Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:4805

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
31-10-2019
Datum publicatie
25-11-2019
Zaaknummer
02/364260 HA RK 19-235
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer

Locatie: Breda

Procedurenummer: 02/364260 HA RK 19-235

Beslissing van 31 oktober 2019 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van:

De besloten vennootschap [naam] B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Standdaarbuiten, gemeente Moerdijk,

verzoekster,

gemachtigde mr. A.J.M. van der Borst, advocaat te Etten-Leur.

1 Procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:

  • -

    het proces-verbaal van de zitting in de hoofdzaak, van 3 oktober 2019, tijdens welke zitting het verzoek tot wraking is gedaan;

  • -

    de schriftelijke reactie van de gewraakte rechter, van 21 oktober 2019;

  • -

    de processtukken zoals opgenomen in het dossier van de rechtbank in de hoofdzaak;

  • -

    de behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer ter zitting van 25 oktober 2019, waarbij aanwezig waren: namens verzoekster, mr. A.J.M. van der Borst en namens de gedaagden in de hoofdzaak, mr. W.G. Reddingius.

2 Het verzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van mr. [voorletters] Kerkhofs, optredend als kantonrechter (hierna: de rechter) in de zaak met zaaknummer 7635392 CV EXPL 19-1952 (hierna: de hoofdzaak) op de gronden die verzoekster heeft uiteengezet in haar wrakingsverzoek.

2.2.

De rechter berust niet in het verzoek tot wraking.

3 Feiten

In de hoofdzaak heeft verzoekster AK Equine Swiss Spa B.V., BOFAALK Property B.V. en [naam] gedagvaard en gevorderd gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan verzoekster van een bedrag van € 19.904,50, met rente, en met veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding.

4 Het standpunt van verzoekster

Verzoekster heeft aangevoerd, kort weergegeven, dat de rechter de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt doordat:

  • -

    de rechter ter zitting heeft opgemerkt dat de dagvaarding niet aan de substantiëringsverplichting voldoet, zonder dat de wederpartij zich op dat standpunt had gesteld, en dat de kantonrechter suggereerde dat dit door verzoekster opzettelijk zou zijn gedaan om een voorsprong te hebben op de wederpartij op de comparitie;

  • -

    de rechter net deed of hij de stukken niet kende om de directeur van verzoekster, een leek op juridisch gebied, ten aanzien van deels juridisch getinte standpunten, aan een kruisverhoor te onderwerpen.

5 Het standpunt van de rechter

De rechter heeft aangevoerd dat:

  • -

    hij heeft kenbaar gemaakt dat hij vooralsnog vond dat de dagvaarding niet aan de substantiëringsverplichting voldoet, dat partijen daarop hebben mogen reageren en dat hij heeft gezegd dat hij daarover na zou denken;

  • -

    hij ter zitting heeft duidelijk gemaakt dat hij met vragen ter comparitie meer duidelijkheid verkrijgt van partijen en dat hij bij voorkeur vragen stelt aan partijen zelf en niet aan hun advocaat.

6 Het standpunt van de gedaagden in de hoofdzaak

De gedaagden in de hoofdzaak hebben aangevoerd dat:

  • -

    de rechter op juiste wijze heeft uiteengezet wat de substantiëringsverplichting inhoudt;

  • -

    de rechter terecht kritische vragen heeft gesteld en dat dit een normale gang van zaken is.

7 De beoordeling

7.1.

Op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

7.2.

Voorop moet worden gesteld, dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter als uitgangspunt geldt, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

7.3.

Naar het oordeel van de wrakingskamer kan uit geen van de door verzoekster aangevoerde wrakingsgronden, ook niet in onderlinge samenhang bezien, een zwaarwegende omstandigheid als bedoeld in 7.2 worden afgeleid.

7.4.

Uit het proces-verbaal van de zitting van 3 oktober 2019 blijkt dat de rechter een oordeel heeft gegeven over het al dan niet voldoen van de dagvaarding aan de substantiëringsverplichting, dat hij partijen in de gelegenheid heeft gesteld om daarop te reageren en dat hij heeft meegedeeld erover na te zullen denken.

De wrakingskamer overweegt dat de mededeling van de rechter erover na te zullen denken meebrengt, dat voor partijen duidelijk moet zijn geweest dat sprake was van een voorlopig oordeel. Het geven van een voorlopig oordeel leidt nog niet tot schijn van vooringenomenheid, hoewel het de rechter had gepast hierbij minder stellig te zijn.

De suggestieve opmerking dat sommige partijen bewust niet aan de substantiëringsverplichting voldoen om een voorsprong op de comparitie te hebben, brengt hierin geen verandering, hoewel deze opmerking beter achterwege had kunnen blijven.

7.5.

Naar het oordeel van de wrakingskamer hoort het door een rechter stellen van kritische vragen ter zitting, ook aan een leek, bij het werk van een rechter. Er was geen reden om aan te nemen dat dit eenzijdig gebeurde, omdat de rechter heeft opgemerkt dat hij aan beide partijen vragen wilde stellen, maar dat hij pleegt te beginnen met de eiser. De rechter heeft zich bij het stellen van vragen aan verzoekster weliswaar af en toe stevig opgesteld, maar dat is onvoldoende om de schijn van vooringenomenheid te wekken. Daar komt bij dat verzoekster zich van juridische bijstand van een advocaat had voorzien en dat die advocaat waar nodig de antwoorden van zijn cliënte heeft kunnen aanvullen en juridisch heeft kunnen duiden.

7.6.

Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van de wrakingskamer niet gebleken dat de bij verzoekster bestaande vrees dat de rechter ten aanzien van verzoekster vooringenomenheid koestert objectief gerechtvaardigd is.

7.7.

Dit alles leidt ertoe dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen.

8 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    wijst het verzoek tot wraking af;

  • -

    bepaalt dat de behandeling van de zaak met zaaknummer 7635392 CV EXPL 19-1952 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.

Deze beslissing is gegeven op 31 oktober 2019, door mr. Peters, voorzitter, mr. De Roos en mr. Pellikaan, leden van de wrakingskamer, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. Van Wijk, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.