Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:4525

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-10-2019
Datum publicatie
17-10-2019
Zaaknummer
02-800273-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor doodslag op zijn ex-partner. De rechtbank acht bewezen dat verdachte het slachtoffer de keel heeft dichtgeknepen, haar luchtpijp met een tiewrap heeft afgeklemd en haar meerdere keren op het hoofd en lichaam heeft geslagen. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 12 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/800273-18

vonnis van de meervoudige kamer van 17 oktober 2019

in de strafzaak tegen

[Verdachte]

geboren op [Geboortedag] 1966 te [Geboorteplaats- en Land]

thans gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum te Vught

raadsvrouw mr. M.A.J. Timmermans-Roelands, advocaat te Bergen op Zoom

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 oktober 2019, waarbij de officier van justitie, mr. Rammeloo, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat

hij op of omstreeks 14 april 2018 te Ossendrecht, gemeente Woensdrecht,

[Slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft hij,

verdachte,

- die [Slachtoffer] met één of meer hand(en) bij de hals vastgepakt en/of hierin geknepen en/of (hierbij) de luchtpijp van die [Slachtoffer] (gedurende enige tijd) heeft afgeklemt/dichtgeknepen, en/of

- de mond en/of neus van die [Slachtoffer] (gedurende enige tijd) dichtgedrukt/dicht gehouden, en/of

- met een tie-wrap de luchtpijp van die [Slachtoffer] afgeklemt/dichtgeknepen en/of

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) geslagen/gestompt en/of geschopt/getrapt in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd en/of (het) overig(e) lichaam(sdelen),

ten gevolge waarvan voornoemde [Slachtoffer] is overleden.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte [Slachtoffer] heeft gedood en baseert zich daarbij op de 112-melding, de bevindingen van de Forensische Opsporing, het sectierapport, het radiologisch onderzoek, de getuigenverklaringen van [Naam 1] en [Naam 2] , alsmede de door de politie aan de hand van verschillende dossierstukken opgestelde tijdlijn.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Met betrekking tot de bewezenverklaring van het slaan tegen het gezicht en/of het hoofd en het verwurgen refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.

Zij is evenwel van mening dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte heeft getrapt/geschopt en geslagen tegen het lichaam van [Slachtoffer] (behoudens het slaan tegen het gezicht). Het is immers niet realistisch om aan te nemen dat verdachte [Slachtoffer] heeft geschopt en getrapt, nu zij op bed heeft gelegen. Daarnaast wordt er op gewezen dat de fracturen van de ribben zijn veroorzaakt door de toegepaste reanimatie.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Melding

Op 14 april 2018 omstreeks 14.45 uur is bij het Operationeel Centrum te Tilburg de melding binnengekomen dat een man zijn vrouw had vermoord op het adres [Straatnaam 1] te Ossendrecht1.

Deze melding2 is op schrift gesteld. Door de meldster is het volgende gezegd:

“Goedemiddag. Met [Naam 3] , meneer. We zijn een uitzendbureau en wij hebben een aantal werknemers bij ons in dienst.”

“...En een van onze werknemers heeft ons net gebeld, hij woont op [Straatnaam 1] in Ossendrecht, dat hij zijn vrouw heb vermoord...en hij zit te wachten op de politie. Hij heb zelf aangegeven dat hij het heb gedaan.”

“…Hij heb haar vermoord en hij heb zelf ons gebeld omdat hij geen taal spreekt...”

“....En of wij politie kunnen bellen.”

Als de meldster door de centralist van de meldkamer wordt gevraagd of het gaat om een buitenlandse meneer, zegt de meldster: “... Poolse meneer.”

Op de vraag of die meneer de vrouw heeft vermoord in zijn huis, wordt geantwoord: “In die huis, ja.”

Op de vraag wanneer de meneer dat heeft gedaan, wordt door de meldster geantwoord: “Hij heb nou net gebeld, dus ik denk dat het net gebeurd is.”

Op enig moment wordt de vraag gesteld hoe de meneer heet waarover de meldster spreekt. De meldster zegt daarop: “ [Verdachte] . [Verdachte] .”

Eerste bevindingen van verbalisanten ter plaatse

De verbalisanten [Naam 4] en [Naam 5] waren omstreeks 14.56 uur als eersten na de melding ter plaatse op de locatie [Straatnaam 1] te Ossendrecht. [Naam 4]3 zag onmiddellijk een man – dragende een blauw T-shirt – in de tuin lopen van het perceel [Straatnaam 1] , die later verdachte [Verdachte] bleek te zijn.

Hij zag geen andere personen. Toen verdachte door [Naam 4] in de Engelse taal werd aangesproken, draaide hij zich om en kwam hij in de richting van beide verbalisanten gelopen. Verdachte deed daarbij zijn polsen bij elkaar. Dit kwam op de verbalisanten over alsof hij begreep dat hij in de transportboeien moest. Verdachte werd vervolgens aangehouden. [Naam 4] bleef bij verdachte.

[Naam 5] 4 begaf zich in de woning. Op de eerste verdieping in één van de slaapkamers zag hij een tweepersoons bed staan, waarop een dekbed lag. Er stak een hand onder het dekbed uit. Deze hand zat onder het bloed en had een vreemde kleur. Toen hij het dekbed wegsloeg, bleek er een vrouw onder te liggen. Haar bovenlichaam was bloot. Zij had alleen een zwart slipje aan. Een ochtendjas lag voor haar buik en de ceintuur daarvan lag over haar middel. Het gezicht van de vrouw en haar lippen waren volgens [Naam 5] erg gezwollen. Er kwam bloed uit haar neus en haar tong stak iets uit haar mond. Er werd behoorlijk letsel aan het gezicht waargenomen. [Naam 5] zag verder dat de vrouw geen ademhaling had en voelde geen hartslag. Haar arm was nog heel warm. Door [Naam 5] en zijn collega [Naam 6] , die inmiddels was gearriveerd, werd besloten om de vrouw te reanimeren. De reanimatie door [Naam 4] werd op enig moment overgenomen door verbalisant [Naam 7]5, die constateerde dat een zwartkleurige tiewrap om de nek van de vrouw zat. Deze zat zo strak, dat deze bijna niet zichtbaar was doordat de huidplooien over de tiewrap heen zaten. Met een multitool werd geprobeerd om de tiewrap door te snijden, maar dat lukte niet. Met een ander mes slaagde [Naam 5] er volgens verbalisant [Naam 6]6 uiteindelijk in de tiewrap los te maken. [Naam 6] zag dat de nek van de vrouw een flinke striem had op de plaats waar de tiewrap had gezeten. Omstreeks 15.14 uur hoorde hij buiten de sirenes van een ambulance.

De ambulanceverpleegkundige [Naam 8]7 kwam de slaapkamer binnen en zag dat politieagenten met behulp van een AED doende waren met reanimatie van de vrouw. Het ambulancepersoneel nam daarop de reanimatie over met een Life-pack-15 monitor en plakkers. Vanaf het begin had [Naam 8] het beeld van het slachtoffer dat zij overleden was, gezien het ontbreken van hartactiviteit en ademhaling. Na één tot twee minuten werd gestopt met het beademen van het slachtoffer. Gelet op de verstreken tijd tussen het tijdstip van de melding bij de politie en het tijdstip van het starten van de reanimatie, meer dan 15 minuten, was de kans op een succesvolle reanimatie nihil en kon de patiënt als overleden worden beschouwd, aldus [Naam 8] .

Sporenonderzoek

Uit het proces-verbaal sporenonderzoek8 is af te leiden dat de vrouw, die op zaterdag 14 april 2018 omstreeks 15:00 uur in de woning aan het [Straatnaam 1] te Ossendrecht werd aangetroffen, [Slachtoffer] betreft.

De verbalisanten [Naam 9] en [Naam 10] namen waar dat het gelaat van het slachtoffer bebloed was en op meerdere plaatsen blauw gekleurd en gezwollen was. In beide neusgaten waren gestolde bloedkorsten te zien. In de hals van het slachtoffer werd een diepe insnoering gezien. Op de linker bovenarm en de beide onderarmen zagen de verbalisanten bloedvegen. Ook op de vingers van beide handen zagen zij bloed. Op de rechterborst, de knokkels van de linker ringvinger en de linker pink en op de binnenzijde van het linker bovenbeen waren kleine huidbeschadigingen aanwezig.

Daarnaast zagen de verbalisanten op bed een roze badjas liggen, mouwen binnenstebuiten gekeerd met enkele bloedspatten en bloedvegen erop. Op de roze ceintuur (afkomstig van de badjas) was bloed aanwezig. Op vermoedelijk één van de lussen van de badjas was er kracht op de uiteinden van de vezels in deze lus uitgeoefend. Op deze lus was tevens bloed zichtbaar.

Over het onderzoek naar bloedsporen in de slaapkamer vermelden de verbalisanten [Naam 9] en [Naam 10] het navolgende.

Aan de rechterzijde van het bed was op het hoofdeinde een uitgebreid bloedbeeld zichtbaar, dat onder andere bestond uit saturatie bloedspoorpatronen, bloedspatten en gewijzigde bloedspoorpatronen. De saturatie bloedspoorpatronen bevonden zich op het hoeslaken van het matras en op beide zijden van het hoofdkussen dat op deze plaats op het bed lag. Op dit hoofdkussen en op de voorzijde van het teruggeslagen dekbed zagen de verbalisanten een bloedspoorpatroon bestaande uit kleine tot zeer kleine bloedspatten.

Op de radiator bij het hoofdeinde werden ter hoogte van de rechterzijde van het bed veegspoorpatronen van bloed en gewijzigde bloedspoorpatronen gezien. Tevens bevonden zich op de lambrisering boven deze radiator enkele bloedspatten.

Op de voorgevel, nagenoeg over de gehele lengte van het bed, zagen de verbalisanten een bloedbeeld voornamelijk bestaande uit bloedspatten. De meeste bloedspatten bevonden zich ter hoogte van het hoofdeinde.

Op het plafond bij de voorgevel ter hoogte van het voeteneinde van het bed was een

lineair bloedspoorpatroon zichtbaar bestaande uit enkele ellipsvormige bloedspatten, die waarschijnlijk als gevolg van het afwerpen van vloeibaar bloed van een bewegende bloedbron waren ontstaan.

Verspreid op de vloer bij het voeteneinde van het bed waren enkele kleine nagenoeg ronde bloedspatten zichtbaar.

Conclusies uit sporenonderzoek

De voormelde bevindingen en onderzoeksresultaten worden door de verbalisanten [Naam 9] en [Naam 10] als volgt geïnterpreteerd.

Het slachtoffer heeft de roze badjas gedragen en op enig moment werd een kracht op de badjas uitgeoefend waardoor deze werd uitgetrokken, waarbij de mouwen van de badjas binnenstebuiten werden gekeerd en er een lus van de badjas los werd getrokken.

Op grond van het vorenstaande wordt door de verbalisanten zeer waarschijnlijk geacht dat het slachtoffer op het moment van het uitoefenen van deze kracht een (nagenoeg) horizontale positie had.

Gezien het bloedsporenbeeld op de voorgevel naast het bed, met name bij het hoofdeinde, wordt door de verbalisanten gesteld dat er meerdere keren kracht is uitgeoefend op een bloedbron die zich op dat moment ter hoogte van het hoofdeinde van het bed bevond. Gezien het aantreffen van het sterk bebloede gelaat van het slachtoffer op het hoofdeinde van het bed wordt het door hen zeer waarschijnlijk geacht dat deze bloedbron het gelaat van het slachtoffer betrof.

Gelet op alle blauwverkleuringen en verdikkingen concluderen de verbalisanten dat er meerdere keren kracht op verschillende delen van het hoofd van het slachtoffer werd uitgeoefend.

De meerdere saturatie bloedspoorpatronen zijn passend bij meerdere posities van het slachtoffer op het rechterhoofdeinde van het bed.

Omdat een strak getrokken kabelbinder om de hals van het slachtoffer had gezeten, wordt door de verbalisanten niet uitgesloten dat deze werd strak getrokken op het moment dat het slachtoffer zich weinig of niet kon bewegen. Dit omdat deze kabelbinder op het oog in lengte kleiner was dan de omtrek van de hals van het slachtoffer.

Bij nader sporenonderzoek in de woning9 door de verbalisanten [Naam 11] en [Naam 12] werd in de slaapkamer tegen het televisiemeubel een doorzichtige plastic zak aangetroffen met daarin soortgelijke kabelbinders als de kabelbinder die rondom de nek/hals van het slachtoffer had gezeten.

Letselbeschrijving

Bij sectie10 werd onder meer het volgende letsel vastgesteld.

Het uitwendig letsel aan de hals/nek:

Er was een aan de hals/nek een circulair en vrijwel in één vlak verlopend snoerspoor. Dat bestond uit twee evenwijdig aan elkaar verlopende rode streepvormige huidverkleuringen van bloeduitstortingen. Plaatselijk (met name rechts) aan de randen en om de randen van dit spoor bevonden zich oppervlakkige huidbeschadigingen met rechts op een oppervlakkige verscheuring in de huid met indroging van de randen. Bij het wonddateringsonderzoek op dit letsel bleek dit letsel bij leven te zijn ontstaan.

Het inwendig letsel aan de hals:

Er was sprake van bloeduitstortingen op de volgende plaatsen: rechts en links zijwaarts in de hals in lymfklieren beiderzijds, rechts zijwaarts in de diepe halsspier en ter plaatse van de mondbodemspieren links zowel als rechts, beiderzijds in de speekselklieren, op meerdere plaatsen in het schildkraakbeen en rondom het tongbeen. Verder was een breuk en omgevende bloeduitstorting aanwezig rondom de rechter bovenste hoorn van het strottenhoofd.

Uitwendig letsel aan het hoofd:

Er waren verspreid aan het hoofd (links meer dan rechts), inclusief beide oren, de neus, de lippen, de kaaklijnen en de kin huidverkleuringen van bloeduitstortingen met plaatselijk zwellingen en oppervlakkige huidbeschadigingen. Er was sprake van (met name links) verscheuringen aan de lippen, zwelling van de oogleden met bloeduitstortingen, bloed in de neusgaten en bloeduitstortingen in de tong.

Voorts werden bloeduitstortingen in de bindvliezen van alle oogleden en in het oogwit van beide oogbollen geconstateerd.

Er waren twee letsels aan het gelaat rechts met een typisch patroon. Het eerste letsel betrof een aan het voorhoofd rechts gelegen halvemaanvormige rood-paarse huidverkleuring met een diameter van circa 1,2 cm met daaromheen paarse huidverkleuring van bloeduitstorting. Het tweede letsel betrof een gebied van uitgebreide rood-paarse huidverkleuring van bloeduitstorting rechts in het gelaat/aan het hoofd met ter plekke van de rechterwang een tweetal bandvormige en evenwijdig aan elkaar verlopende huidverkleuringen van bloeduitstortingen.

Inwendig letsel aan het hoofd:

Aan de binnenzijde van de schedelhuid, met name beiderzijds maar ook plaatselijk midden voor- en achterwaarts (tot in de nekspieren hoog), en in de slaapspieren waren uitgebreide bloeduitstortingen ontstaan.

Er was een teken van vochtophoping in de hersenen. In de weke delen van de kin en de neus en de kaaklijnen waren bloeduitstortingen aanwezig.

Ook worden radiologisch breuken van aangezichtsbeenderen genoemd, zoals breuken in de linker kaakholte, de oogkasbodem links, de binnenste oogkaswand links en in de rechter kaakholte.

Uitwendig letsel aan de romp:

Zowel aan de rug als aan de borstkas waren huidverkleuringen van bloeduitstortingen geconstateerd.

Inwendig letsel aan de romp:

Meerdere ribben waren gebroken, zowel achter-, zij- als voorwaarts en op meerdere niveaus. Beide longen waren samengevallen en toonden kneuzingen. Er was sprake van een kneuzing in de rechter hartboezem en een verscheuring in de milt.

Letselinterpretatie

1. De hiervoor omschreven verwondingen aan de hals/nek zijn bij leven ontstaan ten gevolge van uitwendig mechanisch samendrukkend geweld (verwurging), al of niet in combinatie met stomp botsend geweld (zoals door stoten, drukken, slaan kan zijn ontstaan).

Samendrukkend geweld op de hals (verwurgen) in het onderhavige geval is gezien het snoerspoor opgeleverd door 1 of meerdere strak omwikkelde object(en) om de hals, al of niet in combinatie met manuele strangulatie.

Dit geweld heeft als verwikkelingen zuurstofgebrek in de hersenen en/of 'nerve effects' namelijk sinus carotis reflex met als gevolg hartritmestoornissen. De bevindingen met betrekking tot de oogleden/oogwit en het gelaat of een deel daarvan kunnen goed worden gezien als begeleidende stuwingsverschijnselen van dit geweld op de hals.

2. De vorenomschreven letsels aan het hoofd waren bij leven ontstaan door hevig uitwendig mechanisch stomp botsend geweld (zoals door stoten, drukken, slaan met één of meerdere voorwerpen, stoten anderszins). Gezien de letsels met een typisch patroon is een deel van dit geweld mogelijk door slaan met één of meerdere voorwerpen of stoten tegen één of meerdere voorwerpen opgeleverd.

Gezien het aspect van het letsel aan het voorhoofd rechts is slaan met of stoten tegen een halvemaanvormige structuur (bijvoorbeeld een deel van een knokkel, een structuur met halvemaanvormige uiteinde/gedeelte) een mogelijkheid om dit letsel te veroorzaken.

De letsels aan het hoofd gingen weliswaar niet gepaard met schade aan structuren in de schedelholte, maar kunnen aanleiding hebben gegeven tot bewustzijnsstoornissen waardoor dit slachtoffer niet meer goed in staat kan zijn geweest zich te weren tegen (overig) geweld.

De letsels aan de mond/kin/neus kunnen ook door (samen)drukkend geweld op de neus en de mond (smoren) zijn toegebracht. Bij (samen)drukken van de neus en mond kan er belemmering van de luchtwegen en daarmee van de zuurstofvoorziening hebben plaatsgehad (verstikking).

3. Het letsel aan/in de romp was bij leven ontstaan door hevig uitwendig mechanisch stomp botsend geweld op de romp (zoals door stoten, drukken, slaan, stoten anderszins) of door (samen)drukkend geweld op de romp, of een combinatie daarvan.

Indien er sprake is geweest van samendrukken van de romp kan dat hebben geleid tot beperkte ademhalingsbewegingen en daarmee tot zuurstofgebrek. De samengevallen longen kunnen hebben geleid tot longfunctiestoornissen.

Er wordt opgemerkt dat reanimatiehandelingen een deel van de letsels aan de romp kunnen verklaren, doch niet alle.

Doodsoorzaak
Het intreden van de dood wordt verklaard door het bovengenoemde samendrukkend geweld op de hals/nek, in de zin van zuurstofgebrek in de hersenen. Daarbij kan zuurstofgebrek als gevolg van de letsels aan de mond, kin en neus – waardoor obstructie van de luchtwegen kon zijn ontstaan – tevens een rol hebben gespeeld. Gelet op de letsels aan de romp kunnen ook longfunctiestoornissen, beperkte ademhalingsbewegingen en daarmee zuurstofgebrek een rol hebben gespeeld bij het intreden van de dood.

Uit het later uitgevoerde toxicologisch onderzoek11 en de begeleidende brief12 is af te leiden dat er geen andere inzichten ten aanzien van de doodsoorzaak zijn verkregen dan de oorzaak die in het sectierapport is vermeld. Zo zijn er geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van ethanol/alcohol, andere geneesmiddelen, drugs en/of bestrijdingsmiddelen in het lichaam van het slachtoffer en kan daaruit dan ook niet het overlijden van het slachtoffer kan worden verklaard.

De betrokkenheid van verdachte bij de dood van het slachtoffer

In de eerder genoemde melding door [Naam 3] komt de naam van verdachte naar voren. De informatie die [Naam 3] opgaf, had zij kennelijk doorgekregen van haar stiefvader [Naam 14] . Uit zijn verklaring13, 14 volgt dat hij op 14 april 2018 omstreeks 14.41 uur werd gebeld door verdachte. Verdachte had gezegd: “ [Naam 14] , je moet politie en ambulance bellen. Ik heb iets verschrikkelijks. Ik denk dat mijn vrouw dood is en ik heb dat gedaan.” “Ik denk dat ik mijn vrouw heb vermoord.” Omdat [Naam 14] op dat moment in Duitsland was, belde hij zijn vrouw met het verzoek de politie te bellen aangaande de gebeurtenis bij het [Straatnaam 1] . Hij zegt dat toen uiteindelijk zijn (stief)dochter [Naam 3] de politie had gebeld.

Uit de telefoongegevens van verdachte15 is op te maken dat hij om 14.36.28 uur heeft gebeld naar een contact aangeduid als [Naam 14] , om 14.37.52 uur een sms bericht naar hetzelfde contact heeft verzonden met de tekst (vertaald) “ [Naam 14] het is dringend bel je” en om 14.41.06 uur wederom heeft gebeld met hetzelfde contact. Daarbij wordt opgemerkt dat het telkens gaat om het telefoonnummer van [Naam 14]

Tevens is aangehaald uit de bevindingen van de politie dat verdachte kort na het incident op de plaats delict is aangetroffen en zich al direct wilde laten arresteren.

Op de dag van het incident, op 14 april 2018, omstreeks 17.35 uur was het blauwe T-shirt van verdachte inbeslaggenomen [Nummer]16.

Blijkens het NFI onderzoek naar biologische sporen en DNA17 werden twee grote bloedsporen op het middelste gedeelte van voormeld T-shirt aangetroffen, welke beide bloedsporen een afgeleid DNA-hoofdprofiel bevatten van slachtoffer [Slachtoffer] . [Nummer] . Voor beide resultaten geldt dat de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met het aangetroffen profiel kleiner wordt geacht dan één op één miljard.

Blijkens de rapportage letselbeschrijving18 zijn bij verdachte verwondingen aangetroffen, zoals roodheid en zwelling op de rechter pink, ringvinger en handrug. De zwelling van de handrug past bij een kneuzing. Op de strekzijde van de linker wijsvinger, de knokkel van de linker wijsvinger en op de strekzijde van de linker middelvinger waren rode verkleuringen zichtbaar. Op de strekzijde van de linker wijsvinger waren twee scherpbegrensde huidbeschadigingen aanwezig. Op de strekzijde van de linker duim was een rode verkleuring te zien.

Ten aanzien van deze verwondingen aan de handen van verdachte wordt geconcludeerd dat deze kunnen passen bij opgetreden botsend of samendrukkend geweld. De wondjes aan de linker wijsvinger waren van recente datum.

[Naam 1] 19 verblijvende op het adres [Straatnaam 1] te Ossendrecht, en huisgenoot van verdachte en het slachtoffer, heeft verklaard dat hij en verdachte op 14 april omstreeks 10.30 uur klaar waren met werken bij [Naam 16] en samen naar huis liepen. Verdachte zou daarna hebben gedoucht. Vervolgens was hij op de fiets naar de grensplaats Putte gegaan om brood te kopen. [Naam 1] denkt dat het tussen 13.00 uur en 14.00 uur moet zijn geweest toen verdachte weer terug was en [Naam 1] het gekochte brood had gegeven. Verdachte zou een damesfiets met fietstassen hebben. Daarna vertrok [Naam 1] op de fiets naar de [Naam 17] te Ossendrecht om boodschappen te doen. Toen hij weer thuis kwam, zag hij politievoertuigen en een ambulance staan. [Naam 1] verklaart dat alleen verdachte in de woning was op het moment dat hij boodschappen bij de [Naam 17] ging doen. Verdachte bevond zich in de keuken. Ook verklaart [Naam 1] , met het oog op andere aanwezigen in de woning, dat de deur op slot was toen hij en verdachte terugkwamen van het werk om 10.30 uur. De bewoners in die bewuste periode, zijnde verdachte, [Slachtoffer] , [Naam 2] en [Naam 1] , zouden naast de eigenaar van de woning de enige sleutelhouders zijn.

Op een camera van het bedrijfsterrein van [Naam 16] is volgens verbalisant [Naam 18]20 te zien dat op 14 april omstreeks 10.32.33 uur een man met een pet, herkend als verdachte, in gezelschap van drie andere mannen over het terrein naar een raam van de receptie/portiersloge loopt. De mannen verrichten allen handelingen passend bij het uitvoeren van tijdregistratie als in- of uitklokken. Op dezelfde plaats is om 10.32.59 uur ook getuige [Naam 1] te zien, die dergelijke handelingen verricht.

Op de beelden afkomstig van [Naam 19] gevestigd op het [Straatnaam 2] , werd door [Naam 18]21 waargenomen dat omstreeks 11.48.00 uur een persoon per fiets, voorzien van fietstassen, het erf van [Straatnaam 1] afrijdt.

In dit verband laat de telefoon van verdachte om 12.16.38 uur en 12.17.05 uur de volgende welkomstboodschap zien: “welkom in België’ (vertaald)22.

De theoretische reistijd tussen [Straatnaam 1] en de Poolse supermarkt ‘ [Naam 21] ’ ( [Straatnaam 3] te Putten-Kapellen, België) is blijkens Google Maps 18 tot 22 minuten per fiets23.

Tevens heeft [Naam 18]24 de camerabeelden van [Naam 17] te Ossendrecht bekeken. Daarbij zag hij dat een persoon, die voldoet aan het signalement van getuige [Naam 1] , op 14 april 2018 omstreeks 14.12 uur per fiets aankomt bij de supermarkt en zijn fiets stalt nabij de ingang. Dezelfde persoon verlaat de supermarkt omstreeks 14.35 uur. Blijkens gegevens van Google Maps is de theoretische reistijd tussen de [Naam 17] [Straatnaam 4] en [Straatnaam 1] per fiets 6 minuten.

De andere huisgenoot, ‘ [Naam 2] ’, bijnaam van [Naam 2]25, heeft aangegeven dat hij op 14 april 2018 tussen 06.00 uur en 13.00 uur aan het werk was bij [Naam 22] te Ossendrecht. Toen hij terug thuis kwam, vertelde [Naam 1] dat [Slachtoffer] nog op het werk was en dat verdachte in Putte was om te winkelen.

[Naam 2] sprak vervolgens af met een vriend, [Naam 23] , dat hij thuis opgehaald zou worden om naar België te gaan. Omstreeks 14.00 uur zou hij zijn opgehaald door de vriend, rijdende in een witte Fiat met daarop ‘ [Naam 22] ’. Hij zegt daarbij dat hij zich kan vergissen in tijd. Verder merkt [Naam 2] op dat toen hij vertrok uit Ossendrecht alleen [Naam 1] in de woning aanwezig was.

[Naam 23] 26 heeft bevestigd dat hij [Naam 2] met een wit bestelbusje van het merk Fiat van [Naam 22] in Ossendrecht had opgehaald en met hem naar Zandhoven in België reed.

Op camerabeelden van [Naam 16] is door verbalisant [Naam 18]27 gezien dat omstreeks 13.37.43 uur een witte bestelauto met het opschrift ‘ [Naam 22] ’ stopt in de [straatnaam] ter hoogte van de toegangspoort van het perceel [Straatnaam 1] . Omstreeks 13.44.10 uur is ter hoogte van de geparkeerde bestelauto beweging zichtbaar, vanaf het erf van [Straatnaam 1] voorlangs het voertuig. [Naam 18] geeft aan dat zich vermoedelijk een persoon verplaatst vanaf [Straatnaam 1] naar het voertuig en daarin plaatsneemt aan de passagierszijde. Omstreeks 13.45.04 uur rijdt de witte bestelauto weg.

[Naam 24] 28, een collega van slachtoffer [Slachtoffer] , heeft verklaard dat zij op 14 april 2018 tot 14.00 uur samen met het slachtoffer heeft gewerkt. Deze getuige bracht vervolgens het slachtoffer naar huis met een zwarte Nissan Micra.

Op camerabeelden verkregen van het camerasysteem aanwezig op locatie [Straatnaam 2] werd door verbalisant [Naam 18]29 gezien dat op 14 april 2018 om 14.12.54 uur een donkerkleurig, klein model personenauto rijdt over het [Straatnaam 1] en stopt voor de woningnummer [Straatnaam 1] , waarna een persoon het voertuig verlaat en het perceel [Straatnaam 1] oploopt. Het voertuig vertoont sterke gelijkenis met een Nissan Micra.

Verdachte30, 31 heeft tegenover de politie verklaard dat zijn adres het [Straatnaam 1] te Ossendrecht is en dat dit een woning van zijn werkgever ‘ [Naam 14] ’ betreft. Hij zegt daar te wonen met [Slachtoffer] [Naam 1] en vier Roemenen. De Roemenen waren op 14 april 2018 niet aanwezig. Ene ‘ [Naam 2] ’ zou op de plaats van de Roemenen hebben geslapen. ‘ [Naam 2] ’ kwam uit België en werkte, net als verdachte, voor [Naam 16] . Verdachte maakte samen met [Slachtoffer] gebruik van een slaapkamer. [Slachtoffer] zou op 14 april om 07.00 uur moeten gaan werken. Hij zegt zelf op zaterdagen van 06.00 uur tot 10.30 uur bij [Naam 16] te werken. Het staat hem nog bij dat hij ging werken en daarna ging douchen. Hij was van plan om brood te gaan halen in Putte. Normaliter ging hij immers altijd op zaterdag op de fiets brood halen bij de Poolse winkel in Putte. Verdachte kan zich ook nog herinneren dat hij op de bewuste dag had gebeld met [Naam 14] Voorts heeft verdachte32 verklaard dat bij de televisie in de slaapkamer een plastic zak lag met kabelbinders/tiewraps.

Conclusies

De rechtbank stelt vast op grond van de aangehaalde bevindingen van verbalisanten, het sporenonderzoek en het sectierapport dat slachtoffer [Slachtoffer] op zeer gewelddadige wijze om het leven is gebracht in de slaapkamer van de woning aan het [Straatnaam 1] te Ossendrecht. Terwijl zij op bed lag, werd flink op haar ingeslagen – zowel op het hoofd als op de romp – en werd zij gewurgd middels een tiewrap. De rechtbank gaat er van uit dat, gelet op de beschreven letselinterpretatie en doodsoorzaak, de dood door zuurstofgebrek is ingetreden ten gevolge van één van deze verschillende geweldsvormen dan wel door een samenstel daarvan.

Blijkens de melding en de verklaring van getuige [Naam 24] in combinatie bezien met het tijdstip dat het slachtoffer is thuisgebracht met de Nissan Micra volgens de camerabeelden, stelt de rechtbank vast dat het slachtoffer tussen 14.12 uur (het tijdstip dat zij thuis is afgezet) en 14.45 uur (het tijdstip van de melding bij de politie) is gedood. Indien verdachte als de dader wordt aangemerkt geldt als tweede tijdstip niet 14.45 uur, maar 14.36 uur, omdat hij volgens zijn telefoongegevens vanaf dat tijdstip heeft geprobeerd [Naam 14] te alarmeren.

Op grond van de getuigenverklaringen van [Naam 1] , [Naam 2] en [Naam 23] – die grotendeels worden ondersteund door de beschikbare camerabeelden – stelt de rechtbank vast dat verdachte de enige persoon is geweest die naast het slachtoffer in voornoemd tijdsbestek in de woning aan het [Straatnaam 1] aanwezig is geweest. Verdachte was zelf al teruggekomen van het boodschappen doen in Putte. [Naam 1] was naar de [Naam 17] gefietst. [Naam 2] was al opgehaald door [Naam 23] .

Gelet op de aanwezigheid van enkel verdachte (en het slachtoffer) in de woning ten tijde van het tenlastegelegde, zijn aanwezigheid bij de plaats delict kort na het incident, de omstandigheid dat hij zich direct bij aankomst van de politie in de boeien wilde laten slaan, zijn recente verwondingen aan zijn handen/vingers in samenhang bezien met het gebruikte geweld, de twee grote bloedsporen van het slachtoffer op het midden van zijn T-shirt, de verklaring van verdachte die aansluit op andere bewijsmiddelen en zijn uitingen tegenover getuige [Naam 14] (dat hij zijn vrouw heeft vermoord), lijdt het naar het oordeel van de rechtbank geen twijfel dat verdachte degene is geweest die het slachtoffer om het leven heeft gebracht.

Ten aanzien van het opzettelijk handelen overweegt de rechtbank het volgende.

Naast het slaan op het gezicht en de romp van het slachtoffer heeft verdachte ook een tie-wrap om de hals van het slachtoffer getrokken. De verschillende geweldshandelingen zijn van zodanige aard, zodanig extreem, dat zij moeten zijn gericht geweest op de dood, te meer nu zij afzonderlijk dan wel in combinatie tot het intreden van de dood hebben geleid. Het kan daarom niet anders zijn dan dat verdachte het opzet op de dood van [Slachtoffer] heeft gehad.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte [Slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd. Zij is evenwel van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte het slachtoffer heeft getrapt/geschopt. Het dossier bevat hiervoor geen aanwijzingen en dit ligt ook niet voor de hand, omdat het slachtoffer zich in horizontale toestand op het bed bevond, zoals ook de raadsvrouw heeft betoogd.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

hij op of omstreeks 14 april 2018 te Ossendrecht, gemeente Woensdrecht,

[Slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft hij,

verdachte,

- die [Slachtoffer] met één of meer hand(en) bij de hals vastgepakt en/of hierin geknepen en/of (hierbij) de luchtpijp van die [Slachtoffer] (gedurende enige tijd) heeft afgeklemd/dichtgeknepen, en/of

- de mond en/of neus van die [Slachtoffer] (gedurende enige tijd) dichtgedrukt/dicht gehouden, en/of

- met een tiewrap de luchtpijp van die [Slachtoffer] afgeklemd/dichtgeknepen en/of

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) geslagen/gestompt en/of geschopt/getrapt in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd en/of (het) overig(e) lichaam(sdelen),

ten gevolge waarvan voornoemde [Slachtoffer] is overleden.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1

De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5.2.

De strafbaarheid van verdachte

Met de gedragsdeskundigen van het Pieter Baan Centrum (PBC) is de officier van justitie van mening dat verdachte als toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd.

De raadsvrouw is het niet eens met de conclusie van de psychiater en psycholoog van het PBC, dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar is. In haar optiek kan er van worden uitgegaan dat bij verdachte ten tijde van het tenlastegelegde sprake is geweest van psychische problematiek dan wel een psychose, gezien de vroeghulprapporten en de omstandigheid dat hij door artsen van het PPC antipsychotica voorgeschreven heeft gekregen die zijn psychotische symptomen spoedig hebben verminderd. Deze psychische verschijnselen verklaren volgens de raadsvrouw de black-out die hij ondervindt over de gebeurtenis op 14 april 2018. Zij wijst daarbij op eerdere opnames van verdachte in psychiatrische klinieken vanwege depressieve klachten en suïcidepogingen (in Polen), op eerdere black-outs die hij heeft ervaren en op de omstandigheid dat hij drie à vier weken voor het voorval was gestopt met het innemen van zijn medicatie (zijnde het kalmerende middel Estazolam). Naast de stoornis in middelengebruik en de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, die de gedragsdeskundigen in hun rapport hebben beschreven, is volgens de raadsvrouw in elk geval sprake geweest van een depressieve stoornis waaraan verdachte voorafgaand aan de gebeurtenis al heeft geleden, zodat het feit verdachte niet (volledig) is toe te rekenen.

Bij een bewezenverklaring wordt primair verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Subsidiair wordt gevraagd verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar aan te merken.

Verdachte is in het PBC te Almere door psychiater C.J.J.C.M. van Gestel en psycholoog

B. van Giessen onderzocht. Deze gedragsdeskundigen hebben op 25 januari 2019 een rapportage opgemaakt, die zij op de terechtzitting van 3 oktober 2019 nader hebben toegelicht. In het rapport wordt geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een beperkte ontwikkeling van de geestvermogens, te classificeren als een verstandelijke beperking. Deze beperking wordt evenwel ‘licht’ van ernst genoemd. Daarnaast is een stoornis in het gebruik van alcohol aanwezig, ten minste ‘matig’ van ernst. Verder wordt het gedrag van verdachte gekenmerkt door disfunctionele factoren, die antisociaal, narcistisch en afhankelijk van aard zijn. De gedragsdeskundigen gaan niet zo ver, dat zij in dit kader een persoonlijkheidsstoornis aan de orde achten.

Verdachte zegt zich niets te kunnen herinneren van 14 april 2018, vanaf het moment dat hij klaar was met werken. Op grond van de daardoor bestaande onzekerheden over het delictscenario achten de gedragsdeskundigen het niet mogelijk een uitspraak te doen over of en zo ja, in welke mate, de gebrekkige ontwikkeling van verdachte causaal heeft bijgedragen aan het tenlastegelegde. De redenering dat een gebrekkige ontwikkeling altijd invloed heeft op de uiteindelijke gedragskeuzes, is te weinig specifiek en wordt daarom niet houdbaar geacht. Hetzelfde dient te gelden ten aanzien van de vraag of en zo ja, in welke mate, het gebruik van alcohol causaal heeft bijgedragen aan het tenlastegelegde. Daarbij wordt gesteld dat verdachte op basis van zijn ruime ervaring met het gebruik van alcohol wist welke invloed overmatig alcohol gebruik op hem had.

Geadviseerd wordt het tenlastegelegde niet verminderd aan verdachte toe te rekenen.

Mede gelet op het betoog van de raadsvrouw, heeft de rechtbank specifiek in acht genomen wat ten aanzien van een mogelijke psychose, depressiviteit, black-outs en alcoholgebruik in het PBC-rapport is vermeld en wat de deskundigen daarover ter zitting hebben verklaard.

Na zijn aanhouding werd bij verdachte in het PPC een psychotisch beeld gezien. Hij leek met name zeer angstig te zijn en te hallucineren. Aan het PPC verbonden gedragsdeskundigen suggereerden dat verdachte ten tijde van de totstandkoming van het tenlastegelegde waarschijnlijk psychotisch was geweest, ten gevolge waarvan hij een hoge dosering antipsychotische medicatie heeft gekregen. Binnen twee weken verbleekten de psychotische symptomen. Psychiater Van Giessen komt echter niet tot de conclusie dat verdachte psychotisch was op het moment dat het tenlastegelegde tot stand kwam. Het is voor hem zelfs de vraag of het beeld van verdachte achteraf als psychotisch moet worden aangeduid. Hij acht het waarschijnlijker dat verdachte na zijn aanhouding zodanig ontredderd en overstuur was en dat daarmee zijn beperkte draagkracht ver was overschreden, dat sprake was van een kortdurende psychogene desintegratie, die wel kenmerken heeft van een dissociatieve trancetoestand. Ook in een dergelijke situatie kan antipsychotische medicatie effectief zijn en vaak sneller werken dan in het geval van een daadwerkelijk psychotisch proces.

Ter zitting hebben de psychiater en psycholoog benadrukt dat de stresssituatie die verdachte na zijn aanhouding heeft laten zien, moet zijn ontstaan ná het (plegen van het) feit vanwege de grote impact die het feit zelf op hem heeft gehad. Zij achten het niet waarschijnlijk dat een dergelijke situatie reeds vóór het feit aan de orde is geweest.

In dit verband hebben zij rekening gehouden met het gegeven dat verdachte kort voor het incident (volgens de tijdlijn van de politie omstreeks 14.13 uur) via Messenger nog een videochat heeft gehad met zijn dochter [Naam 25] , waarbij haar niets bijzonders aan verdachte was opgevallen. Als hij dronken was, was dat niet aan hem te merken. Dat verdachte zich niets kan herinneren van de uren vóór het incident – zoals het doen van boodschappen – kunnen zij niet rijmen met een psychotische of een toxicologische black-out. Normaliter herinnert iemand zich wel iets, vlagen, maar verdachte zou zowel geruime tijd vóór als ná het incident een totale black‑out hebben gehad. Indien sprake zou zijn van fors alcoholgebruik en intoxicatie, is het niet aannemelijk dat het verlies aan herinnering voor het nuttigen van alcohol is ontstaan, maar pas na het drankgebruik, aldus de deskundigen. Het is te verwachten dat verdachte nog wel zou weten dat er een begin is geweest van het (eventuele) alcohol drinken. Bovendien geldt dat de tijd tussen het voormelde contactmoment van verdachte en zijn dochter en het gepleegde feit te kort is om geïntoxiceerd te raken. Indien vastgesteld zou kunnen worden dat verdachte daadwerkelijk geïntoxiceerd is geweest door alcohol, dan zou de conclusie ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid door de gedragsdeskundigen overigens niet worden bijgesteld, zo hebben de deskundigen ter zitting verklaard. Verdachte kende immers de gevolgen van overmatig alcoholgebruik en intoxicatie.

De reden dat verdachte aangeeft niets meer te kunnen terughalen van de bewuste dag, is in de visie van de deskundigen mogelijk gelegen in de omstandigheid dat de gebeurtenis te pijnlijk is voor verdachte om te kunnen bespreken.

Met betrekking tot verdachtes eerdere verblijf in (Poolse) klinieken hebben de deskundigen aangegeven dat dit kennelijk te maken had met depressiviteit en stemmingswisselingen, en dat is een andere psychische problematiek dan psychoses. In dit kader is ook opgeworpen dat het met verdachte de afgelopen jaren niet altijd slecht is gegaan, maar dat hij ook goede periodes heeft gehad en normaal heeft kunnen functioneren/werken.

Ter zake van de invloed van de verstandelijke beperking op het handelen van verdachte hebben de deskundigen ter zitting verduidelijkt dat op basis van een neurologische test is gebleken dat een hersenbeschadiging bij verdachte geenszins aan de orde is. Zij hebben voor hun onderzoek ook gekeken naar het werk dat verdachte bij [Naam 16] heeft verricht, welk werk enige complexiteit had. Als verdachte ernstig cognitief tekort zou komen, dan had hij zijn taken bij [Naam 16] niet kunnen uitvoeren.

De rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van voornoemde gedragsdeskundigen over en maakt deze tot de hare. Gelet op hetgeen zij in hun rapport hebben beschreven en in het bijzonder ook hun mondelinge toelichting daarop ter zitting, acht de rechtbank verdachte volledig toerekeningsvatbaar.

Daarmee gaat zij voorbij aan het verweer dat de raadsvrouw aangaande de strafbaarheid van verdachte heeft gevoerd.

Met de deskundigen gaat de rechtbank er van uit dat verdachte niet heeft gehandeld vanuit een psychose of een depressieve stoornis. Evenmin is zij van oordeel dat de licht verstandelijke beperking en de stoornis in het gebruik van alcohol dermate op de gedragskeuzes van verdachte van invloed zijn geweest, dat er sprake moet zijn van verminderde toerekeningsvatbaarheid.

De rechtbank heeft ten aanzien van de black-outs mede in ogenschouw genomen dat verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij zich van na zijn werk op 14 april 2018 helemaal niets meer kan herinneren, terwijl hij tijdens zijn verklaringen bij de politie nog wél dingen heeft kunnen herinneren, zoals dat hij is gaan douchen.

Voorts heeft de rechtbank meegewogen dat zijn huisgenoot en collega [Naam 1] heeft verklaard dat hem tijdens het werk niets is opgevallen aan verdachte en dat zijn gedrag normaal was. Tevens heeft [Naam 1] aangegeven dat hij na terugkomst van verdachte uit Putte niet had gemerkt dat verdachte had gedronken.

Ook op grond van deze laatstgenoemde omstandigheden/verklaringen wordt de rechtbank gesterkt in haar oordeel dat verdachte als toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd.

Verdachte is aldus strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 12 jaar met aftrek van voorarrest, rekening houdend met de ernst van het feit, de proceshouding van verdachte en de inhoud van de rapportage van het PBC.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht in het voordeel van verdachte in aanmerking te nemen dat hij verminderd toerekeningsvatbaar is en een blanco strafblad heeft. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat verdachte in het PPC een extreem zware tijd heeft gehad – alsof hij in eenzame opsluiting was – omdat hij de Engelse, Duitse en Nederlandse taal niet machtig is en hij met nagenoeg niemand in de Poolse taal heeft kunnen communiceren. Voorts is gewezen op een aantal uitspraken, waarbij lagere gevangenisstraffen zijn opgelegd dan de straf die thans door de officier van justitie wordt geëist.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft op weerzinwekkende wijze zijn (ex-)vrouw [Slachtoffer] van het leven beroofd. Hij heeft haar hard geslagen en gestompt, met name op het gezicht en het bovenlichaam. Daarnaast heeft verdachte haar luchtpijp afgeklemd, onder meer met behulp van een tiewrap die hij uitermate strak om de hals heeft aangebracht. Uiteindelijk heeft het slachtoffer geen lucht meer kunnen krijgen en is zij gestikt.

Het spreekt voor zich dat met het overlijden van [Slachtoffer] de nabestaanden, in het bijzonder haar kinderen en kleinkinderen, onherstelbaar leed is toegebracht. Het feit dat een vader de moeder van zijn kinderen heeft omgebracht, maakt de situatie extra wrang. De rechtbank is zich ervan bewust dat geen enkele strafoplegging het verdriet en het gemis van de nabestaanden kan compenseren.

Naast de gevolgen die de nabestaanden van dit feit hebben ondervonden, worden door dergelijke feiten ook de in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid bevestigd en versterkt.

De rechtbank heeft het onder 5.2 genoemde rapport van het PBC ter zake van de persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte in aanmerking genomen. Zij acht op basis daarvan verdachte toerekeningsvatbaar.

Het feit dat verdachte in Nederland (en kennelijk ook Polen) een blanco strafblad heeft wordt als neutraal meegewogen. Dit werkt daarmee dus niet strafverlagend of -verhogend.

Ten nadele weegt de rechtbank mee de proceshouding van verdachte, namelijk dat hij geen openheid van zaken heeft gegeven. De rechtbank acht het – mede gelet op wat de deskundigen over het geheugenverlies hebben verklaard – niet aannemelijk dat verdachte zich zo weinig herinnert als hij doet voorkomen. Door deze opstelling blijven de nabestaanden in het ongewisse over de ware toedracht van het feit.

De rechtbank houdt rekening met de straffen die in vergelijkbare situaties worden opgelegd. De jurisprudentie die de raadsvrouw heeft voorgehouden betreffen zaken, waarbij andersoortige feiten en omstandigheden een doorslaggevende rol hebben gespeeld.

De rechtbank is van oordeel dat een langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat de aard en de ernst van het feit door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. In de omstandigheid dat verdachte – als buitenlander met een taalbarrière – zijn detentie in Nederland moet ondergaan, ziet de rechtbank geen aanleiding om de op te leggen straf te matigen.

Alles afwegend acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar met aftrek van voorarrest, zoals ook is gevorderd door de officier van justitie, passend en geboden.

7 Het beslag

7.1

De verbeurdverklaring

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.

1 stuk alcohol, goednummer G1869628;

2. 1 stuk gereedschap, kabelbinder, goednummer G1869623.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a en 287 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

doodslag;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd de onder 7.1 genoemde inbeslaggenomen voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Felix, voorzitter, mr. De Weert en mr. Van der Burgh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Roebroeks, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 oktober 2019.

Mrs. Felix, De Weert en Roebroeks zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer ZB2R018042 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 428, en de daarbij behorende FTO-map, doorgenummerd van 1 tot en met 235. Het relaasproces-verbaal, pagina 6 en 7.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 225 en 226.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 57.

4 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 77.

5 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 55 en 56.

6 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 60.

7 Het proces-verbaal verhoor getuige [Naam 8] , pagina 262 en 263.

8 Het proces-verbaal sporenonderzoek slachtoffer en bloedsporen slaapkamer, pagina 21, 25, 26, 27, 28, 29, 31 en 32 (FTO-map).

9 Het proces-verbaal sporenonderzoek woning, pagina 51 (FTO-map).

10 Het geschrift, zijnde het pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, door [Naam 13] arts en patholoog bij het NFI, d.d. 20 augustus 2018, pagina 119 t/m 124 (FTO-map).

11 Het geschrift, zijnde het toxicologisch onderzoek lichaamsmateriaal van [Slachtoffer] , door [Naam 15] apotheker-toxicoloog, bij het NFI, d.d. 15 maart 2019 (separaat gevoegd).

12 Het geschrift, zijnde een begeleidende brief bij het toxicologisch onderzoek lichaamsmateriaal van [Slachtoffer] , van [Naam 13] , d.d. 4 april 2019 (separaat gevoegd).

13 Het proces-verbaal van verhoor getuige [Naam 14] , pagina 255.

14 Het proces-verbaal van verhoor getuige [Naam 14] , pagina 252.

15 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 127.

16 Het proces-verbaal sporenonderzoek, pagina 47 (FTO-map).

17 Het geschrift, zijnde het onderzoek naar biologische sporen en DNA, door dr. Y. van de Wal, van het NFI, d.d. 20 juli 2018, pagina 141 en 143.

18 Het geschrift, zijnde de rapportage letstelbeschrijving van arts [Naam 20] , d.d. 14 april 2018, pagina 91 t/m 93 (FTO-map).

19 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [Naam 1] pagina 237 t/m 240.

20 Het proces-verbaal van bevindingen en een printscreen van de beelden, pagina 122.

21 Het proces-verbaal van bevindingen en een printscreen van de beelden, pagina 108.

22 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 126.

23 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 204.

24 Het proces-verbaal van bevindingen en printscreens van de beelden, pagina 202 en 203.

25 Het proces-verbaal van verhoor van [Naam 2] , pagina 295 t/m 297.

26 Het proces-verbaal van verhoor getuige [Naam 23] , pagina 276 en 277.

27 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 117 en 118.

28 Het proces-verbaal van verhoor getuige [Naam 24] , pagina 316 en 317.

29 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 102 en 103.

30 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 368, 370, 376, 379.

31 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 389.

32 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 398 en 399.