Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:4202

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-09-2019
Datum publicatie
04-10-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 6906
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2020:1568, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek proceskostenveroordeling, wegingsfactor

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2019-2591
Viditax (FutD), 07-10-2019
V-N Vandaag 2019/2180
NTFR 2019/2807 met annotatie van E.P. Hageman
Belastingblad 2019/450 met annotatie van J.P. Kruimel
V-N 2020/4.2.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 18/6906

uitspraak van 19 september 2019

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8 .2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Waalwijk,

de heffingsambtenaar.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de heffingsambtenaar van 4 september 2018 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikkingen waarbij de onroerende zaken, plaatselijk bekend als [adres] [#] , [#a] , [#b] , [#c] en [#d] , te [plaats] (hierna: de objecten), zijn gewaardeerd op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de met die beschikkingen in één geschrift bekendgemaakte aanslagen onroerende-zaakbelastingen.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2019 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, A. van Dool, gemachtigde van belanghebbende, verbonden aan Previcus Vastgoed te Boxmeer, en namens de heffingsambtenaar,

[heffingsambtenaar] .

1 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover daarin is beslist op het verzoek om kostenvergoeding;

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 773;

- gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 aan hem vergoedt.

2 Gronden

2.1.

De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting de beroepsgrond dat ten onrechte geen proceskostenvergoeding is toegekend voor het bijwonen van de hoorzitting ingetrokken, zodat deze grond geen bespreking meer behoeft.

2.2.

De rechtbank stelt vast dat het geschil zich beperkt tot de toegepaste wegingsfactor voor het gewicht van de zaak voor de toegekende proceskostenvergoeding in de uitspraak op bezwaar.

2.3.

Vast staat dat het bezwaar gericht tegen de beschikking inzake het object [adres] [#] (hierna: nummer [#] ) gegrond is verklaard omdat de beschikking ten onrechte aan belanghebbende is opgelegd. De bezwaren gericht tegen de beschikkingen/aanslagen inzake de objecten [adres] [#a] t/m [#d] (hierna ook wel (afzonderlijk) genoemd: nummer [#a] t/m [#d] ) zijn ongegrond verklaard. In de uitspraak op bezwaar is een proceskostenvergoeding toegekend van € 62,25. Deze vergoeding is toekend voor het indienen van een bezwaarschrift en daarbij is een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak toegepast van 0,25 (zeer licht).

2.4.

De heffingsambtenaar heeft – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat belanghebbende had kunnen volstaan met een zeer eenvoudige brief, zodat de bewerkelijkheid en gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting de toepassing van een wegingsfactor 0,25 rechtvaardigt. De heffingsambtenaar geeft voorts aan dat de aanslag inzake nummer [#] door de gemeente uit eigen beweging is vernietigd en dat de vernietiging, het bezwaarschrift en de mededeling van vernietiging elkaar hebben gekruist. Tot slot heeft de heffingsambtenaar gesteld dat de stelling van gemachtigde dat de aanvulling op het bezwaar uitgebreid is gemotiveerd juist is, maar dat die aanvulling betrekking heeft op nummer [#d] en derhalve geen aanleiding kan geven tot een hogere wegingsfactor.

Juridisch kader

2.5.

Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

De algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vierde lid van artikel 7:15 van de Awb is het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

De toelichting op het Bpb van 22 december 1993, Stb. 763 vermeldt op blz. 8–9:

“Het gewicht van een zaak wordt uitgedrukt in wegingsfactor C1, die varieert van 0,25 voor een zeer lichte zaak tot 2 voor een zeer zware zaak. Het gewicht van een zaak wordt bepaald door het - al dan niet in geld uit te drukken - belang en de ingewikkeldheid. Het is niet wenselijk om de rechter aan nadere criteria voor de bepaling van het gewicht te binden. (…) Het opnemen van factor C1 berust op de overweging dat enerzijds het met een gemachtigde voeren van bagatelprocedures niet moet worden aangemoedigd, en, anderzijds, dat de vergoeding evenredig dient te zijn met de prestatie van de gemachtigde.”.

De toelichting op de wijziging van het Bpb van 25 februari 2002, Stb. 113 vermeldt op blz. 6:

“Het gewicht van de zaak kan nader tot uiting worden gebracht in de wegingsfactoren. Dit kan variëren van 0,25 voor een zeer lichte zaak tot 2 voor een zeer zware zaak. De uitkomst dient steeds in overeenstemming te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener.”.

Jurisprudentie

2.6.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2011 (ECLI:NL:2011:HR:BT2293) volgt dat de beoordelende instantie zelfstandig - op grond van een eigen waardering - dient te beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2013 (ECLI:NL:2013:BZ6822) volgt voorts dat voor de toepassing van artikel 7:15, lid 2, Awb en het Bpb sprake is van één bezwaar indien dit is gericht tegen meerdere in één geschrift opgenomen WOZ-beschikkingen/aanslagen. Een andersluidende uitleg van deze bepalingen en het Bpb zou volgens de Hoge Raad te veel afbreuk doen aan de door de wetgever in dit verband beoogde eenvoud (zie HR 13 juli 2012, nr. 11/01222, LJN BX0892, BNB 2012/292, onderdeel 3.3.3). Wel kan de omstandigheid dat het bezwaar op meer dan één besluit betrekking heeft een rol spelen bij het bepalen van de wegingsfactor voor het gewicht van de zaak, aldus de Hoge Raad.

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 15 november 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4638 voorts als volgt overwogen:

“4.6.4.1. (…) Zoals uit de geciteerde toelichting op (de wijziging van) het Bpb volgt, naar welke toelichting ook in rechtspraak van de Hoge Raad is verwezen (HR 23 september 2011, nr. 10 /04238, ECLI:NL:HR:2011:BT2293), wordt het gewicht van de zaak bepaald door het belang en de ingewikkeldheid en dient de uitkomst van de beoordeling van het gewicht van de zaak in overeenstemming te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener. De beoordeling van het gewicht van de zaak is in beginsel niet afhankelijk van de mate waarin grieven gegrond worden bevonden. Dit laat overigens onverlet dat inhoudelijke merites van grieven relevant kunnen zijn bij de beoordeling van het gewicht van een zaak (Hof ’s-Hertogenbosch 18 maart 2016, nr. 14/01037, ECLI:NL:GSHE:2016:1002). Ofwel, indien een geschil in essentie om een kwestie van ondergeschikt belang gaat, maar de zaak inhoudelijk wordt aangevuld of opgeklopt met ongegronde grieven die zijn aangevoerd met de kennelijke bedoeling om de zaak onnodig bewerkelijk of gecompliceerd te doen lijken, kan een lagere wegingsfactor aangewezen zijn, zonodig op de grondslag van artikel 2, lid 2, van het Bpb.”

Inhoudelijke beoordeling

2.7.

De rechtbank stelt vast dat in casu sprake is van een bezwaar dat gericht is tegen meerdere in één geschrift opgenomen WOZ-beschikkingen/aanslagen. Gelet op het arrest van de Hoge Raad, zoals hierboven onder 2.6 vermeld, is dan voor de toepassing van het Bpb sprake van één bezwaar. Dat ene bezwaar had betrekking op zowel nummer [#] als op nummers [#a] t/m [#d] . Voor de vraag welke wegingsfactor passend is, zal de rechtbank dan ook acht slaan op de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak als geheel en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener. Daarbij kan niet, zoals de heffingsambtenaar voorstaat, ter zake van het bezwaar worden gedifferentieerd naar gegrond en ongegrond bevonden grieven. De beoordeling van het gewicht van de zaak is immers niet afhankelijk van de mate waarin grieven gegrond worden bevonden, aldus gerechtshof ’s-Hertogenbosch in de hiervoor onder 2.6 geciteerde uitspraak.

Nu het bezwaar, naast de onjuiste tenaamstelling van nummer [#] , tevens betrekking had op de waardering van nummers [#a] t/m [#d] en in ieder geval ter zake van nummer [#d] een uitgebreide inhoudelijke motivering in de aanvulling op het bezwaar door de rechtsbijstandverlener is geschreven, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een zaak van gemiddeld gewicht. Daarbij heeft de rechtbank acht geslagen op de bewerkelijkheid en gecompliceerdheid van de onderhavige zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener. De inhoudelijke merites van grieven kunnen relevant zijn bij de beoordeling van het gewicht van een zaak, zie de hiervoor geciteerde uitspraak van gerechtshof ’s-Hertogenbosch, echter in het onderhavige geval leidt dat de rechtbank niet tot een ander oordeel. De grieven ter zake van - in ieder geval - nummer [#d] zijn immers inhoudelijk van aard en gericht zijn tegen de waardering van dat object. Ook de heffingsambtenaar erkend dat sprake is van een uitgebreide motivering ter zake van nummer [#d] .

Tot slot overweegt de rechtbank dat de stelling van de heffingsambtenaar dat de vermindering van de aanslag ter zake van nummer [#] reeds was toegekend voordat het bezwaarschrift werd ontvangen, niet tot een ander oordeel leidt. Tussen partijen is immers niet in geschil dat sprake is van een gegrond bezwaar waarvoor belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding. Voor zover de heffingsambtenaar hiermee heeft bedoeld te stellen dat deze omstandigheid aanleiding geeft tot een lagere wegingsfactor verwerpt de rechtbank die stelling onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen over de uitgebreide motivering van het bezwaar als geheel.

2.8.

Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond verklaard.

2.9.

De rechtbank vindt aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Omdat de kostenvergoeding voor de bezwaarfase opnieuw wordt vastgesteld, worden daarbij de tarieven gehanteerd zoals deze gelden per 1 januari 2019. Deze kosten zijn op de voet van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 766 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 254 en een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor van 0,5). De rechtbank kwalificeert de werkzaamheden van gemachtigde in de beroepsfase als “licht” als bedoeld in bijlage C van het Bpb nu alleen de kostenvergoeding voor de bezwaarfase in geschil is (vgl. hiervoor onder 2.6 genoemde uitspraak van gerechtshof ’s-Hertogenbosch, r.o. 4.6.4.3). Voorts zal de rechtbank de heffingsambtenaar veroordelen tot vergoeding van de kosten van het kadastrale uittreksel van € 7, nu belanghebbende daarom in de bezwaarfase heeft verzocht en de heffingsambtenaar tegen het verzoek om vergoeding van deze kosten geen verweer heeft gevoerd. In totaal bedragen de te vergoeden proceskosten dan € 773. De rechtbank merkt nog op dat in de uitspraken op bezwaar een kostenvergoeding is toegekend van € 62,25. Als dit bedrag al aan belanghebbende is uitbetaald, beloopt de nog uit te betalen vergoeding € 710,75.

Deze uitspraak is gedaan op 19 september 2019 door mr. drs. M.H. van Schaik, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. N.M. Zandbergen, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.