt, dat onduidelijk is wat de consequentie kan zijn van de voorgenomen ontwikkeling locatie brandweerkazerne op het complete eindbeeld van de ontwikkeling van het Havenkwartier en dat het om die reden op dit moment nog niet wenselijk is om het ontwerpbestemmingsplan in procedure te brengen. De gemeenteraad heeft het college opgedragen om – kort gezegd – nader onderzoek te verrichten, geen besluiten te nemen die onomkeerbare ruimtelijke gevolgen hebben voor de ontwikkeling binnen het Havenkwartier en niet over te gaan tot vervreemding van gronden in die wijk. Zij heeft uitgesproken dat zij tot het moment waarop de resultaten van de onderzoeken in de gemeenteraad zullen worden behandeld, geen besluiten zal nemen die niet passen binnen het vigerende bestemmingsplan en onomkeerbare ruimtelijke gevolgen hebben die ontwikkelingen in het Havenkwartier en Westersingel voor toekomstige generaties blokkeren. Het besluit van de gemeenteraad wordt hierna aangeduid als Motie II.

2.11.

Bij brief van 9 november 2017 heeft de gemeente Fivente meegedeeld dat de samenwerkingsovereenkomst op 31 december 2017 van rechtswege zal eindigen. In die brief deelt de gemeente verder mee dat zij de overeenkomst volledigheidshalve ook zal ontbinden op grond van artikel 32 sub h van die overeenkomst.

2.12.

Bij besluit van 5 december 2017 heeft het college besloten om in lijn met Motie II geen medewerking te verlenen aan het verzoek van Fivente om met een wijzigingsverzoek op grond van het vigerende bestemmingsplan de ontwikkeling van het perceel alsnog mogelijk te maken. Fivente heeft tegen dit besluit bezwaar ingesteld.

3 Het geschil

3.1.

Fivente vordert – beknopt weergegeven – een verklaring voor recht dat de gemeente toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de samenwerkingsovereenkomst, althans onrechtmatig jegens Fivente heeft gehandeld, en veroordeling van de gemeente tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat, vermeerderd met kosten.

3.2.

De gemeente voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Fivente legt aan haar vordering primair ten grondslag dat de gemeente zich heeft verbonden tot het behalen van de in artikel 4 van de samenwerkingsovereenkomst genoemde resultaten en dat zij is tekortgeschoten in de nakoming van die resultaatsverbintenissen doordat het vigerende bestemmingsplan niet is gewijzigd en er geen onherroepelijke omgevingsvergunning is verleend. Daarnaast heeft de gemeente zich volgens Fivente onvoldoende ingespannen om de planologische procedures zo adequaat en voortvarend mogelijk te voeren (artikel 22.2 en 27.1 samenwerkingsovereenkomst) doordat zij a) niet heeft geverifieerd of het ontwerpbestemmingsplan past binnen het Ontwikkelplan Havenkwartier, b) de gemeenteraad onvolledig heeft geïnformeerd over de samenwerkingsovereenkomst, c) de verantwoordelijk wethouder het ontwerpbestemmingsplan tijdens de behandeling bij een commissie van de gemeenteraad op 18 januari 2017 heeft teruggetrokken, d) die wethouder bij die gelegenheid heeft aangedrongen op het ontwikkelen van een nieuwe visie voor het perceel en heeft opgeroepen tot het indienen van een motie daarover, e) op 13 juli 2017 gemaakte afspraken om een binnenplanse wijziging te onderzoeken niet is nagekomen, f) heeft geweigerd gebruik te maken van de bevoegdheid tot wijziging van de bestemming op grond van artikel 15.4.1 van het vigerende bestemmingsplan (‘binnenplanse wijziging’), g) geen, althans onvoldoende voortvarend uitvoering heeft gegeven aan de uitvoering van Motie II en de samenwerkingsovereenkomst niet zo nodig heeft verlengd en h) nog voor het einde van de samenwerkingsovereenkomst uitsluitend heeft aangestuurd op beëidiging daarvan. Verder is de gemeente volgens Fivente tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen uit hoofde van artikel 29.2 van de samenwerkingsovereenkomst doordat zij heeft verzuimd adequaat te reageren op het moment dat al in januari 2017 (na Motie I) bleek dat de overeengekomen planning (bijlage 3 samenwerkingsovereenkomst) vertraging zou oplopen en haar (Fivente) over die Motie I en de vervolgstappen niet heeft geïnformeerd. Verder heeft de gemeente in strijd met artikel 27.2 van de samenwerkingsovereenkomst Fivente niet in de gelegenheid gesteld om het ontwerp bestemmingsplan zo aan te passen dat alsnog de goedkeuring van de gemeenteraad kon worden verkregen, aldus Fivente. Fivente stelt dat zij als gevolg van de tekortkoming schade lijdt en dat zij thans nog niet in staat is om die schade precies te berekenen.

4.2.

De gemeente betwist dat zij is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen en in dit verband dat op haar een resultaatsverbintenis rustte. Volgens de gemeente bracht Motie II mee dat zij geen verdere uitvoering kon geven aan de samenwerkingsovereenkomst en dat die overeenkomst is geëindigd. Verder weerspreekt de gemeente dat Fivente als gevolg van een eventuele tekortkoming de door haar gestelde schade lijdt en beroept zij zich op eigen schuld.

4.3.

De rechtbank zal eerst de vraag beantwoorden of de gemeente zich heeft verbonden tot het behalen van de in artikel 4 van de samenwerkingsovereenkomst genoemde resultaten. De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het aan op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158).

4.4.

Zoals ook door Fivente zelf naar voren is gebracht stroken de in deel III van de samenwerkingsovereenkomst duidelijk genoemde inspanningsverbintenissen van de gemeente (zie met name de artikelen 22.2 en 27.1) niet met een betekenis van artikel 4 van die overeenkomst die inhoudt dat de gemeente zich heeft verbonden om de in dat artikel genoemde resultaten te behalen. Ook de bepalingen die ervan uitgaan dat de in artikel 4 genoemde resultaten niet zullen worden behaald (artikelen 27.3 en 32.2) verhouden zich niet met de door Fivente gestelde uitleg van artikel 4. Daar komt bij dat Fivente als professioneel projectontwikkelaar niet kon verwachten dat, nu de gemeenteraad nog een besluit diende te nemen over de wijziging van het vigerende bestemmingsplan, de gemeente gelet op de autonome positie die de gemeenteraad binnen de gemeente bekleed zich zou verbinden tot het behalen van de in artikel 4 genoemde resultaten. Dat geldt te meer nu in de overeenkomst op verschillende plaatsen is gerefereerd aan de publiekrechtelijke verantwoordelijkheden van de gemeente en deze mogelijk kunnen afwijken van de belangen van Fivente. Artikel 4 van de samenwerkingsovereenkomst dient daarom zo te worden uitgelegd dat de gemeente zich diende in te spannen om de in dat artikel genoemde doelen te behalen. De door Fivente genoemde omstandigheid dat partijen ten tijde van de ondertekening van de samenwerkingsovereenkomst al 1,5 jaar samenwerkten, zij tijdens de onderhandelingen over de overeenkomst al bezig waren met de ruimtelijke onderbouwing van het ontwerpbestemmingsplan en dit plan al bijna klaar was, zijn onvoldoende om anders te oordelen. Dat de gemeenteraad, zoals Fivente stelt, ‘van de hoed en de rand’ wist en er tijdens de onderhandelingen over artikel 4 van de overeenkomst een te behalen doel is toegevoegd is gelet op de hiervoor genoemde argumenten evenmin voldoende.

4.5.

De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van Fivente dat het college niet heeft geverifieerd of het ontwerpbestemmingsplan binnen het Ontwikkelplan Havenkwartier past. Fivente heeft onvoldoende concreet toegelicht waarom dat ontwerpbestemmingsplan niet binnen het Ontwikkelplan Havenkwartier past en heeft daarmee haar stelling onvoldoende onderbouwd.

4.6.

De stelling van Fivente dat, zo begrijpt de rechtbank, de gemeenteraad niet is geïnformeerd over het bestaan van de samenwerkingsovereenkomst passeert de rechtbank. De gemeente heeft onweersproken gesteld dat de samenwerkingsovereenkomst in het ontwerpbestemmingsplan is genoemd. In het licht daarvan is de stelling van Fivente onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd.

4.7.

Zonder nadere toelichting valt niet in te zien waarom de gemeente haar inspanningsverplichting niet is nagekomen doordat de verantwoordelijk wethouder het ontwerpbestemmingsplan tijdens de behandeling bij een commissie van de gemeenteraad op 18 januari 2017 heeft teruggetrokken en hij bij die gelegenheid heeft aangedrongen op het ontwikkelen van een nieuwe visie voor het perceel en heeft opgeroepen tot het indienen van een motie daarover. Uit de overgelegde producties, waaronder Motie I, blijkt immers dat er binnen de gemeenteraad geen draagvlak was voor een wijziging van het bestemmingsplan. Fivente heeft op dit punt onvoldoende gesteld voor de conclusie dat de gemeente is tekortgeschoten.

4.8.

Fivente heeft tijdens de comparitie naar voren gebracht dat de samenwerkingsovereenkomst weliswaar primair een bestemmingsplanwijziging door de gemeenteraad beoogde, maar dat in de overeenkomst besloten ligt dat de gemeente zo nodig gebruik zou maken van haar bevoegdheid om de bestemming van het perceel binnen het vigerende bestemmingsplan te wijzigen. De rechtbank oordeelt dat Fivente daartoe onvoldoende heeft gesteld. De enkele omstandigheid dat de mogelijkheid van gebruikmaking van die bevoegdheid in het voortraject (op ambtelijk niveau) als alternatief voor de bestemmingsplanwijziging is besproken, is daartoe onvoldoende. Partijen hebben uit de besproken alternatieven immers blijkens de tekst van de samenwerkingsovereenkomst een keuze uit die alternatieven gemaakt. Voor zover de stellingen van Fivente zo moeten worden begrepen dat de gemeente op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid gehouden was om gebruik te maken van haar bevoegdheid, verwerpt de rechtbank die stelling. Gelet op de hiervoor genoemde uitleg van de overeenkomst en de autonomie van de gemeenteraad, was het college niet gehouden om tegen de wil van de gemeenteraad (zie Motie II) gebruik te maken van haar bevoegdheid. Bij gebreke van een verbintenis van de gemeente op dit punt, is de gemeente dus niet tekortgeschoten door geen gebruik te maken van haar bevoegdheid tot wijziging van de bestemming op grond van het vigerende bestemmingsplan.

4.9.

De stelling dat de gemeente heeft verzuimd adequaat te reageren op het moment dat al in januari 2017 bleek dat de overeengekomen planning vertraging zou oplopen, is niet geconcretiseerd en in het licht van de inhoud van de brief van 29 maart 2017 van het college aan de gemeenteraad onvoldoende onderbouwd. Ook die stelling wordt gepasseerd.

4.10.

Indien voorts veronderstellenderwijs ervan moet worden uitgegaan dat de gemeente is tekortgeschoten in haar informatieplicht jegens Fivente of onvoldoende voortvarend uitvoering heeft gegeven aan Motie II, heeft Fivente onvoldoende gemotiveerd dat de gemeenteraad bij het wegdenken van deze veronderstelde fouten voor het einde van de overeenkomst het bestemmingsplan zou hebben gewijzigd. In zoverre ontbreekt een belang bij de vorderingen.

4.11.

Tijdens de comparitie heeft Fivente nog naar voren gebracht dat, naar de rechtbank begrijpt, het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de gemeente zich heeft beroepen op artikel 32 of 36 van de samenwerkingsovereenkomst. Verder heeft zij tijdens de comparitie gesteld dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld doordat zij zonder goede grond de samenwerking heeft beëindigd. Volgens Fivente heeft de gemeente gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en gaf Motie II geen aanleiding om de overeenkomst te beëindigen.

4.12.

De rechtbank overweegt allereerst dat de samenwerkingsovereenkomst van rechtswege is geëindigd. Op het moment van beëindiging had de gemeenteraad het bestemmingsplan niet gewijzigd. Het stond de gemeente daarom in beginsel vrij om zich op artikel 36 van de samenwerkingsovereenkomst te beroepen. Feiten of omstandigheden op grond waarvan dit onrechtmatig zou zijn of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, zijn niet gesteld. Dat geldt ook indien zou komen vast te staan dat de gemeente met meer voortvarendheid Motie II had kunnen uitvoeren. Fivente heeft niet concreet gesteld wat de gemeente ter uitvoering van Motie II sneller had moeten doen en heeft niet onderbouwd dat in het geval de gemeente meer voortvarendheid zou hebben betracht, er een concreet perspectief bestond dat het bestemmingsplan binnen afzienbare tijd zou kunnen worden gewijzigd. Welke algemene beginselen van behoorlijk bestuur de gemeente heeft geschonden, is niet gesteld.

4.13.

Het voorgaande brengt mee dat de vorderingen van Fivente dienen te worden afgewezen. Zij zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding worden veroordeeld, aan de zijde van de gemeente begroot op € 626,00 aan griffierecht en € 1.086,00 voor salaris advocaat (2 punten tarief II). De gevorderde nakosten en wettelijke rente zijn toewijsbaar als hierna is vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen van Fivente af;

5.2.

veroordeelt Fivente in de kosten van het geding, aan de zijde van de gemeente begroot op € 626,00 aan verschotten en € 1.086,00 aan salaris en op € 157,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na dit vonnis dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

5.3.

verklaart dit vonnis voor zover dit de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Louwerse en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2019.