Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:3949

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-09-2019
Datum publicatie
29-11-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1731
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rioolheffing. Artikel 3 Verordening rioolheffing gemeente Baarle-Nassau. De onroerende zaak ligt voor een deel op Belgisch en voor een deel op Nederlands grondgebied. Hoewel de rioolaansluiting op Belgisch grondgebied ligt, is terecht rioolheffing geheven omdat het water indirect via de riolering van de gemeente wordt afgevoerd. Dat ook België een rioolheffing heft, maakt niet dat de gemeente niet mag heffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 02-12-2019
V-N Vandaag 2019/2736
FutD 2019-3227
NTFR 2020/166 met annotatie van De redactie
V-N 2020/9.20 met annotatie van Redactie
Belastingblad 2020/86 met annotatie van B.S. Kats
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 18/1731 en BRE 18/1735

uitspraak van 4 september 2019

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Baarle-Nassau,

de heffingsambtenaar.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraak van de heffingsambtenaar van 8 februari 2018 op het bezwaar van belanghebbende betreffende de aan hem ter zake van de onroerende zaak gelegen aan de [adres] te [woonplaats] geheven rioolheffing voor de periode van 17 november 2016 tot 1 januari 2017 en de periode 1 januari 2017 tot 12 november 2017.

Zitting
De zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2019 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigden van belanghebbende, [gemachtigden], verbonden aan Koch advocaten, en namens de heffingsambtenaar [verweerder].

1 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond

- verklaart zich onbevoegd te oordelen of belanghebbende recht heeft op kwijtschelding.

2 Gronden

2.1

Belanghebbende was gedurende 17 november 2016 tot 12 november 2017 gebruiker van de onroerende zaak gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak). De onroerende zaak ligt voor een deel op Belgisch grondgebied (het grootste deel van de woning en een deel van de tuin) en voor een deel op Nederlands grondgebied (de keuken en een hal van de woning, het grootste deel van de grond achter de woning, en een bijgebouw). Het deel van België waarin een deel van de woning ligt is een klein gebied dat geheel omsloten is door Nederlands grondgebied.

Geschil
2.2 Tussen partijen is in geschil of de rioolheffing terecht is geheven. De berekening als zodanig is niet in geschil.


Heffing van rioolheffing in overeenstemming met de Verordening?

2.3

Het geschil spitst zich in de eerste plaats toe op de vraag of wordt voldaan aan de eisen van artikel 3 van de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing van de gemeente Baarle-Nassau van 2016 en die van 2017 (hierna samen: Verordening). Dit artikel bepaalt dat rioolheffing wordt geheven van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd.

2.4

Ter zitting heeft de rechtbank vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat belanghebbende gebruiker is van een perceel als bedoeld in artikel 3 van de Verordening. Tussen partijen is in geschil of vanuit het perceel van belanghebbende water direct of indirect op de gemeentelijke riolering van de gemeente Baarle-Nassau wordt afgevoerd (hierna: de afvoereis).

2.5.

Ingevolge artikel 1 van de Verordening wordt verstaan onder:

- ‘ gemeentelijke riolering’: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;

- ‘ water’: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater of grondwater.

2.6

Ter zitting is vastgesteld dat de feiten als zodanig niet in geschil zijn. De heffingsambtenaar heeft erkend dat de hoofdrioolaansluiting van de onroerende zaak op Belgisch grondgebied ligt en dat de aansluiting op het waterleidingnet gelegen is op Belgisch grondgebied. De heffingsambtenaar heeft echter aangevoerd dat de op het Belgische grondgebied gelegen riolering aangesloten is op de gemeentelijke riolering van de gemeente Baarle-Nassau en dat het afvalwater in Nederland wordt verwerkt. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende desgevraagd gemeld deze stellingen niet te betwisten. De rechtbank merkt nog op dat de juistheid van de stellingen ook aannemelijk is gelet op de bijzondere ligging van het deel van België waarin een deel van de onroerende zaak ligt (zie 2.1).

2.7

De rechtbank overweegt dat uitgaande van de in 2.6 vermelde feiten er sprake van is dat vanuit het perceel van belanghebbende water indirect op de gemeentelijke riolering van de gemeente Baarle-Nassau wordt afgevoerd. Het water wordt immers via de Belgische riolering afgevoerd op de gemeentelijke riolering. Ook aan de afvoereis is dus voldaan. Overigens is ook reeds aan die eis voldaan in verband met afvoer van hemelwater van het Nederlandse deel van de onroerende zaak. Hemelwater valt immers ook onder ‘water’ (zie 2.5).

2.8.

Op basis van de Verordening heeft de heffingsambtenaar dus terecht rioolheffing geheven. Opmerking verdient nog dat daaraan niet wordt afgedaan door de omstandigheid dat de aansluiting op het waterleidingnet op Belgisch grondgebied is gelegen. De watertoevoer is namelijk niet relevant voor het belastbaar feit en de belastingplicht maar alleen voor de maatstaf van heffing.

Dubbele heffing

2.9

Belanghebbende heeft tevergeefs aangevoerd dat de heffingsambtenaar geen rioolheffing had mogen heffen, omdat zowel door de Nederlandse overheid als door de Belgische overheid rioolheffing wordt geheven. Er is namelijk geen rechtsregel die meebrengt dat een Nederlandse gemeente geen rioolheffing mag heffen, wanneer ter zake van dezelfde onroerende zaak België ook rioolheffing heft. In het midden kan overigens blijven of sprake is van dubbele rioolheffing, wat de heffingsambtenaar betwist.


Kwijtschelding

2.10

Belanghebbende heeft verder aangevoerd dat de heffingsambtenaar de invordering van de rioolheffing had moeten kwijtschelden. Nog ervan afgezien dat alleen de verordening voor het jaar 2017 voorziet in een bepaling betreffende kwijtschelding, is de rechtbank niet bevoegd te oordelen of belanghebbende in aanmerking komt voor kwijtschelding. Een verzoek om kwijtschelding moet worden gedaan bij de invorderingsambtenaar. Tegen een beslissing op (het administratief beroep tegen een beslissing op) een verzoek om kwijtschelding van belasting staat geen beroep open bij de belastingrechter en evenmin bij de algemene bestuursrechter. Hiertegen kan uitsluitend een vordering bij de civiele rechter worden ingesteld op de in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalde wijze.

Prejudiciële vragen

2.11

Er is geen aanleiding om – zoals belanghebbende heeft verzocht – in deze zaak prejudiciële vragen te stellen aan het Benelux-Gerechtshof in verband met de toepassing van het Verdrag tussen Nederland, België en Groothertogdom Luxemburg nopens wederkerige bijstand inzake de invordering van belastingschulden. Dat verdrag heeft immers betrekking heeft op de invordering van belastingschulden en niet op – zoals hier aan de orde is – de heffing.

Conclusie

2.12

Gelet op het voorgaande zijn de beroepen ongegrond.

2.13

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan op 4 september 2019 door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, in tegenwoordigheid van mr. N. van Asten, griffier, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.