Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:4152

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23-09-2019
Datum publicatie
24-09-2019
Zaaknummer
19/4211
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2020:617, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet. Voorbereidingshandelingen. Verzoekster exploiteert een detailhandel in tuinkassen, tuinbouwtechniek, tuinaccessoires en aanverwante artikelen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verzoekster wist of ernstige reden had om te vermoeden dat deze voorwerpen bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 19/4211 WET VV en BRE 19/4240 WET

BRE 19/4430 WET VV en BRE 19/4431 WET

uitspraak van 23 september 2019 van de voorzieningenrechter in de zaken tussen

1. [naam verzoeker 1] te [vestigingsplaats verzoeker 1] , verzoekster,

gemachtigde: mr. C.P. Posthuma

2. [naam verzoeker 2] te [vestigingsplaats verzoeker 2] , verzoekster,

gemachtigde: mr. G.C.L. van de Corput,

en

de burgemeester van de gemeente Waalwijk, verweerder.

Procesverloop

Verzoeksters hebben bezwaar gemaakt tegen de besluiten van de burgemeester van 1 mei 2019 (bestreden besluiten) inzake de last onder bestuursdwang tot sluiting van het pand [adres pand] te [locatie pand] voor de duur van 12 maanden. Voorts hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 7 juni 2019 heeft de voorzieningenrechter de besluiten van 1 mei 2019 geschorst.

Verzoeksters hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 25 juli 2019 van de burgemeester (bestreden besluit) waarbij de primaire besluiten zijn gehandhaafd. Zij hebben de voorzieningenrechter wederom verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 9 september 2019.

[naam verzoeker 1] heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.P. Posthuma en N. de Graaff. [naam verzoeker 2] heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.C.L. van de Corput en [naam bestuurder 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van de Werken.

Overwegingen

1.1

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

[naam verzoeker 1] is eigenaar van het perceel met opstallen aan de [adres pand] te [locatie pand] . [naam verzoeker 2] is de huurder/gebruiker van dit perceel met opstallen. Zij exploiteert op dit perceel een detailhandel in tuinkassen, tuinbouwtechniek, tuinaccessoires en aanverwante artikelen.

Tijdens een controle door de politie op 7 maart 2019 zijn in het pand onder andere de volgende voorwerpen aangetroffen: zwarte tenten, diverse soorten ventilatoren, koolstoffilters, assimilatielampen, transformatoren, tijdschakelaars, handmatige knipmachines, kachels, voedingsmiddelen, witte groeinetten op rol, vijverfolie op rol, zwarte merkloze sporttassen, luchtverfrissers, zwarte plantenpotten, zwarte bakken, zwarte ronde kuipen, droogrekken, droognetten, maatbekers, elektriciteitskabels, dompelpompen, stekbakjes, pallets met potgrond, waterslangen en grote hoeveelheden onderdelen voor een waterirrigatiesysteem.

1.2

De hoeveelheid, de aard en de onderlinge combinatie van de aangetroffen voorwerpen maken het volgens de burgemeester aannemelijk dat deze voorwerpen bestemd zijn voor de grootschalige of bedrijfsmatige hennepteelt. De burgemeester heeft aangegeven dat volgens hem het assortiment tuinbenodigdheden en accessoires duidelijk zeer ondergeschikt was aan het assortiment producten en goederen die geschikt zijn voor de illegale hennepteelt. Voorts heeft de burgemeester overwogen dat in het verleden al eerder in het tuincentrum hennepgerelateerde goederen in beslag zijn genomen en dat meerdere van hun bezoekers in aanraking zijn geweest met de politie vanwege de Opiumwet. Ook zijn volgens de burgemeester meerdere professionele hennepkwekerijen ontmanteld, waarbij de verdachten hebben aangegeven dat zij de spullen voor de hennepkwekerij bij [naam verzoeker 2] hadden gekocht.

2. Gronden [naam verzoeker 1]

heeft, samengevat, aangevoerd dat de burgemeester niet bevoegd was om het pand te sluiten. Er is bij [naam verzoeker 2] geen sprake van strafbare voorbereidingshandelingen. De door het college aangevoerde omstandigheden zijn geen bewijs dat [naam verzoeker 2] voorwerpen voorhanden heeft, waarvan zij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn voor overtreding van de Opiumwet. De aangetroffen goederen zijn immers voor andere doeleinden geschikt en ook bij vergelijkbare detailhandels verkrijgbaar.

heeft gewezen op de onomkeerbare gevolgen van uitvoering van het besluit. Indien het pand wordt gesloten, vreest [naam verzoeker 1] voor ernstige reputatieschade. Daarnaast zal [naam verzoeker 1] als eigenaar en verhuurder ernstige financiële schade lijden. De burgemeester verwacht dat de verhuurder de huurder als een opsporingsambtenaar controleert. Daarbij houdt hij er echter geen rekening mee dat een verhuurder niet een ongebreideld toegangsrecht heeft tot het pand. [naam verzoeker 1] heeft alles gedaan wat in deze situatie van haar gevergd kon worden. Er hebben inspecties plaatsgevonden en er zijn rapporten opgemaakt. De burgemeester dient alle omstandigheden te betrekken. Er is niet inzichtelijk gemaakt waarom het in dit geval niet onevenredig is om het pand in overstemming met het Damoclesbeleid te sluiten.

3. Gronden [naam verzoeker 2]

heeft, samengevat, gesteld dat zij geen stoffen of voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan zij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten. Er zijn in de beslissing op bezwaar geen nieuwe en/of aanvullende feiten en omstandigheden naar voren gebracht, die tot de conclusie moeten leiden dat de verkopers van [naam verzoeker 2] het ernstige vermoeden hadden moeten hebben dat de voorwerpen die zij in de winkel voorhanden hadden, bestemd waren voor het opzetten van één (of meerdere) grootschalige of bedrijfsmatige hennepkwekerijen. [naam verzoeker 2] meent dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de aangetroffen voorwerpen ook, of zelfs met name, gebruikt kunnen worden voor het kweken van andere planten dan hennepplanten en voor het inrichten van kassen en visvijvers. Tot het assortiment van [naam verzoeker 2] behoren bovendien allerlei andere artikelen die niet voor het opzetten van een hennepkwekerij geschikt zijn. De burgemeester miskent dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van strafbare voorbereidingshandelingen maatgevend is c.q. aansluiting gezocht dient te worden bij de Memorie van Toelichting, alsmede jurisprudentie betreffende bepalingen uit de Opiumwet.

Zowel door [naam verzoeker 1] als door [naam verzoeker 2] is gewezen op diverse onjuistheden in de processen-verbaal. Zo hebben de bestuurders van [naam verzoeker 2] bijvoorbeeld geen antecedenten op het gebied van de Opiumwet. Onduidelijk is wat de juridische relevantie is van de vergelijking met andere tuincentra. Ook andere tuincentra verkopen vloeibare voedingsmiddelen en potgrond met perliet. De aangetroffen goederen zijn bedoeld voor andere doeleinden dan hennepteelt en er is geen aanleiding om een ernstig vermoeden te hebben dat klanten de voorwerpen voor de hennepteelt zouden gaan gebruiken.

4. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemzaak niet.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op de verzoeken om voorlopige voorziening, maar ook op de ingestelde beroepen.

5. Wettelijk kader

Ingevolge artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 11a voorhanden is.

Krachtens artikel 11a van de Opiumwet wordt hij die stoffen of voorwerpen bereidt, bewerkt, verwerkt, te koop aanbiedt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, vervaardigt of voorhanden heeft dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft of gegevens voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde lid strafbaar gestelde feiten, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de vijfde categorie.

Op grond van artikel 11, derde lid, van de Opiumwet, wordt hij die in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Artikel 3, onder B, van de Opiumwet bepaalt dat het verboden is een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren.

Cannabis/hennep staat op lijst II van de Opiumwet.

Beoordeling

6.1

Op 1 januari 2019 is de tekst van artikel 13b van de Opiumwet gewijzigd. Blijkens de Memorie van Toelichting (MvT, Kamerstuk 34 763, nr. 3) regelt dit wetsvoorstel dat de burgemeester een last onder bestuursdwang kan opleggen als in een woning of lokaal of op een erf voorwerpen of stoffen aanwezig zijn die bestemd zijn voor onder meer het telen of bereiden van drugs. Net als het huidige artikel 13b Opiumwet heeft de voorgestelde verruiming van artikel 13b Opiumwet alleen betrekking op overtredingen van de Opiumwet. Bij de voorgestelde verruiming gaat het daarbij om voorbereidingshandelingen die strafbaar zijn op grond van artikel 10a of 11a Opiumwet. Die bepalingen vereisen dat degene die het voorwerp of de stof in de woning of het lokaal of op het erf voorhanden heeft, weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat het voorwerp of de stof bestemd is voor onder meer het bereiden, bewerken of vervaardigen van harddrugs, respectievelijk voor grootschalige of bedrijfsmatige illegale hennepteelt. De situatie zal van dien aard moeten zijn dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat het om strafbare voorbereidingshandelingen gaat. Dat vergt een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op de feitelijke omstandigheden zoals door de politie vastgesteld, zoals de feiten die de politie op grond van artikel 9 Opiumwet bevoegd maakten om het pand te betreden, de ter plekke aangetroffen situatie, de aard en hoeveelheid van de in beslag genomen stof (opslag van 2.000 liter zoutzuur in een woonwijk), de aangetroffen voorwerpen en stoffen in onderlinge combinatie (een drugs laboratorium of hennepkwekerij in aanbouw) en andere uit het opsporingsonderzoek blijkende feitelijkheden zoals resultaten van tapgesprekken of observaties.

Bevoegdheid

6.2

De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat [naam verzoeker 2] de onder haar inbeslaggenomen voorwerpen, zoals opgesomd onder 1.1, voorhanden had. Evenmin is in geschil dat deze voorwerpen zowel voor legale doeleinden gebruikt kunnen worden, als ook voor het opzetten van een grootschalige of bedrijfsmatige hennepkwekerij.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of [naam verzoeker 2] wist of ernstige reden had om te vermoeden dat deze voorwerpen bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten. Hiermee wordt in deze zaak bedoeld het telen van hennep.

6.3.

De voorzieningenrechter is met de burgemeester van oordeel dat, anders dan in de uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 juni 2019 is overwogen, voor de beoordeling niet relevant is of de caissière van [naam verzoeker 2] ernstige reden had om te vermoeden dat de voorwerpen die zij verkocht, bestemd waren voor grootschalige of bedrijfsmatige hennepteelt. De last onder bestuursdwang is immers opgelegd aan [naam verzoeker 2] en daarmee niet aan haar caissière, maar aan haar bestuurders. Uit de stukken van de Kamer van Koophandel blijkt dat [naam bestuurder 1] en [naam bestuurder 2] als bestuurders van [naam verzoeker 2] staan geregistreerd.

De vraag die voorligt is dan ook of bij de bestuurders het bestaan van het ernstig vermoeden als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet kan worden aangenomen.

6.4

Zoals hiervoor overwogen, vergt dit criterium een bestuurlijke beoordeling die dient te worden gebaseerd op de feitelijke omstandigheden. Deze feitelijke omstandigheden betreffen onder meer de hoeveelheid, de aard en de onderlinge combinatie van de aangetroffen voorwerpen. Maar ook de feiten uit het verleden. Gelet op het standpunt van [naam verzoeker 2] dat zij geen aanleiding had om te denken dat de voorwerpen bestemd waren voor de grootschalige of bedrijfsmatige hennepteelt, kent de voorzieningenrechter aan de zaken die zich in het verleden rondom [naam verzoeker 2] en de Opiumwet hebben afgespeeld nadrukkelijk gewicht toe. Dit geldt met name voor de politie-inval op 3 maart 2015, de voorwerpen die daarbij in beslag zijn genomen, de behandeling van het klaagschrift dat destijds [naam verzoeker 2] bij de rechtbank is ingediend en de uitspraak van de beklagrechter.

Uit het dossier blijkt dat eerder controles zijn uitgevoerd bij [naam verzoeker 2] . Op 3 maart 2015 zijn de volgende goederen in beslaggenomen: 53 lampenkappen, 49 transformatoren, 1 dompelpomp, 6 fan controllers, 4 thermometers, 2 kachels, 60 koolstoffilters, 223 assimilatielampen, 10 tijdschakelaars, 17 slakkenhuizen, 40 klimaatregelaars en 20 dozen stekbakken.

[naam verzoeker 2] heeft destijds een klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering ingediend, teneinde de inbeslaggenomen goederen terug te krijgen. In de uitspraak (ECLI:NL:RBZWB:2015:4951) inzake dit klaagschrift is opgetekend dat bestuurder [naam bestuurder 2] namens [naam verzoeker 2] ter zitting aanwezig was en wordt het volgende gerelateerd:

Het gaat om alledaagse goederen, die klaagster in haar assortiment heeft en normaal verkoopt. Hij (de voorzieningenrechter begrijpt: [naam bestuurder 2] ) was bekend met de wetswijziging, maar ging er daarbij vanuit dat het grootschalige kwekerijen betrof, terwijl hij en zijn vennoot een normaal tuincentrum exploiteren. Het is hem bekend dat hij in de toekomst bij verkoop van die goederen dient te toetsen of ze gebruikt gaan worden voor hennepteelt.”

De beklagrechter heeft geoordeeld dat de in beslag genomen goederen niet naar verzoekster terug mochten en heeft daartoe het volgende overwogen:

“De rechtbank stelt vast dat een groot deel van de inbeslaggenomen goederen weliswaar geschikt is om te worden gebruikt in de beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt, maar dat deze ook een andere, legale, toepassing kennen. Het is de vraag of dit ook geldt voor de 60 koolstoffilters die in beslag zijn genomen. Volgens de Memorie van Toelichting worden koolstoffilters specifiek ingezet en aangeboden voor de hennepteelt. Dit is naar het oordeel van de rechtbank een aanwijzing dat de goederen bestemd zijn geweest voor de beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt.

(..)

Gelet op de omstandigheden waaronder de goederen in beslag zijn genomen, de niet met elkaar overeenstemmende verklaringen van de vennoten van klaagster over de bestemming van de in beslag genomen goederen en de combinatie van de goederen, met name daar waar 60 koolstoffilters in beslag genomen zijn, een product dat specifiek in de Memorie van Toelichting wordt genoemd als een product dat wordt ingezet en aangeboden voor de hennepteelt, acht de rechtbank het op basis van het summiere dossier waarover zij beschikt niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van de goederen zal bevelen. Derhalve dient het klaagschrift ongegrond te worden verklaard.”

6.5

De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit het feit dat de bestuurders van [naam verzoeker 2] in 2015 al in aanraking zijn gekomen met justitie vanwege de hoeveelheid, aard en onderlinge combinatie van goederen in hun tuincentrum, zij hebben geprobeerd deze voorwerpen terug te krijgen, waarbij op de zitting ter behandeling van hun klaagschrift deze combinatie van voorwerpen in relatie tot de grootschalige hennepteelt aan de orde is geweest, bestuurder [naam bestuurder 2] heeft verklaard dat hij ervan op de hoogte is dat hij bij verkoop van deze voorwerpen dient te toetsen of ze gebruikt gaan worden voor de hennepteelt en de beklagrechter vervolgens heeft geoordeeld dat de inbeslaggenomen voorwerpen niet terug mogen omdat een strafrechter, later over deze zaak oordelend, zou oordelen dat de voorwerpen voor verbeurdverklaring (straf) of onttrekking aan het verkeer (maatregel) in aanmerking komen, kan worden geconcludeerd dat de bestuurders in ieder geval het ernstige vermoeden moesten hebben dat de inbeslaggenomen goederen die zij, in deze hoeveelheden en vooral in deze combinatie voorhanden hadden, bestemd waren voor de grootschalige of bedrijfsmatige hennepteelt.

In deze beoordeling heeft de voorzieningenrechter ook meegewogen dat [naam bestuurder 2] ter zitting op vragen van de voorzieningenrechter heeft geantwoord dat de aangetroffen koolstoffilters - waarvan de beklagrechter reeds in 2015 in haar uitspraak heeft overwogen dat juist deze specifiek zijn voor de hennepteelt - worden verkocht aan hondenkennels en de handmatige knipmachines worden verkocht voor het snijden van kruiden. Ten aanzien van de slakkenhuisventilator met softbox heeft [naam bestuurder 2] ter zitting verklaard dat dit een onderdeel is van een houtbewerkingsmachine, die wordt gebruikt voor het maken van houten tuinmeubelen die in de winkel worden verkocht. Op de vraag van de voorzieningenrechter waarom de houtbewerkingsmachine niet is aangetroffen bij de controle heeft [naam bestuurder 2] verklaard dat deze machine op dat moment elders werd gebruikt. De voorzieningenrechter acht deze, voor het eerst ter zitting afgelegde, verklaringen voor de aanwezigheid van koolstoffilters en handmatige knipmachines niet aannemelijk. Niet aannemelijk is dat een tuincentrum dat geen dierenafdeling heeft, wel koolstoffilters zou verkopen, enkel en alleen voor hondenkennels. Dat de handmatige knipmachines zouden worden verkocht voor het snijden van kruiden is evenmin aannemelijk, nu de particuliere klant over het algemeen geen dusdanig grote hoeveelheden kruiden te snijden heeft dat je daar een handmatige knipmachine van deze afmetingen voor aanschaft. In hennepkwekerijen worden deze handmatige knipmachines wel veelvuldig gebruikt. Wat de slakkenhuisventilator gemonteerd in de softbox - waarvan de voorzieningenrechter ambtshalve bekend is dat ook deze combinatie een specifieke toepassing heeft in de hennepteelt - betreft, overweegt de voorzieningenrechter dat het onaannemelijk is dat deze onderdeel zou uitmaken van de houtbewerkingsmachine, terwijl de slakkenhuisventilator zich nog in de loods bevond en de houtbewerkingsmachine elders in gebruik zou zijn. Daarnaast is niet eerder gesteld, noch gebleken dat in het tuincentrum eigen gemaakte houten tuinmeubelen werden verkocht.

De omstandigheid dat bij deze controle geen zestig, maar slechts drie koolstoffilters zijn aangetroffen, doet aan het oordeel van de voorzieningenrechter niet af. Het is voor het aannemen van het ernstig vermoeden niet nodig dat alle en dan ook nog voldoende onderdelen voor een grootschalige of bedrijfsmatige hennepkwekerij voorhanden zijn. Het gaat erom of op grond van de feitelijke omstandigheden gezegd kan worden dat voorwerpen aanleiding geeft om het ernstige vermoeden aan te nemen. Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat de inbeslaggenomen goederen en hoeveelheden bestemd zijn voor de grootschalige en bedrijfsmatige hennepteelt.

6.6

Tot slot overweegt de voorzieningenrechter in dit kader dat uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2006/07, 34763, nr. 3) blijkt dat het de bedoeling is geweest om sluiting van een pand mogelijk te maken, zodra het een schakel vormt in de productie of distributie van drugs. Bij [naam verzoeker 2] zijn (bijna) alle voorwerpen die nodig zijn voor het opzetten van een grootschalige of bedrijfsmatige hennepkwekerij in één keer te verkrijgen. Hierdoor wordt het opzetten van een grootschalige of bedrijfsmatige hennepkwekerij makkelijk gemaakt en vormt het pand een schakel in de productie van softdrugs. Het is juist de bedoeling van de wetgever geweest om (ook) in dit soort situaties te kunnen optreden.

6.7

Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is voldaan. De burgemeester was dan ook bevoegd om aan verzoeksters een last onder bestuursdwang op te leggen tot sluiting van het pand.

De duur van de sluiting

7. In de in het Damoclesbeleid 2019 van de gemeente Waalwijk opgenomen ‘handhavingsmatrix lokalen en/of bijbehorende erven, niet zijnde coffeeshops’ blijkt dat bij een eerste constatering van de aanwezigheid van een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet een sluiting van twaalf maanden het gevolg is.

De door de burgemeester gelaste sluiting van twaalf maanden is overeenkomstig dit beleid.

Belangenafweging

8.1

Vervolgens ligt ter beoordeling aan de voorzieningenrechter de vraag voor of de burgemeester in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Hierbij is van belang dat de burgemeester bij de uitoefening van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet over beleidsvrijheid beschikt. Dit betekent dat de rechter de invulling van die bevoegdheid met enige terughoudendheid moet toetsen.

8.2

De voorzieningenrechter overweegt in navolging van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) in haar uitspraak van 26 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2840) dat een bestuursorgaan alle omstandigheden van het geval dient te betrekken in zijn beoordeling en dient te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.

8.3

[naam verzoeker 1] heeft gesteld dat zij schade zal lijden in de vorm van reputatieschade en financiële schade. De sluiting van het pand heeft voor [naam verzoeker 1] tot gevolg dat zij twaalf maanden lang niet vrij over het pand kan beschikken en bij een eventueel faillissement van [naam verzoeker 2] , dan wel een ontbinding van de huurovereenkomst, het pand niet kan verhuren gedurende de sluitingsperiode. Zij loopt dan niet alleen de huurpenningen mis, maar ook de vaste lasten van het pand lopen gewoon door.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze gevolgen, gelet op de noodzaak van de sluiting, niet onevenredig zijn. De omstandigheid dat [naam verzoeker 1] zelf niet betrokken was bij de voorbereidingshandelingen tot het telen van hennep geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. [naam verzoeker 1] was als eigenaar van het pand verantwoordelijk voor de gang van zaken in het pand. Het is vaste jurisprudentie dat van een eigenaar van een pand mag worden verwacht dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van het door hem verhuurde pand wordt gemaakt (zie onder meer de uitspraak van de AbRS van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1150). Het lag dus op de weg van [naam verzoeker 1] om in zekere mate concreet toezicht te houden op het gebruik van het pand. Zij heeft gesteld dat zij het pand een aantal malen heeft bezocht, maar heeft niet gesteld, dat zij het pand daarbij heeft gecontroleerd op het gebruik dat daarvan werd gemaakt. Daarnaast is de voorzieningenrechter ook niet gebleken van periodieke controles van [naam verzoeker 1] bij [naam verzoeker 2] waarbij specifiek is gecontroleerd op overtreding van de Opiumwet. De voorzieningenrechter volgt [naam verzoeker 1] niet in haar standpunt dat zij niet het ongebreidelde toegangsrecht heeft. Zoals de AbRS eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1950) behoeft het recht op privacy van een huurder niet in de weg te staan aan het kunnen controleren van het gebruik van het pand door de verhuurder. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de door [naam verzoeker 1] gestelde omstandigheden niet dermate bijzonder, evenals de reputatieschade, dat daarom van handhaving moet worden afgeweken.

Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat [naam verzoeker 1] via een civiele procedure de door haar geleden schade kan proberen te verhalen op [naam verzoeker 2] .

8.4.

[naam verzoeker 2] heeft geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht in het kader van artikel 4:84 van de Awb.

8.5

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester ten aanzien van beide verzoeksters in redelijkheid meer gewicht mogen toekennen aan het algemeen belang dat is gediend bij handhaving dan aan de belangen van verzoeksters. De burgemeester heeft dan ook in redelijkheid van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet gebruik kunnen maken.

9. Al hetgeen hiervoor is overwogen, leidt tot de conclusie dat de beroepen ongegrond dienen te worden verklaard. Nu de beroepen ongegrond worden verklaard, is er geen aanleiding om voorlopige voorzieningen te treffen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart de beroepen ongegrond;

  • -

    wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.M. Zandbergen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 september 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.