Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:408

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-01-2019
Datum publicatie
12-04-2019
Zaaknummer
BRE 17 _ 6506
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 3.94 Wet IB 2001.

Aannemelijk is dat belanghebbende een (aanzienlijk) voordeel heeft genoten doordat hij minder heeft hoeven te betalen dan de oorspronkelijke aanneemsom, en dat hij zich daarvan bewust was. Niet aannemelijk is echter dat belanghebbende, werknemer bij een bouwbedrijf, beoogde om door zijn zakelijke contacten met de aannemer dit voordeel te behalen en hij dit ook redelijkerwijs kon verwachten. De rechtbank acht niet aannemelijk dat belanghebbende anders dan als privé-persoon heeft onderhandeld over de prijs met de aannemer. Geen sprake van resultaat uit overige werkzaamheden. De navorderingsaanslag en de boete worden vernietigd.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.94
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 12-04-2019
V-N Vandaag 2019/858
FutD 2019-1082 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2019/1206 met annotatie van Mr. R.S. Bekker
V-N 2019/27.18.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 17/6506

uitspraak van 25 januari 2019

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [plaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 13 september 2017 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2013 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 90.305 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.245 ( [aanslagnummer] .H.37.01), en op het bezwaar tegen de daarbij opgelegde boetebeschikking van € 5.457 en de in rekening gebrachte belastingrente van € 1.318.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2019 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde mr. S.P. Meere, verbonden aan Witlox VCS te Breda, en namens de inspecteur, [naam] en [naam] .

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vernietigt de navorderingsaanslag, de beschikking belastingrente en de boetebeschikking;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.534;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 aan deze vergoedt.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende was van februari 2007 tot en met 31 december 2011 werkzaam als projectontwikkelaar bij [A BV] en daarna van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2013 als hoofd commercieel ontwikkelen bij [A BV] . In de functie van hoofd commercieel ontwikkelen heeft belanghebbende leiding gegeven aan drie projectontwikkelaars en was het zijn taak om door de directie geacquireerde opdrachten gereed te maken voor de uitvoering. Vervolgens is belanghebbende tot en met 1 augustus 2014 voor [B BV] werkzaam geweest als Development Manager voor een project in Schotland.

2.2.

Belanghebbende heeft een nieuwbouwwoning aan [adres] te [plaats] (hierna: de woning) gerealiseerd. Belanghebbende heeft in dat kader vanaf mei 2012 contact gehad met [C BV] (hierna: [C BV] ) over het uitvoeren van elektrotechnische werkzaamheden aan de woning. Deze werkzaamheden zijn in de periode augustus 2012 tot en met april 2013 door [C BV] uitgevoerd.

2.3.

Tot de stukken van het geding behoren twee calculatiesheets afkomstig uit de projectadministratie van [C BV] die zien op de bij belanghebbende te verrichten of verrichte werkzaamheden. De eerste calculatiesheet is gedateerd 14 mei 2012 en vermeldt een totale aanneemsom van € 27.608 (excl. omzetbelasting). De tweede calculatiesheet is gedateerd 27 maart 2013 en vermeldt een totale aanneemsom van € 19.385 (excl. omzetbelasting). Het op het tweede overzicht vermelde bedrag van € 5.570 voor "Extra's in uitvoering ten opzichte van basis" is in het bedrag van € 19.385 begrepen. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat hij al voor de uitvoering van de werkzaamheden bekend was met de tweede calculatie en dat hij tevens vóór uitvoering van de werkzaamheden de op deze calculatiesheet met de hand bijgeschreven bedrag van € 10.000 met [C BV] was overeengekomen.

2.4.

[C BV] heeft voor de werkzaamheden met dagtekening 30 augustus 2013 een factuur aan belanghebbende gestuurd voor een bedrag van € 10.000 (excl. omzetbelasting van € 2.100). Belanghebbende heeft dit bedrag (inclusief omzetbelasting) via de bank voldaan.

2.5.

Uit rekeningoverzichten van de echtgenote van belanghebbende volgt dat zij op 6 december 2013 een bedrag van € 3.200 contant heeft opgenomen en op 21 mei 2014 een bedrag van € 1.750.

2.6.

De kosten van de elektrotechnische werkzaamheden aan de woning bedragen volgens een projectoverzicht van 24 januari 2017 van [C BV] in totaal € 30.989. Volgens ditzelfde overzicht bedroeg het budget in totaal € 10.000 en de prognose € 17.315 (alle bedragen exclusief BTW). Een deel van de hogere gerealiseerde kosten is te wijten aan inefficiënties in het bouwproces.

2.7.

Tot de stukken van het geding behoort een ongedateerd memo van de accountant van [C BV] , [D BV] , met betrekking tot de bij belanghebbende verrichte werkzaamheden. In het memo is vermeld dat de commercieel directeur van [C BV] , [persoon A] , tijdens een gesprek aan de accountant heeft verklaard dat werd verwacht dat de kosten zich zouden beperken tot circa € 5.000 en het project werd gezien als een "diepte" investering in de relatie met belanghebbende om bij toekomstige aanbestedingen vanuit [A BV] een mogelijke voorkeurspositie te verwerven.

2.8.

Naar aanleiding van dit memo van [D BV] heeft de inspecteur, na aankondiging daarvan, de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 opgelegd. Daarbij heeft de inspecteur een resultaat uit overige werkzaamheden van € 20.989 in aanmerking genomen.

2.9.

Op 22 januari 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [persoon A] en de controller van [C BV] enerzijds en de Belastingdienst anderzijds over de bij belanghebbende verrichte werkzaamheden. Het verslag dat van deze bespreking is gemaakt, behoort tot de stukken van het geding. Samengevat is daarin het volgende vermeld:

- Voor [C BV] was dit geen interessant project, omdat [C BV] weinig expertise heeft in de woningbouw en [C BV] gezien het budget van belanghebbende verlies zou lijden;

- [C BV] heeft de opdracht en het aangegeven budget aanvaard als investering in de relatie met belanghebbende;

- De afgesproken prijs van € 10.000 is in september 2012 in het projectoverzicht verwerkt;

- Er is geen schriftelijke offerte uitgebracht en ook geen schriftelijke opdrachtbevestiging ontvangen. De opdracht is mondeling overeengekomen op basis van de voorcalculatie van mei 2012;

- Naast het ingecalculeerde verlies, zijn ook verliezen ontstaan door inefficiënties tijdens het bouwproces;

- Naast de afgesproken prijs van € 10.000 ex BTW zijn er geen betalingen gedaan, ook niet contant.

Geschil

2.10.

In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:

1. Is de navorderingaanslag IB/PVV 2103 terecht en tot een juist bedrag vastgesteld? Meer in het bijzonder is in geschil of bij het opleggen van de navorderingsaanslag terecht een resultaat uit overige werkzaamheden van € 20.989 in aanmerking is genomen.

2. Is de boete terecht en tot een juist bedrag opgelegd?

2.11.

Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend, de inspecteur bevestigend.

2.12.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting.

2.13.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslag IB/PVV 2013, de boetebeschikking en de beschikking belastingrente. De inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de navorderingsaanslag IB/PVV 2013, de boetebeschikking en de beschikking belastingrente.

Beoordeling

2.14.

Resultaat uit een werkzaamheid (resultaat) is het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden behaald met een werkzaamheid (artikel 3.94 van de Wet IB 2001).

2.15.

Onder een overige werkzaamheid wordt verstaan het verrichten van enige vorm van arbeid in het economische verkeer, die is gericht op het behalen van een geldelijk voordeel en niet is aan te merken als winst uit onderneming of als loon uit dienstbetrekking. Het geldelijk voordeel dient door de belastingplichtige (subjectief) te zijn beoogd en naar maatschappelijke opvattingen redelijkerwijs (objectief) te worden verwacht (Kamerstukken II, 26 727, 1998/99, nr. 3, p. 132).

2.16.

De bewijslast dat sprake is van resultaat uit overige werkzaamheden rust op de inspecteur. De inspecteur stelt, hetgeen belanghebbende betwist, dat belanghebbende zijn zakelijke netwerk en het daarin bestaande krachtenveld heeft gebruikt om een privévoordeel te behalen.

2.17.

De rechtbank stelt vast dat, zoals belanghebbende ter zitting heeft bevestigd, belanghebbende op de hoogte was van de twee calculatiesheets en de daarin opgenomen bedragen, voordat [C BV] de werkzaamheden aan de woning heeft uitgevoerd. Hij was er derhalve mee bekend dat [C BV] uiteindelijk een totale aanneemsom van € 19.385 (exclusief omzetbelasting en inclusief extra’s) heeft berekend. Verder staat vast dat voorafgaand aan de werkzaamheden, in afwijking van de berekende aanneemsom, een prijs van € 10.000 (exclusief omzetbelasting) is afgesproken tussen belanghebbende en [C BV] met inachtneming van de calculatiesheets.

2.18.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot het oordeel dat belanghebbende een (aanzienlijk) voordeel heeft genoten in die zin dat hij minder heeft hoeven betalen dan de oorspronkelijke aanneemsom (hierna: het voordeel). Belanghebbende was zich ook van dat voordeel bewust. Dit betekent dat de rechtbank belanghebbende niet volgt in zijn stelling dat hij, naast het bedrag van € 10.000 (exclusief omzetbelasting), contante betalingen van € 3.200 en € 1.750 aan [C BV] heeft gedaan. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de contante opnamen maanden na voltooiing van de werkzaamheden en de facturering daarvan hebben plaatsgevonden en [C BV] zelf in het gesprek van 22 januari 2018 bij de Belastingdienst heeft ontkend dat deze betalingen zijn gedaan. Belanghebbende heeft ook geen nadere gegevens of bewijsstukken overgelegd waaruit volgt dat de contante opnamen voor betaling aan [C BV] zijn aangewend.

2.19.

Het door belanghebbende genoten voordeel is evenwel slechts belast als resultaat uit overige werkzaamheden als belanghebbende beoogde om door zijn zakelijke contacten met [C BV] dit voordeel te behalen en hij ook redelijkerwijs kon verwachten dat hij door die zakelijke contacten dat voordeel kon behalen. Immers, in de privésfeer behaalde voordelen blijven buiten de belastingheffing. Dit dient vanuit het perspectief van belanghebbende te worden bezien. Onvoldoende is dat [C BV] bewust een voordeel aan belanghebbende heeft doen toekomen. De rechtbank acht niet aannemelijk dat belanghebbende anders dan als privépersoon heeft onderhandeld over de prijs met [C BV] . Weliswaar heeft hij daarbij gebruik gemaakt van de bestaande contacten, maar niet aannemelijk is dat hij zijn positie als werknemer bij [A BV] en de daarmee verband houdende zakelijke relatie met [C BV] heeft aangewend om in privé een voordeel te behalen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat van algemene bekendheid is dat in de bouw onderhandelingen over de prijs gebruikelijk zijn. Belanghebbende heeft onweersproken gesteld dat hij voor de bouwwerkzaamheden aan de woning gebruik heeft gemaakt van lokale aannemers, buiten zijn zakelijke netwerk, en een lokale aannemer voor de installatiewerkzaamheden een offerte van € 10.000 had afgegeven. Het betrof geen bijzondere installatiewerkzaamheden, hetgeen wordt bevestigd door [C BV] in het gesprek van 22 januari 2018 met de Belastingdienst. Belanghebbende heeft geloofwaardig verklaard dat hij [C BV] graag wilde hebben als uitvoerder van de werkzaamheden vanwege de ervaring, de eerdere fijne samenwerking, het goede contact en omdat hij dan zelf niet de coördinatie van de werkzaamheden op zich zou hoeven te nemen. De rechtbank laat in het midden of vervolgens de onderhandeling met [C BV] op initiatief van belanghebbende of [C BV] is gestart. Zowel uit de verklaringen van belanghebbende als uit die van [C BV] volgt in ieder geval dat belanghebbende de prijs van de lokale aannemer aan [C BV] heeft voorgelegd en [C BV] de keus heeft gegeven zich daaraan te conformeren. Uit geen van deze verklaringen is echter gebleken dat belanghebbende [C BV] daarbij op enige wijze heeft geprobeerd te beïnvloeden vanuit de zakelijke relatie en, gezien zijn positie bij [A BV] , had kunnen verwachten dat hij [C BV] op die manier zou kunnen beïnvloeden. De rechtbank hecht daarbij geloof aan de verklaringen van belanghebbende ter zitting dat hij niet in de positie was om [C BV] extra opdrachten toe te kennen en slechts in zijn uitvoerende taak contacten had met [C BV] .

2.20.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de inspecteur ten onrechte een bedrag aan resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking genomen in verband met de door [C BV] verrichte werkzaamheden. De navorderingsaanslag is daarom vernietigd.

2.21.

Aangezien de navorderingsaanslag is vernietigd, is daarmee de grondslag voor de boete en de in rekening gebrachte belastingrente komen te vervallen. De boetebeschikking en de beschikking belastingrente zijn daarom vernietigd.

2.22.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank ziet geen aanleiding om de inspecteur te veroordelen in de integrale kosten van belanghebbende. Gelet op de bevindingen van [D BV] vastgelegd in het memo, de verklaringen van [C BV] en de overige bevindingen van de inspecteur, is het standpunt van de inspecteur niet dermate onjuist dat sprake is van handelen tegen beter weten in. Voorts heeft de inspecteur verklaard dat het memo van [D BV] niet in de bezwaarfase is verstrekt om de mogelijkheid om bij de rechtbank een beroep te doen op artikel 8:29 van de Awb te behouden. Niet kan worden gezegd dat de inspecteur daarmee ernstig onzorgvuldig heeft gehandeld.

2.23.

De kosten van belanghebbende zijn op de voet van het forfaitaire stelsel in het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.534 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 254, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor de conclusie van repliek, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan op 25 januari 2019 door mr. drs. M.M. de Werd, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.