Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:3953

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
05-09-2019
Datum publicatie
21-10-2019
Zaaknummer
C/02/361619 / FA RK 19-3932
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

birdnesting-regeling bij wijze van voorlopige zorgregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Middelburg

Zaak-/rekestnummer: C/02/361619 / FA RK 19-3932

beschikking d.d. 5 september 2019 betreffende voorlopige voorzieningen

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te ‘s-Gravenpolder, gemeente Borsele,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. N.J.R.M. Elings te Breda,

en

[verweerder] ,

wonende te ‘s-Gravenpolder, gemeente Borsele,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. E.H.M. Graafmans te Goes.

Ouders van de navolgende, thans nog minderjarige, kinderen:

- [minderjarige 1] , geboren te Borsele op [geboortedatum 1] 2010,

- [minderjarige 2] , geboren te Borsele op [geboortedatum 2] 2008,

- [minderjarige 3] , geboren te Rotterdam op [geboortedatum 3] 2001.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg, hierna te noemen: de raad.

1. Het procesverloop

1.1. De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

- het op 6 augustus 2019 ingekomen verzoek tot het verkrijgen van voorlopige voorzieningen,

- het verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek, met bijlagen, ingekomen op 21 augustus 2019;

- het F-formulier van 21 augustus 2019 van mr. Elings, met producties 1 t/m 5,

- de brief van mr. Elings van 22 augustus 2019 en de daarbij gevoegde productie 6,

- de brief van mr. Elings van 22 augustus 2019 en de daarbij gevoegde producties 7 en 8,

- de ter zitting door mr. Graafmans overgelegde afdruk van pagina 39 (hoofdstuk 6: toelagen en toeslagen) van de CAO MBO 2018-2020.

1.2. De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 22 augustus 2019. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was ter zitting aanwezig mevrouw C. van Tuijl namens de raad.

2 Het geschil

2.1.

Na wijziging van haar verzoek ter zake van de kinderbijdrage, verzoekt de vrouw thans:

1. te bepalen dat zij met uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning en de zich daarin bevindende inboedel met bevel aan de man deze verder niet meer te betreden;

2. te bepalen dat de minderjarigen aan haar worden toevertrouwd;

3. te bepalen dat de man om het weekend van vrijdag 16.00 uur tot zondag 19.00 uur de zorg over de kinderen heeft, alsmede de helft van de vakanties;

4. de man te veroordelen om met ingang van datum verzoekschrift als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen te betalen een bedrag van

€ 143,00 per kind per maand, steeds bij vooruitbetaling te voldoen;

5. te verstaan dat de man de helft van de vaste lasten van de echtelijke woning aan de [adres 1] blijft doorbetalen tot de woning is verkocht en overgedragen c.q. totdat de rechtbank anders heeft beslist.

2.2.

De man voert verweer tegen de verzoeken van de vrouw. Bij wege van zelfstandig verzoek verzoekt de man:

1. primair, vast te stellen dat de minderjarigen in de echtelijke woning blijven wonen zonder dat zij aan een van partijen worden toevertrouwd;

subsidiair, de minderjarigen aan hem toe te vertrouwen;

2. primair, vaststelling van een voorlopige regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor de periode dat de woning nog niet is verkocht en geleverd, waarbij partijen om de week van vrijdag 18.00 uur tot vrijdag 18.00 uur voor de minderjarigen zorgen in de echtelijke woning;

subsidiair, vaststelling van een voorlopige zorgregeling, waarbij de minderjarigen om de week van vrijdag 18.00 uur tot maandagochtend bij de vrouw verblijven en de rest van de tijd bij de man;

meer subsidiair: vaststelling van een door de rechter te bepalen voorlopige zorgregeling;

3. te bepalen dat ingeval de regeling zoals verzocht bij 1 primair en 2 primair (wordt toegewezen, rb) en de vrouw niet bereid is om een kinderrekening aan te houden waarop partijen hun deel van de kosten kinderen, niet zijnde verblijfskosten, storten, de man aan de vrouw een bedrag van € 190,-- betaalt voor de drie minderjarigen totaal als zijnde zijn aandeel in de kindgebonden kosten;

4. te verstaan dat in het geval de minderjarigen noch aan de ene noch aan de andere ouder worden toevertrouwd en het gebruik van de echtelijke woning gedeeld wordt, de ene week voor de man en de andere week voor de vrouw, de vaste lasten van de woning (zijnde de hypotheek, de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekeringen, de opstalverzekering, de energiekosten en de internetkosten) bij helfte dienen te worden betaald, tot de woning is verkocht en geleverd.

2.3.

Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.

3. De beoordeling

Het gebruik van de echtelijke woning

3.1.

De vrouw verzoekt het exclusief gebruik van de echtelijke woning voor haar en de minderjarigen. De vrouw voert daartoe het volgende aan. De vrouw verblijft op dit moment met de minderjarigen bij haar ouders [adres 2] . Voor met name [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is het belangrijk dat zij terugkeren in hun vertrouwde woon- en leefomgeving: beide kinderen zijn gediagnosticeerd met ADHD en bij [minderjarige 2] is er ook sprake van een vorm van autisme. Daar komt bij dat de vader van de vrouw ongeneeslijk ziek is en het daardoor onwenselijk is dat de vrouw met de kinderen nog langer bij haar ouders verblijft. Volgens de vrouw heeft de man meerdere familieleden waarbij hij tijdelijk kan verblijven.

3.2.

De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw. De man voert aan dat een toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw niet in het belang van de minderjarigen is. De man geeft de voorkeur aan een regeling waarbij ieder van partijen de woning om de week gebruikt en de minderjarigen in de woning kunnen blijven wonen tot deze is verkocht. Voordeel hiervan is volgens de man dat de minderjarigen kunnen wennen aan de situatie dat hun ouders gaan scheiden. De man betwist dat hij meerdere alternatieven voor woonruimte heeft: zijn vader woont in een seniorenappartement [adres 3]

. Dit is geen plek voor de man om te verblijven en een zorgregeling met de kinderen vorm te kunnen geven.

3.3.

De raad heeft ter zitting geadviseerd. De raad acht een regeling zoals door de man voorgesteld en waarbij de minderjarigen in het ouderlijk huis blijven en de ouders hier om de beurt een week wonen (birdnesting) op dit moment het meest in het belang van de minderjarigen. Volgens de raad zal met name in de eerste periode van de scheiding, wanneer er nog heel veel geregeld moet worden, birdnesting voor heel veel rust en stabiliteit zorgen doordat de minderjarigen in hun eigen vertrouwde omgeving kunnen blijven. De raad wijst er daarbij op dat juist bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vanwege de bij hen aanwezige problematiek (ADHD/autisme) een grote behoefte bestaat aan structuur, rust en vertrouwen.

3.4.

Met de raad is de rechtbank van oordeel dat het belang van de minderjarigen op dit moment er het meest mee is gediend dat zij in de woning kunnen blijven wonen en dat hun ouders hier om de beurt een week wonen. Op deze manier blijven de minderjarigen in hun eigen vertrouwde omgeving en kunnen zij wennen aan de situatie dat hun ouders van elkaar gaan scheiden. Aan de tegen het advies van de raad gerichte bezwaren van de vrouw gaat de rechtbank voorbij. Dat de man niet goed voor de minderjarigen zou kunnen zorgen is de rechtbank niet gebleken: in ieder geval hebben de bedenkingen van de vrouw over de opvoedingscapaciteiten van de man haar er niet van weerhouden om de minderjarigen tijdens de afgelopen zomervakantie twee weken onafgebroken bij de man in de woning te laten verblijven. Ook aan de stelling van de vrouw dat het werk van de man niet toelaat dat hij gedurende een hele week de zorg voor de minderjarigen heeft, gaat de rechtbank voorbij. De man heeft dit ter zitting gemotiveerd betwist, stellende dat hij zijn werktijden zelf kan indelen en daardoor kan regelen - juist omdat het om de week is - dat hij op tijd thuis is om zelf voor de kinderen te kunnen zorgen. Tot slot leiden ook de appjes van [minderjarige 2] waaraan de vrouw ter zitting heeft gerefereerd en waaruit zou moeten blijken dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] liever bij haar dan bij de man verblijven, niet tot een ander oordeel. Ter zitting is namelijk gebleken dat de man dezelfde appjes van [minderjarige 2] heeft ontvangen maar dan ten nadele van de vrouw. De rechtbank schrijft de heftigheid van de berichten toe aan de leeftijd en het autisme van [minderjarige 2] dat maakt dat hij soms heftig op situaties reageert.

3.5.

Gelet op al het vorenstaande zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen en bepalen dat de minderjarigen in de woning blijven wonen zonder dat zij aan een van de ouders worden toevertrouwd. De verzoeken van de vrouw om het exclusief gebruik van de woning en de toevertrouwing van de minderjarigen aan haar zullen worden afgewezen.

3.6.

Toewijzing van de regeling van birdnesting zoals door de man verzocht brengt mee dat partijen om de week in de woning zullen verblijven om voor de minderjarigen te zorgen. Binnen die regeling is geen plaats voor de zorgregeling zoals door de vrouw is verzocht. De door de vrouw verzochte zorgregeling zal dan ook worden afgewezen. De rechtbank zal, conform het verzoek van de man, bepalen dat zolang de woning nog niet is verkocht partijen om de week van vrijdag 18.00 uur tot vrijdag 18.00 voor de minderjarigen zorgen in de echtelijke woning.

Hulpverlening

3.7.

Ter zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de communicatie tussen hen over de minderjarigen moeizaam verloopt en dat deze moet verbeteren. Beide partijen hebben zich ter zitting uitgesproken voor verwijzing naar ouderschapsbemiddeling.

Zoals ter zitting van 22 augustus 2019 al met partijen is besproken, is de rechtbank, mede gelet op hetgeen partijen daaromtrent naar voren hebben gebracht, van oordeel dat het van belang is dat partijen met een professionele instantie werken aan hun onderlinge verstandhouding en communicatie en dat dit vraagt om de inzet van een hulpverleningstraject.

3.7.1.

Bij de behandeling ter zitting heeft de rechtbank in samenspraak met partijen bepaald welk resultaat er behaald moet worden met het in te zetten hulpverleningstraject. Met partijen is de volgende resultaatafspraak gemaakt:

- de (gezagdragende) ouders kunnen gezamenlijk afspraken maken en beslissingen nemen die in het belang zijn van de minderjarigen.

3.7.2.

Het resultaat is vastgelegd in de “Resultatenlijst hulp en ondersteuning bij verwijzingen”, welke lijst aan deze beschikking is gehecht.

3.7.3.

Gelet op het vorenstaande en omdat beide partijen ter zitting hebben verklaard hiermee in te kunnen stemmen, zal de rechtbank partijen voor een hulpverleningstraject ten behoeve van het hiervoor genoemde resultaat verwijzen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland.

3.7.4.

Ter zitting hebben partijen ermee ingestemd dat de door de woonplaatsgemeente van de minderjarigen aangewezen zorgaanbieder in de reeds tussen partijen aanhangige bodemprocedure aan de rechtbank rapporteert over het verloop en de resultaten van het hulpverleningstraject als ook dat de rapportage over een niet geslaagd traject bij de raad terecht komt en voor de raad aanleiding kan zijn om advies uit te brengen aan de rechtbank.

3.7.5.

Gelet op het vorenstaande verzoekt de rechtbank het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland om uiterlijk tegen de familiekamerrol van dinsdag 25 februari 2020, of zoveel eerder als mogelijk is, in de bodemprocedure met zaak-/rekestnummer C/02/361654 / FA RK 19-3955 de eindrapportage over het verloop en de resultaten van het hulpverleningstraject bij de rechtbank in te dienen.

De rechtbank zal binnen twee weken na ontvangst van de rapportage in de bodemprocedure deze doorzenden naar de advocaten van partijen en hen in de gelegenheid stellen daarop binnen twee weken te reageren en daarbij aan te geven of zij in die procedure een zitting noodzakelijk achten en, zo ja, daarbij tevens opgave te doen van hun verhinderdata en die van partijen voor de komende twee maanden.

3.7.6.

Voor het geval dat het traject niet heeft geleid tot een positief resultaat, verzoekt de rechtbank genoemd loket de eindrapportage tevens tegelijkertijd te zenden naar de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, zodat de raad kan bezien of advies door de raad noodzakelijk is.

3.7.7.

De rechtbank verzoekt de raad om binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage de rechtbank in de bodemprocedure te laten weten of zij aanleiding ziet om advies uit te brengen. Indien de raad tot advies besluit dan verzoekt de rechtbank de raad dit advies uiterlijk binnen 4 maanden na deze kennisgeving, of zoveel eerder als mogelijk is, in de bodemprocedure met zaak-/rekestnummer C/02/361654 / FA RK 19-3955 bij de rechtbank in te dienen. Na ontvangst van het advies van de raad zullen partijen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld hierop binnen 14 dagen te reageren, waarna de zaak ter zitting zal worden behandeld. Aan de advocaten van partijen wordt verzocht bij hun reactie tevens opgave te doen van hun verhinderdata en die van partijen voor de komende twee maanden.

3.7.8.

Gelet op het vorenstaande wordt de raad reeds nu voorwaardelijk verzocht om, indien de eindrapportage van de zorgaanbieder daartoe aanleiding geeft, aan de rechtbank in de bodemprocedure advies uit te brengen ter beantwoording van de navolgende vragen:

- welke hoofdverblijfplaats komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?

- welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?

- hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?

3.7.9.

Ter zitting hebben partijen toestemming gegeven voor het delen van hun bij de rechtbank bekende persoonsgegevens via het “Formulier verwijzing ouders/kind naar hulpverlening” (hierna ook: het verwijzingsformulier) met het loket van de zorgregio, de toegang (van de woonplaatsgemeente van de minderjarige), de in te zetten zorgaanbieder en eventueel de raad. Voorts hebben zij toestemming gegeven voor het verzenden van het verwijzingsformulier met de resultatenlijst (per e-mail) en deze beschikking (per fax en/of per post) naar het loket en vervolgens naar de toegang en de zorgaanbieder. In dit verband verdient opmerking dat het verwijzingsformulier en de resultatenlijst na de zitting op 22 augustus 2019 al aan het loket zijn verzonden.

3.7.10.

De advocaten van partijen worden verzocht in de bodemprocedure melding te maken van genoemde verwijzing naar het zorgloket.

Kinderbijdrage

3.8.

De vrouw verzoekt vaststelling van een voorlopige kinderalimentatie van € 143,00 per kind per maand.

3.9.

Bij het bepalen van de behoefte aan een kinderbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen, hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen.

Behoefte

3.10.

Voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarigen, wordt uitgegaan van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van het gezin ten tijde van de samenleving van partijen. Niet in geschil is dat het NBI van de man € 2.642,00 bedraagt. In geschil is de berekening van het NBI van de vrouw.

3.11.

Evenals de vrouw zal de rechtbank bij het berekenen van het besteedbaar inkomen van de vrouw rekening houden met een ingehouden pensioenpremie van € 125,-- per maand, nu de man dit verder ook niet heeft betwist. Voor wat betreft de hoogte van de bij het brutoloon in aanmerking te nemen eindejaarsuitkering volgt de rechtbank het standpunt van de man dat moet worden gerekend met een bedrag van € 173,-- per maand in plaats van het door de vrouw gestelde bedrag van € 140,-- per maand. Uit de door de vrouw overgelegde salarisafrekeningen van mei tot en met juli 2019 maakt de rechtbank op dat het gereserveerde bedrag aan eindejaarsuitkering maandelijks aanwast met een bedrag van

€ 173,--, hetgeen overeenkomt met het in de CAO genoemde percentage van 8,33% over het maandsalaris. De rechtbank heeft met inachtneming van deze correctie de berekening van de vrouw verder gevolgd: alsdan bedraagt het NBI van de vrouw € 2.114,00.

Op grond van het voorgaande berekent de rechtbank het NBI van partijen dan op € 4.756,00 per maand, te weten € 2.642,00 van de man en € 2.114,00 van de vrouw. Met dit NBI correspondeert volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen een bedrag aan kosten per kind per maand van € 393,-- (totaal € 1179,-- voor drie kinderen).

Draagkracht partijen

Tussen partijen is voor onderhavige procedure niet in geschil dat de man een draagkracht heeft van € 630,-- en de vrouw een draagkracht van € 589,-- per maand.

De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt in totaal € 1.219,-- per maand, dus

€ 406,-- per kind per maand. Dit bedrag overschrijdt de behoefte van de kinderen van

€ 393,-- per kind per maand en daarom is er aanleiding om een draagkrachtvergelijking te maken, oftewel:

het eigen aandeel van de man bedraagt: 630 / 1219 x 1179 = 609, in totaal dus € 203,00 per kind per maand;

het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 589 / 1219 x 1179 = 570, in totaal dus € 190,00 per kind per maand.

Zorgkorting

Op het berekende aandeel dient de zorgkorting in mindering te worden gebracht. Nu de zorg over de minderjarigen gelijkelijk over partijen verdeeld zal worden, geldt het maximale percentage aan zorgkorting van 35%.

Omdat de behoefte € 393,-- per kind per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van 138,-- per kind per maand.

De man wordt geacht dit bedrag minimaal te besteden bij de uitoefening van zijn zorgtaken.

Conclusie

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man een kinderbijdrage voor de minderjarigen van € 65,-- per kind per maand aan de vrouw moet betalen. De rechtbank zal deze bijdrage vaststellen met ingang van datum verzoekschrift, 6 augustus 2019, nu de man daartegen geen verweer heeft gevoerd.

De rechtbank heeft berekeningen gemaakt ten aanzien van het NBI van de vrouw. Een exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht.

3.12.

Met toewijzing in zoverre van het verzoek van de vrouw, zal het verzoek van de man ter zake van de kinderbijdrage worden afgewezen.

Verstaansclausule

3.13.

De vrouw heeft de rechtbank verzocht te verstaan dat de man de helft van de vaste lasten van de woning maandelijks blijft doorbetalen tot de woning is verkocht en geleverd c.q. totdat de rechtbank anders heeft beslist.

3.14.

Uit het verweerschrift van de man volgt dat in het geval de rechtbank bepaalt dat partijen het gebruik van de woning week op week af zouden moeten delen, hij in dat geval bereid is om de helft van de door hem met name genoemde woonlasten voor zijn rekening te nemen tot de woning is verkocht.

Nu de door de man voorgestelde regeling waarbij partijen om toerbeurt een week in de woning wonen wordt toegewezen, zal de rechtbank dit zo verstaan, te meer nu partijen - zo blijkt uit het vorenstaande - het er feitelijk over eens zijn dat ieder van partijen de helft van de woonlasten doorbetaalt totdat de woning is verkocht.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

bepaalt dat de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te Borsele op [geboortedatum 1] 2010,

[minderjarige 2] , geboren te Borsele op [geboortedatum 2] 2008 en [minderjarige 3] , geboren te Rotterdam op [geboortedatum 3] 2001, in de echtelijke woning aan de [adres 1]

blijven wonen zonder dat zij aan een van partijen worden toevertrouwd;

4.2.

bepaalt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen voor de periode dat de echtelijke woning nog niet is verkocht en geleverd aldus dat ieder van partijen om de week van vrijdag 18.00 uur tot vrijdag 18.00 uur voor de minderjarigen zorgt in de echtelijke woning;

4.3.

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen een bedrag dient te betalen van € 65,-- per kind per maand met ingang van 6 augustus 2019, voor wat toekomstige termijnen betreft steeds bij vooruitbetaling te voldoen;

4.4.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.5.

verstaat dat ieder van partijen de helft van de vaste lasten van de echtelijke woning aan de [adres 1] (zijnde de hypotheek, de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekeringen, de opstalverzekering, de energiekosten en de internetkosten) voor zijn rekening neemt totdat de woning is verkocht en geleverd;

4.6.

verwijst partijen voor hulpverlening ten behoeve van het hiervoor in r.o. 3.7.1 genoemde resultaat naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland;

4.7.

verzoekt het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland om uiterlijk tegen de familiekamerrol van dinsdag 25 februari 2020, of zoveel eerder als mogelijk is, in de bodemprocedure met zaak-/rekestnummer C/02/361654 / FA RK 19-3955 de eindrapportage van de in te zetten zorgaanbieder over het verloop en de resultaten van het hulpverleningstraject in te dienen;

4.8.

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg, indien de rapportage van de zorgaanbieder daartoe aanleiding geeft, om ten behoeve van en vooruitlopend op de bodemprocedure met zaak-/rekestnummer C/02/361654 / FA RK 19-3955 een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in r.o. 3.7.8 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van zijn rapport en advies aan de advocaten van partijen;

4.9.

verzoekt de advocaten van partijen in de bodemprocedure melding te maken van genoemde verwijzing naar het zorgloket;

4.10.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E. van Noort, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.E. Knops-Pijper, griffier, op 5 september 2019.

(mp)