Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:4853

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-10-2019
Datum publicatie
07-11-2019
Zaaknummer
C/02/363936 / JE RK 19-1879
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Jongere met langdurige geschiedenis van trauma en (gesloten) plaatsingen, verdient een voortvarende behandeling in gesloten plaatsing. Gewerkt moet worden aan het zo snel mogelijk vergroten van zijn zelfstandigheid, waarbij hij een band moet kunnen opbouwen met een zo klein mogelijk aantal hulpverleners waaronder een mentor die hem ook bij toekomstige overplaatsing zal blijven volgen. Standaardoplossingen, mede gekozen op basis van financiële overwegingen, zijn niet toereikend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaakgegevens : C/02/363936 / JE RK 19-1879

datum uitspraak : 30 oktober 2019

nadere beschikking machtiging gesloten jeugdhulp

in de zaak van

STICHTING INTERVENCE, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI),

gevestigd te Middelburg,

betreffende

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2003 te [woonplaats] , hierna te noemen [minderjarige] ,

advocaat: mr. R.T.K. Davidse te Middelburg.

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[minderjarige] , voornoemd.

De kinderrechter merkt als informant aan:

[belanghebbende] , hierna te noemen de moeder,

wonende te Middelburg.

Het verdere procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van 15 oktober 2019 en alle daarin genoemde en vermelde stukken,
waaronder de instemmende verklaring d.d. 8 oktober 2019 van de gekwalificeerde gedragswetenschapper;

- de brief van 25 oktober 2019 van mr. Davidse;

- de briefrapportage van 28 oktober 2019 van de GI, met bijlagen.

Op 30 oktober 2019 heeft de kinderrechter de zaak nader ter zitting – met gesloten deuren –behandeld.

Gehoord zijn:

- de minderjarige [minderjarige] , bijgestaan door mr. R.T.K. Davidse, zowel tijdens het afzonderlijke kindgesprek als ter zitting,

- de moeder,

- [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] namens de GI.

De feiten

Bij beschikking van de rechtbank van 18 juli 2018 is het ouderlijk gezag van de moeder – die het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] uitoefende – beëindigd en is de gecertificeerde instelling Stichting Intervence benoemd tot voogdes over [minderjarige] .

Bij beschikking van de kinderrechter van 7 oktober 2019 is een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp verleend voor de duur van twee weken, met ingang van 7 oktober 2019 en tot 21 oktober 2019, een en ander zonder voorafgaand verhoor van de betrokkenen.

Bij beschikking van de kinderrechter van 15 oktober 2019 is de spoedmachtiging gesloten jeugdhulp verlengd voor de duur van twee weken, met ingang van 21 oktober 2019 en tot 4 november 2019. De beslissing op het (reguliere) verzoek tot machtiging gesloten jeugdhulp betreffende [minderjarige] is aangehouden tot de zitting van 30 oktober 2019.

Op grond van laatstgenoemde beschikking verblijft [minderjarige] bij de Vliethoeve van Juzt.

Het verzoek

Ter beoordeling ligt voor het verzoek tot machtiging gesloten jeugdhulp betreffende de minderjarige [minderjarige] voor de duur van één jaar.

De standpunten

De GI benadrukt dat [minderjarige] na meerdere incidenten tijdens zijn verblijf in de voorziening van Juvent aan de Maximastraat eerst moet worden gestabiliseerd in een gesloten setting, zoals ook is vastgesteld door de gedragswetenschapper. [minderjarige] heeft nu bijna 4 weken verbleven binnen de gesloten setting De Vliethoeve. In deze weken hebben zich enkele incidenten voorgedaan binnen de Vliethoeve waarbij [minderjarige] onder meer dreigend en zelfbepalend is geweest. De GI benadrukt, onder overlegging van een activiteitenoverzicht, dat hard is gewerkt om vast te stellen wat de verblijf- en behandelmogelijkheden voor [minderjarige] zijn, met inachtneming van de beschikking van de kinderrechter van 15 oktober 2019. Opvang bij Juvent aan de Maximastraat is niet meer mogelijk. De uitvoerende hulpinstantie Stipzorg bleek niet bereid de begeleiding op dezelfde basis voort te zetten. De gemeente geeft daarvoor bovendien geen toestemming vanwege de hoge kosten, terwijl de reeds gemaakte kosten onderwerp zijn van een geschil met de gemeente. Daarnaast denkt de GI zelf, mede op basis van het overleg in het expertteam, dat behandeling in een gesloten setting nu de voorkeur verdient. Na stabilisering is het van belang dat [minderjarige] behandeling krijgt voor trauma’s en agressieregulatie aan de hand van schematherapie. Daarnaast moet aan het gezinssysteem worden gewerkt. De Vliethoeve wilde eerst deze behandeling bieden met ambulante hulpverlening maar dat blijkt niet mogelijk, mede omdat De Vliethoeve gaat sluiten.

In verband met de aanstaande sluiting van de Vliethoeve zal [minderjarige] waarschijnlijk worden doorgeplaatst naar een instelling in Zetten (OGH) of Deurne (JBB). Daarbij wordt geprobeerd hem in de instelling te plaatsen waar ook zijn zusje zal worden geplaatst. Dit levert wel een uitdaging op voor de noodzakelijk geachte systeembehandeling omdat dit voor de in Vlissingen wonende moeder in financieel opzicht grote problemen op zal leveren. Er wordt daarnaast geprobeerd de komende periode constantheid te bieden in de begeleiding, bijvoorbeeld door ambulante hulpverlening door een van de door [minderjarige] zelf genoemde zorgverleners te organiseren. Ook moet nu vanuit geslotenheid worden gewerkt aan een minimaal aantal overplaatsingen naar een uiteindelijk open voorziening waar [minderjarige] ook kan worden opgevangen vanaf zijn achttiende levensjaar.

In de bijlagen bij de aanvullende rapportage van de GI bevindt zich onder meer een “Aanvulling en advies Expertteam”, geschreven door een gedragswetenschapper van de Vuurtoren. Deze aanvulling luidt als volgt:

“Wat mij het meest opvalt is de vele wisselingen in woonplek. Dit gaat gepaard met evenveel wisselingen in hulpverleners. Wat ik me dan afvraag is: is er een constante factor in zijn leven? Zijn er mensen waar hij steun aan ervaart? Ik zou hem in elk geval een JIM gunnen, iemand die hem niet laat vallen, maar die met hem mee blijft gaan, waar hij ook heen gaat.

Daarnaast weet ik niet wat deze crisis heeft veroorzaakt, maar hoe ging het op Acreon? Is het mogelijk dat dingen die wel goed gingen, zoveel mogelijk doorgetrokken worden, zodat hij zoveel mogelijk stabiliteit ervaart?

Je zou hem inderdaad een plek gunnen waar hij volwassen kon worden en waar hij niet elke keer weg hoeft, dus een plek waar ze enerzijds heel veel zorg kunnen bieden (high care) en waar ze ook af kunnen schalen en waarbij hij zoveel mogelijk in een voor hem bekende omgeving blijft, waar zaken als school, een sport, een bijbaantje zoveel mogelijk door kunnen lopen. Het terrein van Deurne biedt daar inderdaad wel de opties voor. Dit is wel ver weg bij moeder. Ik weet niet welke rol moeder heeft in zijn leven. Het lijkt me sowieso belangrijk om te investeren in een netwerk voor deze jongen, in elk geval naast moeder.”

[minderjarige] en zijn advocaat hebben benadrukt dat het ondanks de beschreven problemen veel beter gaat met hem. Hij had veel moeite met het opnieuw gesloten moeten zitten, onder meer omdat hij nu zijn baan in een restaurant zal verliezen. Zelf benadrukt hij dat hij weet dat hij boos kan overkomen, maar dat hij in de Vliethoeve ook vooral te maken had met care-flexers (uitzendkrachten) die niet weten hoe ze met hem om moeten gaan. Het werd hem niet toegestaan met een hem vertrouwde medewerker van de groepsleiding te praten, alleen omdat deze nu op een andere groep werkt. Op de Maximastraat ging hij bij boosheid naar zijn kamer of naar buiten om af te koelen en bleef daardoor uit de problemen. Hij erkent dat hij, onder meer door de bij hem vastgestelde reactieve hechtingsstoornis, minder goed met situaties om kan gaan dan anderen, maar hij vindt dat het veel beter gaat. Hij is minder vaak en minder ernstig boos naar anderen. Hij vindt het daarom niet terecht dat alleen naar de negatieve kanten wordt gekeken. Hij heeft goed gewerkt in het restaurant en heeft ook veel gepresteerd op school.

Hij heeft er veel moeite mee dat hij misschien uit Zeeland weg zal moeten en hij zal het wederom moeilijk krijgen in de groepsstructuur van een nieuwe instelling. Dit zal geen bij hem passend aanbod vormen.

Op basis hiervan bepleit de advocaat met [minderjarige] en zijn moeder dat het verzoek wordt afgewezen, althans voor kortere tijd wordt toegewezen. In dat verband wijst de advocaat erop dat de gedragswetenschapper instemming heeft gegeven voor 6 maanden gesloten plaatsing, waarvan de eerste maand al is verstreken.

De nadere beoordeling

Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet kan een machtiging gesloten jeugdhulp slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dient de opneming en verblijf noodzakelijk te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt allereerst dat een terugplaatsing van [minderjarige] naar de voorziening op de Maximastraat niet langer mogelijk is. Aan de ene kant wijst de GI op het soms onvoorspelbare en agressieve gedrag van [minderjarige] in die voorziening, waarbij hij liet zien onvoldoende met vrijheden te kunnen omgaan. Aan de andere kant blijkt ook dat de gemeente geen toestemming geeft voor plaatsing in deze voorziening vanwege de hoge kosten. De kinderrechter vindt deze laatste ontwikkeling meer dan betreurenswaardig. [minderjarige] is een minderjarige met een erg uitgebreide voorgeschiedenis van trauma en hechtingsstoornis. De ernst en omvang van deze problematiek bij [minderjarige] brengt met zich mee dat, zoals inmiddels ook is gebleken, de standaard beschikbare voorzieningen uiteindelijk tekortschieten in het opvangen en behandelen van [minderjarige] .

Het valt te prijzen dat de GI voor een ongebruikelijke en creatieve behandeling heeft gekozen door [minderjarige] in de afgelopen periode op de Maximastraat te plaatsen, ook al heeft dat tot heden niet volledig resultaat opgeleverd. Deze plaatsing heeft er wel voor gezorgd dat [minderjarige] onder meer een succeservaring heeft opgedaan met het werken (en gewaardeerd worden) in een dienstverband. Ook volgt uit de beschrijving van de GI en de gedragswetenschapper dat met [minderjarige] stappen zijn gezet in het zelf reguleren van emotie. Een voorbeeld daarvan is de positieve wijze waarop hij zich aanvankelijk opstelde in de Maximastraat. De vasthoudendheid waarmee [minderjarige] al langere tijd en ondanks alle tegenslagen werkt aan verbetering van zijn leven is bewonderingswaardig en is een ontwikkeling die ondersteund moet worden.

De kinderrechter houdt daarbij, net als de GI, oog voor de problemen die de situatie van [minderjarige] met zich brengt. Het staat voldoende vast dat de ontwikkelingen in persoonlijkheid en gedrag van [minderjarige] op dit moment nog niet zodanig zijn dat hij, zoals hij dat graag wil, in een open voorziening kan leven, werken en leren. De GI stelt terecht dat er nog geen veilige situatie is bereikt en dat het gevaar bestaat dat [minderjarige] zich weer aan hulpverlening zal onttrekken.

Het is dan ook, mede door het niet langer beschikbaar zijn van (financiering voor) een plaatsing in de voorziening van Juvent aan de Maximastraat, noodzakelijk dat [minderjarige] gesloten wordt geplaatst. Deze plaatsing dient echter van een zo kort mogelijk duur te zijn en moet gekenmerkt worden door een voortdurende inzet op behandeling van [minderjarige] . De omstandigheid dat met alles wat al bekend is over [minderjarige] na vier weken gesloten opvang nog geen sprake is van een behandelplan is niet acceptabel te noemen. De GI kan, gelet op de wachtlijst problematiek, niet volledig verantwoordelijk worden gehouden voor de ontstane situatie. Dat neemt echter niet weg dat een begin had moeten worden gemaakt met de behandeling. De kinderrechter is van oordeel dat er geen geldige argumenten meer zijn te bedenken voor een minder dan voortvarende aanpak van de situatie van [minderjarige] .

De kinderrechter overweegt in dit verband dat aan zijn aanwijzing in de voorgaande beschikking van 15 oktober 2019, dat op korte termijn een gesprek met een psycholoog of een vergelijkbare hulpverlener moet plaatsvinden, onvoldoende uitvoering is gegeven. De enkele vaststelling dat er éénmaal een gesprek is aangeboden en dat [minderjarige] weigerde daaraan mee te werken, schiet in dit verband tekort.

[minderjarige] heeft een jarenlange ervaring in gesloten en open instellingen naar aanleiding van een traumatisch verlopen jeugd. Hijzelf vraagt er aandacht voor dat hij inmiddels op bijna 20 plekken heeft verbleven met daarbij een veelvoud daarvan aan hulpverleners. In dat verband zijn met name de vragen en opmerkingen van belang zoals die zijn opgesteld door de gedragswetenschapper van Vuurtoren en die hiervoor onder het kopje Standpunten integraal zijn weergegeven. Een standvastige aanpak met vaste begeleiders is van groot belang en dient zo snel mogelijk te worden gestart.

Gelet op alle voorgaande overwegingen is de kinderrechter van oordeel dat de gesloten plaatsing voor drie maanden moet worden toegewezen, onder aanhouding van iedere verdere beslissing. De GI moet deze periode gebruiken voor een vlotte doorplaatsing van [minderjarige] naar een instelling waar hij de bij hem passende behandelingen kan krijgen. Daarbij moet steeds gezocht worden naar mogelijkheden om dit in een zo open mogelijke setting te laten plaatsvinden. Daarnaast moet de GI een vaste ambulante zorgverlener benoemen als mentor voor de verdere duur van de (jeugd)hulpverlening aan [minderjarige] . Dit moet de zorgverlener zijn die [minderjarige] vertrouwt en van wie de naam bekend is bij de GI. Dit is nodig omdat de kinderrechter, net als [minderjarige] en de GI, vaststelt dat een zelf ingebrachte mentor (JIM) niet beschikbaar is binnen de familie van [minderjarige] .

Het restant van het verzoek zal worden beoordeeld op de hierna te noemen zittingsdatum.

De GI moet twee weken voorafgaand aan die zitting een verslag van de nu lopende periode inbrengen met daarbij een nieuwe instemmingsverklaring van een gedragswetenschapper. De kinderrechter vindt het erg belangrijk dat dit dezelfde gedragswetenschapper zal zijn die de eerdere verklaring heeft opgesteld. [minderjarige] heeft eerder verteld dat hij met deze gedragswetenschapper een prettig contact heeft gehad. Deze aanpak past ook binnen de gedachte dat [minderjarige] zoveel mogelijk te maken heeft met mensen die hij al kent en misschien kan leren vertrouwen.

De kinderrechter benadrukt dat hij hoopt en verwacht dat [minderjarige] zijn best zal doen om de eerste teleurstelling over deze beslissing te verwerken en zijn energie te gebruiken om zijn eigen situatie te verbeteren. De kinderrechter heeft goed gezien hoe teleurgesteld en boos [minderjarige] was na de zitting. [minderjarige] verdient een groot compliment voor de manier waarop hij ondanks die boosheid en teleurstelling rustig is gebleven in de zittingszaal en daarbuiten. Dat is geen kleine prestatie.

De beslissing

De kinderrechter:

verleent een machtiging gesloten jeugdhulp betreffende [minderjarige] met ingang van 4 november 2019 en tot 4 februari 2020;

houdt de beslissing op het resterende deel van het verzoek aan tot de zitting van

dinsdag 21 januari 2020 te 13:30 uur, bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, Kousteensedijk 2, 4331 JE, in afwachting van het verslag van de GI en haar standpunt omtrent het resterende deel van het verzoek, zoals hiervoor overwogen;

bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de GI, [minderjarige] en zijn advocaat;

bepaalt dat de moeder, zijnde informant, bij afzonderlijke oproepingsbrief in kennis zal worden gesteld van voornoemde zitting;

behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2019 door mr. B.J. Duinhof, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. B.T.M. Wallerbos als griffier.

(BW)

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 5 november 2019.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch.