Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:4741

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-10-2019
Datum publicatie
29-10-2019
Zaaknummer
02-018121-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Mishandeling van drie agenten in Waalwijk, bedreiging en vernieling door met stok op auto’s te slaan. Geweld op beeld vastgelegd. Verdachte was onder invloed van verdovende middelen. Verdachte is enigszins verminderd toerekeningsvatbaar. Gevangenisstraf 15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/018121-19

vonnis van de meervoudige kamer van 29 oktober 2019

in de strafzaak tegen

[Verdachte]

geboren op [Geboortedag] 1988, te [Geboorteplaats- en Land]

thans gedetineerd in de PI te Grave,

raadsman mr. O.P.N.M. Tennebroek, advocaat te Dongen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 oktober 2019, waarbij de officier van justitie, mr. Den Braber, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

Feit 1
hij op of omstreeks 21 januari 2019 te Waalwijk, een of meer politieambtena(a)ren), te weten [Slachtoffer 1] en/of [Slachtoffer 2] en/of [Slachtoffer 3] gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door
-die [Slachtoffer 1] tegen zijn gezicht te slaan/stompen, tengevolge waarvan die [Slachtoffer 1] ten val kwam en/of
-die [Slachtoffer 2] tegen zijn oor en/of gezicht te slaan/stompen, tengevolge waarvan die [Slachtoffer 2] ten val kwam en/of
-die [Slachtoffer 3] tegen zijn gezicht te slaan/stompen;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 304 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht )

Feit 2
hij op of omstreeks 21 januari 2019 te Waalwijk [Slachtoffer 4] (aspirant politiemedewerker) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een stok/bezemsteel op die [Slachtoffer 4] af te komenen en/of met een stok/bezemsteel een of meer goederen in de nabijheid van die [Slachtoffer 4] te vernielen en/of door een of meer politiecollega(s), die zich in de nabijheid van die [Slachtoffer 4] bevonden te mishandelen, waardoor er voor die [Slachtoffer 4] een bedreigende situatie ontstond;
( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

Feit 3
hij op of omstreeks 21 januari 2019 te Waalwijk [Slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door meermalen al dan niet met een stok tegen de auto van die [Slachtoffer 5] te slaan, terwijl die [Slachtoffer 5] in die auto zat en/of aan een portier van die auto heeft getrokken
( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

Feit 4
hij op of omstreeks 21 januari 2019 te Waalwijk opzettelijk en wederrechtelijk een (personen)auto (merk Jaguar, kenteken [Kenteken 1] ) in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [Slachtoffer 5] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
( art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

Feit 5
hij op of omstreeks 21 januari 2019 te Waalwijk [Slachtoffer 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door meermalen al dan niet met een stok tegen de auto van die [Slachtoffer 6] te slaan, terwijl die [Slachtoffer 6] in die auto zat en/of een portier van die auto heeft opengetrokken
( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

Feit 6
hij op of omstreeks 21 januari 2019 te Waalwijk opzettelijk en wederrechtelijk een (personen)auto (merk VW Golf, kenteken [Kenteken 2] ) ( in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [Slachtoffer 6] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
( art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan. Ten aanzien van de feiten 1 en 2 baseert hij zich op de aangiftes van [Slachtoffer 1] , [Slachtoffer 2] , [Slachtoffer 4] en [Slachtoffer 3] en op de camerabeelden die ter zitting zijn getoond. Ten aanzien van feit 3 en 4 baseert de officier van justitie zich op het proces-verbaal verhoor van [Slachtoffer 5] , de foto van de Jaguar en de camerabeelden die ter zitting zijn getoond. Ten aanzien van de feiten 5 en 6 baseert de officier van justitie zich op het proces-verbaal verhoor van aangeefster [Slachtoffer 6] en de camerabeelden die ter zitting zijn getoond.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 1. Ten aanzien van feit 2 dient vrijspraak te volgen nu de bedreiging, zoals deze is ten laste gelegd, niet wettig en overtuigend bewezen is. Uit het dossier en de beelden volgt volgens de verdediging niet dat verdachte bedreigende steek- of slagbewegingen richting de agenten heeft gemaakt. Ten aanzien van de bewezenverklaring van de feiten 3 en 4 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging is van mening dat er sprake is van eendaadse samenloop. Ook is er sprake van eendaadse samenloop bij de feiten 5 en 6. Ten aanzien van de bewezenverklaring van deze feiten refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

[Slachtoffer 4] deed op 21 januari 2019 aangifte van bedreiging. Hij verklaarde dat hij als aspirant politiemedewerker bezig was met het opmaken van een verklaring toen iemand binnenkwam en zei dat er buiten op straat een Poolse man liep te schreeuwen. [Slachtoffer 4] ging samen met zijn collega’s naar buiten. De verdachte liep op het trottoir aan de andere zijde van de weg. De verdachte praatte in zichzelf en schreeuwde een paar keer. [Slachtoffer 4] en zijn collega hebben de man gevolgd tot in de Stationsstraat in Waalwijk. Collega [Slachtoffer 1] probeerde contact te leggen door de verdachte bij de bovenarm te pakken. De verdachte reageerde hier erg agressief op. [Slachtoffer 4] zag dat [Slachtoffer 1] vervolgens op de grond viel. [Slachtoffer 4] voelde zich bedreigd. Zijn collega [Slachtoffer 3] werd als eerste door de verdachte geslagen. Daarna werd collega [Slachtoffer 2] door de verdachte geslagen. [Slachtoffer 2] kwam daardoor ten val. Verdachte liep met een bezem op auto’s af en hij sloeg tegen diverse auto’s aan. Verdachte werd vervolgens aangehouden.1

[Slachtoffer 2] deed aangifte. Hij verklaarde dat hij als vrijwillige politiesurveillant ter plaatse was en dat hij zag dat agent [Slachtoffer 1] door de verdachte in zijn gezicht werd geslagen en op de grond viel. De verdachte sloeg ook [Slachtoffer 2] tegen zijn linkeroog, waardoor hij zijn evenwicht verloor en op de grond viel. Zijn collega [Naam 1] werd door de man met een vuist tegen zijn gezicht geslagen en had een bloedneus. Op een gegeven moment kwam er een Jaguar de straat inrijden en de verdachte sloeg met de stok op de motorkap en op de buitenspiegel van de auto. Gelukkig ging de deur niet open.2 De huisarts heeft beschreven dat [Slachtoffer 2] een hematoom had en dat het herstel weken zou gaan duren.3

[Slachtoffer 1] , werkzaam bij de politie en de betreffende dag in uniform gekleed en met een opvallend politievoertuig, deed aangifte en verklaarde dat hij als eerste bij de verdachte was, dat verdachte zich omdraaide en meteen op zijn bovenlip sloeg, waarna hij op de grond viel en pijn voelde aan zijn enkel.4 De huisarts beschreef dat [Slachtoffer 1] een breukje in de enkel had.5

[Slachtoffer 3] deed aangifte en verklaarde dat hij in uniform en met een opvallend politievoertuig aan het surveilleren was. Hij verklaarde dat [Slachtoffer 1] (lees: [Slachtoffer 1] ) gelijk op de grond lag en schreeuwde: “Mijn enkel, mijn enkel.” Aangever heeft verklaard dat hij van verdachte een harde klap in het gezicht kreeg. Uiteindelijk werd verdachte door de politie overmeesterd.6

Bij de politie meldde zich ter plaatse [Slachtoffer 5] . Hij verklaarde dat hij de eigenaar is van een personenauto Jaguar met kenteken [Kenteken 1] . Hij verklaarde dat de verdachte naar zijn auto kwam gelopen en begon te slaan op het dak van zijn auto, op de motorkap en op de spiegels. Verdachte probeerde ook om de auto in te komen. [Slachtoffer 5] verklaarde tegen de politie dat hij zich bedreigd voelde toen de man aan de deurklink trok. De linker spiegel van de auto was eraf. Er was schade op het dak en lakschade op de plekken waar verdachte heeft geslagen.7

[Slachtoffer 6] deed aangifte en verklaarde dat zij in de Stationsstraat in Waalwijk reed, er een man voor haar auto stond met een stok in zijn handen. De man sloeg tegen de ruiten aan de zijkant van de auto. De man opende plots het portier en schreeuwde in een vreemde taal. De man zwaaide met de stok in zijn handen. Er zaten krassen op de auto. [Slachtoffer 6] vond het achteraf beangstigend wat er was gebeurd.8

Ter zitting zijn beelden van de gebeurtenissen getoond. Op de beelden is onder meer door de rechters waargenomen dat verdachte agenten slaat en vervolgens met een stok op de Jaguar inslaat, een spiegel eraf slaat en het portier tracht open te trekken.9

Opzet:

Door de verdediging is betoogd dat opzet dan wel voorwaardelijk opzet op de mishandelingen, vernielingen en bedreigingen ontbreekt. Verdachte heeft geen problemen met de politie en kan zich niet herinneren wat er is gebeurd. Verdachte vermoedt dat iemand in de coffeeshop iets in zijn drankje heeft gedaan. Daarnaast is aangevoerd dat verdachte zelf weliswaar middelen heeft gebruikt, maar dat hij nog nooit eerder door middelengebruik de controle heeft verloren en dit dus niet had kunnen zien aankomen.

De rechtbank is van oordeel dat het vermoeden dat er die dag bij de coffeeshop iets in het drankje van verdachte is gedaan geen ondersteuning vindt in het dossier. De coffeeshopmedewerkster heeft immers verklaard dat zij zeker weet dat verdachte op 21 januari 2019 niet in de door verdachte genoemde coffeeshop is geweest. Uit het resultaat van het onderzoek van het bloed van verdachte, pagina 140, blijkt dat verdachte amfetamine in zijn bloed had. Niet is gebleken dat er een andere stof in zijn bloed zat. Over amfetaminegebruik heeft verdachte verklaard dat hij dat zelf heeft gebruikt, zowel op de dag voor de incidenten als op de dag zelf. Dit vermoeden kan alleen al om die reden niet leiden tot de conclusie dat verdachte geen opzet dan wel voorwaardelijk opzet heeft gehad.

Vervolgens ligt aan de rechtbank voor de vraag of (voorwaardelijk) opzet ontbreekt, nu verdachte niet eerder als gevolg van middelengebruik de controle heeft verloren. Verdachte heeft verklaard dat hij drie blikjes bier had gedronken die dag, amfetamine had gebruikt en een joint had gerookt. De rechtbank overweegt dat, ook al zou verdachte in het verleden niet eerder volledig de controle hebben verloren door middelengebruik, hij wel het risico daartoe op de koop toe heeft genomen door tegelijkertijd zowel amfetamine, alcohol als wiet te gebruiken. Het gaat daarbij om stoffen waarvan algemeen bekend is dat zij invloed kunnen hebben op de geestelijke toestand en het gedrag. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van culpa in causa, doordat verdachte zichzelf in die toestand heeft gebracht en is daarmee ook sprake van voorwaardelijk opzet.

Het bewijs:

De rechtbank acht de feiten wettig en overtuigend bewezen. Gelet op de aangiftes over het geweld dat jegens de agenten is gepleegd en waarbij de agenten over en weer hebben verklaard over het jegens hun collega’s gepleegde geweld, is er wettig en overtuigend bewijs voor de mishandelingen, zoals onder feit 1 ten laste is gelegd. Deze aangiftes worden bovendien nog ondersteund door de camerabeelden, waarop te zien is dat verdachte drie agenten mishandeld heeft. Ook ten aanzien van feit 2 is er wettig en overtuigend bewijs, gelet op de aangifte van [Slachtoffer 4] en de camerabeelden waarop te zien is dat verdachte met een stok in zijn handen richting de politie loopt. Het is goed voorstelbaar dat dit, zeker in combinatie met de mishandeling van zijn collega’s, bedreigend voor [Slachtoffer 4] moet zijn geweest.

Er is wettig en overtuigend bewijs voor de feiten 3 en 4, gelet op de verklaring [Slachtoffer 5] en de op zitting getoonde camerabeelden van het inslaan van verdachte op de Jaguar [Slachtoffer 5] en het trachten de deur te openen. Voor de feiten 5 en 6 is er voldoende wettig en overtuigend bewijs, gelet op de verklaring van [Slachtoffer 6] . [Slachtoffer 6] heeft verklaard dat verdachte op de zijkant van de auto sloeg en dat er schade was aan de auto in de vorm van krasjes. De verklaring over het slaan tegen de auto wordt ondersteund door de verklaring van [Slachtoffer 4] dat verdachte op meerdere auto’s heeft ingeslagen. Ook heeft [Slachtoffer 6] verklaard dat verdachte de auto open heeft getrokken aan de bestuurderszijde. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee een dreigende situatie ontstaan voor [Slachtoffer 6] en kan de bedreiging derhalve wettig en overtuigend bewezen worden.

Eendaadse samenloop van de feiten 3 en 4 alsmede van de feiten 5 en 6:

Door de verdediging is betoogd dat er sprake was van eendaadse samenloop. De rechtbank overweegt dat hiervan geen sprake is. Bij eendaadse samenloop valt één gedraging immers onder meer dan één delictsomschrijving. Het met een stok op de auto’s slaan levert vernieling op. Deze handeling is weliswaar ook onderdeel van de bedreiging van de inzittenden van de auto’s, maar de bedreiging omvat meer dan alleen het slaan op de auto’s, namelijk het (proberen te) openen van het portier van de bestuurder. Dit betekent dat er sprake is van meerdaadse samenloop.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1
hij op 21 januari 2019 te Waalwijk, politieambtenaren, te weten [Slachtoffer 1] en [Slachtoffer 2] en [Slachtoffer 3] gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door
-die [Slachtoffer 1] tegen zijn gezicht te slaan/stompen, en
-die [Slachtoffer 2] tegen zijn oor en gezicht te slaan/stompen, ten gevolge waarvan die [Slachtoffer 2] ten val kwam en

-die [Slachtoffer 3] tegen zijn gezicht te slaan/stompen;

Feit 2
op 21 januari 2019 te Waalwijk [Slachtoffer 4] aspirant politiemedewerker) heeft bedreigd met zware mishandeling, door met een stok/bezemsteel op die [Slachtoffer 4] af te komen en met een stok/bezemsteel een of meer goederen in de nabijheid van die [Slachtoffer 4] te vernielen en door politiecollega’s, die zich in de nabijheid van die [Slachtoffer 4] bevonden te mishandelen, waardoor er voor die [Slachtoffer 4] een bedreigende situatie ontstond;

Feit 3
op 21 januari 2019 te Waalwijk [Slachtoffer 5] heeft bedreigd met zware mishandeling, door meermalen al dan niet met een stok tegen de auto van die [Slachtoffer 5] te slaan, terwijl die [Slachtoffer 5] in die auto zat en aan een portier van die auto heeft getrokken;

Feit 4
op 21 januari 2019 te Waalwijk opzettelijk en wederrechtelijk een (personen)auto (merk Jaguar, kenteken [Kenteken 1] ) dat aan [Slachtoffer 5] toebehoorde, heeft beschadigd;

Feit 5
op 21 januari 2019 te Waalwijk [Slachtoffer 6] heeft bedreigd met zware mishandeling, door meermalen al dan niet met een stok tegen de auto van die van Iersel te slaan, terwijl die van Iersel in die auto zat en een portier van die auto heeft opengetrokken;

Feit 6
op 21 januari 2019 te Waalwijk opzettelijk en wederrechtelijk een (personen)auto (merk VW Golf, kenteken [Kenteken 2] ), dat aan [Slachtoffer 6] toebehoorde, heeft beschadigd.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden de door de reclassering genoemde voorwaarden, te weten een meldplicht, een ambulante behandeling door Stichting Barka en/of door GGZ in Balans, een drugsverbod en een verplichting mee te werken aan middelencontrole.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest passend is, met daarnaast een voorwaardelijke straf met de door de reclassering genoemde bijzondere voorwaarden.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling jegens een drietal agenten in functie, drie bedreigingen met zware mishandeling en vernielingen aan een tweetal auto’s. Omstanders hebben de gebeurtenissen gefilmd. Op de beelden is te zien dat verdachte in een winkelstraat waarbij veel getuigen aanwezig waren door het lint gaat. Hij loopt agressief met een bezemsteel op agenten af, mishandelt hen, slaat met die bezemsteel tegen auto’s aan en probeert nog een portier van een auto open te trekken, waardoor pijn, schade en veel angst en onrust is veroorzaakt. Dit zijn ernstige feiten.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft acht geslagen op de rapportage van psycholoog Sterk van 27 september 2019 en het reclasseringsadvies van 8 oktober 2019. Uit de rapportage van de psycholoog komt naar voren dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een ernstige stoornis in amfetaminegebruik en van een lichte stoornis in cannabisgebruik. Verder is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een verstoorde emotieregulatie en een gebrekkige coping, die zich kenmerkt door een overmatige gevoelsafweer. Van deze stoornissen was ook ten tijde van het tenlastegelegde sprake. De psycholoog heeft gesteld dat verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd. De psycholoog acht de kans op recidive laag. Echter, kans op escalatie kan bestaan als verdachte overmatig middelen gebruikt. De psycholoog heeft geadviseerd verdachte voor zijn emotie- en agressieregulatieproblemen, alsmede voor zijn middelengebruik, te laten behandelen bij een forensisch psychiatrische polikliniek in het kader van een (deels) voorwaardelijk strafdeel. Daarbij dient wel rekening te worden gehouden met het feit dat verdachte de Nederlandse taal niet machtig is.

De reclassering heeft in haar rapportage van 8 oktober 2019 gesteld zich te kunnen vinden in het advies van de gedragskundige. De reclassering heeft contact gezocht met Stichting Barka, een hulpverleningsorganisatie in Nederland voor onder meer Poolse migranten die kunnen helpen bij de problematiek van verdachte. De reclassering heeft geadviseerd aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden de meldplicht, een ambulante behandeling door Stichting Barka en/of GGZ in Balans, een drugsverbod en het meewerken aan middelencontrole.

De rechtbank neemt de conclusie van de gedragskundige ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van verdachte over en beschouwt verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar. Verder zal worden meegewogen dat hij een blanco strafblad heeft. Alles afwegend acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf passend en zal zij conform deze eis aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

7 Het beslag

Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp is vatbaar voor verbeurdverklaring.

8 De benadeelde partijen

De rechtbank overweegt dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet zijn betwist met uitzondering van de vordering van benadeelde partij [Slachtoffer 1] . De rechtbank is tevens van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. De niet-betwiste vorderingen zullen derhalve integraal worden toegewezen.

Ten aanzien van de vordering van [Slachtoffer 1] heeft de verdediging betoogd dat het dossier geen aanknopingspunten biedt voor het vermoeden van [Slachtoffer 1] dat hij door verdachte tegen zijn enkel is getrapt. Het staat volgens de verdediging dan ook niet vast dat dit letsel en de daaruit voortvloeiende schade een rechtstreeks gevolg is van de mishandeling, waardoor de gevorderde schadevergoeding niet in zijn geheel toewijsbaar is.

De rechtbank overweegt hierover als volgt. Het is niet uitgesloten dat [Slachtoffer 1] zijn enkel heeft gebroken anders dan door het trappen door verdachte, bijvoorbeeld doordat hij zich heeft verstapt. Wel staat vast dat het letsel aan zijn enkel is ontstaan op het moment dat [Slachtoffer 1] verdachte wilde aanspreken dan wel aanhouden, waarop verdachte [Slachtoffer 1] begon te slaan waartegen [Slachtoffer 1] zich trachtte te verweren. Het letsel aan de enkel staat daarom, ook indien sprake was van een verstapping, in zodanig verband met de mishandeling dat deze schade, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid, aan verdachte kan worden toegerekend.

[Slachtoffer 1] heeft blijkens de ingediende vordering en de toelichting daarop nogal wat gevolgen ondervonden van het incident. [Slachtoffer 1] had zwaar letsel aan zijn enkel (gescheurde enkelbanden en een breuk) en zichtbaar letsel in het gezicht. Hij is langere tijd arbeidsongeschikt geweest als gevolg van de gekneusde enkel. De gevorderde € 1.100,= aan immateriële schade komt de rechtbank daarom billijk voor en de rechtbank zal ook deze vordering integraal toewijzen.

De benadeelde partij [Slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 1.100,= voor feit 1.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering zal worden toegewezen, inclusief de wettelijke rente vanaf 21 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. Met betrekking tot de toegekende vordering van voornoemde benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De benadeelde partij [Slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 500,= voor feit 1.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering zal worden toegewezen, inclusief de wettelijke rente vanaf 21 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. Met betrekking tot de toegekende vordering van voornoemde benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De benadeelde partij [Slachtoffer 3] vordert een schadevergoeding van € 380,= voor feit 1. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering zal worden toegewezen, inclusief de wettelijke rente vanaf 21 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. Met betrekking tot de toegekende vordering van voornoemde benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De benadeelde partij [Slachtoffer 4] vordert een schadevergoeding van € 200,= voor feit 2.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering zal worden toegewezen, inclusief de wettelijke rente vanaf 21 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. Met betrekking tot de toegekende vordering van voornoemde benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De benadeelde partij [Slachtoffer 5] vordert een schadevergoeding van € 500,= voor feit 4.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering zal worden toegewezen, inclusief de wettelijke rente vanaf 21 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. Met betrekking tot de toegekende vordering van voornoemde benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 27, 33, 33a, 36f, 57, 285, 300, 304 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Mishandeling tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige

uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;

feit 2: Bedreiging met zware mishandeling;

feit 3: Bedreiging met zware mishandeling;

feit 4: Vernieling;

feit 5: Bedreiging met zware mishandeling:

feit 6: Vernieling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich uiterlijk maximaal twee werkdagen na het ingaan van de proeftijd zal melden bij Novadic-Kentron, verslavingsreclassering op het adres Jan Wierhof 14 te Tilburg. Verdachte zal zich blijven melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal laten behandelen en/of begeleiden door Stichting Barka (hulpverleningsinstelling voor Midden-en Oost-Europeanen) en/of door GGZ in Balans, te bepalen door de reclassering. De behandeling en/of begeleiding start na een positieve intake. De behandeling en/of begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling en/of begeleiding. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling van de GGZ-instelling;

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van harddrugs en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd;

* dat verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en cannabis om het middelengebruik te beheersen ook als dat volledige abstinentie betekent. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd;

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan Novadic Kentron tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een bezemsteel;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Slachtoffer 1] van € 1.100,=, ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Slachtoffer 1] (feit 1), € 1.100,= te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 21 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Slachtoffer 2] van € 500,=, ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Slachtoffer 2] (feit 1), € 500,= te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 10 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Slachtoffer 3] van € 380,=, ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Slachtoffer 3] (feit 1), € 380,= te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 7 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Slachtoffer 4] van € 200,=, ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Slachtoffer 4] (feit 2), € 200,= te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 4 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Slachtoffer 5] van € 500,=, ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Slachtoffer 5] (feit 4), € 500,= te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 10 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Goossens, voorzitter, mr. Collombon en mr. Van der Burgh, rechters, in tegenwoordigheid van Schuurmans, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 oktober 2019.

Mr. Van der Burgh is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt daarmee, tenzij anders vermeld, bedoeld het eindproces-verbaal met dossiernummer ZB3RO19007 (onderzoek Geiger) van politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 155. Het proces-verbaal aangifte door [Slachtoffer 4] , p. 1 tot en met 3.

2 Het proces-verbaal aangifte door [Slachtoffer 2] , p. 5 tot en met 8.

3 De geneeskundige verklaring, opgesteld door huisarts [Naam 2] d.d. 5 februari 2019, p. 17.

4 Het proces-verbaal aangifte door [Slachtoffer 1] , p. 19 en 20.

5 De computeruitdraai van het journaal van de huisarts, p. 31.

6 Het proces-verbaal aangifte door [Slachtoffer 3] , p. 37 en 38.

7 Het proces-verbaal verhoor aangever [Slachtoffer 5] , p. 52 tot en met 54.

8 Het proces-verbaal verhoor aangeefster [Slachtoffer 6] , p. 57 en 58.

9 De eigen waarneming van de rechters van de ter zitting getoonde camerabeelden.