Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:4604

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
02-10-2019
Datum publicatie
18-12-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 7965
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WOZ. Het gaat om een mantelzorgwoning die met een tussendeur is verbonden met de hoofdwoning. Objectafbakening. Omdat er sprake is van 2 verschillende zakelijk gerechtigden, gaat het om 2 onroerende zaken. Er zijn geen geschikte vergelijkingsobjecten voor de mantelzorgwoning. De rechtbank stelt de WOZ-waarde in goede justitie vast. Afvalstoffenheffing. De rechtbank vindt dat de gemeente niet heeft voldaan aan haar inzamelplicht. De aanslag afvalstoffenheffing wordt daarom vernietigd.

Wetsverwijzingen
Wet waardering onroerende zaken
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2019-3380
Viditax (FutD), 18-12-2019
NTFR 2020/284 met annotatie van mr. P.L. Cheung
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 18/7965

uitspraak van 2 oktober 2019

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Loon op Zand,

de heffingsambtenaar.

Ontstaan en loop van het geding

De heffingsambtenaar heeft in de beschikking van 28 februari 2018 de waarde van de onroerende zaak Van [adres] in [woonplaats] (de woning) voor het kalenderjaar 2018 vastgesteld op € 108.000,-. Dit is gebeurd op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). In diezelfde beschikking zijn ook de aanslagen onroerende-zaakbelasting, afvalstoffenheffing en rioolheffing bekend gemaakt.

De heffingsambtenaar heeft bij uitspraken op bezwaar van 15 oktober 2018 de waarde van de woning verminderd tot een bedrag van € 77.000,-. Daarnaast is de aanslag onroerende-zaakbelasting verminderd tot een bedrag van € 580,02.

Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.

De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van 22 augustus 2019. Daarbij waren aanwezig H.J. van Zelst als gemachtigde van belanghebbende, en [verweerder 1] en [verweerder 1] als taxateurs namens de heffingsambtenaar.

Feiten

1. Belanghebbende [belanghebbende] is eigenaar van de woning. Het betreft een mantelzorgwoning uit 1971 die verbonden is met de ‘hoofdwoning’ ( [adres] ). De inhoud van de woning (zonder de hoofdwoning) is ongeveer 240 m³ en de oppervlakte van het perceel is ongeveer 100 m².

Geschil

2. Partijen verschillen ten eerste van mening over de vraag of de woning één object vormt met de hoofdwoning. De heffingsambtenaar vindt dat het twee verschillende objecten zijn en belanghebbende is het daar niet mee eens. Het tweede punt waarover partijen van mening verschillen is de waarde van de woning op waardepeildatum 1 januari 2017. De heffingsambtenaar heeft de waarde vastgesteld op € 77.000,-. Belanghebbende bepleit een waarde van € 55.000,-. Tot slot verschillen partijen van mening over de afvalstoffenheffing.

Belanghebbende heeft het beroep tegen de aanslag rioolheffing tijdens de zitting ingetrokken, zodat dit geen bespreking behoeft.

Beoordeling van het geschil

Objectafbakening

3. [belanghebbende] is eigenaar van zowel de woning als de hoofdwoning. Belanghebbende heeft echter een zakelijk recht op de woning, namelijk het recht van gebruik en bewoning. Het zakelijk recht bepaalt de begrenzing van een WOZ-object. Dit blijkt uit artikel 16, aanhef en onder d, van de Wet WOZ, waarin wordt gesproken over gebruik door dezelfde belastingplichtige. Dit blijkt ook uit artikel 24, derde lid, van de Wet WOZ, waarin staat aan wie de WOZ-beschikking wordt gestuurd. Twee onroerende zaken die samen één geheel vormen, maar waarbij er sprake is van verschillende zakelijk gerechtigden, kunnen niet één WOZ-object vormen.

Het is voor de objectafbakening dus niet relevant of de deur tussen de hoofdwoning en de woning al dan niet kan worden afgesloten. Nu belanghebbende een zakelijk recht heeft op de woning, is er volgens de WOZ reeds daarom sprake van twee onroerende zaken. Zie ook de uitspraak van de Hoge Raad van 20 oktober 1993 (ECLI:NL:HR:1993:ZC5491) waarin de Hoge Raad overweegt: “Voor de heffing van onroerend-goedbelasting wegens genot krachtens zakelijk recht kan een geheel als het onderhavige slechts dan als één onroerend goed in de door het Hof bedoelde zin worden aangemerkt indien met betrekking tot alle samenstellende delen sprake is van dezelfde zakelijk gerechtigde(n).”

De rechtbank zal daarom – net als de heffingsambtenaar – ervan uitgaan dat de woning een twee-onder-een-kapwoning betreft.

Vaststelling WOZ-waarde

4. De WOZ-waarde dient – voor zover van belang – gelijk te zijn aan de prijs die

- de meest biedende koper voor de woning zou betalen

- bij verkoop op de voor de woning meest geschikte wijze

- na de beste voorbereiding.

De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat de door hem vastgestelde waarde niet te hoog is. In beginsel is de heffingsambtenaar gehouden om dit te doen aan de hand van verkoopprijzen van de best vergelijkbare woningen, waarvan de verkoopprijzen moeten zijn gerealiseerd zo dicht mogelijk rond de waardepeildatum.

5. De heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de vastgestelde WOZ-waarde een taxatieverslag, een waarderapport en een matrix overgelegd. Hierin is de waarde van de woning getaxeerd op € 77.000,-. Naast gegevens van de woning bevatten het taxatieverslag, het waarderapport en de matrix gegevens van een aantal vergelijkingsobjecten.

6. Met het taxatieverslag, het waarderapport en de matrix heeft de heffingsambtenaar niet aannemelijk gemaakt dat de woning op de waardepeildatum een waarde in het economische verkeer had van € 77.000,-. De rechtbank zal dat hieronder uitleggen.

6.1

De heffingsambtenaar heeft drie vergelijkingsobjecten genoemd, maar de rechtbank vindt geen van deze objecten geschikt. Zo zijn de inhoud (woning) en oppervlakte (perceel) van de objecten [Object 1] in Loon op Zand en [Object 2] in Kaatsheuvel significant groter dan de woning van belanghebbende. Het object [Object 3] in Kaatsheuvel komt qua inhoud en oppervlakte meer in de buurt van de woning van belanghebbende, maar dit vergelijkingsobject ligt in de bebouwde kom in plaats van in het buitengebied.

Daarnaast betreft de woning van belanghebbende een mantelzorgwoning die met een tussendeur verbonden is aan de hoofdwoning. De rechtbank is niet gebleken dat er bij de vergelijkingsobjecten sprake is van een daarmee vergelijkbare situatie. De rechtbank gaat er daarbij overigens wel van uit dat er ten tijde van de waardepeildatum (nog) sprake was van een afsluitbare tussendeur. Eind 2016 heeft er een inpandige controle plaatsgevonden ten behoeve van de waardebepaling voor het belastingjaar 2017, waarbij dat is vastgesteld, zo hebben de taxateurs ter zitting medegedeeld. De door belanghebbende ter zitting overgelegde foto’s zijn de dag vóór de zitting gemaakt en geven geen uitsluitsel over de situatie ten tijde van de waardepeildatum. Bovendien is op de foto’s te zien dat er wel een sleutelgat in de deur zit, hetgeen een aanwijzing is dat er nu ander beslag op de deur zit.

6.2

Belanghebbende heeft met wat is aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning op de waardepeildatum € 55.000 bedraagt. Zo kan de rechtbank niet meegaan in het standpunt van belanghebbende dat voor de grondwaarde aangesloten moet worden bij de grondwaarde per m² van de hoofdwoning. Dit omdat het perceel van de hoofdwoning een oppervlakte heeft van ongeveer 8.095 m² en de grondwaarde per m² bij die woning een stuk lager ligt door het afnemend grensnut.

6.3

De rechtbank begrijpt dat het moeilijk is om goede vergelijkingsobjecten te vinden gelet op het karakter van de mantelzorgwoning. Nu geen van partijen de waarde aannemelijk heeft gemaakt, bepaalt de rechtbank met inachtneming van wat partijen over en weer hebben aangevoerd, de waarde van de woning op de waardepeildatum in goede justitie op € 60.000. De aanslag onroerende-zaakbelasting moet dienovereenkomstig worden verminderd.

Afvalstoffenheffing

7. De heffingsambtenaar heeft belanghebbende een afvalstoffenheffing opgelegd van € 231,96. Dit is gebaseerd op de Verordening op de heffing en invordering van de afvalstoffenheffing en de reinigingsrechten 2018.

7.1

Belanghebbende is het er niet mee eens dat hij afvalstoffenheffing moet betalen. Volgens belanghebbende is er door de gemeente maar 1 blauwe, 1 groene en 1 grijze container beschikbaar gesteld voor beide panden (de mantelzorgwoning en de hoofdwoning). Daarnaast is er ook maar 1 pasje verstrekt voor afvoer van afvalstoffen naar de gemeentewerf. Ook heeft de belanghebbende aangevoerd dat hij herhaalde malen heeft gevraagd om verstrekking van kliko’s en een afvalstoffenpasje, maar deze van de zijde van de gemeente steeds zijn geweigerd.

7.2

De rechtbank overweegt als volgt. Het belastbare feit voor de afvalstoffenheffing is het gebruikmaken van een perceel ten aanzien waarvan de inzamelplicht geldt. Een perceel kan worden omschreven als een woning met een zekere mate van zelfstandigheid of een ander door een particuliere huishouding of deel daarvan gebruikt verblijf, waar geregeld huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan en ten aanzien waarvan de gemeente voldoet aan haar inzamelplicht.

De daadwerkelijke nakoming van de inzamelplicht is een vereiste waaraan de gemeente moet voldoen, wil zij afvalstoffenheffing kunnen heffen. De rechtbank vindt dat de gemeente in dit geval niet heeft voldaan aan haar inzamelplicht. Dit omdat aan belanghebbende geen eigen kliko’s en een pasje voor de gemeentewerf zijn verstrekt en de rechtbank het aannemelijk acht dat belanghebbende hier wel om heeft gevraagd, zoals ter zitting namens belanghebbende is betoogd, maar dit steeds is geweigerd. De enkele omstandigheid dat belanghebbende zijn afvalstoffen bij de buren kan aanbieden, doet daar niet aan af.

Waar leidt dit alles toe?

8. Het beroep van belanghebbende zal gegrond worden verklaard. De uitspraken op bezwaar zullen worden vernietigd, voor zover deze betrekking hebben op de WOZ-waarde, de aanslag onroerende-zaakbelasting en de afvalstoffenheffing. Daarnaast bestaat aanleiding om de aanslag afvalstoffenheffing te vernietigen, omdat deze ten onrechte is geheven.

Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar, voor zover deze betrekking hebben op de WOZ-waarde, de onroerende-zaakbelasting en de afvalstoffenheffing, behoudens voor zover het betreft de toegekende proceskostenvergoeding;

  • -

    vermindert de vastgestelde WOZ-waarde tot € 60.000,-;

  • -

    vermindert de aanslag onroerende-zaakbelasting dienovereenkomstig;

  • -

    vernietigt de aanslag afvalstoffenheffing;

  • -

    veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.024,-;

- gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46,- aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 2 oktober 2019 door mr. V.M. Schotanus, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van E.C. Petrusma, griffier.

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

Bijlage

Wet waardering onroerende zaken

Artikel 16:

Voor de toepassing van de wet wordt als één onroerende zaak aangemerkt:

a. een gebouwd eigendom;

b. een ongebouwd eigendom;

c. een gedeelte van een in onderdeel a of onderdeel b bedoeld eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt;

d. een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a of onderdeel b bedoelde eigendommen of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;

e. een geheel van twee of meer van de in onderdeel a of onderdeel b bedoelde eigendommen, of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan, of in onderdeel d bedoelde samenstellen, dat naar de omstandigheden beoordeeld één terrein vormt bestemd voor verblijfsrecreatie en dat als zodanig wordt geëxploiteerd;

f. het binnen de gemeente gelegen deel van een in onderdeel a of onderdeel b bedoeld eigendom, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan, van een in onderdeel d bedoeld samenstel of van een in onderdeel e bedoeld geheel.

Artikel 17

1. Aan een onroerende zaak wordt een waarde toegekend.

2. De waarde wordt bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.

Artikel 18

1. De waarde van een onroerende zaak wordt bepaald naar de waarde die de zaak op de waardepeildatum heeft naar de staat waarin de zaak op die datum verkeert.

2. De waardepeildatum ligt één jaar voor het begin van het kalenderjaar waarvoor de waarde wordt vastgesteld.

Artikel 24, derde lid

De bekendmaking van de beschikking geschiedt terstond door toezending aan:

a. degene die aan het begin van het kalenderjaar het genot heeft van de onroerende zaak krachtens eigendom, bezit of beperkt recht;

b. degene die aan het begin van het kalenderjaar de onroerende zaak al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt.

Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking wordt van de beschikking mededeling gedaan aan de afnemers.

Wet milieubeheer

Artikel 10:21

1. De gemeenteraad en burgemeester en wethouders dragen, al dan niet in samenwerking met de gemeenteraad en burgemeester en wethouders van andere gemeenten, ervoor zorg dat ten minste eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen met uitzondering van grove huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan.

2. Groente-, fruit- en tuinafval wordt daarbij in ieder geval afzonderlijk ingezameld.

3. De gemeenteraad kan besluiten tot het afzonderlijk inzamelen van andere bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen.

Artikel 10.22

1. Elke gemeente draagt er zorg voor:

a. dat grove huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen ontstaan, en

b. dat er op ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeente of binnen de gemeenten waarmee wordt samengewerkt, in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om grove huishoudelijke afvalstoffen achter te laten.

2. In het belang van een doelmatig beheer van grove huishoudelijke afvalstoffen kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat het eerste lid geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijft met betrekking tot bij de maatregel aangewezen categorieën van grove huishoudelijke afvalstoffen, al dan niet voor zover deze vrijkomen in een hoeveelheid of een omvang die, of een gewicht dat groter is dan bij de maatregel is aangegeven.

Artikel 15:33, eerste lid

De gemeenteraad kan ter bestrijding van de kosten die voor haar verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen een heffing instellen, waaraan kunnen worden onderworpen degenen die, al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

Verordening op de heffing en invordering van de afvalstoffenheffing en de reinigingsrechten 2018

Artikel 4

De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikel 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.