Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:4252

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-09-2019
Datum publicatie
06-12-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4173
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting / nihiltarief in verband met fiscale vertegenwoordiging?

Belanghebbende is gevestigd in het Verenigd Koninkrijk (VK) en heeft accijnsgoederen overgebracht vanuit het VK naar een accijnsgoederenplaats (AGP) in Nederland. Vervolgens heeft zij deze accijnsgoederen geleverd aan een eveneens niet in Nederland gevestigde ondernemer waarbij de goederen zijn vervoerd van de AGP naar een andere AGP in Nederland.

De rechtbank overweegt dat voor toepassing van het nihiltarief zowel de niet in Nederland gevestigde leverancier als de niet in Nederland gevestigde afnemer over een fiscaal vertegenwoordiger in Nederland dient te beschikken. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij zich bij de levering fiscaal liet vertegenwoordigen. Zij heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat het vertrouwens- en/of het gelijkheidsbeginsel zijn geschonden.

Wel vermindering van de naheffingsaanslag en de verzuimboete omdat 19% van de ontvangen vergoeding is nageheven en niet kan worden gezegd dat aannemelijk is dat belanghebbende de belasting nog op de afnemer zal kunnen verhalen. Tot slot heeft belanghebbende recht op vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 09-12-2019
V-N Vandaag 2019/2815
FutD 2019-3282
NTFR 2020/162 met annotatie van Mr. P.F. Zijlstra
V-N 2020/8.26.7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 17/4173

uitspraak van 30 september 2019

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] Ltd, gevestigd te [plaats X] (Verenigd Koninkrijk),

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur,

en

de Minister voor Rechtsbescherming,

de Minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 (hierna: naheffingsaanslag) van € 5.477, met daarbij een boetebeschikking van € 547 en een beschikking heffingsrente van € 870 (aanslagnummer [aanslagnummer].F.01.0501).

1.2.

De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 6 mei 2017 de naheffingsaanslag en de beschikkingen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 6 juni 2017, ontvangen bij de rechtbank op 7 juni 2017, beroep ingesteld. Ter zake van het beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 333.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2019 te Breda. Voor een overzicht van de aldaar verschenen personen en het verhandelde ter zitting verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting waarvan een afschrift tegelijk met een afschrift van deze uitspraak is verzonden.

1.6.

Bij brieven van 18 september 2019 heeft de rechtbank de uitspraaktermijn verlengd.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is gevestigd in Noord-Ierland en drijft een groothandel in (alcoholische) dranken. Belanghebbende heeft geen vaste inrichting voor de omzetbelasting in Nederland.

2.2.

Belanghebbende heeft in 2010 een aantal zogenoemde ‘duty draw back’ transacties gedaan waarbij accijnsgoederen (alcohol) zijn overgebracht vanuit het Verenigd Koninkrijk naar een accijnsgoederenplaats (hierna: AGP) in Nederland. Op 26 juli 2010 zijn door belanghebbende accijnsgoederen geleverd aan [A Ltd] (hierna: de levering) waarbij de goederen zijn vervoerd van de AGP van [B BV] te Roosendaal (hierna: [B BV]) naar de AGP van [C BV] (hierna: [C BV]) in Ridderkerk. [A Ltd] is gevestigd in Ierland en heeft eveneens geen vaste inrichting voor de omzetbelasting in Nederland. Er is door belanghebbende geen omzetbelasting (hierna: OB) in rekening gebracht bij deze levering.

2.3.

In 2012 heeft belanghebbende door middel van een formulier “registratie nieuwe ondernemer” verzocht om te worden uitgenodigd tot het doen van aangifte 2010. In de aangifte zijn intracommunautaire leveringen en intracommunautaire verwervingen ingevuld alsmede voorbelasting. Per saldo heeft belanghebbende een nihilaangifte gedaan.

2.4.

Naar aanleiding van deze aangifte is aan belanghebbende een vragenbrief gestuurd. Vervolgens is er diverse correspondentie geweest tussen belanghebbende en de inspecteur waarbij de inspecteur onder andere vragen heeft gesteld over de levering. Belanghebbende heeft vervolgens toegelicht dat volgens haar op deze levering het nultarief van toepassing is. In verband met deze levering heeft belanghebbende aan de inspecteur overgelegd de factuur, met onderliggende stukken ten aanzien van de transactie en de facturen die zij van [B BV] heeft ontvangen. De inspecteur heeft vervolgens aan belanghebbende de bestreden naheffingsaanslag opgelegd in verband met de levering.

3 Geschil

3.1.

In geschil zijn de volgende punten:

-Is aan belanghebbende terecht een naheffingsaanslag opgelegd in verband met de levering?

-Is aan belanghebbende terecht en tot een het juiste bedrag een boete opgelegd?

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag en de beschikkingen. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het nultarief van toepassing is op de levering. Belanghebbende beschikte over een fiscaal vertegenwoordiger, namelijk [B BV] en dat is naar de mening van belanghebbende voldoende om te voldoen aan de voorwaarden voor toepassing van het nultarief. Volgens belanghebbende blijkt het fiscaal vertegenwoordigerschap uit de door belanghebbende overgelegde facturen van [B BV] aan belanghebbende. Daarbij is het volgens belanghebbende voldoende dat zij of haar afnemer beschikte over een fiscaal vertegenwoordiger. Het is dan ook niet relevant of haar afnemer over een fiscaal vertegenwoordiger beschikte.

Ook beroept belanghebbende zich op het vertrouwensbeginsel. Soortgelijke transacties in 2009 hebben eveneens tot vragen van de inspecteur geleid. Er is door de inspecteur ook een naheffingsaanslag over 2009 aangekondigd, maar uiteindelijk is niet nageheven. Door bewust af te zien van naheffing over 2009 is volgens belanghebbende in rechte te beschermen vertrouwen gewekt dat de gevolgde handelwijze door de beugel kon. Ook wijst belanghebbende op de positie van [B BV] als beperkt fiscaal vertegenwoordiger (hierna: BFV) en de met de Belastingdienst gemaakte afspraken over duty draw back transacties (transacties waarbij accijnsgoederen buiten het Verenigd Koninkrijk worden gebracht en vervolgens accijnzen worden terugbetaald) met [B BV]. Naar eigen zeggen mocht belanghebbende erop vertrouwen dat op grond van deze afspraken met Belastingdienst Roosendaal [B BV] werd aangemerkt als BFV en dat daarom het nultarief van toepassing was. De inspecteur kan voor 2010 niet verlangen dat gehandeld wordt naar afspraken die in 2014 worden gemaakt. In 2014 is afgesproken dat de BFV de transacties aangeeft, maar tot 2014 deed belanghebbende dit zelf. Ook mocht er gezien de handelwijze van AGP’s ook in rechte erop worden vertrouwd dat de AGP waarnaar de goederen zijn vervoerd een BFV was en dat dus aan de voorwaarden is voldaan voor de toepassing van het nultarief. Daarnaast wijst belanghebbende ook nog op het gelijkheidsbeginsel. Volgens belanghebbende worden door veel AGP’s op dergelijke transacties waarbij accijnsgoederen worden verhandeld door partijen die niet in Nederland zijn gevestigd het nultarief toegepast, ook al is geen sprake van een BFV. Ook voert belanghebbende aan dat het koppelen van formele voorwaarden (namelijk de verplichting tot het instellen van een BFV) in strijd is met artikel 138, tweede lid, onder b, van de Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: Btw-richtlijn). Ook doet belanghebbende een beroep op artikel 20, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Mocht de rechtbank tot de conclusie komen dat het nultarief niet van toepassing is en de levering dus belast is met OB, dan dient op grond van dit artikel niet te worden nageheven bij belanghebbende maar bij de afnemer van belanghebbende.

4.2.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende bij de levering niet op de door de wet voorgeschreven wijze werd vertegenwoordigd. De exploitant van de AGP, [B BV] kan alleen BFV zijn, als daartoe is verzocht aan de Belastingdienst zoals is opgenomen in artikel 24c van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (hierna: Uitvoeringsbesluit). [B BV] mag met ingang van 1 juli 2010 optreden als BFV. Dit houdt volgens de inspecteur echter niet in dat zij vanaf dat moment al haar klanten heeft vertegenwoordigd. Belanghebbende moet dan aan [B BV] de opdracht tot fiscaal vertegenwoordiging hebben verstrekt. Belanghebbende heeft dit niet aannemelijk gemaakt. Dat op facturen van [B BV] aan belanghebbende de omschrijving “Fisc. Representation” staat, is onvoldoende. De omschrijving is niet voldoende duidelijk en ondubbelzinnig. Die aanduiding kan ook gelden voor de afhandeling van accijnsgeleideformulieren en het terugvragen van reeds afgedragen accijnzen, aldus de inspecteur. Op de betreffende facturen ontbreken ook een aantal elementen, die wel vermeld zouden moeten zijn als sprake is van fiscale vertegenwoordiging. De inspecteur bestrijdt dat sprake is van in rechte opgewekt vertrouwen. In het verslag van de bespreking in 2014 waaraan belanghebbende refereert, wordt geen standpunt ingenomen. Nergens wordt de indruk gewekt dat de inspecteur akkoord is met de handelwijze en dat verondersteld kan worden dat sprake is van beperkte fiscaal vertegenwoordiging en het voldoen aan de wettelijke voorwaarde. Ook bestrijdt de inspecteur dat belanghebbende uit de gang van zaken rond 2009 in rechte vertrouwen kan ontlenen dat over 2010 geen naheffingsaanslag opgelegd zou worden.

De afnemer van belanghebbende beschikte evenmin over een beperkt of algemeen fiscaal vertegenwoordiger. De AGP van de afnemer, [C BV] heeft pas in 2012 verzocht om te mogen optreden als algemeen fiscaal vertegenwoordiger voor [A Ltd]. De voor [C BV] competente inspecteur (Rotterdam) heeft verklaard dat geen afspraken van kracht waren om als fiscaal vertegenwoordiger te worden aangeduid zonder vergunning/beschikking of anderszins over toepassing van het nultarief.

In verband met het beroep op het vertrouwensbeginsel neemt de inspecteur het standpunt in dat in het kader van de heffing van OB het nationaalrechtelijk vertrouwensbeginsel moet wijken voor de uitleg van het vertrouwensbeginsel zoals is gegeven in de jurisprudentie van het Hof van Justitie. Ook bestrijdt de inspecteur dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat hem geen gelijke gevallen bekend zijn die anders worden behandeld dan het onderhavige geval.

Beperkt fiscaal vertegenwoordiger

4.3.

Niet in geschil is dat hier sprake is van een levering van goederen als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de omzetbelasting 1969 (hierna: Wet OB). Artikel 9, tweede lid, onderdeel b, van de Wet OB voorziet in een nultarief voor leveringen van goederen genoemd in tabel II bij de Wet OB, mits is voldaan aan bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden. Tussen partijen is niet in geschil dat de levering als uitgangspunt valt onder tabelpost a7 van die tabel. Wel is in geschil of wordt voldaan aan de voorwaarde(n) zoals geformuleerd in artikel 12, tweede lid, onder f, laatste volzin, van het Uitvoeringsbesluit, waarin is bepaald:

“In geval de leverancier of de afnemer in de gevallen bedoeld in de onderdelen b en c niet in Nederland woont of is gevestigd dan wel aldaar geen vaste inrichting heeft, dient deze voor de toepassing van het tarief van nihil een fiscaal vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 24c te hebben aangesteld.”

4.4.

Anders dan belanghebbende betoogt, dient op grond van dit artikel zowel een leverancier als een afnemer die niet in Nederland is gevestigd of een vaste inrichting heeft zich te laten vertegenwoordigen door een fiscaal vertegenwoordiger. Vast staat dat zowel belanghebbende als haar afnemer niet in Nederland was gevestigd en geen vaste inrichting had in Nederland ten tijde van de levering. Daarom kan alleen het nultarief worden toegepast indien beide een fiscaal vertegenwoordiger hebben aangesteld voor de levering. De rechtbank zal als eerste ingaan op de vraag of belanghebbende een fiscaal vertegenwoordiger had aangesteld voor de levering.

4.5.

Vast staat dat aan [B BV] bij brief van 22 mei 2017 een beschikking is afgegeven dat [B BV] vanaf 1 juli 2010 mag optreden als BFV voor buitenlandse ondernemers (bijlage 29 bij het verweerschrift). Daaruit volgt echter nog niet dat [B BV] voor déze belanghebbende als BFV optreedt. Belanghebbende heeft ter zitting gemeld dat er wel een contract is tussen haar en [B BV], maar heeft ter zitting tevens gemeld dat het contract niet te vinden is. In zoverre is er dus geen bewijs dat [B BV] als BFV voor belanghebbende optreedt ter zake van de levering. Volgens belanghebbende blijkt uit de door haar overgelegde facturen van [B BV] aan belanghebbende dat sprake was van fiscaal vertegenwoordiging (bijlage 28 bij het verweerschrift). De rechtbank heeft geconstateerd dat op deze facturen inderdaad de term “fisc. representation” staat waarvoor [B BV] een bedrag in rekening brengt. Dat sprake is van ‘fisc. respresentation’-diensten is gelet daarop wel aannemelijk. Daarmee is echter nog niet aannemelijk gemaakt dat [B BV] en belanghebbende zijn overeengekomen dat [B BV] optreedt als ‘fiscaal vertegenwoordiger’ (met alle verplichtingen over en weer) in de zin van de Wet OB en het Uitvoeringsbesluit. Het is onduidelijk welke ‘fiscal representation’-diensten [B BV] heeft verricht voor belanghebbende. Daarbij wordt ook opgemerkt dat een groot aantal van de overgelegde facturen dateren van vóór 1 juli 2010, dus voordat [B BV] kon optreden als BFV. Verder merkt de rechtbank op dat op de factuur ter zake van de levering niet de naam en adres en evenmin het fiscale nummer van [B BV] is vermeld (bijlage 27 bij het verweerschrift), dit in afwijking van wat in de hiervoor genoemde beschikking van 22 mei 2017 is vermeld als verplichting voor de leveringen waarvoor [B BV] als fiscaal vertegenwoordiger optreedt. Ook uit dit feitelijke gedrag valt dus niet af te leiden dat (ter zake van deze levering) [B BV] fiscaal vertegenwoordiger van belanghebbende was voor de toepassing van de Wet OB. De rechtbank acht niet aannemelijk gemaakt de stelling van belanghebbende dat [B BV] voor de levering was aangesteld als BFV. Dit leidt tot de conclusie dat niet is voldaan aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 12, tweede lid, onder f, laatste volzin, van het Uitvoeringsbesluit. In het midden kan blijven of de afnemer van belanghebbende een fiscaal vertegenwoordiger had. Op basis van de wet heeft de inspecteur dus terecht het standpunt ingenomen dat het nultarief ten onrechte is toegepast.

4.6.

Uit dit oordeel van de rechtbank volgt ook dat het beroep op artikel 20, tweede lid, tweede volzin, van de AWR belanghebbende niet kan baten. Belanghebbende stelt dat op grond van dit artikel de belasting dient te worden nageheven bij de afnemer die geen BFV had. Echter, nu belanghebbende geen BFV had ten aanzien van de transactie, is de naheffingsaanslag, als deze overigens juist is (zie hierna), terecht aan haar opgelegd.

In strijd met Btw-richtlijn?

4.7.

Belanghebbende voert aan dat door formele voorwaarden te koppelen aan toepassing van het nultarief (namelijk door het verplicht stellen van een BFV) artikel 138, tweede lid, onder b, van de Btw-richtlijn wordt geschonden. Van belang is alleen of wordt voldaan aan de materiële voorwaarden en die voorwaarden zijn volgens belanghebbende dat sprake moet zijn van accijnsgoederen en van handel binnen een AGP. De inspecteur bestrijdt dat voornoemd artikel van toepassing is op dit geval.

4.8.

In artikel 138, tweede lid, onder b, van de Btw-richtlijn staat opgenomen dat:

“de levering van accijnsproducten, door of voor rekening van de verkoper of de afnemer met als bestemming de afnemer verzonden of vervoerd naar een plaats buiten hun respectieve grondgebied maar binnen de Gemeenschap, welke wordt verricht voor belastingplichtigen of voor niet-belastingplichtige rechtspersonen wier intracommunautaire verwervingen van andere dan accijnsproducten, uit hoofde van artikel 3, lid 1, niet aan de BTW zijn onderworpen wanneer de verzending of het vervoer van deze producten plaatsvindt overeenkomstig artikel 7, leden 4 en 5, of artikel 16 van Richtlijn 92/12/EEG.”

4.9.

Gelet op de tekst van deze bepaling en gelet op de benaming van het hoofdstuk waarin dit artikel is opgenomen in de Btw-richtlijn (‘Vrijstellingen met betrekking tot intracommunautaire handelingen’) is dit artikel van toepassing als het gaat om intracommunautaire leveringen. Hiervan is in het geval van de levering geen sprake, aangezien sprake is van een levering binnen Nederland. Bovendien heeft belanghebbende niet aangevoerd dat de afnemer een belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon is wier intracommunautaire verwervingen van andere goederen dan accijnsproducten, uit hoofde van artikel 3, lid 1, van de Btw-richtlijn niet aan de Btw zijn onderworpen. De rechtbank verwerpt daarom de stelling van belanghebbende.

Vertrouwensbeginsel

4.10.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij in rechte vertrouwen kan ontlenen aan de omstandigheid dat na vragen over het jaar 2009 geen naheffingsaanslag meer is opgelegd. Belanghebbende mocht er daarom naar eigen zeggen op vertrouwen dat ook over 2010 geen naheffingsaanslag OB zou volgen. Belanghebbende heeft hiertoe een brief bijgevoegd (productie 6 bij het beroepschrift). De inspecteur bestrijdt de visie van belanghebbende en wijst erop dat de betreffende brief niet ziet op belanghebbende maar op een andere belastingplichtige. Belanghebbende kan hieraan geen vertrouwen ontlenen, volgens de inspecteur.

4.11.

Door belanghebbende is niet weersproken dat de door haar ingebrachte brief niet ziet op belanghebbende. Belanghebbende heeft ter zitting aangeboden om een andere stuk ter onderbouwing van haar stelling alsnog te overleggen. De rechtbank gaat voorbij aan dit aanbod. In het verweerschrift (pt. 6.4) was reeds aangevoerd dat de brief een andere belastingplichtige betrof. Belanghebbende heeft voldoende gelegenheid gehad om vooraf zelf haar vergissing te herstellen en zelf de juiste brief in te brengen. Nu belanghebbende dit aanbod pas tijdens de zitting heeft gedaan, heeft de inspecteur niet de gelegenheid gehad zich hier op voor te bereiden.

Wat belanghebbende voor het overige heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar stelling, is onvoldoende om tot de conclusie te komen dat sprake is van opgewekt vertrouwen door de handelwijze van de inspecteur.

4.12.

Ook stelt belanghebbende zich op het standpunt dat op grond van een overleg tussen [B BV] en de Belastingdienst sprake is van opgewekt vertrouwen dat belanghebbende fiscaal juist heeft gehandeld en dat [B BV] tijdens de levering optrad als BFV. Volgens belanghebbende blijkt dit uit het verslag van dit overleg (bijlage 34 bij het verweerschrift). Ook zou tijdens deze bespreking zijn ingestemd met de werkwijze zoals die door [B BV] destijds werd gehanteerd. De inspecteur weerspreekt dit. Volgens hem is er weliswaar overleg geweest tussen [B BV] en de Belastingdienst, maar zijn door de Belastingdienst geen standpunten ingenomen. Ook weerspreekt de inspecteur dat mondelinge toezeggingen zijn gedaan tijdens deze bespreking.

4.13.

De rechtbank stelt voorop dat als regel een belastingplichtige geen gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen aan het optreden van de inspecteur ten aanzien van een ander dan de belastingplichtige, zij het dat uitzonderingen op die regel mogelijk zijn (zie HR 4 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7213). Hier kan in het midden blijven of zo’n uitzondering zich hier voordoet, omdat reeds niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van opgewekt gerechtvaardigd vertrouwen. Het door belanghebbende aangehaalde verslag is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat sprake is van opgewekt vertrouwen. In het verslag wordt een beschrijving gegeven van de huidige en op dat moment voorgenomen (toekomstige) werkprocessen van [B BV]. Het verslag bevat echter geen expliciete standpunten van de Belastingdienst. Ook is, tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk geworden dat tijdens deze bespreking wel mondeling door de Belastingdienst standpunten zijn ingenomen of toezeggingen zijn gedaan. De rechtbank wijst het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel ook op dit punt af.

Gelijkheidsbeginsel

4.14.

Volgens belanghebbende is sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel. Andere exploitanten van AGP’s handelen volgens belanghebbende op dezelfde wijze als [B BV] in het verleden handelde (en hanteren het nultarief bij dezelfde soort transacties ongeacht of sprake is van fiscaal vertegenwoordigerschap). Belanghebbende heeft naar eigen zeggen namen genoemd van een aantal van deze exploitanten maar de inspecteur weigert na te gaan of de bewering van belanghebbende juist is. De inspecteur weerspreekt dat sprake is van een groep gelijke gevallen en dat sprake is van begunstigend of interpretatief beleid.

4.15.

Van schending van het gelijkheidsbeginsel kan sprake zijn indien aannemelijk wordt dat de inspecteur in met de situatie van belanghebbende vergelijkbare gevallen hetzij (I) een beleid heeft gevoerd waarvan ten nadele van belanghebbende is afgeweken, hetzij (II) het oogmerk heeft gehad één of meer andere belastingplichtigen te begunstigen, hetzij (III) in een meerderheid van de met belanghebbende vergelijkbare gevallen een gunstiger beslissing heeft genomen. Belanghebbende heeft hiervan de bewijslast. Belanghebbende heeft ter zitting bevestigd dat zij een beroep doet op de meerderheidsregel. Een schending van de meerderheidsregel (categorie III) is niet aannemelijk gemaakt. In het midden kan worden gelaten of een andere behandeling van andere exploitanten van AGP’s dan [B BV] ertoe zou kunnen leiden dat belanghebbende met succes een beroep op de meerderheidsregel zou kunnen doen. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk gemaakt dat (i) sprake is van ongelijke behandeling van (ii) gelijke gevallen. Belanghebbende noemt weliswaar exploitanten van andere AGP’s maar dit is onvoldoende concreet om te kunnen spreken van met belanghebbende vergelijkbare gevallen. Ook is onduidelijk waarin deze andere exploitanten anders zijn behandeld ten opzichte van belanghebbende.

Tarief naheffingsaanslag

4.16.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag opgelegd ter grootte van 19% van de ontvangen vergoeding van € 28.829. Ter zitting heeft de inspecteur betoogd dat hij ervan uitgaat dat belanghebbende in staat is deze omzetbelasting alsnog te verhalen op de afnemer.

4.17.

Toepassing van artikel 8, leden 1 en 2, van de Wet OB brengt met zich dat de door een belastingplichtige ontvangen bedragen de in totaal verschuldigde omzetbelasting bevatten, aangezien ervan moet worden uitgegaan dat belanghebbende de nageheven belasting uit de ontvangen bedragen dient te voldoen. Dit is anders indien op grond van tussen de belastingplichtige en zijn afnemer gemaakte afspraken aannemelijk is dat de belastingplichtige de nageheven omzetbelasting op zijn afnemer kan verhalen. (Zie bijv. Hoge Raad 20 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:AU9529). Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat geen afspraken zijn gemaakt en dat hoogstwaarschijnlijk geen verhaal mogelijk zal zijn. Gelet daarop kan niet worden gezegd dat bedoeld verhaal aannemelijk is. De naheffingsaanslag is daarom te hoog. De rechtbank zal de naheffingsaanslag verminderen tot 19/119*28.829 is € 4.602.

Verzuimboete

4.18.

Aan belanghebbende is een verzuimboete opgelegd. Deze boete is opgelegd op grond van artikel 67c van de AWR en § 24 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. De boete is gelijk aan het in die laatste bepaling genoemde percentage van 10% en is binnen het wettelijke maximum. Voor het opleggen van een verzuimboete is niet vereist dat sprake is van opzet of grove schuld. Bij afwezigheid van alle schuld (avas) dient oplegging van een boete achterwege te blijven. Naar het oordeel van de rechtbank zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat sprake is van avas. Ook is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een pleitbaar standpunt. De rechtbank acht een boete van 10% passend en geboden. Wel geeft de vermindering van de naheffingsaanslag aanleiding om de boete te verlagen naar (10% van € 4.602 is) € 460.

4.19.

De duur van de procedure vormt voor de rechtbank aanleiding tot ambtshalve matiging van de boete, omdat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in eerste feitelijke instantie. De rechtbank stelt vast dat 7 december 2015 geldt als aanvangsmoment van de in aanmerking te nemen termijn aangezien op dat moment de boete is aangekondigd. De rechtbank doet uitspraak op 30 september 2019. Sinds de aankondiging van de boete is dus drie jaar en (afgerond) tien maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat hiermee de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met 22 maanden (undue delay; vgl. Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006). De boete zal daarom worden gematigd met 15% (zie Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2713). De rechtbank volgt dus niet het betoog van de inspecteur ter zitting dat er geen aanleiding is voor vermindering omdat de boete minder is dan € 1.000. Die grens wordt door de Hoge Raad gehanteerd voor de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure (HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191). De feitenrechters hanteren voor de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure voor de feitenrechters een grens van € 200 (zie naast voormelde uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch ook bijv. Gerechtshof Amsterdam 2 juli 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298, rov. 5.7.3.7).

4.20.

De rechtbank zal de boete van € 460 dus verder verminderen met € 69, tot € 391.

Verzoek immateriële schadevergoeding

4.21.

Ter zitting heeft belanghebbende een verzoek gedaan tot vergoeding van immateriële schade wegens de lange termijn die is verstreken sinds het indienen van het bezwaarschrift. De rechtbank oordeelt daarover als volgt.

4.22.

Tussen partijen is niet in geschil dat het bezwaarschrift op 4 januari 2016 door de inspecteur is ontvangen. De uitspraak van de rechtbank wordt op 30 september 2019 gedaan en dus afgerond drie jaar en negen maanden na indiening van het bezwaarschrift.

De redelijke termijn die staat voor de behandeling van bezwaar en beroep is als uitgangspunt 24 maanden, waarvan 6 maanden voor bezwaar en 18 maanden voor beroep. De rechtbank ziet geen aanleiding om van dit uitgangpunt af te wijken. Om die reden bedraagt de overschrijding van de redelijke termijn 21 maanden. De vergoeding voor de overschrijding van de redelijke termijn bedraagt € 500 per half jaar. Belanghebbende heeft dan recht op een vergoeding van immateriële schade van afgerond 4 x € 500 is € 2.000.

4.23.

Voor de verdeling daarvan tussen de inspecteur (bezwaarfase) en de Minister voor Rechtsbescherming (beroepsfase) geldt het volgende. De bezwaarfase is geëindigd met het op de voorgeschreven wijze bekendmaken van de uitspraak op bezwaar op 6 mei 2017. De bezwaarfase heeft daarmee afgerond 16 maanden geduurd, waarmee de redelijke termijn voor de bezwaarfase met 10 maanden is overschreden. Het restant wordt toegerekend aan de beroepsfase. De inspecteur dient daarom 10/21e deel van € 2.000 te betalen (€ 952) en de Staat (de Minister voor Rechtsbescherming) 11/21e deel van € 2.000 (€ 1.048). De rechtbank merkt de Minister voor Rechtsbescherming in zoverre mede aan als partij in dit geding.

5 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.024 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1). Overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten in beroep zijn niet gesteld. Voor vergoeding van de kosten in bezwaar is geen grond omdat niet gebleken is dat daarom is verzocht in de bezwaarfase.

6 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de naheffingsaanslag tot € 4.602 en vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;

- vermindert de boete tot € 391;

- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade van € 952;

- veroordeelt de Minister voor Rechtsbescherming tot vergoeding van immateriële schade van € 1.048;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.024;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 333 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 30 september 2019 door mr. drs. J.H. Bogert, voorzitter, mr. M.R.T. Pauwels en mr. M.W.C. Soltysik, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.