Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:4324

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-10-2019
Datum publicatie
03-10-2019
Zaaknummer
02-089262-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling artikel 6 WVW.

Verdachte heeft zich als bestuurder van een personenauto in aanmerkelijke mate onvoorzichtig en onoplettend gedragen door met te hoge snelheid te rijden en een remmanoeuvre uit te voeren. Als gevolg daarvan heeft hij geen voorrang kunnen verlenen aan een vrachtwagen. De bijrijder is ten gevolge van deze aanrijding overleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/089262-19

vonnis van de meervoudige kamer van 3 oktober 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. Marcus, advocaat te Rijen

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 september 2019, waarbij de officier van justitie, mr. Gimbrère, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

hij op of omstreeks 24 januari 2017 te Tilburg als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, Rielseweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, terwijl het zicht van verdachte ter plaatse werd beperkt/belemmerd,

te rijden met een snelheid die hoger lag dan de wettelijk toegestane snelheid van 50 km/u,

althans met een aanmerkelijke snelheid, althans met een hogere snelheid dan voor een veilig

verkeer ter plaatse geboden was, en/of (daarbij) geen gevolg te geven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers heeft hij, verdachte, geen voorrang verleend aan een voor hem, verdachte, van links komend motorrijtuig (vrachtwagen) welke op de Clara Zetkinweg reed wat ter plaatse was aangegeven middels verkeersbord B6 en/of haaientanden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen

leiden:

hij op of omstreeks 24 januari 2017 te Tilburg als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, De Rielseweg, terwijl het zicht van verdachte ter plaatse werd beperkt/belemmerd, heeft gereden met een snelheid die hoger lag dan de wettelijk toegestane snelheid van 50 km/u, althans met een aanmerkelijke snelheid, althans met een hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, en/of

(daarbij) geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt,

immers heeft hij, verdachte, geen voorrang verleend aan een voor hem, verdachte, van links

komend motorrijtuig (vrachtwagen) welke op de Clara Zetkinweg reed wat ter plaatse was

aangegeven middels verkeersbord B6 en/of haaientanden, door welke gedraging(en) van

verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het

verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op

24 januari 2017 zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor [slachtoffer] is overleden. Verdachte heeft zich in aanmerkelijke mate onvoorzichtig en onoplettend gedragen waardoor er sprake is van een ernstige mate van schuld. De officier van justitie gaat er daarbij vanuit dat het zicht van verdachte werd belemmerd en dat het donker was, dat verdachte te hard heeft gereden en 20 meter voor het kruispunt een remmanoeuvre heeft ingezet waardoor hij 8 meter voor het kruispunt is gaan roteren en hij niet tijdig meer heeft kunnen stoppen voor de voor hem van links komende vrachtwagen waaraan hij voorrang had moeten verlenen. De officier van justitie heeft zich daarbij gebaseerd op de aangetroffen sporen, de eindsituatie, de schade en de camerabeelden waaruit volgt dat verdachte met een snelheid van 66 km/uur heeft gereden. Dat verdachte te hard reed wordt bevestigd door getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] .

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair tenlastegelegde feit en verzoekt verdachte hiervan vrij te spreken. Verdachte heeft de vrachtwagen niet tijdig gezien en zodoende geen voorrang verleend. Vervolgens heeft hij er alles aan gedaan wat mogelijk was om een aanrijding te voorkomen, namelijk volledig remmen met alles wat hij had. Dat de auto van verdachte doorschoof kan worden verklaard doordat het wegdek glad was. Niet alleen verdachte heeft dit verklaard, maar dit volgt ook uit de verklaring van getuige [getuige 1] en uit de daggegevens, waaruit is af te leiden dat het tussen de 0 en 1 graden Celsius was. Dat verdachte voorafgaand aan het ongeval de snelheid van 50 km per uur heeft overschreden, zegt niets over de snelheid die hij had ten tijde van het ongeval. Wat de snelheid was ten tijde van de aanrijding valt niet vast te stellen. Dit betekent dat onduidelijk blijft of hij de maximumsnelheid heeft overschreden en of dit aanleiding is geweest tot de aanrijding. Er kan dan enkel worden vastgesteld dat verdachte geen voorrang heeft verleend. Deze enkele verkeersovertreding is echter niet van dien aard dat er sprake is geweest van aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend of onachtzaam rijgedrag in de zin van artikel 6 WVW.

De verdediging refereert zich aan een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde feit.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Op 24 januari 2017 omstreeks 20.42 uur vond er op de kruising Clara Zetkinweg en Rielseweg te Tilburg een ongeval plaats tussen een personenauto, een Volkswagen Golf en een vrachtwagen. Verdachte was de bestuurder van de personenauto. De bijrijder van verdachte, [slachtoffer] is bekneld komen te zitten in de personenauto en is ruim twee maanden later, op 30 maart 2017 overleden aan de gevolgen van deze aanrijding.

Verdachte1 heeft over het ongeval verklaard dat hij die bewuste avond op de Rielseweg reed, de kruising met de Clara Zetkinweg naderde alwaar hij linksaf wilde slaan. Hij reed ongeveer 50 tot 60 km per uur. Op het moment dat hij de splitsing, en dus de Clara Zetkinweg, op wilde rijden, zag hij plotseling de voorzijde van een vrachtwagen. Verdachte begon direct te remmen en gooide alles dicht, zoals hij zelf zegt. Zijn auto trok daarbij naar links en schoof door.

Naar aanleiding van het ongeval is forensisch onderzoek verricht. Daarbij werd het volgende vastgesteld.2

Zowel de Clara Zetkinweg als de Rielseweg hadden op de plaats van het ongeval een recht wegverloop. De kruising met borden B3 was aangeduid als voorrangskruising, met dien verstande dat het verkeer rijdend op de Clara Zetkinweg voorrang genoot. Voor het verkeer op de Rielseweg dat de kruising met de Clara Zetkinweg naderde, werd dit kenbaar gemaakt met bord B6 en haaientanden op het wegdek. De maximum snelheid voor bestuurders van motorvoertuigen op beide wegen bedroeg 50 km per uur. Ten tijde van het onderzoek was het koud en leek het te vriezen. Er werd echter vastgesteld dat het wegdek niet was opgevroren en niet glad was door bevriezing. Op het moment van de aanrijding was het donker. De straatverlichting was in werking en straalde wit licht uit. Het zicht naar links werd voor de bestuurder van de Volkswagen Golf beperkt door een transformatorhuisje.

Van het ongeval waren camerabeelden gemaakt door een beveiligingscamera, aanwezig op een nabij gelegen bedrijfspand en deze zijn veiliggesteld voor mogelijk onderzoek naar de gereden snelheid. Op basis van de camerabeelden werd een berekening gemaakt van de snelheden. De laagst berekende snelheid van de Volkswagen Golf betrof 66,54 km per uur. Deze snelheid werd kort voor de kruising gereden. Ook de remsnelheid werd berekend. Het remspoor van de personenauto, zoals aangetroffen op de Rielseweg, had een lengte van 20,5 meter, gemeten vanaf de aanvang van het remspoor tot aan het kruisende pad met de vrachtwagen. Uitgaande van een snelheid van 66,54 km per uur was er een remvertraging van 8,32 meter per seconden nodig om net op tijd tot stilstand te kunnen komen. Indien verdachte met de toegestane maximum snelheid van 50 km per uur zou hebben gereden, had verdachte na 13,78 meter stil gestaan. Gezien vanaf het punt waar Volkswagen Golf zijn remming had ingezet, had de Volkswagen Golf in dat geval ruim voor het kruisingsvlak stil gestaan.

Ook de bandsporen zijn onderzocht. Gezien deze bandsporen is het passend dat de Volkswagen Golf voor het kruispunt, links om zijn hoogte-as is gedraaid. Dit was tevens op de camerabeelden zichtbaar aan het feit dat het lichtbeeld dat de koplichten op het wegdek projecteerden naar links gericht waren en het feit dat op de camerabeelden

kort voor de aanrijding de achterlichten van de Volkswagen Golf zichtbaar werden.

Gelet op het feit dat de Volkswagen Golf beschikte over een antiblokkeersysteem voor de bedrijfsrem, de Golf toch bandsporen aftekende met blokkerende wielen, waarbij een derde bandspoor werd aangetroffen, dat was afgetekend door een draaiend wiel en de Golf na de botsing werd aangetroffen met een aangetrokken handrem, lijkt het er op dat de bestuurder een remmanoeuvre heeft uitgevoerd met zijn handrem, waarbij de achterzijde van de Volkswagen Golf naar rechts is uitgebroken. Gelet op de snelheid die de Volkswagen Golf op dat moment kort voor het kruispunt had en het feit dat de aangetroffen rem-/blokkeersporen sporen zich op de linker weghelft bevonden, is het passend dat de bestuurder zijn voertuig voor de bocht heeft willen “zetten” in een overstuursituatie om de bocht met hogere snelheid te kunnen doorrijden, een techniek die in het rally rijden gebruikelijk is. Op het moment dat de bestuurder van de Volkswagen Golf zijn remmanoeuvre inzette had hij door het beperkte uitzicht nog geen zicht op de richting van waaruit de vrachtwagen (Volvo) gereden kwam. Gelet op het schadebeeld dat zichtbaar was op de Volkswagen Golf, is de Volkswagen Golf diagonaal onder de oplegger van de vrachtwagen gereden. De schade op de Volkswagen Golf liep van linksvoor naar rechtsachter. Hieruit viel op te maken dat de Volkswagen Golf al ingestuurd was voordat de Volkswagen Golf en de vrachtwagen elkaar raakten. De Volkswagen Golf werd door de oplegger achter de vrachtwagen mee naar rechts getrokken.

De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is of verdachte door zijn gedragingen schuld heeft, en zo ja in welke mate, aan het verkeersongeval. Hierbij overweegt de rechtbank het volgende.

Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is niet in zijn algemeenheid aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994, maar komt het daarbij aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de overige omstandigheden van het geval. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822).

Voor de beoordeling van de vraag of verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, dient de rechtbank dus op grond van voormeld toetsingskader vast te stellen of de bewezen geachte feitelijke gedragingen, gegeven de aard en de ernst daarvan, en de overige omstandigheden, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994. Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden afgemeten aan dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht.

De rechtbank is, gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen, van oordeel dat kan worden vastgesteld dat verdachte kort voor de aanrijding minimaal 66,54 km per uur reed waar 50 km per uur was toegestaan. De rechtbank ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen. Verdachte heeft deze snelheid niet betwist en daarbij vindt het onderzoek zoals in het bovenstaande op basis van dossier is vermeld, steun in de verklaringen van getuigen [getuige 3]3 en [getuige 1] .4. Getuige [getuige 1] verklaart over een snelheid van 60 à 70 kilometer omdat hij zelf ook deze snelheid reed en verdachte die voor hem reed liep niet echt op hem uit. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij bij het kruispunt aan kwam rijden en aan de telefoon was met een collega en zei: “Er komt er hier één de zijstraat uit, dat wil je niet weten.“

Uit het forensisch onderzoek verkeersdelict is gebleken dat als verdachte zich aan de maximum snelheid van 50 km per uur zou hebben gehouden, hij zijn auto eerder tot stilstand had kunnen brengen en voorrang aan de vrachtwagen had kunnen verlenen.

Uit het forensisch onderzoek verkeersdelict volgt ook dat verdachte, anders dan normaliter gebruikelijk is, bij het naderen van het kruispunt niet zover mogelijk rechts heeft gereden en heeft afgeremd om de vrachtwagen voorrang te verlenen. De aangetroffen rem- en blokkeersporen in combinatie met de snelheid die verdachte had, passen bij het beeld dat verdachte bij het naderen van het kruispunt een remmanoeuvre heeft uitgevoerd met zijn handrem. Verdachte heeft zijn auto in de bocht willen “zetten” om zo met hoge snelheid linksaf te kunnen slaan. Hij had op dat moment een beperkt zicht en zag de vrachtwagen niet, zo heeft hij ook zelf verklaard. Verdachte heeft verklaard dat zijn auto naar links is doorgeschoven doordat het wegdek glad was. Ook getuige [getuige 1] verklaart in deze zin. Het dossier bevat hiervoor echter geen objectieve aanwijzingen. Ook het wegdek en de weersgesteldheid zijn in het forensisch onderzoek verkeersdelict betrokken en daarbij is vastgesteld dat het wegdek niet opgevroren was door bevriezing en ook niet glad was. De rechtbank ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen.

Het rijden met een hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan en het vervolgens uitvoeren van bovengenoemde remmanoeuvre, hebben er toe geleid dat verdachte zijn voertuig niet tijdig tot stilstand heeft kunnen brengen. Hij heeft hierdoor geen voorrang kunnen verlenen aan de vrachtwagen ten gevolge waarvan een noodlottig ongeval heeft plaatsgevonden.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel, dat gelet op het geheel van de opeenvolgende gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden, verdachte schuld heeft gehad aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994. Voor wat betreft de mate van schuld heeft de rechtbank acht geslagen op het feit dat het ongeval in de avond op een industrieterrein heeft plaatsgevonden. Over het algemeen betekent dit dat het dan rustig is op een industrieterrein en er dan ook minder verkeersdeelnemerszijn. Hoewel een verkeersdeelnemer uiteraard in elke situatie voorzichtigheid en oplettendheid dient te betrachten, dienen de gedragingen van verdachte wel te worden bezien in het licht van die tijd en plaats. Gelet op de aard en de ernst van de door verdachte gemaakte verkeersfouten en de overige omstandigheden van het geval heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank in aanmerkelijke mate onvoorzichtig en onoplettend gereden. De verkeersfouten die verdachte heeft gemaakt zijn weliswaar ernstig, maar niet dusdanig ernstig dat sprake is van roekeloosheid of van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijden als bedoeld in de Wegenverkeerswet en de jurisprudentie van de Hoge Raad.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 24 januari 2017 te Tilburg als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, Rielseweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend, terwijl het zicht van verdachte ter plaatse werd beperkt/belemmerd,

te rijden met een snelheid die hoger lag dan de wettelijk toegestane snelheid van 50 km/u,

en daarbij geen gevolg te geven aan een verkeersteken dat een gebod inhoudt, immers heeft hij, verdachte, geen voorrang verleend aan een voor hem, verdachte, van links komend motorrijtuig (vrachtwagen) welke op de Clara Zetkinweg reed wat ter plaatse was aangegeven middels verkeersbord B6 en haaientanden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 6 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast vordert zij een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaren. De officier van justitie is bij strafeis uitgegaan van een ernstige mate van schuld en heeft in beginsel aansluiting gezocht bij de richtlijnen van het OM voor dergelijke feiten. In het voordeel van verdachte heeft zij in haar eis rekening gehouden met de gevolgen die het ongeval ook voor verdachte heeft gehad en het feit dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde feit. Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzoekt de verdediging aan verdachte een taakstraf op te leggen. Indien de rechtbank van oordeel is dat ook een ontzegging van de rijbevoegdheid aan de orde is, verzoekt de verdediging deze geheel voorwaardelijk op te leggen. De verdediging heeft in dit verband gewezen op het feit dat verdachte zijn beste vriend is verloren en dat verdachte dat zijn leven lang met zich mee moet dragen. Daarnaast heeft de verdediging verzocht om rekening te houden met artikel 63 Wetboek van Strafrecht, met de overschrijding van de redelijke termijn en met de omstandigheid dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich op 24 januari 2017 als bestuurder van een personenauto in aanmerkelijke mate onvoorzichtig en onoplettend gedragen. Het rijden met een te hoge snelheid en het uitvoeren van een remmanoeuvre heeft er toe geleid dat verdachte de vrachtwagen niet tijdig heeft gezien en geen voorrang heeft kunnen verlenen. Als gevolg daarvan is hij met de door hem bestuurde personenauto in aanrijding gekomen met de vrachtwagen. Ten gevolge van deze aanrijding is [slachtoffer] uiteindelijk, na ruim twee maanden, komen te overlijden. Met het overlijden van [slachtoffer] is de nabestaanden zeer groot en onherstelbaar leed toegebracht. De rechtbank realiseert zich maar al te goed dat wat de uitkomst van deze strafzaak ook is, dit het leed bij de nabestaanden niet weg zal kunnen nemen.

Zonder aan de gevolgen voor de nabestaanden ook maar iets af te willen doen, dient de rechtbank voor wat aard en hoogte van de straf echter wel te kijken naar het strafbare feit dat verdachte heeft gepleegd, te weten een schulddelict. Dit betekent dat verdachte weliswaar verkeersfouten heeft gemaakt, met een tragisch ongeval tot gevolg, maar dat hij nimmer de bedoeling heeft gehad om dat te veroorzaken. Dat er sprake is van schuld, en niet van opzet, leidt er op zichzelf reeds toe dat in dergelijke zaken doorgaans geen hoge (gevangenis)straffen worden geëist en opgelegd.

De officier van justitie is bij het formuleren van haar eis uitgegaan van een ernstige mate van onvoorzichtig en onoplettend rijden. De rechtbank komt echter tot bewezenverklaring van een lichtere mate van schuld. De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS gaan in dat geval uit van een taakstraf van 240 uur en één jaar ontzegging van de rijbevoegdheid.

Als uitgangspunt geldt voorts dat een strafzaak bij de rechtbank dient te zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaar nadat die redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze zaak wordt de datum 24 januari 2017 als aanvang van de redelijke termijn aangemerkt. Daarmee is de redelijke termijn in aanzienlijke mate, te weten 8 maanden, overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben van 10%. Daarbij houdt de rechtbank ook rekening met het gegeven dat artikel 63 Sr van toepassing is.

Bij de bepaling van de straf neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat het tragische ongeval ook voor verdachte zelf zeer aangrijpend is geweest. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte nog steeds zeer aangeslagen is door de dood van [slachtoffer] . Het was zijn beste vriend en hij mist hem nog dagelijks. Verdachte is in zoverre reeds gestraft. Hij zal zijn leven lang de gedachte bij zich moeten dragen dat hij schuld heeft gehad aan de dood van zijn beste vriend. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte inmiddels een vaste baan heeft waarvoor hij zijn rijbewijs nodig heeft

Alles in samenhang bezien acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 200 uren passend en geboden. Daarnaast is rechtbank van oordeel dat er ook een ontzegging van de rijbevoegheid van één jaar opgelegd dient te worden. Gelet op bovengenoemde omstandigheden zal zij een groot gedeelte daarvan, te weten 9 maanden, geheel voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van 3 jaren.

De rechtbank benadrukt nogmaals dat zij zich realiseert dat de straf het leed tengevolge van het verlies van een dierbare en alle ernstige gevolgen daarvan voor de nabestaanden niet zal kunnen compenseren.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 200 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen;

Bijkomende straffen

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Dit vonnis is gewezen door mr. Dekker, voorzitter, mr. Vliegenberg en mr. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Bles, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 oktober 2019.

Mrs. Vliegenberg en Hoekstra zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2017018248 van politie Zeeland- en West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, ongenummerd, maar digitaal wel doorgenummerd van 1 tot en met 140. 1 Het proces-verbaal Forensisch Onderzoek Verkeersdelict, pagina 15 en het proces-verbaal van aanrijding pagina 7. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina’s 108 en 110 en de verklaring van verdachte ter zitting d.d. 19 september 2019.

2 Het proces-verbaal Forensisch Onderzoek Verkeersdelict, pagina’s 12 tot en met 52 inclusief bijlagen.

3 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3] , pagina 114

4 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] , pagina 123