Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:4709

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-10-2019
Datum publicatie
25-10-2019
Zaaknummer
02/820026-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vuurwerkzaak Etten-Leur. Verdachte wordt veroordeeld voor het voorhanden hebben en ter beschikking stellen aan anderen van een grote hoeveelheid professioneel vuurwerk, te weten 144 mortierbommen (3 inch) en 72 mortierbommen (4 inch). Vrijspraak van de invoer en opslag van dit vuurwerk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/820026-18

vonnis van de meervoudige kamer van 25 oktober 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

wonende te [adres 1]

raadsman mr. M.R.J. Schönfeld, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 9 en 11 oktober 2019, waarbij de officier van justitie, mr. Van den Oever, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

hij in of omstreeks de periode van 31 december 2017 tot en met 1 januari 2018 te Etten-Leur, althans in Nederland al dan niet opzettelijk een (grote) hoeveelheid professioneel vuurwerk, te weten 144, althans een of meer, mortierbom(men) (3 inch) en/of 72, althans een of meer, mortierbom(men) (4 inch), bestemd voor particulier gebruik, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad en/of aan [mededader 1] en/of [mededader 2] en/of één of meer anderen ter beschikking heeft gesteld;

art 1.2.2 lid 1 Vuurwerkbesluit.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de tenlastegelegde opslag en het voorhanden hebben van 144

3-inch mortierbommen en 72 4-inch mortierbommen en het ter beschikking stellen aan derden wettig en overtuigend bewezen. Het voorhanden hebben wordt ook door verdachte bekend. De invoer kan niet worden bewezen en hiervan dient verdachte dan ook te worden vrijgesproken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank op basis van het proces-verbaal en de door verdachte afgelegde verklaringen kan komen tot een veroordeling voor overtreding van het Vuurwerkbesluit, met dien verstande dat er een partiële vrijspraak moet volgen voor het binnen het grondgebied brengen en het ter beschikking stellen aan anderen van vuurwerk, zoals genoemd in de tenlastelegging.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

In de nacht van 31 december 2017 op 1 januari 2018 werd ook in Etten-Leur aan de [adres 2] oud en nieuw gevierd. Verdachte, wonend op [adres 2] nummer 8, had die bewuste avond diverse mensen uitgenodigd, waaronder de heer [mededader 1] (hierna: [mededader 1] ). Zoals met oud en nieuw te doen gebruikelijk, werd ook aan de [adres 2] rond de jaarwisseling vuurwerk afgestoken. Wat een gezellige avond en een mooi begin van het nieuwe jaar had moeten worden, kende een totaal andere afloop.

Op 1 januari 2018 omstreeks 01.15 uur werd vanuit de [adres 2] namelijk melding gedaan van het feit dat een vuurwerkbom zou zijn afgegaan. Verbalisanten die als eerste ter plaatse zijn gekomen, troffen een regelrechte ravage aan. Er had een explosie plaatsgevonden die veel schade had veroorzaakt. Zo zijn er bij diverse woningen ruiten gesneuveld, niet alleen op de begane grond maar ook op de eerste en tweede verdieping, zijn er verschillende zwartgeblakerde plekken op gevels, houtwerk en ramen van verschillende woningen gekomen, waren er verschillende deuren en ramen ontzet en is er glas- en blikschade aan voertuigen ontstaan. Bovendien hebben een aantal omstanders letsel opgelopen en zijn er zelfs enkelen per ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Ter hoogte van huisnummer 8 stond een aanhangwagen tegen een bestelbus aan. Voor de aanhangwagen stonden twee verbrande tonnen waarin nog resten smeulden, die werden geblust door een man die in en uit woning nummer 8 liep.

Deze man was verdachte. Hij heeft richting de verbalisanten kenbaar gemaakt dat hij die avond een feestje gaf en dat hij zich verantwoordelijk voelde voor hetgeen was gebeurd.

Hij had twee lanceerinstallaties in elkaar gezet waarmee (in ieder geval op enig moment) aan het eind van de straat vuurwerk werd afgestoken. Het betrof zwaar vuurwerk dat in Nederland niet is toegestaan. Met een kruiwagen is het vuurwerk, zogeheten “shells”, vervoerd naar de lanceerinstallatie. Restanten van dozen en karton werden na het uitpakken van het vuurwerk in de kruiwagen gedeponeerd. Nadat verdachte na 01.00 uur is gestopt met het afsteken van vuurwerk, is de kruiwagen teruggereden naar een plek ter hoogte van huisnummer 8 en vlakbij een vuurton gezet, waarin verdachte en zijn visite die avond hout en karton hadden opgestookt. [mededader 1] is op enig moment kartonnen dozen uit de kruiwagen in de vuurton gaan gooien. Een paar seconden na de laatste doos hoorde [mededader 1] iets sissen, waarna hij is weggerend. Toen ontstond een eerste explosie. Even later vonden een tweede en derde explosie plaats, waarvan met name de laatste een enorme impact had. Het is (met name) deze derde explosie geweest die voor de enorme schade aan auto’s en woningen en letsel bij enkele personen heeft gezorgd.

Verdachte wordt door het Openbaar Ministerie geen betrokkenheid bij voornoemde ontploffingen verweten, omdat het Openbaar Ministerie daarvoor onvoldoende aanleiding in het dossier heeft gezien. Wat verdachte wel wordt verweten, is het binnen Nederland brengen, het opslaan, het voorhanden hebben en het aan anderen ter beschikking stellen van een grote hoeveelheid illegaal vuurwerk, te weten in totaal 216 mortierbommen. Dit is strafbaar gesteld in artikel 1.2.2, lid 1, van het Vuurwerkbesluit.

Verdachte heeft ter zitting bekend1 dat hij deze hoeveelheid mortierbommen2 (ook wel shells genoemd) voorhanden heeft gehad en de rechtbank houdt hem hier dan ook verantwoordelijk voor. Het ging om 2 kartons mortieren van 3 inch van 72 stuks per karton en 2 kartons mortierbommen van 4 inch van 36 stuks per karton. Verdachte wist dat dit vuurwerk illegaal is in Nederland. Hij is niet opgeleid om dergelijk vuurwerk af te steken.3 Mortierbommen van dit kaliber worden aangemerkt als professioneel vuurwerk.4

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik voorhanden heeft gehad.

Daarnaast acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk een aantal van die mortierbommen ter beschikking heeft gesteld aan Marco [mededader 2] en nog een ander persoon. [mededader 2] heeft immers verklaard dat hij één of twee shells heeft afgestoken.5 Verdachte zelf heeft hierover verklaard dat hij bij het afsteken van de shells is geholpen door Marco ( [mededader 2] ) en een voor hem onbekende man.6 En voorts heeft getuige [getuige 1] verklaard dat er drie jongens naast de kruiwagen met vuurwerk stonden en dat er nog een man was die tegen de jongens zei om even mee te helpen met het laden van de pijpen met shells.7 Nadat verdachte hierover ter zitting is bevraagd, heeft hij verklaard dat – hoewel hij zegt dit niet bewust te hebben meegemaakt – het zo kan zijn dat [mededader 2] inderdaad met het vuurwerk van verdachte in de weer is geweest, als dit is wat [mededader 2] verklaart.8

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de invoer van dit vuurwerk door verdachte niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte heeft verklaard dit uit Oost-Europa afkomstige vuurwerk via via in Nederland te hebben gekocht. Bovendien heeft de verdediging terecht opgemerkt dat de pleegperiode slechts op het moment rond oud en nieuw ziet en niet is gebleken dat het vuurwerk toen pas is aangeschaft.

Ten slotte zal de rechtbank verdachte ook vrijspreken van de opslag van dit vuurwerk, nu de tenlastegelegde periode beperkt is en de rechtbank de handelingen van verdachte niet beschouwt als het opslaan van vuurwerk.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de periode van 31 december 2017 tot en met 1 januari 2018 te Etten-Leur, opzettelijk een grote hoeveelheid professioneel vuurwerk, te weten 144 mortierbommen (3 inch) en 72 mortierbommen (4 inch), bestemd voor particulier gebruik, voorhanden heeft gehad en een aantal van die mortierbommen aan [mededader 2] en een ander ter beschikking heeft gesteld.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 180 uur subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van

5 maanden.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat rekening gehouden dient te worden met het advies van de Reclassering van 18 maart 2019 en het beperkte strafblad van verdachte, waar louter oude en/of geen soortgelijke feiten op staan. Ten aanzien van de strafeis heeft de verdediging bepleit om tot een lagere straf te komen, indien de rechtbank minder bewezen zou achten dan de officier van justitie.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Het incident met oud en nieuw 2017/2018 heeft voor de bewoners van de [adres 2] in Etten-Leur en alle daar op dat moment aanwezigen een grote impact gehad. Dat blijkt niet alleen uit het strafdossier, maar dat heeft de rechtbank ook kunnen zien tijdens de behandeling ter zitting. Ook thans, bijna twee jaar later, ondervinden veel bewoners nog de nadelige gevolgen van deze vreselijke gebeurtenis. Sommigen betrokkenen hebben nog fysieke beperkingen ten gevolge van het incident, in een aantal gevallen is de materiële schade nog niet of niet geheel vergoed of betrokkenen worden weer emotioneel bij het idee wat er allemaal nog meer had kunnen gebeuren. Bij hen en bij verdachte is er het besef dat één en ander die nacht nog veel slechter had kunnen aflopen. Kortom, een feestelijk moment is die nacht uitgemond in een zaak met louter verliezers.

Hoewel de ontploffingen niet aan verdachte worden verweten, is uit het onderzoek wel voldoende gebleken dat illegaal zwaar vuurwerk van verdachte bij de derde explosie is ontploft. Juist vanwege het grote gevaar voor mensen en goederen staan op illegaal vuurwerkbezit hoge straffen. Dat dat niet voor niets is, is die avond weer gebleken.

De officier van justitie heeft ter zitting de OM-richtlijnen voor specifieke soorten professioneel vuurwerk in haar requisitoir aangehaald. In deze richtlijnen worden als uitgangspunten gehanteerd voor de bepaling van de hoogte van een straf: het soort vuurwerk, de hoeveelheid en de vraag of sprake is van een first offender of recidive. In het voorliggende geval gaat het om 216 mortierbommen. De richtlijnen gaan uit van een gevangenisstraf van 9 maanden bij 200 stuks of meer. De officier van justitie heeft dit uitgangspunt omgerekend naar een taakstraf van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 5 maanden.

De rechtbank vindt in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend bij het voorhanden hebben van illegaal vuurwerk van deze zwaarte en hoeveelheid. In het voordeel van verdachte houdt zij echter rekening met de volgende persoonlijke omstandigheden. Verdachte heeft in een brief aan zijn buren en ter zitting mondeling verklaard spijt te hebben van hetgeen is gebeurd en van zijn keuze om illegaal vuurwerk te kopen. Die spijt komt op de rechtbank oprecht over. Verdachte geeft aan dat hij lijdt aan ADHD en dat hij veel last ervaart van hetgeen is gebeurd. Hij heeft in 2009 een zwaar ongeluk gehad en is 100% arbeidsongeschikt. Hij heeft een laag zelfbeeld, ervaart geheugenproblematiek en volgt therapie. Momenteel is hij voornamelijk actief als huisvader voor zijn gezin. Daarnaast probeert hij een eigen bedrijfje van de grond te krijgen, hetgeen naar eigen zeggen nog niet echt goed wil lukken.

Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf acht de rechtbank gelet op al deze omstandigheden niet aan de orde. Verdachte verdient echter wel een forse straf, gelet op het gevaarzettend karakter van zijn handelen. Daarnaast acht de rechtbank een stok achter de deur passend in de vorm van een forse voorwaardelijke straf, omdat verdachte zelf heeft gezegd altijd al een fascinatie voor vuurwerk te hebben gehad. De rechtbank hoopt met een forse voorwaardelijke straf te voorkomen dat verdachte in de toekomst weer toegeeft aan de verleiding van de aanschaf van zwaar illegaal vuurwerk.

Alles afwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf passend.

Zij legt dan ook aan verdachte op een taakstraf van 180 uur, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van
5 maanden met een proeftijd van twee jaar.

7 De benadeelde partijen

De benadeelde partijen [5 partijen] vorderen ieder een schadevergoeding ter zake de (im)materiële gevolgen van de vuurwerkontploffing op 1 januari 2018.

Gelet op het strafrechtelijk verwijt dat in de tenlastelegging is opgenomen, te weten overtreding van het Vuurwerkbesluit, en niet de betrokkenheid bij de ontploffing(en) zelf, heeft de rechtbank op de zitting van 9 oktober 2019 de vorderingen van de benadeelde partijen kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

8 Het beslag

8.1

De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen pijpen (2 stuks, ten behoeve van de lanceerinstallatie voor vuurwerk) zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat het feit is begaan met betrekking tot deze voorwerpen en het ongecontroleerde bezit ervan is in strijd met het algemeen belang.

8.2

De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen (vaten: 2 oliedrums geroest/verbrand). Deze voorwerpen zijn niet vatbaar voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en zijn onder verdachte in beslag genomen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer en artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 eerste lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: pijpen
(2 stuks, ten behoeve van de lanceerinstallatie voor vuurwerk);

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten vaten
(2 oliedrums geroest/verbrand).

Dit vonnis is gewezen door mr. Dekker, voorzitter, mr. Van der Linden en mr. De Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Korsten, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 25 oktober 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2018000326 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 546. De verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 9 oktober 2019.

2 Het proces-verbaal van bevindingen mbt herkenning vuurwerk van 21 februari 2018, pagina 184 en verder, en het deskundigenverslag van het NFI van 24 maart 2010, pagina 193 en verder.

3 De verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 9 oktober 2019.

4 Het deskundigenverslag van het NFI van 24 maart 2010, pagina 205.

5 Het proces-verbaal van verhoor verdachte M.C. [mededader 2] , pagina 86.

6 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , pagina 44.

7 Het proces-verbaal van verhoor getuige M.J. [getuige 1] , pagina 145.

8 De verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 9 oktober 2019.