Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:4775

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
31-10-2019
Datum publicatie
14-11-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1772
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bpm/Unierecht

Met betrekking tot de hoogte van de verschuldigde Bpm verwerpt de rechtbank de stelling van belanghebbende dat in het licht van de toepassing van het Unierecht op de bestaande nationale heffingsmodaliteit het op de weg van de inspecteur ligt, als partij die de bewijslast draagt, om de meest voordelige berekeningsmethode te onderzoeken.

Diverse andere onderwerpen (met veelal beroep op Unierecht): heffing griffierecht, rentevergoeding over teruggaaf Bpm, 30ha-rente, Irimie-rente, vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding redelijke termijn, vergoeding van materiële schade, hoogte (proces)kostenvergoeding, samenhangende zaken, rente over griffierecht, immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding in beroep, verplichting tot het stellen prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

Wetsverwijzingen
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992
Algemene wet inzake rijksbelastingen 30ha
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 14-11-2019
FutD 2019-2993
V-N Vandaag 2019/2570
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 18/1772 tot en met 18/1780

uitspraak van 31 oktober 2019

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur,

en

de Minister voor Rechtsbescherming,

de Minister.

De bestreden beslissingen

De uitspraken van de inspecteur van 16 februari 2018 op de bezwaren van belanghebbende tegen de voldoening van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) op aangifte ter zake van de volgende motorrijtuigen van het merk:

- Ford S Max 1.6 TDCi Titanium, met een VIN eindigend op [XXXX] (zaaknummer 18/1772);

- Mini 1.5. Cooper Pepper, met een VIN eindigend op [XXXX] (zaaknummer 18/1773);

- Range Rover Evoque 2.0 Si 4WD, met een VIN eindigend op [XXXX] (zaaknummer 18/1774).

De uitspraken van de inspecteur van 20 februari 2018 op de bezwaren van belanghebbende tegen de voldoening van Bpm op aangifte ter zake van de volgende motorrijtuigen van het merk:

- Mini Countryman 1.6 Cpr S All4 Chili, met een VIN eindigend op [XXXX] (zaaknummer 18/1775);

- Opel Mokka 1.4 T Cosmo, met een VIN eindigend op [XXXX] (zaaknummer 18/1776);

- Mini Countryman 1.6 Cooper S Chili, met een VIN eindigend op [XXXX] (zaaknummer 18/1777);

- Mini Countryman 1.6 Cooper S Chili, met een VIN eindigend op [XXXX] (zaaknummer 18/1778);

- Suzuki Swift 1.2 Bns Ed. EASSS, met een VIN eindigend op [XXXX] (zaaknummer 18/1779);

- Kia Sportage 1.6 GDI Plus Pack, met een VIN eindigend op [XXXX] (zaaknummer 18/1780);

De navolgende rentebeschikkingen:

  • -

    in zaaknummer 18/1772, de rentebeschikking van € 7 met dagtekening 23 februari 2018;

  • -

    in zaaknummer 18/1773, de rentebeschikking van € 8 met dagtekening 23 maart 2018.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2019 te Tilburg. Voor de verschenen personen en het verhandelde ter zitting verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting, waarvan een afschrift gelijktijdig met het afschrift van deze uitspraak aan partijen zal worden toegezonden.

1 Beslissing

De rechtbank verwijst naar de bijlage bij deze uitspraak waarin per zaaknummer de beslissing is vermeld.

2 Gronden

Vooraf: schending van de hoorplicht

2.1.

Belanghebbende heeft haar beroepsgrond, dat sprake is van schending van de hoorplicht, ter zitting met betrekking tot alle zaken ingetrokken.

Vooraf: rechtstreeks beroep in zaaknummers 18/1772 en 18/1773

2.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat in de zaaknummers 18/1772 en 18/1773 recht bestaat op een rentevergoeding op grond van artikel 30ha van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) (hierna: 30ha-rentevergoeding) omdat in deze zaken in de bezwaarfase een teruggaaf van Bpm heeft plaatsgevonden. In deze twee zaken is een dergelijke beschikking ook genomen. Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat via rechtstreeks beroep tegen deze beschikkingen, de rechtbank hierover een beslissing kan nemen.

Vooraf: wijze van beoordeling

2.3.

Het geschil in beroep betreft de hierna aan de orde komende onderwerpen. In verband met de behandeling daarvan merkt de rechtbank nog het volgende op. Sommige van de ‘algemene’, geheel of nagenoeg geheel rechtskundige standpunten van (de gemachtigde van) belanghebbende zijn eerder door rechterlijke instanties, soms ook reeds door de Hoge Raad, onjuist bevonden. De rechtbank heeft de in deze procedure aangevoerde argumenten gewogen om te zien of er aanleiding is anders te beslissen. Indien dat niet het geval is en de argumenten ook geen aanleiding geven voor een andere of nadere motivering, heeft de rechtbank bij de desbetreffende beroepsgrond volstaan met een verwijzing naar eerdere jurisprudentie. Verder is een aantal geschilpunten recent ook aan de orde geweest in zaken van belanghebbende waarin de rechtbank recent heeft beslist in haar uitspraak van 5 september 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:3946 (hierna: de uitspraak van 5 september 2019) respectievelijk 18 september 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:4232 (hierna: de uitspraak van 18 september 2019). Uit efficiëntie-overwegingen wordt hierna in voorkomende gevallen (mede) naar de overwegingen uit die uitspraken verwezen. De stellingen van belanghebbende dat de nationale rechter niet bevoegd is om Unierecht uit te leggen en dat verwijzingen naar bestaande jurisprudentie van nationaalrechtelijke instanties waarin dat wel is gebeurd daarom onjuist zijn, worden door de rechtbank verworpen.

Algemene overwegingen

Griffierecht

2.4.

Niet in geschil is dat het door de griffier geheven griffierecht in iedere zaak in overeenstemming is met artikel 8:41 van de Awb. Voor zover belanghebbende stelt dat in een of meer zaken slechts eenmaal griffierecht had mogen worden geheven, verwerpt de rechtbank dat standpunt. De beroepszaken zijn via afzonderlijke beroepschriften aanhangig gemaakt. De rechtbank verwerpt verder de beroepsgrond van belanghebbende dat gelet op het arrest Kantarev1 het griffierecht de toegang tot de rechter op ontoelaatbare wijze belemmert. Zij verwijst hiervoor naar hetgeen de Hoge Raad daarover heeft overwogen in zijn uitspraak van 11 oktober 2019.2 Belanghebbende heeft geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat in deze specifieke zaken wel sprake is van de hiervoor bedoelde belemmering.

BPM: heffingsmodaliteiten en bewijslast

2.5.

Met betrekking tot de hoogte van de verschuldigde Bpm stelt belanghebbende dat in het licht van de toepassing van het Unierecht op de bestaande nationale heffingsmodaliteit het op de weg van de inspecteur ligt, als partij die de bewijslast draagt, om de meest voordelige berekeningsmethode te onderzoeken en zij verwijst daarbij naar de mogelijkheid om de berekening te maken aan de hand van een koerslijst.

2.6.

Naar het oordeel van de rechtbank is het aan belanghebbende om gegevens aan te dragen waaruit kan worden afgeleid dat toepassing van een andere waarderingsmethode tot een hogere afschrijving leidt dan waarvan bij de aangifte is uitgegaan en, voor zover relevant, dat aan de voorwaarden van de toepassing van de alternatieve methode is voldaan.3 De rechtbank volgt belanghebbende dan ook niet in haar stelling dat de inspecteur de bewijslast heeft. Belanghebbende heeft geen bescheiden overgelegd ter onderbouwing van haar stelling dat, (met betrekking tot de zaken 18/1772 en 18/1773: met inachtneming van de vermindering in bezwaar) teveel Bpm is voldaan ter zake van de invoer van de onderhavige auto’s. De enkele vermeldingen in de pleitnota op pagina 11 van de termen leeftijdskorting en tussenliggend tarief zijn onvoldoende. Aldus is niet aannemelijk gemaakt dat op een zich reeds op de Nederlandse markt bevindende (goed vergelijkbare) referentieauto minder Bpm rustte en dat sprake is van belastingheffing in strijd met artikel 110 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie. Er is dan ook geen aanleiding de verschuldigde belasting op een lager bedrag vast te stellen.

BPM: ex-rentalkorting (met betrekking tot zaaknummers 18/1772 tot en met 18/1777 en 18/1779)

2.7.

Belanghebbende bepleit dat een ex-rentalkorting moet worden verleend ongeacht of de auto daadwerkelijk een huurverleden heeft. De rechtbank volgt belanghebbende daarin niet en verwijst naar overweging 2.12 van de uitspraak van 5 september 2019.

Rentevergoeding over teruggaaf BPM (alleen met betrekking tot zaaknummers 18/1772 en 18/1773)

2.8.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende over de periode van 1 april 2017 tot 16 maart 2018 en over de periode van 1 april 2017 tot 13 april 2018 recht heeft op een 30ha-rentevergoeding over de teruggaven die zijn verleend bij uitspraken op bezwaar. Deze zijn ook toegekend. Met hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd is niet aannemelijk gemaakt dat deze rente tot een te laag bedrag is vastgesteld. De uitbetaling ervan is door belanghebbende niet betwist.

Voor zover belanghebbende een rentevergoeding bepleit op basis van een hoger rentepercentage dan dat uit artikel 30hb van de AWR volg, ziet de rechtbank daarvoor geen grond, ook niet op basis van het Unierecht. De rechtbank verwijst naar overweging 2.16 van de uitspraak van 5 september 2019.

Voor zover belanghebbende rente over een langere periode bepleit, is de rechtbank niet bevoegd om deze procedure – waarin niet een beschikking in de zin van artikel 28c van de Invorderingswet 1990 aan de orde is – daarover te oordelen; het Unierecht, waaronder begrepen de verwijzing door belanghebbende naar het arrest Wörtmann4, maakt dat niet anders.5

De rechtbank heeft bij de onbevoegdverklaring in het dictum, in lijn met de uitspraken van 5 respectievelijk 18 september 2019, niet een verwijzing naar artikel 8:71 van de Awb opgenomen, omdat er wel een rechtsingang bij de belastingrechter is ter zake van voormelde artikel 28c-beschikking.

Hogere kostenvergoeding bezwaarfase (alleen met betrekking tot zaaknummers 18/1772 en 18/1773)

2.9.

De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende tevergeefs een vergoeding van de werkelijke kosten bepleit. Een hogere dan een forfaitaire vergoeding op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) kan slechts worden toegepast indien er sprake is van een bijzondere omstandigheid. Belanghebbende heeft daartoe onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld en ook overigens is niet gebleken van bijzondere omstandigheden. Het enkele feit dat in strijd met het Unierecht zou zijn geheven, brengt nog niet mee dat aanspraak op een hogere vergoeding dan een forfaitaire vergoeding kan worden gemaakt.6 Het beroep op artikel 47, derde alinea van het Handvest maakt dat niet anders, reeds omdat in de onderhavige zaken niet is gesteld dat belanghebbende niet beschikte over toereikende financiële middelen om rechtsbijstand te verkrijgen.

Vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn

2.10.

De rechtbank overweegt dat het hier gaat om procedures betreffende negen verschillende auto’s, waarin dezelfde geschilpunten ter discussie staan. De uitspraken op bezwaar bevatten allemaal (nagenoeg) dezelfde motivering. De motivering van het beroep was in nagenoeg alle zaken identiek, dan wel vergelijkbaar. De pleitnota met daarin een aanvullende motivering van het beroep heeft in één geschrift plaatsgevonden en was voor alle zaken identiek. Tenslotte zijn alle zaken gezamenlijk behandeld op de zitting van 9 oktober 2019. Gelet hierop bestaat er voor alle fasen van de procedure samenhang als omschreven in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rov. 3.10.2. Dit heeft tot gevolg dat ter vaststelling van het bedrag van de immateriële schadevergoeding voor alle zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar wordt gehanteerd.

2.11.

Tussen partijen is niet in geschil dat het oudste bezwaarschrift op 28 april 2016 door de inspecteur is ontvangen. De uitspraak van de rechtbank wordt op 31 oktober 2019 gedaan en dus afgerond 43 maanden na indiening van het bezwaarschrift. De redelijke termijn die staat voor de behandeling van bezwaar en beroep is als uitgangspunt 24 maanden, waarvan 6 maanden voor bezwaar en 18 maanden voor beroep. Nu er geen reden is om van dit uitgangspunt af te wijken, bedraagt de overschrijding van de redelijke termijn 19 maanden. Belanghebbende heeft daarmee recht op een vergoeding van immateriële schade van afgerond 4 x € 500 is € 2.000.

2.12.

Voor de verdeling daarvan tussen de inspecteur (bezwaarfase) en de Minister (beroepsfase) geldt het volgende. De bezwaarfase is geëindigd met het op de voorgeschreven wijze bekendmaken van de uitspraak op bezwaar, naar aanleiding van het oudste bezwaarschrift, op 16 februari 2018. De bezwaarfase heeft daarmee afgerond 22 maanden geduurd, waarmee de redelijke termijn voor de bezwaarfase met 16 maanden is overschreden. Het restant wordt toegerekend aan de beroepsfase. De inspecteur dient daarom 16/19e deel van € 2.000 te betalen (€ 1.684) en de Minister 3/19e deel van € 2.000 (€ 316). De rechtbank merkt de Minister in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Vergoeding van materiële schade

2.13.

Naar de rechtbank begrijpt heeft belanghebbende in elke zaak eveneens een vergoeding van materiële schade wegens onrechtmatig handelen door schending van artikel 267 VWEU willen claimen. De gestelde schade bestaat naar het de rechtbank voorkomt uit de kosten voor rechtsbijstand gedurende de bezwaar- en de beroepsfase alsook uit een rentenadeel ter zake van het niet kunnen beschikken over de gelden als gevolg van het in strijd met Unierecht moeten betalen van teveel aan Bpm (Irimie-rente). Dit verzoek wordt afgewezen onder verwijzing naar overweging 2.26 van de uitspraak van 5 september 2019.

Proceskosten in beroep

2.14.

In de toewijzing van het verzoek om vergoeding van immateriële schade vindt de rechtbank aanleiding de inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank ziet geen gronden voor een veroordeling in de werkelijke proceskosten, ook niet op grond van het Unierecht (zie 2.9). Een hogere vergoeding dan een forfaitaire vergoeding is evenmin geboden door de omstandigheid dat de redelijke termijn is overschreden. Voor zover het betoog van belanghebbende moet worden opgevat als mede omvattend een verwijzing naar het arrest Gascogne, ECLI:EU:C:2013:770, dan is de rechtbank van oordeel dat dat arrest er niet op duidt dat het Unierecht daartoe wel dwingt. Belanghebbende betoogt weliswaar met juistheid dat gelet op die omstandigheid de onrechtmatigheid gegeven is, maar dat brengt nog niet mee dat een hogere proceskostenvergoeding geboden is.7

2.15.

Naar het oordeel van de rechtbank is in onderhavige zaken sprake van ‘samenhangende zaken’ in de zin van artikel 3 van het Besluit. De beroepen in deze zaken zijn gelijktijdig behandeld met rechtsbijstand door dezelfde persoon. Gelet op de inhoud van de beroepschriften, de pleitnota’s en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, konden bovendien de werkzaamheden in elk van de zaken identiek zijn.

2.16.

De kosten van beroep zijn op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 768 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 0,5, en een factor 1,5 voor het aantal zaken). Overige kosten die op grond van het Besluit voor vergoeding in aanmerking komen, zijn niet gesteld. De inspecteur en de Minister zullen ieder voor de helft tot vergoeding worden veroordeeld.

Griffierecht

2.17.

Belanghebbende heeft tevens recht op vergoeding van het griffierecht van € 338 in elke zaak, derhalve (9 x € 338 =) € 3.042 in totaal, bij helfte te verdelen tussen de inspecteur en de Minister.8

Rente over het griffierecht, de immateriëleschadevergoeding en de proceskostenvergoeding in beroep

2.18.

Belanghebbende heeft in elke zaak aanspraak gemaakt op vergoeding van rente ter zake van de immateriëleschadevergoeding, het griffierecht en de in de beroepen toegekende proceskostenvergoeding. De rechtbank honoreert die aanspraak in zoverre dat beslist wordt dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente indien de immateriëleschadevergoeding, het griffierecht en/of de in de beroep toegekende proceskostenvergoeding niet aan belanghebbende wordt uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak.9 Er is geen aanleiding om met betrekking tot de vergoeding van griffierecht de rente op een eerder moment in te laten gaan, ook niet op grond van het Unierecht.10 Er is evenmin aanleiding om de rentevergoeding op een hogere rentevoet te stellen dan de wettelijke rente, ook niet op grond van het Unierecht.11

Prejudiciële vragen

2.19.

De rechtbank ziet in al hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen reden om een of meer prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen en gaat daarom voorbij aan het verzoek van belanghebbende om dat wel te doen. De rechtbank volstaat met een verwijzing naar rechtsoverweging 2.32 van de uitspraak van 5 september 2019 in verband met het betoog dat de rechtbank verplicht is om vragen te stellen.

Zaakspecifieke behandeling

Zaaknummer 18/1772

2.20.

Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 3.206 aan Bpm voldaan ter zake van de registratie van het motorvoertuig Ford S Max 1.6 TDCi Titanium, VIN: [nummer] . Bij uitspraak op bezwaar is de verschuldigde Bpm met een bedrag van € 161 verminderd. Naast een teruggaaf van € 161 heeft tevens een 30ha-rentevergoeding plaatsgevonden van € 7. Er is een forfaitaire kostenvergoeding toegekend.

Rentevergoeding over teruggaaf

2.21.

Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de 30ha-rentevergoeding tot een te laag bedrag is vastgesteld. De rechtbank is niet bevoegd om in deze procedure te oordelen of belanghebbende recht heeft op rentevergoeding over een langere periode (zie 2.8).

Kostenvergoeding bezwaar

2.22.

De beroepsgrond betreffende de kostenvergoeding faalt (zie 2.9).


Conclusie inzake het beroep

2.23.

Gelet op het vorenstaande en hetgeen is overwogen onder de algemene overwegingen is het beroep ongegrond.

Vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn

2.24.

Gelet op de uitgangspunten in de jurisprudentie van de Hoge Raad, een redelijke termijn van twee jaar in dit geval, wordt zoals onder 2.10 tot en met 2.12 overwogen een immateriëleschadevergoeding toegewezen van € 2.000 voor alle zaken tezamen. Het verzoek om een vergoeding van de gestelde materiële schade wordt afgewezen (zie 2.13).

Proceskostenvergoeding beroep

2.25.

De proceskostenvergoeding wordt zoals onder 2.14 tot en met 2.16 overwogen vastgesteld op € 768 voor alle zaken tezamen.

Rente

2.26.

Belanghebbende heeft recht op een vergoeding van wettelijke rente indien en voor zover de immateriëleschadevergoeding, het griffierecht en/of de in beroep toegekende proceskostenvergoeding niet tijdig aan belanghebbende wordt uitbetaald (zie 2.18).

Zaaknummer 18/1773

2.27.

Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 1.542 aan Bpm voldaan ter zake van de registratie van het motorvoertuig Mini 1.5 Cooper Pepper, VIN: [nummer] . Bij uitspraak op bezwaar is de verschuldigde Bpm met een bedrag van € 176 verminderd. Naast een teruggaaf van € 176 heeft tevens een 30ha-rentevergoeding plaatsgevonden van € 8. Er is een forfaitaire kostenvergoeding toegekend.

Rentevergoeding over teruggaaf

2.28.

Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de 30ha-rentevergoeding tot een te laag bedrag is vastgesteld. De rechtbank is niet bevoegd om in deze procedure te oordelen of belanghebbende recht heeft op rentevergoeding over een langere periode (zie 2.8).

Kostenvergoeding bezwaar

2.29.

De beroepsgrond betreffende de kostenvergoeding faalt (zie 2.9).


Conclusie inzake het beroep

2.30.

Gelet op het vorenstaande en hetgeen is overwogen onder de algemene overwegingen is het beroep ongegrond.

Vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn

2.31.

Gelet op de uitgangspunten in de jurisprudentie van de Hoge Raad, een redelijke termijn van twee jaar in dit geval, wordt zoals onder 2.10 tot en met 2.12 overwogen een immateriëleschadevergoeding toegewezen van € 2.000 voor alle zaken tezamen. Het verzoek om een vergoeding van de gestelde materiële schade wordt afgewezen (zie 2.13).

Proceskostenvergoeding beroep

2.32.

De proceskostenvergoeding wordt zoals onder 2.14 tot en met 2.16 overwogen vastgesteld op € 768 voor alle zaken tezamen.

Rente

2.33.

Belanghebbende heeft recht op een vergoeding van wettelijke rente indien en voor zover de immateriëleschadevergoeding, het griffierecht en/of de in beroep toegekende proceskostenvergoeding niet tijdig aan belanghebbende is dan wel wordt uitbetaald (zie 2.18).

Zaaknummer 18/1774

2.34.

Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 3.280 aan Bpm voldaan ter zake van de registratie van het motorvoertuig Range Rover Evoque 2.0 Si 4WD, VIN: [nummer] . Het daartegen ingediende bezwaar is bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

Conclusie inzake het beroep

2.35.

Zoals de rechtbank onder de algemene overwegingen heeft overwogen falen de beroepsgronden van belanghebbende. Het beroep is dus ongegrond.

Vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn.

2.36.

Gelet op de uitgangspunten in de jurisprudentie van de Hoge Raad, een redelijke termijn van twee jaar in dit geval, wordt zoals onder 2.10 tot en met 2.12 overwogen een immateriëleschadevergoeding toegewezen van € 2.000 voor alle zaken tezamen. Het verzoek om een vergoeding van de gestelde materiële schade wordt afgewezen (zie 2.13).

Proceskostenvergoeding beroep

2.37.

De proceskostenvergoeding wordt zoals onder 2.14 tot en met 2.16 overwogen vastgesteld op € 768 voor alle zaken tezamen.

Rente

2.38.

Belanghebbende heeft recht op een vergoeding van wettelijke rente indien en voor zover de immateriëleschadevergoeding, het griffierecht en/of de in beroep toegekende proceskostenvergoeding niet tijdig aan belanghebbende is dan wel wordt uitbetaald (zie 2.18).

Zaaknummer 18/1775

2.39.

Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 3.711 aan Bpm voldaan ter zake van de registratie van het motorvoertuig Mini Countryman 1.6 Cpr S All4 Chili, VIN: [nummer] . Het daartegen ingediende bezwaar is bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.


Conclusie inzake het beroep

2.40.

Zoals de rechtbank onder de algemene overwegingen heeft overwogen falen de beroepsgronden van belanghebbende. Het beroep is dus ongegrond.

Vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn.

2.41.

Gelet op de uitgangspunten in de jurisprudentie van de Hoge Raad, een redelijke termijn van twee jaar in dit geval, wordt zoals onder 2.10 tot en met 2.12 overwogen een immateriëleschadevergoeding toegewezen van € 2.000 voor alle zaken tezamen. Het verzoek om een vergoeding van de gestelde materiële schade wordt afgewezen (zie 2.13).

Proceskostenvergoeding beroep

2.42.

De proceskostenvergoeding wordt zoals onder 2.14 tot en met 2.16 overwogen vastgesteld op € 768 voor alle zaken tezamen.

Rente

2.43.

Belanghebbende heeft recht op een vergoeding van wettelijke rente indien en voor zover de immateriëleschadevergoeding, het griffierecht en/of de in beroep toegekende proceskostenvergoeding niet tijdig aan belanghebbende is dan wel wordt uitbetaald (zie 2.18).

Zaaknummer 18/1776

2.44.

Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 3.940 aan Bpm voldaan ter zake van de registratie van het motorvoertuig Opel Mokka 1.4 T Cosmo, VIN: [nummer] . Het daartegen ingediende bezwaar is bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.


Conclusie inzake het beroep

2.45.

Zoals de rechtbank onder de algemene overwegingen heeft overwogen falen de beroepsgronden van belanghebbende. Het beroep is dus ongegrond.

Vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn.

2.46.

Gelet op de uitgangspunten in de jurisprudentie van de Hoge Raad, een redelijke termijn van twee jaar in dit geval, wordt zoals onder 2.10 tot en met 2.12 overwogen een immateriëleschadevergoeding toegewezen van € 2.000 voor alle zaken tezamen. Het verzoek om een vergoeding van de gestelde materiële schade wordt afgewezen (zie 2.13).

Proceskostenvergoeding beroep

2.47.

De proceskostenvergoeding wordt zoals onder 2.14 tot en met 2.16 overwogen vastgesteld op € 768 voor alle zaken tezamen.

Rente

2.48.

Belanghebbende heeft recht op een vergoeding van wettelijke rente indien en voor zover de immateriëleschadevergoeding, het griffierecht en/of de in beroep toegekende proceskostenvergoeding niet tijdig aan belanghebbende is dan wel wordt uitbetaald (zie 2.18).

Zaaknummer 18/1777

2.49.

Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 2.860 aan Bpm voldaan ter zake van de registratie van het motorvoertuig Mini Countryman 1.6 Cooper S Chili, VIN: [nummer] . Het daartegen ingediende bezwaar is bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard. Ter zitting is komen vast te staan dat de uitspraak op bezwaar is genomen op 30 november 2016. De rechtbank zal daarom van deze datum uitgaan.

Conclusie inzake het beroep

2.50.

Zoals de rechtbank onder de algemene overwegingen heeft overwogen falen de beroepsgronden van belanghebbende. Het beroep is dus ongegrond.

Vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn.

2.51.

Gelet op de uitgangspunten in de jurisprudentie van de Hoge Raad, een redelijke termijn van twee jaar in dit geval, wordt zoals onder 2.10 tot en met 2.12 overwogen een immateriëleschadevergoeding toegewezen van € 2.000 voor alle zaken tezamen. Het verzoek om een vergoeding van de gestelde materiële schade wordt afgewezen (zie 2.13).

Proceskostenvergoeding beroep

2.52.

De proceskostenvergoeding wordt zoals onder 2.14 tot en met 2.16 overwogen vastgesteld op € 768 voor alle zaken tezamen.

Rente

2.53.

Belanghebbende heeft recht op een vergoeding van wettelijke rente indien en voor zover de immateriëleschadevergoeding, het griffierecht en/of de in beroep toegekende proceskostenvergoeding niet tijdig aan belanghebbende is dan wel wordt uitbetaald (zie 2.18).

Zaaknummer 18/1778

2.54.

Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 3.674 aan Bpm voldaan ter zake van de registratie van het motorvoertuig Mini Countryman 1.6 Cooper S Chili, VIN: [nummer] . Het daartegen ingediende bezwaar is bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.


Conclusie inzake het beroep

2.55.

Zoals de rechtbank onder de algemene overwegingen heeft overwogen falen de beroepsgronden van belanghebbende. Het beroep is dus ongegrond.

Vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn.

2.56.

Gelet op de uitgangspunten in de jurisprudentie van de Hoge Raad, een redelijke termijn van twee jaar in dit geval, wordt zoals onder 2.10 tot en met 2.12 overwogen een immateriëleschadevergoeding toegewezen van € 2.000 voor alle zaken tezamen. Het verzoek om een vergoeding van de gestelde materiële schade wordt afgewezen (zie 2.13).

Proceskostenvergoeding beroep

2.57.

De proceskostenvergoeding wordt zoals onder 2.14 tot en met 2.16 overwogen vastgesteld op € 768 voor alle zaken tezamen.

Rente

2.58.

Belanghebbende heeft recht op een vergoeding van wettelijke rente indien en voor zover de immateriëleschadevergoeding, het griffierecht en/of de in beroep toegekende proceskostenvergoeding niet tijdig aan belanghebbende is dan wel wordt uitbetaald (zie 2.18).

Zaaknummer 18/1779

2.59.

Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 387 aan Bpm voldaan ter zake van de registratie van het motorvoertuig Suzuki Swift 1.2 Bns Ed. EASSS, VIN: [nummer] . Het daartegen ingediende bezwaar is bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.


Conclusie inzake het beroep

2.60.

Zoals de rechtbank onder de algemene overwegingen heeft overwogen falen de beroepsgronden van belanghebbende. Het beroep is dus ongegrond.

Vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn.

2.61.

Gelet op de uitgangspunten in de jurisprudentie van de Hoge Raad, een redelijke termijn van twee jaar in dit geval, wordt zoals onder 2.10 tot en met 2.12 overwogen een immateriëleschadevergoeding toegewezen van € 2.000 voor alle zaken tezamen. Het verzoek om een vergoeding van de gestelde materiële schade wordt afgewezen (zie 2.13).

Proceskostenvergoeding beroep

2.62.

De proceskostenvergoeding wordt zoals onder 2.14 tot en met 2.16 overwogen vastgesteld op € 768 voor alle zaken tezamen.

Rente

2.63.

Belanghebbende heeft recht op een vergoeding van wettelijke rente indien en voor zover de immateriëleschadevergoeding, het griffierecht en/of de in beroep toegekende proceskostenvergoeding niet tijdig aan belanghebbende is dan wel wordt uitbetaald (zie 2.18).

Zaaknummer 18/1780

2.64.

Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 2.767 aan Bpm voldaan ter zake van de registratie van het motorvoertuig Kia Sportage 1.6 GDI Plus Pack, VIN: [nummer] . Het daartegen ingediende bezwaar is bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.


Conclusie inzake het beroep

2.65.

Zoals de rechtbank onder de algemene overwegingen heeft overwogen falen de beroepsgronden van belanghebbende. Het beroep is dus ongegrond.

Vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn.

2.66.

Gelet op de uitgangspunten in de jurisprudentie van de Hoge Raad, een redelijke termijn van twee jaar in dit geval, wordt zoals onder 2.10 tot en met 2.12 overwogen een immateriëleschadevergoeding toegewezen van € 2.000 voor alle zaken tezamen. Het verzoek om een vergoeding van de gestelde materiële schade wordt afgewezen (zie 2.13).

Proceskostenvergoeding beroep

2.67.

De proceskostenvergoeding wordt zoals onder 2.14 tot en met 2.16 overwogen vastgesteld op € 768 voor alle zaken tezamen.

Rente

2.68.

Belanghebbende heeft recht op een vergoeding van wettelijke rente indien en voor zover de immateriëleschadevergoeding, het griffierecht en/of de in beroep toegekende proceskostenvergoeding niet tijdig aan belanghebbende is dan wel wordt uitbetaald (zie 2.18).

Bijlage

Zaaknummers 18/1772 en 18/1773

Beslissing:

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- verklaart zich onbevoegd om in deze procedures uitspraak te doen over de verzochte rentevergoeding ter zake van terugbetaling van Bpm voor zover de vaststelling daarvan tot de bevoegdheid van de ontvanger hoort;

Zaaknummers 18/1774 tot en met 18/1780

Beslissing:

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Alle zaken (18/1772 tot en met 18/1780)

Beslissing:

De rechtbank:

- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade van € 1.684;

- veroordeelt de Minister tot vergoeding van immateriële schade van € 316;

- wijst de verzoeken om schadevergoeding voor het overige af;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in beroep van € 384;

- veroordeelt de Minister in de proceskosten van belanghebbende in beroep van € 384;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht aan haar vergoedt tot een bedrag van € 1.521;

- gelast dat de Minister het door belanghebbende betaalde griffierecht aan haar vergoedt tot een bedrag van € 1.521;

- beslist dat, voor zover de immateriëleschadevergoeding, de in beroep toegekende proceskostenvergoeding en/of de vergoeding van griffierecht niet tijdig wordt betaald, de wettelijke rente daarover in zoverre is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.

Deze uitspraak is gedaan 31 oktober 2019 door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 HvJ EU 4 oktober 2018, C-571/16, ECLI:EU:C:2018:807

2 Hoge Raad 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579.

3 Vgl. Rechtbank Den Haag 23 oktober 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:14809 en de daarin opgenomen verwijzingen naar HR 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:421 en HR 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:847.

4 HvJ EU 8 september 2016, ECLI:EU:C:2016:663

5 Vgl. de uitspraak van 5 september 2019, rechtsoverweging 2.17 en de daarin opgenomen verwijzingen naar HR 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:341 en HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1790, alsmede de uitspraak van 18 september 2019, rechtsoverweging 2.3.4

6 Vgl. de uitspraak van 5 september 2019, rechtsoverweging 2.28 en de daarin opgenomen verwijzing naar HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3603, alsmede de uitspraak van 18 september 2019, rechtsoverweging 2.3.5

7 Vgl. de uitspraak van 5 september 2019, rechtsoverweging 2.28

8 HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.14.2 onder (iii)

9 HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358

10 HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623

11 Vgl. de uitspraak van 5 september 2019, rechtsoverweging 2.31 en de daarin opgenomen verwijzingen.