Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:3908

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
03-09-2019
Zaaknummer
02-101932-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

poging doodslag, noodweer(exces)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/101932-19

vonnis van de meervoudige kamer van 3 september 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1977 te [geboorteplaats]

wonende te [adres] ,

raadsman mr. C.J. de Wit, advocaat te Vlissingen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 augustus 2019, waarbij de officier van justitie mr. M.C. Fimerius en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte wordt, met inachtneming hiervan, ervan verdacht dat

hij op of omstreeks 25 april 2019 te Oostburg, gemeente Sluis ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen met kracht op/tegen het hoofd heeft geschopt/getrapt en/of gestompt/geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 25 april 2019 te Oostburg, gemeente Sluis aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (een) gebroken oogkas(sen) en een gebroken kaak en bloedingen in het hoofd en/of hersenletsel, heeft toegebracht door die [slachtoffer] meermalen met kracht op/tegen het hoofd te schoppen/trappen en/of tegen/op het hoofd te stompen/slaan;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

meer subsidiair,

hij op of omstreeks 25 pril 2019 te Oostburg, gemeente Sluis, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen met kracht op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geschopt/getrapt en /of tegen/op diens hoofd heeft gestompt/geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 302 juncto 45 Wetboek van Strafrecht.

3 De voorvragen

3.1

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1.1

Het standpunt van de verdediging

Het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur zijn door de officier van justitie geschonden, nu alleen verdachte vervolgd wordt en de zaak tegen [slachtoffer] wordt geseponeerd. Dit terwijl het [slachtoffer] was die de vechtpartij heeft uitgelokt door verdachte aan te vallen, welke aanval is aan te merken als een poging tot doodslag.

Vanwege schending van de genoemde beginselen moet de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard.

3.1.2

Het standpunt van de officier van justitie

Niet-ontvankelijkheid is niet aan de orde, nu geen sprake is van een bewuste schending van de rechten van verdachte.

3.1.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het Openbaar Ministerie (hierna: OM) de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het OM om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

Zo'n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur.

De in de tenlastelegging neergelegde verdenking betreft - in de kern - het verwijt dat door te schoppen tegen en te slaan op het hoofd van [slachtoffer] , verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden, dan wel [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht of dat laatste heeft geprobeerd.

Hoewel het dossier aanwijzingen bevat dat ook [slachtoffer] geweldshandelingen heeft verricht tegen verdachte, kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat sprake is van een uitzonderlijk geval zoals hierboven is bedoeld.

De officier van justitie is daarom ontvankelijk in haar vervolging.

3.2

Overige voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden bewezen en baseert zich daarbij met name op getuigen die hebben verklaard dat zij hebben gezien dat verdachte tegen het hoofd van [slachtoffer] schopte en op de medische informatie over [slachtoffer] , waaruit onder meer naar voren komt dat hij in levensgevaar verkeerde toen hij net het ziekenhuis binnen was gebracht.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van het primaire feit is aangevoerd dat verdachte één keer met ongeschoeide voet tegen de schouder van [slachtoffer] heeft geschopt. Vanwege de afstand en de duisternis hebben de getuigen geen goed zicht gehad. Dit blijkt al uit hun beweringen dat zij hebben gezien dat verdachte schoenen aan zou hebben gehad, terwijl uit onderzoek is gebleken dat de slippers van verdachte in de woning van [slachtoffer] lagen. De getuigen hebben hun verklaringen op elkaar afgestemd.

Ook voor het subsidiair ten laste gelegde moet vrijspraak volgen, omdat er op grond van de verstrekte medische informatie geen sprake is van een ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden of storing van de verstandelijke vermogens gedurende langer dan vier weken.

Het meer subsidiaire feit kan wel bewezen worden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De feiten

Op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Voor de gebeurtenissen in de woning van [slachtoffer] en kort daarna baseert de rechtbank zich grotendeels op de verklaring van verdachte nu die overeenkomt met de verklaring van [slachtoffer] voor zover diens herinneringen strekken, en die ook wordt ondersteund door sporenonderzoek in de woning van [slachtoffer] en het bij verdachte geconstateerde letsel.

In de avond van 25 april 2019 is verdachte in de woning van [slachtoffer] aan de [adres slachtoffer] in Oostburg een biertje gaan drinken. Op enig moment hebben zij ruzie gekregen.1+2 Daarbij heeft [slachtoffer] verdachte op zijn hoofd geslagen met een metalen pijp van circa 25 centimeter lang.3+4+5 Verdachte probeerde daarna de pijp af te pakken van [slachtoffer] en zo ontstond een worsteling6+7, waarbij [slachtoffer] verdachte nog twee keer op zijn hoofd heeft geslagen.

Daarna is [slachtoffer] naar buiten gegaan. Verdachte is ook naar buiten gegaan. Buiten wilde [slachtoffer] verdachte nog een keer slaan. Deze klap kon verdachte grotendeels ontwijken. Hierna heeft verdachte [slachtoffer] om zijn middel gepakt en naar de grond geduwd. Toen [slachtoffer] op de grond lag heeft verdachte [slachtoffer] een aantal keren met zijn vuist in het gezicht geslagen.8

Vanaf dit punt wijken de verklaringen van verdachte enerzijds en de verklaringen van de getuigen anderzijds zodanig af dat zij niet met elkaar verenigbaar zijn.

Door de verdediging is kortgezegd aangevoerd dat de getuigenverklaringen onvoldoende betrouwbaar zijn, omdat het zicht vanwege de duisternis slecht was en omdat zij hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd.

Uit de verklaringen van getuigen en uit de sporen op straat blijkt dat het incident op straat tussen verdachte en [slachtoffer] zich afspeelde ter hoogte van de woning van [slachtoffer] , huisnummer [huisnummer 1] . Aan getuige [getuige 1] , die heeft verklaard dat hij verdachte heeft zien schoppen tegen het hoofd van [slachtoffer] is gevraagd hoe het zicht was. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij de kleding van de liggende man niet kan omschrijven, maar dat hij wel duidelijk kon zien wat er gaande was. [getuige 1] heeft verklaard dat hij nog aan de andere kant van de straat is gaan staan (aan de kant waar het incident zich afspeelde) om zo beter zicht te hebben voor 112.

De andere getuige die heeft verklaard dat zij zag dat tegen het hoofd van [slachtoffer] werd geschopt is getuige [getuige 2] . Zij stond naast getuige [getuige 1] toen zij dat zag. De rechtbank neemt aan dat zij een even duidelijk zicht had als [getuige 1] .

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij ter hoogte van huisnummer [huisnummer 2] bij [getuige 1] en [getuige 2] stond, terwijl hij zag dat een man aan het schoppen was tegen een op de grond liggende man.

Uit algemeen toegankelijke bron (ANWB-routeplanner) komt naar voren dat de afstand tussen de huisnummers [huisnummer 2] en [huisnummer 1] aan de [adres slachtoffer] 30 meter bedraagt. De rechtbank acht het aannemelijk dat ondanks de duisternis, met straatverlichting over deze afstand bewegingen van twee personen kunnen worden waargenomen.

Het dossier bevat geen aanknopingspunten dat de getuigen hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd. Als dat zo was geweest dan zouden de verklaringen over het aantal keren schoppen tegen het hoofd en het schoppen tegen het lichaam meer overeenkomen dan nu het geval is.

Op grond van het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer dat de getuigenverklaringen onvoldoende betrouwbaar zijn. De rechtbank zal daarom voor wat betreft het schoppen uitgaan van de getuigenverklaringen en niet van de verklaring van verdachte.

Nadat verdachte [slachtoffer] met de vuist in het gezicht heeft geslagen, heeft verdachte vervolgens [slachtoffer] tegen het lichaam geschopt. Getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben gezien dat verdachte diverse malen tegen het hoofd van [slachtoffer] schopte terwijl [slachtoffer] roerloos op de grond lag, en dat dit met enige kracht gebeurde. Zij hoorden allebei bij het schoppen de doffe klappen, de impact, van het schoppen.9+ 10[getuige 1] heeft verklaard dat hij hoorde dat de schoppende man zei ‘ik ga je hoofd kapot maken, ik ga je hoofd kapot schoppen’.

Nadat de hulpdiensten ter plaatse zijn gekomen is [slachtoffer] naar het universiteitsziekenhuis in Gent gebracht. Bij binnenkomst verkeerde hij in levensgevaar.11 Vanaf 7 mei 2019 heeft [slachtoffer] verbleven in een revalidatiecentrum. Op die datum is sprake van gehechte verwondingen aan het hoofd en halfzijdige verlamming aan de rechterzijde. Verder is er een vermoeden van hersenletsel en is het nog onduidelijk of het krachtsverlies volledig zal herstellen.12

Beoordeling primair ten laste gelegde

Gelet op de feiten waar de rechtbank vanuit gaat, zoals hierboven weergegeven, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] diverse keren met kracht tegen het hoofd heeft geschopt en op het hoofd heeft gestompt.

De vraag is of verdachte daarmee het (voorwaardelijk) opzet had op de dood van [slachtoffer] . Uit de verklaringen van verdachte kan dat niet worden afgeleid. De vraag is of uit de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] kan worden afgeleid. Beoordeeld moet worden of door de gedragingen van verdachte – het stompen op en schoppen tegen het hoofd – de kans op de dood aanmerkelijk was, of verdachte zich bewust was van die kans en of hij die kans heeft aanvaard door te handelen zoals hij heeft gedaan.

Uit algemene ervaringsregels volgt dat als verschillende keren hard op een kwetsbaar lichaamsdeel als het hoofd wordt gestompt en geschopt, ook met ongeschoeide voet, de kans op de dood aanmerkelijk is. In dit geval komt daar nog bij dat [slachtoffer] , toen hij geschopt werd, al niet meer bewoog en dat hij zijn hoofd op geen enkele manier tegen de schoppen heeft kunnen beschermen. Hij werd daardoor door elke schop met volle kracht op het hoofd geraakt. Verdachte moet zich, gelet op deze wijze van handelen, van de aanmerkelijke kans bewust zijn geweest.

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op de dood van [slachtoffer] gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen is de rechtbank niet gebleken. Het primair tenlastegelegde is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Primair:

op 25 april 2019 te Oostburg, gemeente Sluis ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen met kracht tegen het hoofd heeft geschopt en gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1

De strafbaarheid van het feit (noodweer)

5.1.1

Het standpunt van de verdediging

Aannemelijk is dat verdachte in de woning van [slachtoffer] met een ijzeren staaf op zijn hoofd is geslagen en dat hij daardoor hevig bloedde. Daarna ging [slachtoffer] als eerste naar buiten en wilde hij verdachte – die na hem de woning wilde ontvluchten – weer slaan. Verdachte kon die slag ontwijken. Er was dus sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waartegen verdachte zich moest verdedigen. [slachtoffer] stond voor hem en verdachte was kwetsbaar door het al opgelopen hoofdletsel. Er wordt daarom een beroep gedaan op noodweer, als gevolg waarvan verdachte dient te worden ontslagen van rechtsvervolging.

5.1.2

Het standpunt van de officier van justitie

Op basis van de medische informatie wil de officier van justitie wel aannemen dat verdachte in de woning door [slachtoffer] is geslagen met een buis of staaf, maar de context waarbinnen dat gebeurde blijkt niet uit het dossier. Wat er buiten gebeurde is wel duidelijk: verdachte heeft meermaals tegen het hoofd van [slachtoffer] geschopt. Buiten was geen sprake van een noodweersituatie, zodat een beroep op noodweer niet kan slagen.

Indien al sprake zou zijn van noodweer vanwege hetgeen zich in de woning heeft afgespeeld, heeft verdachte met zijn handelingen de grenzen van de proportionaliteit en subsidiariteit overschreden. Een beroep op noodweer kan ook om die reden niet slagen.

5.1.3

Het oordeel van de rechtbank

Op basis van de feiten zoals die zijn opgenomen onder 4.1. is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] van verdachte, toen [slachtoffer] verdachte met de pijp op zijn hoofd sloeg. Deze noodweersituatie duurde voort toen verdachte nog twee keer door [slachtoffer] met vuisten werd geslagen toen zij worstelden om de pijp, terwijl verdachte op dat moment al flink gewond was aan zijn hoofd. Toen verdachte de woning uitliep trof hij buiten tegenover zich [slachtoffer] , die hem nog een keer aanviel. Op dat moment heeft verdachte [slachtoffer] geduwd, waardoor [slachtoffer] op de grond terechtkwam. Verdachte heeft hem toen in het gezicht gestompt met zijn vuisten en daarna tegen het hoofd geschopt.

De rechtbank beschouwt alle geweldshandelingen van [slachtoffer] tegen verdachte – dus zowel die in de woning als buiten de woning – als één voortdurende ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Verdachte mocht zich daartegen verdedigen, waarbij zijn verdedigings-handelingen dan wel moeten voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.

Voor de subsidiariteitseis toetst de rechtbank of verdachte zich aan de aanranding had kunnen en ook moeten onttrekken, waarbij geldt dat voor het onttrekken een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. In de woning was die mogelijkheid er vanwege de ruimte nauwelijks. Ook buiten de woning was die mogelijkheid klein, omdat [slachtoffer] vóór verdachte naar buiten was gegaan en voor verdachte stond toen die naar buiten kwam. Op dat moment viel [slachtoffer] verdachte ook weer aan. Verdachte was toen in een fysiek zwakkere positie vanwege de verwondingen aan zijn hoofd die hij inmiddels had opgelopen. Omdat [slachtoffer] verdachte steeds bleef aanvallen kan het voor verdachte onduidelijk zijn geweest of de wederrechtelijke aanrandingen zouden stoppen op het moment dat [slachtoffer] op de grond lag.

De rechtbank is daarom van oordeel dat aan de subsidiariteitseis is voldaan.

Voor de proportionaliteitseis toetst de rechtbank of de verdedigingshandelingen van verdachte in een redelijke verhouding staan tot de ernst van de aanranding. Aan dit vereiste is niet voldaan. Verdachte was met een metalen pijp en met handen of vuisten geslagen op het hoofd. Van het op de grond duwen en het geven van enkele klappen met handen of vuisten in het gezicht kan naar het oordeel van de rechtbank nog worden gezegd dat die verdedigingshandelingen in een redelijke verhouding staan tot de ernst van de aanranding, maar van het diverse malen schoppen tegen het hoofd kan dat niet worden gezegd, zeker niet omdat [slachtoffer] toen al niet meer bewoog en verdachte bleef schoppen tegen het hoofd.

Nu niet aan het proportionaliteitsvereiste is voldaan verwerpt de rechtbank het beroep op noodweer.

5.2

De strafbaarheid van verdachte (noodweer-exces)

5.2.1

Het standpunt van de verdediging

Aangezien verdachte in de woning al was aangevallen en er buiten een herhaalde aanval plaatsvond is het begrijpelijk dat verdachte zich zeer bedreigd voelde door [slachtoffer] , en dat verdachte, die hevig bloedde, als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanrandingen veroorzaakte gemoedsbeweging verder is gegaan dan geboden was. Verdachte dient te worden ontslagen van rechtsvervolging omdat sprake was van noodweer-exces.

5.2.2

Het standpunt van de officier van justitie

Omdat buiten geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding kan evenmin sprake zijn van noodweer-exces.

5.2.3

Het oordeel van de rechtbank

Er kan sprake zijn van noodweer-exces als aan de vereisten van noodweer is voldaan behalve aan de proportionaliteitseis, zoals in dit geval aan de orde is.

Van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging kan sprake zijn als de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of een anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder is gegaan dan geboden was. Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het bedoelde ‘onmiddellijk gevolg’ kan betekenis toekomen aan:

- de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden;

- de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging en

- het tijdsverloop tussen de aanranding en de verdedigingshandeling.

De mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden

Verdachte heeft zich tegen de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het slaan met een metalen pijpje en het herhaalde slaan met handen/vuisten door [slachtoffer] verdedigd met zijn handen en ongeschoeide voeten. Met name door het herhaalde schoppen tegen het hoofd zijn de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden. Verdachte heeft in die verdedigingshandelingen echter geen wapen betrokken, zoals een mes of een vuurwapen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte met zijn verdedigingshandelingen de grenzen van de noodzakelijke verdediging dan ook niet in zo’n verregaande mate heeft overschreden dat daarmee de verhouding tot de wederrechtelijke aanrandingshandelingen zoek is.

De aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging

Verdachte zelf heeft verklaard dat hij boos was omdat [slachtoffer] hem had aangevallen met de metalen pijp. Getuigen die verdachte hebben gezien en gehoord toen hij [slachtoffer] tegen het hoofd aan het schoppen was, hebben verklaard dat verdachte niet stopte met schoppen (getuige [getuige 1] ) en dat het leek alsof de schoppende persoon kortsluiting had in zijn hoofd, omdat hij maar bleef doorgaan (getuige [getuige 2] ). Tijdens het schoppen was verdachte aan het schreeuwen (getuige [getuige 3] ). Ook is gehoord dat verdachte aan het tieren was (getuige [getuige 4] ).

Gelet op al deze verklaringen is de rechtbank van oordeel dat ten tijde van de verdedigings-handelingen bij verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging. Uit de verklaringen van de getuigen volgt dat verdachte meer dan alleen maar boos was. Vooral de omstandigheden dat verdachte maar bleef schoppen en dat het leek alsof hij kortsluiting had in zijn hoofd acht de rechtbank sterke aanwijzingen dat de door verdachte beschreven boosheid zeer intens was.

Het tijdsverloop tussen de aanranding en de verdedigingshandeling

Het tijdsverloop tussen de (doorlopende) aanranding en de verdedigingshandelingen was kort. De verdedigingshandelingen begonnen met het duwen naar de grond van [slachtoffer] en die handeling volgde direct op de aanval van [slachtoffer] bij de voordeur toen verdachte naar buiten liep.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat bij verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging en dat die het onmiddellijke gevolg was van de wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] . Dat laatste gezien het korte tijdsverloop tussen die aanranding en de verdedigingshandelingen, en de verklaring van verdachte dat hij boos was omdat [slachtoffer] hem met een metalen pijp op het hoofd had geslagen. Als onmiddellijk gevolg van de hevige gemoedsbeweging is verdachte met zijn verdedigingshandelingen bestaande uit het tegen het hoofd schoppen van [slachtoffer] , verder gegaan dan geboden was. Verdachte is daarbij wel binnen de grenzen gebleven van wat binnen het kader van noodweer-exces nog aanvaardbaar is, in verhouding tot de tegen hemzelf gepleegde geweldshandelingen.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat sprake is van noodweer-exces, zodat zij verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging.

6 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 16.443,57 voor het feit.

Omdat aan verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd in verband met het bewezenverklaarde feit zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

7 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Poging tot doodslag

- verklaart verdachte niet strafbaar voor het bewezen verklaarde en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

-veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. van Voorthuizen, voorzitter, mr. G.H. Nomes en

mr. E.J. Zuijdweg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Moggré-Hengst, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 september 2019.

Mr. Van Voorthuizen en mr. G.H. Nomes zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 20 augustus 2019.

2 Verklaring van [slachtoffer] van 14 mei 2019, pagina 78, tweede en tiende alinea.

3 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 20 augustus 2019.

4 Proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres slachtoffer] Oostburg), pagina 88, onder ‘aanleiding onderzoek’, en pagina 91, vierde alinea; een foto van de pijp is te zien op pagina 106, foto 22, en pagina 107, foto 23 en 24.

5 Letselrapportage van 26 april 2019 betreffende verdachte, pagina 36, met foto’s van het letsel op pagina 37, 38 en 39.

6 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 20 augustus 2019.

7 Proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres slachtoffer] Oostburg), pagina 90, laatste alinea.

8 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 20 augustus 2019

9 Verklaring van getuige [getuige 1] van 26 april 2019, pagina 46.

10 Verklaring van getuige [getuige 2] van 26 april 2019, pagina 53 en pagina 54, eerste tot en met zesde alinea, en achtste alinea.

11 Attest voor de politie van het UZ Gent van 26 april 2019, pagina 70.

12 Geneeskundige verklaring van 6 juni 2019 van arts S. van Berkum van Revant-revalidatiecentrum Lindenhof te Goes, pagina 76.