Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:4125

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23-09-2019
Datum publicatie
01-11-2019
Zaaknummer
AWB- 19_4388 VV en AWB- 19_4389 VV en AWB- 19_4615 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening. Uitschrijving Basisregistratie Personen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 19/4388 BRP VV, BRE 19/4389 BRP VV en BRE 19/4615 BRP VV

uitspraak van 23 september van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker 1], te [woonplaats verzoeker 1],

[naam verzoeker 2] , te [woonplaats verzoeker 2],

[naam verzoeker 3] , te [woonplaats verzoeker 3],

verzoekers,

(voormalig) gemachtigde: mr. A.C. van Langen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Loon op Zand, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster [naam verzoeker 2] heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 23 juli 2019 van het college.

Verzoeker [naam verzoeker 1] heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 24 juli 2019 van het college.

Verzoeker [naam verzoeker 3] heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 27 augustus 2019 van het college.

Al deze besluiten gaan over de inschrijving van verzoekers als niet-ingezetene in de Basisregistratie Personen (BRP). Verzoekers willen ingeschreven blijven staan in de BRP, totdat er op hun bezwaarschrift is beslist. Zij hebben daarom gevraagd om schorsing van de besluiten. Dit wordt een ‘verzoek om voorlopige voorziening’ genoemd.

De verzoeken zijn behandeld in Breda op 13 september 2019. Daarbij waren aanwezig verzoekers, hun gemachtigde, en mr. S.A.L. van de Sande, C. Kanters en J.M. Visser namens het college.

Overwegingen

1. Verzoekers stonden bij de BRP ingeschreven op het adres [adres verzoekers] in [woonplaats verzoekers]. Dit betreft een perceel met een bedrijfswoning en diverse bouwwerken.

Waar gaat het in deze zaken over?

2. Het college heeft verzoekers ingeschreven in de BRP als niet-ingezetene (‘vertrek onbekend waarheen’). Dit omdat zij volgens het college niet meer zouden wonen op het adres [adres verzoekers] in [woonplaats verzoekers] en niet bekend is geworden waar zij dan wel zouden wonen. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Volgens hen wonen zij nog steeds op het adres [adres verzoekers] in [woonplaats verzoekers].

Voor de leesbaarheid zal de voorzieningenrechter het in deze uitspraak vaak hebben over de uitschrijving uit de BRP. Hiermee wordt bedoeld de inschrijving als niet-ingezetene in de BRP oftewel de registratie dat verzoekers zijn vertrokken uit Nederland.

Spoedeisend belang

3. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift.

4. Verzoekers hebben aangegeven dat zij een spoedeisend belang hebben bij het treffen van een voorlopige voorziening. Zij hebben verklaard dat hun ziektekostenverzekering automatisch komt te vervallen door hun uitschrijving uit de BRP. Ook zou de uitschrijving gevolgen hebben voor de inschrijving van hun bedrijven bij de Kamer van Koophandel.

5. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers hun stellingen niet hebben onderbouwd met bewijsstukken. Zij hebben alleen maar gezegd wat de gevolgen zijn van de besluiten, maar zij hebben niet aangetoond dat dit werkelijk ook zo is. De voorzieningenrechter zal verzoekers echter het voordeel van de twijfel geven, omdat de gevolgen van een uitschrijving uit de BRP groot kunnen zijn. Dit omdat meerdere instanties gebruik maken van de gegevens uit de BRP en zij er door de uitschrijving van uit zullen gaan dat verzoekers niet meer in Nederland verblijven. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om de verzoeken inhoudelijk te beoordelen.

Voorlopig oordeel

6. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter. Als deze zaak in beroep wordt voorgelegd aan de rechtbank, is deze niet gebonden aan het oordeel van de voorzieningenrechter.

Wanneer kan het college iemand ambtshalve uitschrijven uit de BRP?

7. De wet geeft het college de mogelijkheid om iemand ambtshalve uit te schrijven uit de BRP1. Ambtshalve betekent dat de uitschrijving niet gebeurt naar aanleiding van een adreswijziging, maar dat het college zelf het initiatief neemt om iemand uit te schrijven.

Om iemand ambtshalve uit te schrijven, moet er zijn voldaan aan drie voorwaarden:

  • -

    die persoon kan niet worden bereikt op het BRP-adres;

  • -

    er is geen aangifte van verhuizing ontvangen;

  • -

    na gedegen onderzoek zijn geen (andere) verblijf- en adresgegevens van die persoon bekend geworden.

Wat vindt de voorzieningenrechter van deze zaak?

8. De voorzieningenrechter staat eerst voor de vraag of het college de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Verzoekers hebben namelijk gevraagd om de collegeagenda en de besluitenlijst van het college, en intern e-mailverkeer over verzoekers door medewerkers van de gemeente Loon op Zand. Verzoekers hebben namelijk het idee dat het college handelt vanuit een vooringenomenheid jegens verzoekers.

De voorzieningenrechter ziet in deze (spoed)procedure geen aanleiding om nadere stukken van het college te verlangen. De voorzieningenrechter moet beoordelen of het college op basis van de beschikbare gegevens verzoekers terecht heeft uitgeschreven. Verzoekers hebben tijdens de zitting niet duidelijk kunnen maken in hoeverre een eventuele vooringenomenheid van de zijde van het college relevant is voor die beoordeling door de voorzieningenrechter.

9. Uit het dossier komt naar voren dat er controles zijn geweest op het perceel [adres verzoekers] in [woonplaats verzoekers].

Op 19 april 2017 is er vanuit de gemeente Loon op Zand een controle geweest op het perceel in verband met een vermoeden van illegaal bouwen/gebruik. Tijdens die controle is vastgesteld dat verzoekers niet in de bedrijfswoning wonen en dat deze woning verhuurd wordt aan een derde (de heer [naam huurder]).

Op 25 januari 2018 heeft er vanuit de gemeente Loon op Zand een hercontrole plaatsgevonden op het perceel. Tijdens die controle is geconstateerd dat de bedrijfswoning niet bewoond lijkt te zijn. Verzoeker [naam verzoeker 3] heeft toen aangegeven dat de heer [naam huurder] inmiddels is vertrokken. Verzoeker [naam verzoeker 1] heeft vervolgens gezegd dat hij van plan is om daar te gaan wonen met zijn vriendin (verzoekster) en dat het huis eerst intern zal worden opgeknapt.

10. De voorzieningenrechter vindt dat het college op grond van deze twee controles kon twijfelen aan de juistheid van de adresgegevens van verzoekers. Er bestond daarom aanleiding om een adresonderzoek op te starten.

Op 10 december 2018 is het perceel vanuit de gemeente Loon op Zand bezocht om te controleren of verzoekers daar ook daadwerkelijk verblijven. Tijdens die controle is vastgesteld dat verzoekers niet in de bedrijfswoning wonen en dat deze woning verhuurd wordt aan een derde (mevrouw [naam huurster]). Mevrouw [naam huurster] heeft verklaard dat verzoekers (ook) op het adres wonen en dat ieder op de eerste verdieping een eigen slaapkamer heeft. Tijdens de controle bleek dat één slaapkamer was ingericht met onder meer een bed en een kast. Mevrouw [naam huurster] heeft over die slaapkamer verklaard dat die bij haar in gebruik was. In de overige slaapkamers stonden geen meubels.

Naar aanleiding van de bevindingen van dit laatste huisbezoek heeft het college aan verzoekers gevraagd om aangifte te doen van hun adreswijziging, vertrek naar het buitenland of om inlichtingen te verstrekken over hun verblijfplaats. Dit heeft niet geleid tot een adreswijziging. Verzoekers hebben namelijk aangegeven dat zij nog steeds woonachtig zijn op het adres [adres verzoekers] in [woonplaats verzoekers].

Op 3 juni 2019 is het perceel wederom bezocht door een medewerker van de gemeente Loon op Zand. Tijdens die controle zijn alle ruimten van de bedrijfswoning gecontroleerd. Op de eerste verdieping is één slaapkamer aangetroffen die in gebruik is. In die slaapkamer stond een tweepersoonsbed met nachtkastjes en een dressoir. In de andere twee slaapkamers stond geen bed. Er zijn in die slaapkamers alleen dameskleding en -schoenen aangetroffen. Namens het college is tijdens de zitting verklaard dat de slaapkamer met bed toebehoort aan mevrouw [naam huurster]. In die slaapkamer zijn namelijk dezelfde spullen aangetroffen als tijdens het huisbezoek van 10 december 2018. Tijdens de zitting is door verzoekers verklaard dat mevrouw [naam huurster] tijdens het huisbezoek van 3 juni 2019 nog in de bedrijfswoning woonde.

11. Verzoekers hebben aangevoerd dat [naam verzoeker 1] en verzoekster in de woning slapen. Zij slapen soms boven op een luchtbed en soms beneden op de bank of een luchtbed. [naam verzoeker 3] heeft verklaard dat hij in een vrachtwagen op het terrein slaapt. Volgens verzoekers wordt de woning nog steeds opgeknapt en staan er daarom nog steeds geen bedden in de woning.

12. De voorzieningenrechter vindt dat het college op grond van de huisbezoeken van 10 december 2018 en 3 juni 2019 tot de conclusie heeft kunnen komen dat verzoekers niet woonachtig zijn op het adres [adres verzoekers] in [woonplaats verzoekers]. Het enige bed dat is aangetroffen in de bedrijfswoning, stond in de slaapkamer die bij mevrouw [naam huurster] in gebruik was. Daarnaast is er geen luchtbed of andere slaapplaats in de woning aangetroffen. Ook zijn er geen persoonlijke spullen van verzoekers aangetroffen die duiden op bewoning van het pand door verzoekers.

Nu verzoekers niet woonachtig zijn op het adres [adres verzoekers] in [woonplaats verzoekers], zijn zij ook niet in persoon bereikbaar op dat adres. Daarnaast zijn van verzoekers geen aangiften van adreswijziging of vertrek ontvangen. Hierdoor wordt voldaan aan de eerste twee voorwaarden voor de ambtshalve uitschrijving (zie overweging 7).

13. Vervolgens komt de vraag op of ook wordt voldaan aan de derde voorwaarde: zijn er na gedegen onderzoek andere adresgegevens van verzoekers bekend geworden?

Uit het dossier komt naar voren dat het college diverse instanties heeft benaderd met de vraag of er bij hen een ander adres van verzoekers bekend was. Dit was niet het geval. Alleen ten aanzien van verzoekster heeft de zorgverzekeraar aangegeven dat zij van haar een postadres in Turnhout (B) hadden. Uit nader onderzoek is naar voren gekomen dat verzoeker [naam verzoeker 1] en verzoekster ingeschreven staan op een adres in Turnhout (B) en dat verzoeker [naam verzoeker 3] ingeschreven staat op een adres in Ravels (B). Verzoekers hebben die inschrijving niet ontkend, maar hebben aangegeven dat zij daar niet woonachtig zijn. Ook bij navraag bij mensen uit de sociale omgeving van verzoekers is geen ander adres in Nederland naar voren gekomen.

De voorzieningenrechter vindt daarom dat er ook wordt voldaan aan de derde voorwaarde voor ambtshalve uitschrijving door het college.

14. De voorzieningenrechter gaat er dan ook van uit dat de besluiten tot uitschrijving in bezwaar stand zullen houden.

15. Tot slot dient het oordeel van de voorzieningenrechter het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van de besluiten voor verzoekers een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van die besluiten te dienen belang.

De voorzieningenrechter overweegt dat de gevolgen van de ambtshalve uitschrijving uit de BRP voor verzoekers heel groot kunnen zijn, maar dat verzoekers niet concreet hebben gemaakt, en met stukken hebben onderbouwd, welke gevolgen die uitschrijving voor hen persoonlijk heeft. Om die reden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Conclusie

16. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 september 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak staat geen (hoger) beroep open.

Bijlage

Wet Basisregistratie Persoonsgegevens

Artikel 2.22:

1. Indien een ingezetene niet kan worden bereikt, van hem geen aangifte van wijziging van zijn adres of van vertrek is ontvangen als bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, of 2.21, eerste lid, en na gedegen onderzoek geen gegevens over hem kunnen worden achterhaald betreffende het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland noch het volgende verblijf buiten Nederland, draagt het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente ambtshalve zorg voor de opneming van het gegeven van het vertrek van de ingezetene uit Nederland.

2. Als datum van vertrek uit Nederland en van opheffing van het adres wordt de dag opgenomen waarop het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens over het vertrek is bekendgemaakt.

1 Dit kan op grond van artikel 2.22 van de Wet BRP.