Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:4214

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-09-2019
Datum publicatie
29-11-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4148
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2020:1706, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft niet betwist dat de gelden van de bankrekening zijn aangewend voor privédoeleinden. Hij maakt niet aannemelijk dat de gelden strekken tot vereffening van eerder uit privémiddelen betaalde bedragen voor de politiek partij of dat de gelden uiteindelijk ten goede zijn gekomen aan die politieke partij. De bedragen zijn dan terecht bij belanghebbende belast als resultaat overige werkzaamheden. Geen sprake van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Wel is de rechtbank van oordeel dat, in dit specifieke geval, de vergrijpboeten moeten worden vernietigd nu belanghebbende niet in staat was om zijn kant van het verhaal mondeling toe te lichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 02-12-2019
V-N Vandaag 2019/2744
FutD 2019-3204
V-N 2020/5.2.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 17/4148 tot en met 17/4156

uitspraak van 13 september 2019

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2010 tot en met 2014 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd en bij gelijktijdige beschikkingen heffings- dan wel belastingrente en vergrijpboeten vastgesteld.

1.2.

De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 26 april 2017 de navorderingsaanslagen en de boete- en rentebeschikkingen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 6 juni 2017, ontvangen bij de rechtbank op 7 juni 2017, beroep ingesteld. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van eenmaal € 46 in verband met negen samenhangende zaken.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft diverse aanvullingen op zijn beroepschrift ingediend. Een kopie van de stukken is steeds aan de wederpartij verstrekt.

1.5.

Op 30 november 2018 heeft het eerste onderzoek ter zitting voor een meervoudige kamer plaatsgehad te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord als gemachtigde van belanghebbende: [gemachtigde 1], als advocaat verbonden aan het kantoor [kantoornaam gemachtigde] te Maastricht en namens de inspecteur: [verweerder]. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift op 18 december 2018 aan partijen is verstuurd.

1.6.

Tijdens die mondelinge behandeling heeft de voorzitter het onderzoek gesloten en de beslissing twee maanden aangehouden. Belanghebbende heeft in die periode de mogelijkheid gehad om de rechtbank te verzoeken het onderzoek te heropenen en een nadere zitting te plannen waarbij hij aangeeft wanneer hij in de gelegenheid is te verschijnen en wat hij wil inbrengen.

1.7.

Bij brief van 8 januari 2019, ontvangen door de rechtbank op 10 januari 2019, heeft de inspecteur een aanvulling op zijn verweerschrift ingediend. Een kopie daarvan is aan de wederpartij gestuurd.

1.8.

Bij brief van 30 januari 2019 heeft belanghebbende verzocht om heropening van het onderzoek. In die brief is aangegeven dat, alhoewel de gezondheidstoestand van belanghebbende zeer kwetsbaar is, het noodzakelijk is dat belanghebbende alsnog zelf in ieder geval voor wat betreft een deel van de vragen deze zo goed als mogelijk persoonlijk probeert te beantwoorden. Ook zijn in die brief data opgenomen waarop de zitting plaats zou kunnen vinden. De rechtbank heeft daarop het onderzoek heropend.

1.9.

Bij brief van 24 april 2019 heeft [gemachtigde 2] de rechtbank medegedeeld niet meer op te treden als gemachtigde van belanghebbende. Belanghebbende heeft de rechtbank op 6 mei 2019 een brief van soortgelijke strekking gestuurd. In zijn brief heeft belanghebbende ook verzocht om uitstel van de op 10 mei 2019 geplande zitting totdat hij kan beschikken over een raadsman die hem kan vertegenwoordigen. De rechtbank heeft dat verzoek op 6 mei 2019 afgewezen.

1.10.

Op 8 mei 2019 heeft belanghebbende een fax gestuurd met daarin wederom een verzoek om uitstel van de op 10 mei 2019 geplande zitting. De rechtbank heeft, vanwege het korte tijdsbestek voor de zitting en het ontbreken van een telefoonnummer van belanghebbende, gepoogd om belanghebbende op het faxnummer waarmee hij zijn fax aan de rechtbank heeft gestuurd te bereiken. Dat is niet gelukt. De afwijzing van het verdagingsverzoek is daarna alsnog op die dag per post aan belanghebbende verstuurd.

1.11.

Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2019 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord namens de inspecteur: [verweerder]. Belanghebbende is ter zitting niet verschenen. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift gelijktijdig met een afschrift van deze uitspraak aan partijen wordt verstuurd.

1.12.

Bij brieven van 20 juni en 5 augustus 2019 heeft de rechtbank de uitspraaktermijn steeds met zes weken verlengd.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zittingen, stelt de rechtbank als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast:

2.1.

Belanghebbende is sinds 1982 werkzaam in de gemeentepolitiek. Eerst voor de [partij A] en later voor de [partij B] (hierna: [partij B]).

In 2002 zijn de partijen [partij B] en [partij C] (hierna: [partij C]) gaan samenwerken onder de naam [partij D]. Namens de [partij D] is belanghebbende van 2002 tot 2006 wethouder geweest. In de periode van 2006 tot 2010 is belanghebbende voor de [partij D] raadslid geweest. In 2010 is belanghebbende opnieuw wethouder geworden. Eind juni 2013 is hij gedwongen op te stappen als wethouder. In 2014 zijn de [partij B] en [partij C] en [partij E] gefuseerd tot één partij, [partij F]. [G] is penningmeester van die partij. Hij is ook penningmeester geweest van [partij B] en [partij C].

2.2.

Op vordering van de Officier van Justitie hebben een drietal banken informatie verstrekt over verschillende bankrekeningen van belanghebbende, al dan niet samen met een ander.

De ING Bank heeft ook informatie verstrekt over een op 13 januari 1986 door belanghebbende geopende bankrekening op naam [partij B] met nummer [rekeningnummer] (hierna: de [partij B]-rekening). De bankpas voor de [partij B]-rekening is aangevraagd voor belanghebbende en [H]. Het bestuur van [partij B] verleende aan hen een machtiging tot het gebruik van kascheques en girobetaalkaarten. De [partij B]-rekening was bedoeld om de donaties en bijdragen te ontvangen voor verkiezingscampagnes. Het aan de [partij B]-rekening gekoppelde adres was belanghebbendes privéadres. Verder heeft belanghebbende onder meer verklaard dat hij geen stukken van de [partij B]-rekening meer heeft. Hij heeft stukken die verband hielden met zijn rol in de politiek, ook de bankafschriften, in 2013 en het begin van 2014 vernietigd. De [partij B]-rekening is op 26 januari 2015 opgeheven.

2.3.

Op de [partij B]–rekening zijn in de periode van 21 mei 2007 tot 29 oktober 2014 diverse donaties gedaan tot een totaalbedrag van € 170.850. In die periode is voor een bedrag van € 155.514,37 van de rekening opgenomen/uitgegeven middels geldautomaten en betalingen bij verschillende horecagelegenheden en winkels, zowel in Nederland als in het buitenland. Van het contant opgenomen geld is een bedrag van € 6.777 uitgegeven bij een reisbureau. Een bedrag van € 15.335,63 is besteed ten behoeve van de [partij B]-campagne.

2.4.

Naar aanleiding van een aangifte van fraude op 2 december 2014 is een strafrechtelijk onderzoek, genaamd [Onderzoek], gestart naar belanghebbende. Belanghebbende is in de periode oktober november 2015 diverse keren verhoord door de Rijksrecherche. Tijdens die verhoren heeft belanghebbende over het bestaan en de inkomsten en uitgaven van de [partij B]-rekening onder andere verklaard dat hij de gemachtigde van de [partij B]-rekening was en dat er maar één bankpasje was en dat dat pasje in zijn bezit was. Belanghebbende heeft met name in de beginjaren ook vanuit zijn privérekening rechtstreeks bedragen betaald aan bedrijven die opdrachten uitvoerden ten behoeve van de [partij B]-campagnes. Dat is dan niet op de betreffende [partij B]-rekening zichtbaar.

Donateurs kregen, als zij dat wilden, een factuur, maar belanghebbende heeft deze stukken niet meer. Het bestuur van de partij wist niet en wilde niet weten wie de donateurs waren en wat de bedragen waren.

De betalingen die met het bankpasje in Rio de Janeiro zijn gedaan moeten worden gezien in het kader van de verrekening en de verevening van de voorfinanciering die belanghebbende eerder van zijn privérekening heeft gedaan. Dat geldt eveneens voor de opnamen in Spanje. Dit betreffen privéreizen van belanghebbende. Verder heeft nooit een kascontrole plaatsgevonden en komt de [partij B]-rekening niet in de jaarstukken van [partij B] of de opvolgers voor.

2.5.

[G] heeft schriftelijk aan de voormalig gemachtigde van belanghebbende verklaard dat het bestuur van [partij D] belanghebbende niet heeft gemachtigd voor een van de bankrekeningen van de partij. Bij het samengaan van [partij B] en [partij C] is de [partij B]-rekening nooit overgedragen aan het bestuur van [partij D]. Het bestuur wist niet van het bestaan van die rekening. Omdat in 2014 samengewerkt ging worden met [partij E], heeft het bestuur bij de bank geïnformeerd of er nog bankrekeningen bestonden. Toen is de [partij B]-rekening aan het licht gekomen. Omdat de partij niets van de donaties wist, zijn deze nooit in de jaarrekening opgenomen. De partij heeft ook niet beschikt over de gelden op de [partij B]-rekening.

2.6.

[I] heeft op verzoek van de voormalig gemachtigde van belanghebbende verklaard dat bekend was dat forse campagnekosten vanuit de campagnerekening werden betaald. Het partijbestuur had die rekening eigenlijk moeten beheren en controleren. Belanghebbende heeft feitelijk enkel gehandeld namens en met toestemming van de partij. Dat heeft hij naar eer en geweten gedaan. Tegenover de donaties stonden minimaal even hoge en waarschijnlijk zelfs hogere uitgaven.

2.7.

Op 20 oktober 2015 heeft de inspecteur op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) verzocht om informatie uit het strafrechtelijk onderzoek tegen belanghebbende. Deze informatie heeft de inspecteur op 11 november 2015 gekregen. Vervolgens is een onderzoek gestart waarvan het rapport met dagtekening 4 januari 2016 aan belanghebbende is gestuurd. Naar aanleiding daarvan zijn aan belanghebbende de onderstaande navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw met boete- en rentebeschikkingen opgelegd. De vergrijpboete in de navorderingsaanslag IB/PVV 2010 is aangekondigd bij brief van 27 november 2015. De overige vergrijpboeten zijn bij brief van 4 januari 2016 aangekondigd.

Zaaknr.

Jaar

Kenmerk

Belasting

Rente

Boete

17/4148

2010

[aanslagnummer].H.07

€ 20.167

€ 3.184

€ 20.167

17/4149

2011

[aanslagnummer].H.17.01

€ 6.846

€ 928

€ 5.403

17/4150

2011

[aanslagnummer].W.17.01.4

€ 706

€ 95

17/4151

2012

[aanslagnummer].H.27.01

€ 3.900

€ 385

€ 2.761

17/4152

2012

[aanslagnummer].W.27.01.4

€ 375

€ 37

17/4153

2013

[aanslagnummer].H.37.01

€ 12.264

€ 825

€ 10.230

17/4154

2013

[aanslagnummer].W.37.01.4

€ 1.271

€ 84

17/4155

2014

[aanslagnummer].H.47.01

€ 2.180

€ 57

€ 1.275

17/4156

2014

[aanslagnummer].W.47.01.4

€ 243

€ 6

2.8.

Belanghebbende heeft tegen de navorderingsaanslagen, boete- en rentebeschikkingen bezwaar gemaakt. Bij uitspraken op bezwaar van 26 april 2017 heeft de inspecteur de bezwaren ongegrond verklaard.

3 Geschil

3.1.

Tussen partijen is in geschil of de navorderingsaanslagen, boete- en rentebeschikkingen terecht en niet naar te hoge bedragen zijn opgelegd.

Meer specifiek zijn de volgende punten in geschil:

  1. Is sprake van een navorderingsgrond (nieuw feit dan wel kwade trouw)?

  2. Is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast omdat belanghebbende voor de onderhavige jaren niet de ‘vereiste aangifte’ heeft gedaan?

  3. Heeft belanghebbende inkomsten genoten die moeten worden aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden?

  4. Is sprake van een redelijke schatting? Moet nog rekening worden gehouden met gemaakte kosten?

  5. Heeft de inspecteur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?

  6. Zijn de vergrijpboeten terecht en niet tot te hoge bedragen vastgesteld?

  7. Heeft belanghebbende recht op een vergoeding van de werkelijke proceskosten?

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslagen en de boete- en rentebeschikkingen.

De inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het beroep betreffende de navorderingsaanslag IB/PVV 2010, vermindering van die navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 112.045, en dienovereenkomstige vermindering van de boete- en rentebeschikkingen en tot ongegrondverklaring van de overige beroepen.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf: afwijzing verdagingsverzoek

4.1.1.

Bij fax, ontvangen door de rechtbank op 8 mei 2019, heeft belanghebbende wederom verzocht om uitstel van de op 10 mei 2019 geplande zitting. Belanghebbende voert aan dat hij op advies van zijn psychiater niet zonder raadsman aanwezig kan zijn bij de mondelinge behandeling. Ook heeft de voormalig gemachtigde van belanghebbende geweigerd om het dossier aan een door belanghebbende gemachtigde koerier te overhandigen. Door die samenloop van omstandigheden wordt belanghebbende ernstig geschaad in zijn belangen en kan een raadsman hem in deze niet vertegenwoordigen.

4.1.2.

De rechtbank heeft het verzoek van belanghebbende afgewezen en motiveert deze beslissing als volgt. De rechtbank heeft (mede) de taak om de voortgang van procedures te bewaken en onnodige en onredelijke vertraging van de afwikkeling van de zaak te voorkomen. De rechtbank merkt hierbij op dat het beroepschrift al op 7 juni 2017 is binnengekomen. Het verweerschrift heeft zij op 21 juli 2017 ontvangen. Gedurende de bezwaarfase heeft (de voormalig gemachtigde van) belanghebbende diverse keren verzocht om uitstel voor de aanlevering van stukken en van het hoorgesprek. Verder is het onderzoek op verzoek van belanghebbende na de eerste mondelinge behandeling waarbij enkel belanghebbendes gemachtigde is verschenen heropend juist om hem persoonlijk zijn verhaal aan de rechtbank te laten vertellen.

Gelet op het tijdsverloop sinds de indiening van het beroepschrift en gelet op het feit dat de heropening van de zaak en daarbij de tweede mondelinge behandeling juist op verzoek van belanghebbende is gepland, weegt het belang van een doelmatige procesgang thans zwaarder dan het belang van belanghebbende om, al dan niet bijgestaan door een raadsman, bij het onderzoek ter zitting aanwezig te zijn. Gezien de gehele gang van zaken tot de tweede mondelinge behandeling acht de rechtbank het niet aannemelijk dat belanghebbende binnen een redelijke termijn alsnog in staat en bereid zal zijn zijn standpunt ter zitting nader toe te lichten. De rechtbank heeft hierbij tevens het in 4.15 overwogene in aanmerking genomen.

Is sprake van een navorderingsgrond?

4.2.

Op grond van artikel 16, eerste lid, van de AWR kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. De bewijslast dat sprake is van een nieuw feit of kwade trouw rust op de inspecteur. Dat de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast wegens het niet-doen van de vereiste aangifte van toepassing is, doet daaraan niet af. Die sanctie sterkt zich immers niet uit tot de bewijslastverdeling met betrekking tot de navorderingseisen. Van kwade trouw is sprake indien belanghebbende de inspecteur met het doen van de aangifte zoals deze is gedaan, opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden of opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt (Hoge Raad 11 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2160). Onder opzet wordt mede begrepen voorwaardelijk opzet.

4.3.

Op 21 augustus 2015 is, als laatste van de definitieve aanslagen over de onderhavige jaren, de definitieve aanslag over het jaar 2014 conform de aangifte opgelegd. De inspecteur heeft de informatie uit het strafrechtelijke onderzoek ontvangen op 11 november 2015 na een verzoek daartoe op 20 oktober 2015. De rechtbank acht derhalve niet aannemelijk dat de inspecteur ten tijde van het opleggen van de definitieve aanslagen beschikte dan wel kon beschikken over de informatie die uit het strafrechtelijk onderzoek naar voren is gekomen. Daarom is sprake van een nieuw feit op grond waarvan hij de navorderingsaanslagen kan opleggen.

Vereiste aangifte en omkering en verzwaring bewijslast en resultaat uit overige werkzaamheden

4.4.

Op grond van artikel 27e, aanhef en onderdeel a, van de AWR wijst de rechtbank het beroep af indien de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak of de aanslag onjuist is. Een belastingplichtige heeft niet de vereiste aangifte gedaan indien zowel absoluut als relatief sprake is van een aanzienlijk te lage aangifte. Of daarvan sprake is, moet worden beoordeeld volgens de normale regels van de bewijslastverdeling. De bewijslast dat de aangifte onjuist is, rust op de inspecteur.

4.5.

De inspecteur heeft gesteld dat uit het strafrechtelijk onderzoek is gebleken dat belanghebbende donaties ten behoeve van de campagne van [partij B] niet heeft gebruikt voor de campagne, maar voor privédoeleinden heeft aangewend. Aan de hand van de bankbescheiden heeft de inspecteur de bedragen die als donaties op de [partij B]-rekening zijn gestort als resultaat uit overige werkzaamheden bij het inkomen van belanghebbende geteld.

Belanghebbende heeft niet betwist dat hij gelden van de [partij B]-rekening heeft aangewend voor privédoeleinden. Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij in het verleden gelden voor de campagne uit privémiddelen heeft voldaan (voorfinanciering). De betalingen en opnames die hij van de [partij B]-rekening heeft gedaan, strekken ter vereffening van de voorfinanciering die belanghebbende destijds heeft gedaan. Belanghebbende heeft echter verklaard dat er geen andere stukken (meer) zijn ter onderbouwing van die stelling dan een handgeschreven leenovereenkomst van 4 mei 2002 met een totaal bedrag van € 57.672 tegen 6% rente per jaar die medeondertekend is door [J] als penningmeester van [partij B]. Deze overeenkomst geeft belanghebbende het recht het geleende bedrag en de rente te verrekenen ten laste van de [partij B]-rekening.

4.6.

Vaststaat dat belanghebbende voor privédoeleinden heeft beschikt over gelden van de partij. Het is niet aannemelijk geworden dat deze gelden strekken tot vereffening van door belanghebbende in het verleden uit privémiddelen betaalde bedragen. Zeker niet gezien de hoogte van die bedragen en het feit dat de leenovereenkomst stamt uit 2002 en belanghebbende van meet af aan het recht had te verrekenen. Van het verloop van die verrekeningen is geen enkele administratie overgelegd. De rechtbank acht derhalve niet aannemelijk dat ook nog in de onderhavige jaren een dergelijke verrekening heeft plaatsgevonden. Te meer niet nu het partijbestuur niet op de hoogte was van de [partij B]-rekening en deze niet over de op die rekening gestorte bedragen heeft kunnen beschikken. Enkel belanghebbende bepaalde wat daarmee gebeurde. Het is daarom niet aannemelijk dat deze gelden in de onderhavige jaren uiteindelijk ten goede zijn gekomen aan de partij, zoals belanghebbende beweert.

4.7.

De gelden kunnen dan worden aangemerkt als inkomen dat belanghebbende heeft genoten. Belanghebbende heeft dat inkomen niet in zijn aangiften IB/PVV vermeld. Daarmee staat vast dat belanghebbende niet de juiste aangiften heeft ingediend. De rechtbank is op grond daarvan van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende inkomen heeft gehad wat hij niet heeft aangegeven. Deze niet aangegeven inkomsten zijn bovendien zo hoog dat de daarop betrekking hebbende IB/PVV en Zvw-bijdrage zowel in absolute als in relatieve zin aanzienlijk is. Bij het oordeel dat het bedrag van de Zvw-bijdrage dat op basis van de aangifte niet zou zijn geheven op zichzelf beschouwd aanzienlijk is, neemt de rechtbank in aanmerking dat het bij Zvw-bedragen in het algemeen om lagere bedragen gaat dan bij de IB/PVV als gevolg van het lagere tarief (vgl. ook Hof ’s-Hertogenbosch 31 augustus 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:3650). De rechtbank acht daarbij aannemelijk dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte zich hiervan bewust moet zijn geweest. De rechtbank neemt daarbij het volgende in overweging. Belanghebbende had als enige de beschikking over de [partij B]-rekening en heeft over het geld van die rekening beschikt alsof het aan hem toekwam. De inspecteur heeft dan dus voldaan aan de op hem rustende bewijslast en er geldt omkering en verzwaring van de bewijslast.

4.8.

Voor de hoogte van het inkomen is de inspecteur aangesloten bij de opnames en uitgaven zoals deze blijken uit de bankafschriften van de [partij B]-rekening en hij heeft die als resultaat uit overige werkzaamheden aangemerkt. De rechtbank acht dat juist en redelijk. De hoogte van de opnames en de uitgaven voor privé wordt door belanghebbende niet weersproken. Voor een hogere aftrek aan kosten dan waartoe de inspecteur in beroep concludeert ziet de rechtbank geen aanleiding. Hetgeen belanghebbende overigens in dit kader aanvoert kan niet leiden tot een ander oordeel.

4.9.

Nu de omkering en verzwaring van de bewijslast voor alle onderhavige jaren is gegrond op het doen van een onjuiste aangifte is niet van belang dat geen informatiebeschikking is afgegeven.

Schending algemene beginselen van behoorlijk bestuur

4.10.

Belanghebbende stelt dat de inspecteur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden zowel bij het opleggen van de navorderingsaanslagen als bij het doen van uitspraken op bezwaar. De schending betreft de volgende beginselen:

  • -

    Zorgvuldigheidsbeginsel;

  • -

    Motiveringsbeginsel;

  • -

    Détournement de pouvoir;

  • -

    Evenredigheidsbeginsel;

  • -

    Fair play beginsel;

  • -

    Het beginsel van hoor en wederhoor.

Ten tijde van het uitbrengen van het conceptrapport van het boekenonderzoek was het de inspecteur bekend dat belanghebbende niet meer kon beschikken over stukken waarmee hij een reactie zou kunnen geven op de reeds uitgevoerde correcties. Deze stukken zijn namelijk in beslag genomen. Verder was de inspecteur bekend met het feit dat belanghebbende wethouder en lid van een politieke partij was, waarbij primair de politieke partij verantwoording dient af te leggen over de inkomsten en uitgaven/kosten van die politieke partij. Belanghebbende handelde slechts in opdracht van de partij en de uitgaven/kosten betroffen partij specifieke aangelegenheden.

Het boekenonderzoek heeft ruim een dikke maand geduurd waarna belanghebbende, inclusief rente en boetes, aanslagen voor in totaal € 87.868 heeft ontvangen.

Met betrekking tot de boetes, die behoren tot de zwaarste categorie (100%) heeft geen hoor en wederhoor plaatsgevonden.

In de uitspraken op bezwaar is op geen enkele wijze aandacht besteed aan de aanvullende brieven en toelichtingen die belanghebbende heeft ingebracht. Belanghebbende stelt dat de uitspraken op bezwaar al waren geschreven voordat hij deze stukken heeft ingebracht. Die stukken hadden tot de conclusie moeten leiden dat de correcties enkel berusten op vooringenomenheid van de Belastingdienst.

De combinatie van al deze schendingen van de door de Belastingdienst in acht te nemen algemene beginselen van behoorlijk bestuur moet leiden tot vernietiging van de navorderingsaanslagen, aldus belanghebbende.

4.11.

De inspecteur is van mening dat geen sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Aan belanghebbende is een kopie van het inzagedossier verstrekt en de inspecteur heeft alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Onder de ter inzage verstrekte stukken bevindt zich ook het proces-verbaal van bevindingen, PV-nummer [nummer] (hierna: PV) met betrekking tot het onderzoek naar de bankafschriften van de [partij B]-rekening. Als bijlage bij het PV en in de brief van de inspecteur van 27 november 2015 en in het rapport van 4 januari 2016 is een overzicht van de donaties opgenomen.

Belanghebbende geeft niet aan over welk stuk hij niet kon beschikken, laat staan dat hij voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat dat stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak, aldus de inspecteur

De navorderingsaanslagen en de boeten zijn aangekondigd en gemotiveerd bij brief van 27 november 2015 en het rapport van 4 januari 2016. De navorderingsaanslag IB/PVV 2010 is opgelegd met dagtekening 19 december 2015. De inspecteur acht het niet aannemelijk dat navorderingsaanslagen eerder aan belanghebbende bekend zijn gemaakt dan de aankondiging en motivering daarvan. Maar zelfs als dat zo is, dan is de (vermeende) schending van de motiveringsplicht geen reden om de navorderingsaanslagen te vernietigen omdat een dergelijk verzuim in de aanslagfase is hersteld en in de bezwaar- en de beroepsfase kan worden hersteld. Bovendien heeft belanghebbende in de bezwaarfase voldoende gelegenheid gekregen om zijn zienswijze kenbaar te maken.

Voor zover belanghebbende heeft bedoeld om een beroep te doen op het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is de inspecteur van mening dat het een zuiver binnenlandse aangelegenheid betreft en dat de inspecteur niet verplicht is om belanghebbende te horen voordat de navorderingsaanslagen worden opgelegd.

4.12.

Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur die ertoe leidt dat de beroepen van belanghebbende gegrond zijn. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Uit het dossier blijkt dat belanghebbende wel de beschikking heeft gekregen over de stukken die de inspecteur heeft gebruikt bij de uitspraken op bezwaar. Met betrekking tot de stelling van belanghebbende dat de politieke partij degene is die verantwoording moet afleggen over de inkomsten en uitgaven op de [partij B]-rekening wijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor heeft geoordeeld (zie 4.6).

De rechtbank verwerpt de stelling van belanghebbende dat sprake is van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel vanwege de (korte) duur van het boekenonderzoek in verhouding tot de hoogte van de opgelegde navorderingsaanslagen en boeten. Belanghebbende is steeds in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de gronden van de navorderingsaanslagen en boeten voordat die zijn opgelegd, heeft voor alle navorderingsaanslagen behalve die over 2010 vooraf het controlerapport ontvangen en heeft kunnen reageren voorafgaand aan de oplegging van die aanslagen. De omstandigheid dat ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV over 2010 in verband met de mogelijke verjaring de toezending van het controlerapport en de reactietermijn heeft ontbroken maakt dit niet anders. De navorderingsaanslag IB/PVV over 2010 wordt immers wel in het controlerapport meegenomen en de aanslagen zijn steeds zowel in bezwaar als in beroep gezamenlijk behandeld. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het zorgvuldigheidsbeginsel op een zo beperkte wijze is geschonden dat dit niet het door belanghebbende beoogde resultaat rechtvaardigt.

Voorts is geen sprake van schending van het motiveringsbeginsel nu de motivering van de aanslagen en boeten is meegedeeld voordat de aanslagen en boeten daadwerkelijk zijn opgelegd. Mocht wel sprake zijn (geweest) van schending van het motiveringsbeginsel in een eerdere fase dan is dat gebrek in ieder geval bij deze uitspraak voldoende hersteld.

Vergrijpboeten

4.13.

Op grond van artikel 67e, tweede lid, van de AWR en met toepassing van de paragrafen 25 en 27 van het Besluit Proceskosten Bestuursrecht (hierna: het Besluit) kan de inspecteur een boete van ten hoogste 100% opleggen indien het aan opzet van de belastingplichtige is te wijten dat met betrekking tot een belasting die bij wege van aanslag wordt geheven de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Op grond van paragraaf 25 legt de inspecteur in het geval van opzet in beginsel een boete op van 50%. In paragraaf 8, onderdeel 8, van het Besluit is bepaald dat de ernst van de te beboeten gedraging aanleiding kan geven om de op de voet van het besluit op te leggen vergrijpboete te verhogen tot het wettelijk maximum (100%).

4.14.

De inspecteur heeft met toepassing van artikel 67e van de AWR vergrijpboeten opgelegd aan belanghebbende. Volgens de inspecteur is het aan de (voorwaardelijke) opzet van belanghebbende te wijten dat de aanslagen IB/PVV over de jaren 2010 tot en met 2014 tot te lage bedragen zijn vastgesteld. Vanwege strafverzwarende omstandigheden heeft de inspecteur boeten van 100% opgelegd. Als strafverzwarende omstandigheden merkt de inspecteur aan dat belanghebbende op naam van de partij facturen heeft opgemaakt en uitgereikt aan (rechts)personen die gelden op de [partij B]-rekening hebben gestort. De omschrijving op die facturen strookt niet met de werkelijkheid omdat de ontvangsten niet ten goede zijn gekomen aan de partij, maar door belanghebbende aan zichzelf zijn toegeëigend.

Ook het bedrag aan te weinig geheven belasting, dat verhoudingsgewijs omvangrijk is, is een strafverzwarende omstandigheid volgens de inspecteur.

4.15.

Belanghebbende heeft verzocht om uitstel van de tweede zitting omdat hij vanwege medische en psychische redenen niet in staat was om de zitting zonder raadsman bij te wonen. Om proceseconomische redenen heeft de rechtbank beslist om dat verzoek af te wijzen. Belanghebbende noch een gemachtigde namens hem is op de tweede mondelinge behandeling verschenen. Als gevolg van een en ander is belanghebbende niet in de gelegenheid geweest om zijn kant van het verhaal mondeling toe te lichten tegenover de rechtbank. Dit staat op gespannen voet met artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (fair trial). Verder weegt de rechtbank de persoonlijke (medische en psychische) omstandigheden van belanghebbende zoals die blijken uit de stukken mee. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat in dit geval het opleggen van boeten als de onderhavige niet passend en geboden zijn. De rechtbank zal de opgelegde vergrijpboeten vernietigen.

Conclusie

4.16.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de beroepen gedeeltelijk gegrond verklaren. De navorderingsaanslag IB/PVV 2010 zal worden verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 112.045 (zie 3.3). De overige opgelegde navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw zal de rechtbank in stand laten. De opgelegde vergrijpboeten worden vernietigd.

5 Proceskosten

5.1.

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van de werkelijke proceskosten.

5.2.

Op grond van artikel 1, aanhef en onderdeel a, in samenhang gelezen met artikel 2, eerste lid en onderdeel a, van het Besluit worden de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beginsel forfaitair berekend. In bijzondere omstandigheden bestaat echter de mogelijkheid om een hogere vergoeding toe te kennen. Hiervoor bestaat in ieder geval aanleiding indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand kan houden (Hoge Raad 13 april 2007, nr. 41235, ECLI: NL:HR:2007:BA2802). Ook indien het bestuursorgaan op andere wijze verregaand onzorgvuldig heeft gehandeld kan dit grond opleveren om een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit aanwezig te achten (Hoge Raad 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI: NL:HR:2011:BP2975).

5.3.

De rechtbank vindt geen aanleiding om de inspecteur te veroordelen in een hogere proceskostenvergoeding dan de forfaitair berekende proceskosten. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die een hogere proceskostenveroordeling gerechtvaardigd maken. De rechtbank stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.532 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 254, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1).

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen de navorderingaanslag IB/PVV 2010 (BRE 17/4148) gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover het de aanslag IB/PVV 2010 betreft;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2010 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 112.045;

  • -

    vermindert de beschikking heffingsrente 2010 dienovereenkomstig;

  • -

    verklaart de beroepen gegrond voor zover zij zien op de vergrijpboeten (BRE 17/4148, 17/4149, 17/4151, 17/4153 en 17/4155);

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover zij zien op de vergrijpboeten;

  • -

    vernietigt de opgelegde vergrijpboeten;

  • -

    verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.532;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 13 september 2019 door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter, mr. drs. J.H. Bogert en mr. M.W.C. Soltysik, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.C.C. Koreman-de Bok, griffier, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.