Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:4591

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-10-2019
Datum publicatie
22-10-2019
Zaaknummer
02-089473-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich op één avond/nacht schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en vernieling in Oisterwijk en aan bedreiging met een vuurwapen (rijdend in een auto) in Tilburg. De agressie eindigde na een wilde achtervolging bij het politiebureau in Tilburg. Verdachte ontkent en de verdediging gaat uit van een persoonsverwisseling bij aangevers en de getuigen. De rechtbank gaat er echter vanuit dat het verdachte was gelet op de verschillende, overeenkomende beschrijvingen van de dader. Ook het feit dat de agressor het had over zijn nichtje en verdachte heeft verklaard dat zijn nichtje zijn hulp had ingeroepen weegt de rechtbank mee. De rechtbank legt 15 maanden gevangenisstraf op waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02/089473-19

vonnis van de meervoudige kamer van 22 oktober 2019

in de strafzaak tegen

[Verdachte]

geboren op [Geboortedag] 1999 te [Geboorteplaats]

wonende te [Adres]

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Grave

raadsman mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat te Maastricht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 oktober 2019, waarbij de officier van justitie, mr. Jacobs, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat

1

hij op of omstreeks 13 april 2019 te Oisterwijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [Slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) heeft gestompt en/of geslagen en/of getrapt tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of tegen het lichaam van die [Slachtoffer 1] voornoemd (terwijl die [Slachtoffer 1] in een auto zat), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 13 april 2019 te Oisterwijk met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Stationsplein, in elk geval op of aan een openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [Slachtoffer 1] ,

welk geweld bestond uit het meermalen (met kracht) slaan en/of stompen en/of trappen tegen het hoofd en/of het gezicht en/of het lichaam van die [Slachtoffer 1] voornoemd;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 13 april 2019 te Oisterwijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [Slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [Slachtoffer 1] voornoemd meerdere

malen, althans eenmaal (met kracht) in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of tegen het lichaam te stompen en/of te slaan en/of te schoppen;

2

hij op of omstreeks 14 april 2019 te Goirle en/of te Tilburg, althans in het arrondissement Zeeland-West-Brabant, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [Slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (al rijdende in een auto) een vuurwapen te richten en/of gericht te houden op die [Slachtoffer 2] voornoemd;

3

hij op of omstreeks 14 april 2019 te Goirle en/of te Tilburg, althans in het arrondissement Zeeland-West-Brabant, met een ander of anderen althans alleen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Glock, type model 26, kaliber 9 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of meerdere munitie van categorie III, te weten drie, althans meerdere, althans een kogelpatro(o)n(en) (met huls) (merk Lapua) kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad;

4

hij op of omstreeks 13 april 2019 te Oisterwijk opzettelijk en wederrechtelijk (een strip van) een voorruit, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [Slachtoffer 1] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd aan [Slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (feit 1 primair) en baseert zich daarbij op de aangifte, de foto’s en medische informatie met betrekking tot het letsel en de getuigenverklaringen van [Naam 1] en [Naam 2] . Daarbij gaat de officier van justitie ervan uit dat verdachte alleen heeft gehandeld.

Ook acht de officier van justitie bewezen dat verdachte samen met medeverdachte [Medeverdachte] [Slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door hem een vuurwapen te tonen (feit 2). Hij verwijst daarvoor naar de aangifte van [Slachtoffer 2] de verklaring van [Naam 3] , de verklaring van verdachte dat hij de bestuurder was van de Mercedes Citan, de omstandigheid dat verdachte eerder die avond is gezien door getuige [Naam 1] en [Naam 2] met een vuurwapen in zijn handen, dat bij de fouillering van verdachte twee hulzen zijn gevonden die passen bij het gevonden vuurwapen en de verklaring van [Naam 4] die verdachte tegen [Medeverdachte] hoort zeggen “gooi weg dat ding”. Ook het in vereniging voorhanden hebben van het vuurwapen (feit 3) acht de officier van justitie daarmee bewezen.

Uit de verklaring van [Naam 2] en de aangifte van [Slachtoffer 1] tezamen blijkt tot slot dat verdachte een strip heeft losgetrokken van de voorruit van de auto van [Slachtoffer 1] en daarmee feit 4 ook heeft gepleegd.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot enige bewezenverklaring kan komen en vraagt integraal vrijspraak.

Voor wat betreft feit 1 stelt de verdediging dat er sprake is geweest van een persoonsverwisseling; de getuigen hebben onterecht verdachte aangewezen als dader en hem verward met [Medeverdachte] . [Medeverdachte] heeft verklaard dat alleen hij ruzie had met [Slachtoffer 1] en hem ook enkele malen heeft geslagen. Van schoppen is geen sprake geweest. Ook aangever heeft het niet over schoppen in de 112-melding, zijn eerste verklaringen bij de politie en ook bij de arts niet. Als er al geschopt zou zijn, was er te weinig ruimte tussen de passagierskant van de auto waar [Slachtoffer 1] zich bevond en de auto die hier rechts van stond geparkeerd om echt uit te kunnen halen. Er is geen overtuigend bewijs voor het schoppen, voor het opzet op zware mishandeling noch voor de overige onder feit 1 ten laste gelegde varianten.

[Naam 2] heeft verklaard dat de man die zijn broer sloeg de strip lostrok van de auto. Nu het [Medeverdachte] is geweest die heeft geslagen en aangever niet heeft gezien dat de strip van zijn auto is gehaald, is er onvoldoende bewijs dat verdachte de strip heeft losgetrokken van [Slachtoffer 1] auto en dient vrijspraak te volgen voor feit 4.

Uit de signalementen die aangever [Slachtoffer 2] en getuige [Naam 3] geven (met name met achterover gekamde haar), blijkt dat het [Medeverdachte] moet zijn geweest die heeft gedreigd met het vuurwapen en dit vuurwapen voorhanden heeft gehad. [Slachtoffer 2] heeft weliswaar verklaard dat de bestuurder het wapen vast had, maar gelet op zijn positie en de situatie is het goed mogelijk dat hij dit niet goed heeft gezien. [Naam 3] , die beter zicht had op de auto, weet niet of het de bestuurder of de bijrijder was die het vuurwapen in handen had. Uit de woorden die [Naam 4] verdachte heeft horen zeggen tegen [Medeverdachte] “Stop nou! Stop nou!” en de verklaring van verdachte ter zitting blijkt dat verdachte zich heeft gedistantieerd van het gedrag van [Medeverdachte] in de auto. Ook door de woorden van verdachte “gooi weg dat ding” die [Naam 4] heeft gehoord, wordt aannemelijk dat het niet verdachte was die het vuurwapen vast had. Het wapen is daarnaast in de nabijheid van [Medeverdachte] gevonden en wordt ook aan [Medeverdachte] toebedeeld door de politie. Voor zowel feit 2 als feit 3 dient daarom eveneens vrijspraak te volgen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feiten 1 en 4

Aangever [Slachtoffer 1] werd op 13 april 2019 bij het Stationsplein in Oisterwijk aangesproken door twee jongens, waarvan een jongen hem vroeg of hij wel wist hoe (fucking) oud zijn nichtje wel niet was. De jongen haalde uit met kracht en gebalde vuist en raakte aangever op zijn neus. Aangever probeerde in de auto te stappen waarin ook zijn vriendin [Naam 1] en zijn broer [Naam 2] zich bevonden, maar het portier werd opengetrokken en de jongen trapte hem met kracht, vier of vijf maal, tegen zijn gezicht. De jongen haalde vervolgens nog uit met een zwarte, smalle lange strip richting aangevers benen. De jongen sloeg met de strip op aangevers linker scheenbeen en de strip brak doormidden. Later ontdekte aangever dat de strip was losgetrokken van zijn voorruit.1

Aangever heeft een signalement gegeven van de jongen en beschrijft dan onder andere: een jongen van begin 20 jaar, circa 1.85 m, tenger, blond haar, smal gelaat, lichte ogen en een donkergroen of donkerblauw jack en witte sportschoenen.

Aangever heeft verklaard dat er nog een jongen bij was, die bij zijn portier stond en hem ook vroeg of hij betrokken was geweest bij een incident. Deze jongen leek te bedaren toen aangever vertelde dat zij hiermee niets te maken hadden. Van deze jongen geeft aangever het volgende signalement: circa 1.77 m, wat dikker dan de andere jongen, een ronder gelaat, kort donker haar met gel en een rode trui.

Aangever heeft kort na het incident de foto van verdachte aangewezen als de foto van degene die hem geschopt en geslagen had.2 Aangever herkende verdachte zonder twijfel aan zijn algehele uitstraling, houding, postuur, gezicht en kleding. Aangever heeft ook [Medeverdachte] zonder twijfel herkend aan zijn rode trui, haren, gezicht en postuur als de jongen die niet had geslagen maar er wel bij was.

Getuige [Naam 2] heeft verklaard dat twee jongens, een met een rode trui en een andere jongen met een opvallende riem hen aanspraken bij het station in Oisterwijk. De jongen met de riem vroeg aan [Slachtoffer 1] wat ze hadden gedaan met zijn nichtje. De jongen met de riem had op enig moment een pistool in zijn rechterhand en maakte met zijn linkerhand een beweging waarbij het ook klonk alsof hij het pistool doorlaadde. De jongen haalde twee of drie keer uit met gebalde vuist en heeft [Slachtoffer 1] in het gezicht geraakt en daarna nog een keer. De jongen trok een strip van de auto. Toen [Slachtoffer 1] de deur probeerde dicht te trekken, hield de jongen de deur tegen en begon hij [Slachtoffer 1] ook te trappen in het gezicht. [Naam 2] beschrijft de jongen met de riem als blank en tenger en circa 1.80 m.3 De jongen met de rode trui was volgens hem eveneens blank, iets kleiner en forser, met een stevig postuur. De getuige heeft de man met de rode trui op de foto herkend die hem getoond werd. Dit betreft de foto van [Medeverdachte] .

Getuige [Naam 1] heeft eveneens verklaard over een jongen met een rode trui, man 1, die haar vriend [Slachtoffer 1] aansprak en vroeg wat ze met dat meisje hadden gedaan. Een andere jongen, man 2, had een pistool in zijn hand en zwaaide ermee. [Naam 1] zag dat man 2 met zijn vuist tegen het gezicht van [Slachtoffer 1] sloeg. Hij trapte [Slachtoffer 1] vervolgens tegen het gezicht. [Naam 1] zag dat man 2 witte gympen droeg. De man met de rode trui deed niet zo veel.

[Naam 1] beschrijft man 1 onder andere als een jongen van circa 20 jaar blank met een wat roziger, roder aangelopen gezicht, een gezet, stevig postuur, bol gezicht en een rode trui met een ronde hals.

Man 2 was een man van circa 25 jaar, blank, met een slank postuur, vermoedelijk droeg hij een donkergroen jack met stiksels, witte sneakers met een witte zool.4

Getuige [Naam 1] heeft [Verdachte] daarna zonder twijfel herkend op een foto als degene die [Slachtoffer 1] heeft geslagen en geschopt en het pistool vast had.5 Ook heeft zij [Medeverdachte] op een foto herkend als de man met de rode trui die niet heeft geslagen en geschopt.

Op basis van deze verklaringen stelt de rechtbank vast dat de man met de groene jas en de witte gympen degene was die [Slachtoffer 1] heeft gestompt en getrapt en niet de man met de rode trui.

[Medeverdachte] heeft verklaard dat hij degene was die ruzie had met [Slachtoffer 1] en hem heeft geslagen en dat verdachte niets heeft gedaan. Deze verklaring acht de rechtbank gelet op de eensluidende en gedetailleerde verklaringen van aangever en de beide getuigen echter niet geloofwaardig. Zij spreken allen over de man met de rode trui die niet veel deed, dan wel eerder een sussende rol had in tegenstelling tot de rol van de andere man, de agressor.

De gegeven signalementen van de man die sloeg en schopte komen ook op essentiële onderdelen overeen met het signalement van verdachte. Verdachte droeg immers die avond een groen jack en witte gympen en hij is ouder, langer en dunner dan [Medeverdachte] , die een rode trui droeg en zwarte schoenen. Van een persoonsverwisseling kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake zijn.

De rechtbank stelt vast op basis van de foto’s in het dossier dat verdachte de man met het groene jack was en [Medeverdachte] de man met de rode trui. De man met het groene jack heeft het bovendien over “zijn nichtje” als hij aangever en getuigen aanspreekt. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat het inderdaad zijn nichtje betrof die hem en [Medeverdachte] die avond had gebeld.6 Het meisje was niet het nichtje van [Medeverdachte] , aldus verdachte ter zitting. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat [Medeverdachte] heeft verklaard dat hij voor 100% de schuld op zich zou nemen voor zijn vriend, verdachte [Verdachte] .

Voor de rechtbank staat dan ook vast dat het verdachte is geweest die [Slachtoffer 1] heeft geschopt en geslagen tegen het gezicht.

Uit de omstandigheid dat aangever bij de 112-melding niet heeft gesproken over schoppen, alleen over slaan, trekt de rechtbank niet de conclusie dat aangever de aangifte, korte tijd later, heeft aangedikt en zij wijst daarbij ook op de verklaringen van [Naam 2] en [Naam 1] die in detail verklaren over het aanvankelijk slaan en vervolgens schoppen terwijl [Slachtoffer 1] in de auto zit.

Dat er te weinig ruimte zou zijn om kracht te kunnen zetten bij het trappen, volgt de rechtbank evenmin, omdat het ook mogelijk is om met kracht te schoppen in een gedeeltelijk geopend deurportier.

Aangever had na de mishandeling blauwe plekken onder zijn ogen en in de linkerooghoek en een zwelling aan zijn neus.7 De rechtbank stelt vast dat hij daarmee nog van geluk mag spreken nu door het schoppen tegen het gezicht ook zwaar lichamelijk letsel toegebracht had kunnen worden. Kijkend naar de uiterlijke verschijningsvorm kan het meermalen (slaan en) schoppen tegen het gezicht worden aangemerkt als gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel zodat ook gesproken kan worden van opzet hierop.

De rechtbank acht daarom het onder feit 1 primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen, namelijk dat verdachte heeft geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan [Slachtoffer 1]

De rechtbank acht tevens de vernieling van de strip van de voorruit (feit 4) wettig en overtuigend bewezen op basis van de aangifte van [Slachtoffer 1] en de verklaring van [Naam 2] . [Naam 2] heeft immers verklaard dat degene die [Slachtoffer 1] heeft mishandeld ook de strip heeft losgetrokken. [Slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij met een zwarte strip is geslagen, waarna de strip kapot is gegaan, en dat hij later ontdekte dat de strip van zijn eigen auto afkomstig moet zijn geweest.

Feiten 2 en 3

Aangever [Slachtoffer 2] reed op 14 april 2019 om 01.43 uur als bestuurder van een Ford Transit op de Ringbaan Zuid te Tilburg. Hij haalde een witte Mercedes Citan bestelbus in en zag dat de bestuurder een vuurwapen op hem richtte. Hij had het wapen in zijn rechterhand. [Slachtoffer 2] voelde zich hierdoor bedreigd. Hij zag dat de bestuurder van de Mercedes iets naar hem schreeuwde en had de indruk dat hij zei dat aangever zijn auto aan de kant moest zetten. De bestuurder van de bestelbus achtervolgde hem vervolgens door de stad tot deze rit eindigde bij het politiebureau te Tilburg.8

De bijrijder van [Slachtoffer 2] , getuige [Naam 3] , heeft gezien dat er twee mannen in een witte Mercedes bus zaten. Eén van deze mannen hield een vuurwapen in zijn hand en richtte het op hen9. Of het de bestuurder betrof of de passagier kon [Naam 3] niet zeggen.

Verdachte heeft verklaard dat hij de bestuurder was van de Mercedes Citan bestelbus en dat [Medeverdachte] zijn bijrijder was.10 Achterin deze bestelbus zat [Naam 4] die verklaarde dat hij waar hij zat, niets kon zien, maar dat hij verdachte heeft horen zeggen “stop dan, stop dan!”. Daarna volgde een rit van circa 20 minuten waarbij snel en wild werd gereden. Verdachte riep “politie, politie!” en vervolgens tegen [Medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: [Medeverdachte] ) “gooi weg dat ding”.11

Nadat de Mercedesbus was gestopt en de bestuurder en de bijrijder waren uitgestapt, is er door de politie een vuurwapen gevonden op de plek waar de bijrijder van de Mercedes had gestaan.12 Het vuurwapen is onderzocht en het bleek te gaan om een pistool van het merk Glock, type model 26, kaliber 9 mm, een vuurwapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie13. Er bevonden zich nog twee patronen in de Glock14 en er lag één patroon op de grond van de bestelbus, aan de bestuurderszijde.15 De patronen bleken na onderzoek munitie in categorie III van de Wet Wapens en Munitie.16

Met de verdediging stelt de rechtbank vast dat het signalement dat [Naam 3] heeft gegeven eerder past bij [Medeverdachte] dan bij verdachte. Het is echter ook weer niet zo dat verdachte hier op geen enkele wijze in past. En nu [Naam 3] niet kan zeggen of het de bestuurder of de passagier was die het vuurwapen vasthad, hecht de rechtbank meer waarde aan de verklaring van [Slachtoffer 2] die heeft verklaard dat het de bestuurder was die het vuurwapen in zijn rechterhand vast had. Als de bijrijder het wapen in zijn rechterhand zou hebben, was het ook tamelijk ver verwijderd van [Slachtoffer 2] op het moment van inhalen van de Mercedesbus. Verdachte is bovendien eerder die avond gezien door getuigen [Naam 1]17 en [Naam 2]18 met een vuurwapen in zijn hand (zie feit 1). Hij was kennelijk nog steeds op zoek naar de persoon die zijn nichtje iets had aangedaan en heeft de bestuurder van de Ford Transit willen manen tot stoppen. Dat blijkt ook uit de verklaring van [Naam 4] die hoorde dat verdachte riep “stop nou, stop nou” en de verklaring van [Slachtoffer 2] die weliswaar niet hoorde wat hij zei, maar ook begreep dat de bestuurder van de Mercedes Citan hem wilde laten stoppen. Waarna een wilde achtervolging volgde.

Dat de woorden “stop nou, stop nou” sloegen op het gedrag van [Medeverdachte] in de auto, waar verdachte het niet mee eens zou zijn geweest, zoals de verdediging stelt, volgt de rechtbank dan ook niet. Het was juist verdachte die als bestuurder in de positie was om dingen die gebeurden in zijn bestelbus te veranderen; hij kon bepalen of ze zouden doorrijden of zouden stoppen. Dat hij er kennelijk voor heeft gekozen om achter de Ford Transit aan te gaan, ook na het tonen van het vuurwapen, wijst er niet op dat hij het oneens was met wat er in de bus gebeurde, integendeel.

De rechtbank acht op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte (en niet [Medeverdachte] ) is geweest die het vuurwapen in zijn (rechter)hand heeft gehad en daarmee [Slachtoffer 2] heeft bedreigd.

Er is onvoldoende bewijs dat [Medeverdachte] een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de bedreiging, anders dan mogelijk het - op verzoek van verdachte - achteraf (aanpakken en) weggooien van het vuurwapen nadat de politie hen had laten stoppen. De rechtbank acht daarom het medeplegen niet bewezen.

De rechtbank acht ook het voorhanden hebben van het vuurwapen en de drie kogelpatronen wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft het wapen in ieder geval in Oisterwijk (bij feit 1) en in Tilburg (bij feit 3) in handen gehad, plaatsen die vallen onder het arrondissement Zeeland-West-Brabant. Verdachte heeft tevens de twee kogels in het wapen en de patroon die aan de bestuurderskant van de Mercedes Citan die verdachte in gebruik had voor zijn werk en die hij die nacht ook bestuurde19 is aangetroffen, voorhanden gehad. Van medeplegen was hierbij geen sprake nu de rol van [Medeverdachte] hiertoe als onvoldoende wordt beschouwd.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1

op 13 april 2019 te Oisterwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [Slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meerdere malen (met kracht) heeft gestompt en/of geslagen en getrapt tegen het gezicht van die [Slachtoffer 1] voornoemd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2

op 14 april 2019 te Tilburg [Slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door (al rijdende in een auto) een vuurwapen te richten op die [Slachtoffer 2] voornoemd;

3

omstreeks 14 april 2019 in het arrondissement Zeeland-West-Brabant een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Glock, type model 26, kaliber 9 mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en meerdere munitie van categorie III, te weten drie, kogelpatronen (merk Lapua) kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad;

4

op 13 april 2019 te Oisterwijk opzettelijk en wederrechtelijk een strip van een voorruit die aan een ander, te weten aan [Slachtoffer 1] toebehoorde, heeft vernield.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 15 maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft gezeten.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit integrale vrijspraak, maar verzoekt de rechtbank, indien zij wel tot een veroordeling komt, rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden, het reclasseringsrapport en de impact die het waarschuwingsschot van de politie op hem heeft gehad.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. Hij heeft eerst een jongeman op een parkeerplaats bij het station in Oisterwijk geslagen en getrapt in zijn gezicht. De poging tot zware mishandeling heeft het slachtoffer pijn en letsel opgeleverd, waarvan de rechtbank al heeft aangegeven dat hij van geluk mag spreken dat het bij blauwe plekken en zwellingen is gebleven. Ook zijn broer en vriendin en mogelijk ook andere omstanders zijn erg geschrokken van de agressie die verdachte heeft laten zien. Zij verklaren over een wilde blik, iemand die totaal door het lint ging. Kort daarna heeft verdachte, vanuit een rijdende bestelbus, een man in een andere bestelbus bedreigd met een pistool, gevolgd door een wilde achtervolging. Dat ook de bestuurder van de bestelbus erg bang was van de bedreiging met een pistool en de achtervolging moge duidelijk zijn.

De aanleiding voor deze incidenten, het nichtje van verdachte die hem had gebeld omdat haar iets was overkomen, geeft de rechtbank reden om aan te nemen dat hier sprake was van eigenrichting. Verdachte heeft in een tijdsbestek van enkele uren mensen mishandeld, bedreigd met een vuurwapen en achtervolgd. Verdachte heeft geen enkel inzicht gegeven in zijn gedachten en achtergronden en heeft evenmin willen verklaren over hoe hij aan het wapen met de patronen is gekomen. Dit maakt dat de rechtbank vreest voor herhaling.

Anderzijds is verdachte nog jong, slechts 20 jaar, hij heeft een nagenoeg blanco strafblad en de strafbare feiten zijn allemaal in een kort tijdsbestek gepleegd.

Deze feiten rechtvaardigen een forse gevangenisstraf van vijftien maanden zoals geëist, maar ter voorkoming van nog een dergelijke agressieve uitspatting ziet de rechtbank aanleiding om hiervan drie maanden voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaar.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [Slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 808,76 voor feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 628,76, ter zake van materiële schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het betreft het eigen risico van de ziektekostenverzekering (€ 385,-), één ticket voor het misgelopen festival (€ 57,50) en de beschadigde kleding minus de afschrijving (€ 186,26). Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank de wettelijke rente toekennen en tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Met betrekking tot het overige deel, acht de rechtbank het gevorderde bedrag van de dagvergoeding onvoldoende aannemelijk gemaakt nu een onderbouwing onderbreekt. Van de andere twee festivaltickets heeft [Slachtoffer 1] onvoldoende onderbouwd dat het schade was die hij heeft geleden, zodat deze schade evenmin aannemelijk is gemaakt. De rechtbank zal de vordering daarom voor dat overige deel afwijzen.

8 Het beslag

8.1

De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Gebleken is dat de voorwerpen aan verdachte toebehoren en van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36d, 45, 47, 55, 57, 285, 302, 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: poging tot zware mishandeling;

feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 3: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

feit 4: vernieling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

1. Huls, G2023093

1. Huls, G2023094

1. Huls, G2023573

1. Patroon, G2023940 (Omschrijving: koper, merk: Lapua Luger)

1. Huls, G2023950 (Omschrijving: koper, merk: Lapua Luger)

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Slachtoffer 1] van € 628,76 ter zake van materiële schade, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 13 april 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Slachtoffer 1] (feit 1), € 628,76 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 13 april 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 12 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Tempelaar, voorzitter, mr. Breeman en mr. Gillesse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Joosen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 oktober 2019.

1 Hierna wordt - tenzij anders vermeld - verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie Zeeland-West-Brabant opgesteld door daartoe bevoegde ambtenaren, met nummer PL2000-2019087911 genummerd 1 t/m 293 Proces-verbaal van aangifte [Slachtoffer 1] pagina 131-132

2 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 144

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [Naam 2] , pagina 148-149

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [Naam 1] , pagina 157-160

5 Proces-verbaal bevindingen, pagina 163

6 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 8 oktober 2019

7 Een geschrift, inhoudende een geneeskundige verklaring van huisarts [Naam 5] , pagina 139

8 Proces-verbaal van aangifte van [Slachtoffer 2] , pagina 110-111

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [Naam 3] , pagina 112-113

10 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 8 oktober 2019

11 Proces-verbaal verhoor [Naam 4] , pagina 254-255

12 Proces-verbaal bevindingen, pagina 115

13 Proces-verbaal van de afdeling wapens, munitie en explosieven, pagina 210-211

14 Kennisgeving van inbeslagneming met registratienummer PL2000-2019085867-5, ongenummerd

15 Kennisgeving van inbeslagneming met registratienummer PL2000-2019085867-42, ongenummerd

16 Proces-verbaal van de afdeling wapens, munitie en explosieven, pagina 211-212

17 Proces-verbaal van verhoor getuige [Naam 1] , pagina 158

18 Proces-verbaal van verhoor getuige [Naam 2] , pagina 148

19 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 8 oktober 2019