Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:459

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
18-04-2019
Zaaknummer
BRE - 17 _ 7160
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 2, 3 en 5 Legesverordening Breda 2016; art. 2.1, 2.12 en 3.10 Wabo; leges aanvraag omgevingsvergunning; voor de hoogte van de bouwkosten moet worden uitgegaan van de prijs die aan een derde in het economische verkeer zou moeten worden betaald voor het tot stand brengen van de loods, ook al kan belanghebbende deze tegen aanzienlijk lagere kosten zelf bouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 06-05-2019
FutD 2019-1329
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 17/7160

uitspraak van 5 februari 2019

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [plaats] ,

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant,

de heffingsambtenaar.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de heffingsambtenaar van 22 september 2017 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem in rekening leges ( [notanummer] ).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2019 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van een toehoorder, en namens de heffingsambtenaar, [naam] .

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende heeft in 2015 de materialen voor een loods gekocht en voor die materialen, waaruit de loods moet worden opgetrokken, (inclusief de kosten voor het vervoer) een bedrag van € 9.000 betaald. Op 25 juni 2016 heeft belanghebbende bij de gemeente Breda een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen van de loods.

2.2.

Op grond van de Legesverordening [plaats] 2016 (hierna: de Verordening), in samenhang met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), heeft de heffingsambtenaar ter zake van deze aanvraag leges in rekening gebracht. De nota leges is gebaseerd op een bedrag aan bouwkosten van € 138.500 en is als volgt opgebouwd:

Uitgebreide vergunningsprocedure, art. 3.10 van de Wabo

€ 341,89

Bouwactiviteit, art. 2.1, eerste lid, onderdeel a van de Wabo

€ 4.145,36

Activiteit buitenpl. afw., art. 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3° van de Wabo

€ 5.698,25

Totaal

€ 10.185,50

2.3.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de nota leges verminderd tot € 9.206,30, gebaseerd op een bedrag aan bouwkosten van € 104.000.

2.4.

In geschil is de hoogte van de nota leges. In het bijzonder is in geschil de hoogte van het bedrag aan bouwkosten dat in aanmerking moet worden genomen.

2.5.

Op grond van artikel 2, aanhef en onder a van de Verordening, voor zover hier van belang, worden onder de naam ‘leges’ rechten geheven voor het genot van ‘door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten’. In artikel 3 is bepaald dat de aanvrager van de dienst belastingplichtig is. Op grond van artikel 5 worden de leges geheven naar de maatstaven en tarieven, zoals opgenomen in de bij de Verordening behorende tarieventabel (hierna: de tarieventabel).

2.6.

In de tarieventabel zijn in de hoofdstukken 3, 4 en 5 de tarieven opgenomen ter zake van het in behandeling nemen van een omgevingsvergunning voor een project. De tarieven zijn, voor zover hier van belang, als volgt vastgesteld:

  • -

    op grond van de paragrafen 2.3.1.1 en 2.3.1.1.1 bedraagt het tarief voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo (indien de bouwkosten minder dan € 1.700.000,00 bedragen): € 170,96, vermeerderd met 2,88% van de bouwkosten;

  • -

    op grond van de paragrafen 2.3.3 en 2.3.3.3 bedraagt het tarief bij toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de Wabo (buitenplanse afwijking): 2,74% van de bouwkosten met een minimum van € 5.698,25;

  • -

    op grond van paragraaf 2.3.19 wordt bij het voeren van de uitgebreide procedure als bedoeld in artikel 3.10 van de Wabo eenmalig een toeslag berekend van: € 341,89.

2.7.

In paragraaf 2.1.1, in samenhang met paragraaf 2.1.1.2, van de tarieventabel is bepaald dat, indien het bouwen geheel of gedeeltelijk door zelfwerkzaamheid geschiedt, onder bouwkosten wordt verstaan: de prijs die aan een derde in het economische verkeer zou moeten worden betaald voor het tot stand brengen van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft.

2.8.

Op de heffingsambtenaar rust de last te bewijzen dat de nota leges niet te hoog is vastgesteld. Hij heeft ter onderbouwing van de door hem vastgestelde hoogte van de bouwkosten gewezen op het bedrag van de offerte van een aannemersbedrijf (hierna: de offerte), die belanghebbende in de bezwaarfase heeft ingediend. Daarin zijn de kosten voor het bouwen van een nieuwe loods van gelijke afmetingen als die van belanghebbende berekend op € 104.865, exclusief omzetbelasting. Omdat dit de prijs is die aan een derde in het economische verkeer zou moeten worden betaald voor het tot stand brengen van de loods, moet volgens zijn standpunt voor de berekening van het bedrag aan leges worden uitgegaan van dit bedrag aan bouwkosten.

2.9.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de hoogte van de bouwkosten rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat de loods € 9.000 heeft gekost en dat hij die zelf tegen geringe kosten wil gaan opbouwen.

Met betrekking tot de offerte heeft hij aangevoerd dat het bedrag te hoog is, aangezien de offerte is bedoeld voor het bouwen van een nieuwe loods, terwijl het in zijn geval gaat om het (op)bouwen van een “derdehands staalconstructie”. Verder is over de hoogte van de offerte niet onderhandeld met het aannemersbedrijf, waardoor de kosten in werkelijkheid lager zouden kunnen zijn.

2.10.

De rechtbank stelt voorop dat voor de bepaling van de hoogte van de bouwkosten moet worden uitgegaan van de prijs die aan een derde in het economische verkeer zou moeten worden betaald voor het tot stand brengen van de loods (zie 2.7). Dat belanghebbende de loods tegen aanzienlijk lagere kosten zelf kan bouwen, doet hieraan niet af, aangezien de hoogte van de bouwkosten naar objectieve maatstaven moet worden vastgesteld (zie Hoge Raad 6 oktober 1982, 21 332, BNB 1982/289).

Nu voor het vaststellen van die prijs geen andere gegevens voorhanden zijn dan de offerte die belanghebbende zelf heeft ingediend en deze offerte betrekking heeft op een loods van gelijke afmetingen als die van belanghebbende, is de heffingsambtenaar terecht uitgegaan van het bedrag van de offerte. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de offerte na onderhandeling met het aannemersbedrijf op een lager bedrag zou zijn uitgekomen, nu hij dit standpunt niet nader heeft onderbouwd.

De heffingsambtenaar is daarom terecht uitgegaan van een bedrag aan bouwkosten van € 104.000.

2.11.

Belanghebbende heeft verder nog gesteld dat meerdere buren, die op hetzelfde perceel wonen als hijzelf, ook aanvragen voor een omgevingsvergunning willen indienen, of hebben ingediend. Naar zijn mening is het niet terecht dat de gemeente voor elk bouwproject op eenzelfde perceel opnieuw het volledige bedrag aan leges in rekening brengt.

De rechtbank is van oordeel dat, anders dan belanghebbende kennelijk bepleit, tussen de hoogte van de geheven leges enerzijds en de omvang van de verleende dienst anderzijds geen rechtstreeks verband hoeft te bestaan (vergelijk HR 24 december 1997, 32 569, ECLI:NL:HR:1997:AA3345). Op grond van de in 2.5 tot en met 2.7 bepalingen is het de heffingsambtenaar toegestaan om voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor elk afzonderlijk bouwproject leges in rekening te brengen, ook indien de verschillende aanvragers op eenzelfde perceel wonen.

2.12.

Gelet op het overwogene in 2.10 en de in 2.6 genoemde bepalingen, is de nota leges niet tot een te hoog bedrag vastgesteld. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.

2.13.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 5 februari 2019 door mr. drs. P.C. van der Vegt, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.A. Riemens, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.