Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:3909

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-08-2019
Datum publicatie
29-11-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2056
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artt.47, eerste lid AWR en 52a AWR

Belanghebbende is vergunninghouder in de zin van artikel 8 Wet BPM.

De inspecteur heeft aan belanghebbende meerderde malen verzocht om diverse bescheiden van auto’s te overleggen.

Omdat belanghebbende hieraan geen gehoor heeft gegeven is aan haar een informatiebeschikking uitgereikt.

In geschil is of deze terecht is gegeven. Partijen zijn verdeeld over de uitleg van het begrip “informatie die van belang kan zijn” in het licht van de heffing van BPM.

De rechtbank overweegt ten eerste dat de toestand van de auto’s op het moment van de tenaamstelling tot uitgangspunt moet worden genomen en niet het moment van melding.

Vervolgens overweegt zij dat de bewijslast met betrekking tot de handelsinkoopwaarde bij de inspecteur rust en de gevraagde bescheiden kunnen daarvoor van belang kunnen zijn. Daarbij komt dat met het verzoek om informatie beoogd is de aangifte op zijn juistheid te beoordelen. De stelling van belanghebbende dat geen sprake is van een belang omdat geen omkering van de bewijslast kan plaatsvinden is onjuist. De informatiebeschikking is terecht gegeven. Belanghebbende wordt in de gelegenheid gesteld om de gevraagde informatie alsnog te verstrekken. Met betrekking tot de proceskosten is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van schending van de procesorde.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 47
Algemene wet inzake rijksbelastingen 52a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 02-12-2019
V-N Vandaag 2019/2755
FutD 2019-3218
NTFR 2020/224 met annotatie van mr. F.C. van der Bogt
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 18/2056

uitspraak van 22 augustus 2019

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats X],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 23 februari 2018 op het bezwaar van belanghebbende betreffende de, ten name van belanghebbende, genomen informatiebeschikking van 26 september 2017 met betrekking tot de heffing van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) over de jaren 2015 en 2016.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2019 te Tilburg. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Heumen, en namens de inspecteur [verweerder].

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    stelt belanghebbende in de gelegenheid om binnen zes weken en één dag, ingaande na de dag van de verzending van deze uitspraak, de door de inspecteur verzochte informatie te verstrekken.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende drijft een onderneming in de handel in en reparatie van personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s. Belanghebbende is een vergunninghouder als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM).

2.2.

Op 17 mei 2017 heeft de inspecteur bij belanghebbende een boekenonderzoek aangekondigd. Onderwerp van het onderzoek zijn de door belanghebbende gedane aangiften BPM over alle tijdvakken van 2015 en 2016. Het onderzoek heeft onder andere betrekking op de verschuldigde BPM ter zake van de invoer van dertien auto’s waarvan de vermindering van de verschuldigde BPM bij de melding werd berekend met gebruikmaking van een taxatierapport. Belanghebbende heeft daarbij de methode ‘koerslijst minus schade’ toegepast. Ter zake van de tenaamstelling en (maand)aangiften van deze auto’s heeft belanghebbende toepassing van de goedkeurende regeling inzake de extra leeftijdskorting geclaimd.

2.3.

In het kader van voormeld boekenonderzoek heeft de inspecteur belanghebbende meerdere malen schriftelijk verzocht om de inkoopfacturen, de verkoopovereenkomsten, de verkoopnota’s en de nota’s van reparatie van de betreffende auto’s te overleggen.

Omdat belanghebbende deze gegevens niet heeft verstrekt, heeft de inspecteur op 26 september 2017 aan belanghebbende een informatiebeschikking gegeven. Hierin staat vermeld:

“In verband met een in te stellen boekenonderzoek BPM van de ingediende (maand)aangiften over de jaren 2015 en 2016 van [belanghebbende] B.V. heb ik op 28 april 2017, 12 juni 2017 en op 28 augustus 2017 gevraagd om informatie die van belang kan zijn voor uw belastingheffing. U hebt niet of niet geheel aan dit informatieverzoek voldaan. Ik geef u daarom op basis van artikel 52A AWR deze informatiebeschikking af.

Het gaat om de volgende vragen en verzoeken voor de in de bijlage 1 vermelde motorrijtuigen:

inkoopfacturen;

verkoopovereenkomsten;

verkoopnota's;

nota's van reparaties.”

2.4.

Het tegen deze beschikking gemaakte bezwaar heeft de inspecteur ongegrond verklaard.

2.5.

Tussen partijen is in geschil of de informatiebeschikking terecht is gegeven.

2.6.

Op grond van artikel 47, eerste lid, van de AWR is een ieder gehouden desgevraagd aan de inspecteur:

  1. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn;

  2. de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan – zulks er keuze van de inspecteur – waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen.

2.7.

Op grond van artikel 52a van de AWR kan de inspecteur, voor zover hier van belang, indien met betrekking tot een op te leggen naheffingsaanslag niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 47 van de AWR, dit vaststellen bij een voor bezwaar vatbare beschikking (informatiebeschikking). De inspecteur wijst in de informatiebeschikking op artikel 25, derde lid, van de AWR (omkering van de bewijslast).

2.8.

De rechtbank stelt vast dat partijen geen onderscheid hebben gemaakt tussen beide onderdelen van artikel 47, eerste lid, van de AWR. De rechtbank ziet daartoe eveneens geen aanleiding en zal bij de beantwoording van de voorliggende vraag een algemene benadering toepassen die betrekking heeft op zowel de informatieverstrekking (onderdeel a) als de gegevensraadpleging (onderdeel b).

2.9.

De rechtbank stelt voorop dat de Hoge Raad in zijn arrest van 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603, heeft geoordeeld dat de verstrekte informatie niet daadwerkelijk tot heffing hoeft te leiden. Voor de aanwezigheid van een belang is vereist dat de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van betrokkene.

2.10.

Vast staat dat belanghebbende een vergunninghouder is in de zin van artikel 8 van de Wet BPM. Dat betekent dat belanghebbende bij invoer van een auto eerst een melding maakt bij de Belastingdienst en dat belanghebbende daarbij voegt een berekening van de vermindering van de verschuldigde BPM volgens één van de voorgeschreven methoden van artikel 10 van de Wet BPM. Voor de onderhavige dertien auto’s is dat steeds geweest de toepassing van de methode van ‘koerslijst minus schade’, op grond van artikel 10, achtste lid, van de Wet BPM. Vervolgens wordt op een later moment, naar aanleiding van een verkoop, de auto op naam van de koper gesteld. Ten slotte vindt de (maand)aangifte plaats van de verschuldigde BPM ter zake van alle tenaamstellingen in het betreffende tijdvak. Deze regeling voor vergunninghouders brengt mee dat ten tijde van het doen van (maand)aangifte, de waardebepaling die blijkt uit het taxatierapport niet meer actueel is. Belanghebbende heeft verklaard dat van sommige van de dertien auto’s de schade is hersteld, van sommige auto’s niet.

2.11.

Partijen zijn verdeeld over de uitleg van het begrip “informatie die van belang kan zijn” in het licht van de heffing van BPM.

2.12.

De rechtbank overweegt dat gelet op het partijdebat ter zitting eerst moet worden bepaald naar welk moment het in 2.11 genoemde criterium moet worden beoordeeld. De inspecteur heeft gemotiveerd gesteld en belanghebbende heeft onvoldoende weersproken dat het belastbaar feit de tenaamstelling is. Gelet op het bepaalde in artikel 1, tweede lid, en artikel 2, onder b, van de Wet BPM is het belastbaar feit voltooid als zowel de inschrijving (registratie) als de tenaamstelling heeft plaatsgevonden. De handelsinkoopwaarde moet in beginsel naar dat moment worden bepaald. De inspecteur heeft derhalve terecht de toestand van de auto’s op het moment van de tenaamstelling tot uitgangspunt genomen ter bepaling van de van belang zijnde informatie. Op dat moment vindt de voltooiing van het belastbaar feit plaats en wordt de BPM verschuldigd, welke vervolgens op grond van de vergunninghouderregeling van artikel 8 van de Wet BPM na afloop van het tijdvak waarin de tenaamstelling plaatsvindt, op (maand)aangifte dient te worden voldaan. De stelling van belanghebbende – dat het moment van tenaamstelling niet relevant is, zodat de op dat moment bij belanghebbende aanwezige informatie bij de beoordeling van de aangifte niet van belang kan zijn – is naar het oordeel van de rechtbank onjuist. Gegeven het oordeel dat het moment van tenaamstelling het moment is dat het belastbaar feit zich voordoet, is ten tijde van het doen van aangifte van een onmogelijke bewijsopdracht of van een onzekere gebeurtenis in de toekomst, zoals belanghebbende heeft gesteld, evenmin sprake. Het betoog van belanghebbende is kennelijk gebaseerd op het uitgangspunt dat het belastbaar feit zich voordeed bij de melding, hetgeen bij belanghebbende als vergunninghouder in relatie tot de onderhavige dertien auto’s niet aan de orde is.

2.13.

Belanghebbende heeft vervolgens gesteld dat de inspecteur geen belang bij de gevraagde informatie kan hebben, omdat de bewijslast al bij belanghebbende rust. Daarvan uitgaande komt het belang aan de informatiebeschikking te ontvallen en dient deze te worden vernietigd, aldus belanghebbende. Ter onderbouwing van haar stelling verwijst belanghebbende naar de arresten van de Hoge Raad van 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:192 en ECLI:NL:HR:2017:130.

2.14.

Gelet op de strekking van voornoemde arresten van de Hoge Raad, ziet de rechtbank aanleiding om eerst in te gaan op de bewijslastverdeling in relatie tot de verschuldigdheid van BPM voor de invoer van gebruikte auto’s. Vervolgens komt aan de orde welke rol deze bewijslastverdeling heeft op de verplichtingen voor belanghebbende krachtens artikel 47 van de AWR en de toetsing van de rechtmatigheid van de informatiebeschikking ex artikel 52a van de AWR.

Bewijslastverdeling

2.14.1.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de verdeling van de bewijslast dat belanghebbende de bewijslast draagt voor belastingverminderende elementen, zoals aftrekposten. De inspecteur heeft in de regel de bewijslast met betrekking tot belastingvermeerderende elementen van de aanslag. Toepassing van dit algemene leerstuk op een BPM-vraagstuk en het EU-rechtelijke toetsingskader dat daarmee samenhangt, brengt mee dat het in eerste instantie aan de inspecteur is om gegevens in te brengen, waaruit kan blijken hoe de door een belastingplichtige voldane BPM zich verhoudt tot het restant aan BPM dat nog drukt op vergelijkbare, reeds in Nederland geregistreerde auto’s (vgl. Hoge Raad 16 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4811).

Bewijslast en de informatieverplichting

2.14.2.

Gelet op voornoemde bewijslastverdeling is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur voor de vaststelling van de feiten die relevant zijn voor de bepaling van de handelsinkoopwaarde de gegevens rondom inkoop en verkoop van belang geacht kunnen worden. De inspecteur heeft in het onderhavige geval redelijkerwijs kunnen menen dat deze feiten mogelijk kunnen worden afgeleid uit inkoopnota’s, verkoopovereenkomsten en/of verkoopnota’s (met betrekking tot de reparatienota’s, zie 2.14.5 hierna). De rechtbank volgt de inspecteur in zijn redenering dat de gevraagde informatie relevant kan zijn om een beeld te vormen van de auto en de handelsinkoopwaarde daarvan. De omstandigheid dat als gevolg van het verkrijgen van deze informatie de heffing uiteindelijk mogelijkerwijs niet wordt beïnvloed, is geen reden om het vragen ervan te betitelen als onterecht wegens gebrek aan belang. De rechtbank verwijst in dit verband naar het onder 2.9 vermelde arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015.

2.14.3.

Daar komt bij dat de inspecteur gemotiveerd heeft gesteld en belanghebbende onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat met het verzoek om informatie beoogd is om de door belanghebbende aangeleverde gegevens te beoordelen in het kader van de juistheid van de ingediende aangiften. De omstandigheid dat de inspecteur ook de mogelijkheid heeft van de zogeheten ‘schouw’ naar aanleiding van de eerdere melding doet aan het vorenstaande niet af. Er is geen wettelijke bepaling die voorschrijft dat de inspecteur eerst alle andere controlemogelijkheden moet hebben benut om toegelaten te worden tot de mogelijkheid tot het opvragen van informatie.

2.14.4.

Belanghebbende neemt de door haar gekozen methode van ‘koerslijst minus schade’ tot uitgangspunt en stelt zich op het standpunt dat daarvan uitgaande slechts de component schade relevant kan zijn bij de beoordeling door de inspecteur. Dit betoog slaagt niet. Ten eerste heeft de inspecteur gemotiveerd betwist dat uitsluitend de component schade in geschil zou kunnen zijn. De inspecteur heeft daarbij gewezen op de omstandigheid dat de kilometerstand relevant is voor de controle van de betrouwbaarheid van de informatie die volgt uit de door belanghebbende gekozen koerslijst. Voorts kan niet worden uitgesloten dat nader onderzoek naar de onderliggende feiten meebrengt dat de keuze door belanghebbende van de betreffende methode door de inspecteur niet kan worden gevolgd, omdat niet aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan.

2.14.5.

Tot slot weegt de rechtbank mee dat belanghebbende voor alle dertien auto’s een verzoek heeft gedaan tot toepassing van de extra leeftijdskorting. Aan toepassing van die regeling is de voorwaarde verbonden dat de staat van de auto, zoals die is opgenomen in het taxatierapport, tussen het moment van melding en het moment van tenaamstelling niet is gewijzigd. Om te kunnen toetsen of aan de voorwaarden is voldaan, kan de vraag of zich in de administratie reparatienota’s bevinden en – bij bevestigende beantwoording daarvan – de vervolgvraag op welke reparaties deze betrekking hebben, relevant worden geacht.

2.14.6.

Gelet op het voorgaande is de stelling dat onder geen beding omkering van de bewijslast kan plaatsvinden, hetgeen mee zou brengen dat het belang bij de informatiebeschikking ontbreekt en de beschikking om die reden zou moeten worden vernietigd, onjuist. Belanghebbende past de leer van de onder 2.13 vermelde arresten van de Hoge Raad van 10 februari 2017 naar het oordeel van de rechtbank te breed toe op het onderhavige geval.

Rechtmatigheid van het verzoek

2.15.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur terecht om de gevraagde informatie heeft verzocht. Het informatieverzoek is rechtmatig gedaan. Vast staat dat belanghebbende de informatie niet heeft verstrekt of beschikbaar heeft gesteld. Dat betekent dat de informatiebeschikking terecht is gegeven. Partijen hebben zich niet uitgelaten over de vraag welke gevolgen het in stand laten van de informatiebeschikking heeft met betrekking tot de heffing van de BPM zelf. Bovendien is dit afhankelijk van een toekomstig feit, bestaande uit het al dan niet alsnog voldoen aan de informatieverplichting door belanghebbende. De rechtbank zal daarom geen oordeel geven ten aanzien van de bewijslastverdeling met betrekking tot eventuele naheffingsaanslag(en) BPM. Dit kan alsnog aan de orde worden gesteld in een procedure betreffende die aanslag(en). Daarbij verdient tevens opmerking dat de rechter die over de juistheid van een eventuele naheffingsaanslag oordeelt, kan bepalen dat omkering van de bewijslast niet aan de orde is. De rechtmatigheid van het verzoek om informatie kan dan echter niet meer aan de orde worden gesteld (vgl. de onder 2.13 genoemde arresten van de Hoge Raad van 10 februari 2017).

Nieuwe termijn

2.16.

Partijen zijn het er over eens, zo hebben zij ter zitting verklaard, dat belanghebbende een termijn moet worden gegeven van zes weken en één dag voor het alsnog voldoen aan het verzoek van de inspecteur. De rechtbank ziet geen reden om daarvan af te wijken.

Slotsom

2.17.

De slotsom is dat het beroep ongegrond is en dat moet worden beslist als onder 1 is vermeld.

Proceskosten

2.18.

Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van de proceskosten omdat de inspecteur zijn standpunten voor het eerst in de pleitnota duidelijk naar voren heeft gebracht en deze derhalve dermate laat zijn ingediend dat belanghebbende in haar procespositie is geschaad. De rechtbank overweegt dat de pleitnota van de inspecteur niet onredelijk laat is ingediend aangezien deze een dag voor de zitting reeds is toegestuurd. In voorkomende gevallen wordt belanghebbende pas ter zitting met een pleitnota geconfronteerd. Daarbij staan er in de pleitnota, gelet op de brief van de inspecteur van 12 juni 2017, geen nieuwe stellingen vermeld. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van schending van de procesorde, zodat geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 22 augustus 2019 door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.