Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:3795

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-08-2019
Datum publicatie
29-11-2019
Zaaknummer
BRE - 19 _ 1106
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

BPM. Verwijzingsuitspraak. Het bezwaar van belanghebbende is niet ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond verklaard. Ook het verzet hiertegen is ongegrond verklaard. In cassatie is de uitspraak van de rechtbank vernietigd uitsluitend voor zover niet is beslist op het verzoek om vergoeding van immateriële schade in verband met de redelijke termijn. De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat de in aanmerking te nemen termijn pas eindigt bij het doen van de verwijzingsuitspraak. De in aanmerking te nemen termijn is geëindigd bij het doen van de uitspraak in verzet. Voor de verwijzingsuitspraak zelf is een nieuwe termijn gaan lopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 02-12-2019
V-N Vandaag 2019/2737
FutD 2019-3213
NTFR 2020/170 met annotatie van Mr. K.M.G. Demandt
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 19/1106

uitspraak van 22 augustus 2019

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

[belanghebbende] BV, gevestigd te [plaats X],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

Betreft

Het verzoek van belanghebbende om toekenning van een immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2019 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Westerhoven, vergezeld van [A] en [B], en namens de inspecteur, [verweerder]. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift tegelijk met een afschrift van deze uitspraak naar partijen wordt gezonden.

1 Beslissing

De rechtbank

veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van:

  • -

    de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 2.000;

  • -

    de proceskosten van belanghebbende van € 640;

  • -

    het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 333;

en beslist

- dat, indien de immateriëleschadevergoeding, de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase en/of de vergoeding van griffierecht niet tijdig wordt vergoed, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.

2 Gronden

2.1.

Op 3 april 2014 heeft de inspecteur een bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen. Met dagtekening 16 mei 2017 heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn. Bij uitspraak van 24 augustus 2017 heeft rechtbank Gelderland met toepassing van artikel 8:54 van de Awb het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het tegen die uitspraak gedane verzet is bij uitspraak van 24 november 2017 ongegrond verklaard. Tegen deze verzetuitspraak heeft belanghebbende cassatieberoep ingesteld. De klachten in cassatie zagen er alleen op dat niet is beslist op het verzoek om immateriëleschadevergoeding.

2.2.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 15 februari 2019, nr. 17/06102, ECLI:NL:HR:2019:241, (hierna: het verwijzingsarrest) het beroep in cassatie gegrond verklaard, de verzetuitspraak van rechtbank Gelderland vernietigd doch uitsluitend voor zover daarin ontbreekt een beslissing op het verzoek om immateriëleschadevergoeding, en het geding verwezen naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant voor de behandeling van dat verzoek. Ook dient de rechtbank te beslissen over de vergoeding van proceskosten van belanghebbende in de procedure bij rechtbank Gelderland.

2.3.

Partijen zijn het er over eens dat de periode die in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van de hoogte van de immateriëleschadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn, aanvangt op 3 april 2014, de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door de inspecteur.

2.4.

Wat betreft het einde van de in aanmerking te nemen termijn rijst de vraag of (a) de termijn is geëindigd op het moment van de verzetuitspraak en een nieuwe termijn is gestart na verwijzing door de Hoge Raad, dan wel (b) de termijn pas eindigt met het doen van de onderhavige uitspraak. Deze vraag rijst onder meer omdat in elk geval vanaf de cassatieprocedure het inhoudelijke geschil niet meer aan de orde was.

Belanghebbende bepleit de juistheid van opvatting (b), zij het dat belanghebbende – terecht1 – erkent dat de duur van de cassatiefase niet in aanmerking wordt genomen bij de bepaling van de duur van de berechting van de zaak in eerste aanleg. De inspecteur heeft zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

2.5.

De rechtbank overweegt als volgt:

- Voor de door belanghebbende bepleite opvatting (b) is in zeker opzicht steun te vinden in de jurisprudentie van de CRvB. In die jurisprudentie is namelijk in de kern beslist dat de omstandigheid dat reeds op een eerder moment een einde is gekomen aan het inhoudelijke geschil, niet eraan afdoet dat, voor de in aanmerking te nemen termijn, een procedure pas definitief beëindigd is wanneer ook beslist is over de nevengeschillen/vorderingen die verband houden met de hoofdzaak, zoals verzoeken om veroordeling tot vergoeding in de proceskosten en tot schadevergoeding.2

- Daartegenover staat dat betoogd kan worden dat, gelet op rechtsoverweging 3.4.2 van het overzichtsarrest van de Hoge Raad,3 de termijn is geëindigd op het moment van de verzetuitspraak, wat overeenkomt met opvatting (a). In die rechtsoverweging heeft de Hoge Raad namelijk overwogen voor gevallen waarin sprake is geweest van een vereenvoudigde behandeling gevolgd door een verzetprocedure: “In die gevallen eindigt de voor de berechting in eerste aanleg in aanmerking te nemen termijn, (i) indien de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaart: op het moment van de uitspraak waarbij de rechtbank die beslissing neemt, mits tegen die uitspraak niet tijdig beroep in cassatie wordt ingesteld of die uitspraak in cassatie stand houdt (…).” Betoogd kan worden dat de onderhavige situatie onder situatietype (i) valt, aangezien het verzet ongegrond is verklaard, tegen die ongegrondverklaring als zodanig geen cassatieklachten zijn gericht, en de verzetuitspraak niet is vernietigd op het punt van de ongegrondverklaring. Voor dit betoog is ook steun te vinden in de omstandigheid dat de onderhavige situatie niet goed onder het alternatieve situatietype (ii) valt te scharen (“(ii) indien het verzet gegrond wordt verklaard, hetzij door de rechtbank hetzij door de Hoge Raad: ten tijde van de uitspraak die de rechtbank vervolgens doet nadat zij het onderzoek op de voet van artikel 8:55, lid 9, Awb heeft voortgezet.”). Hier is immers geen sprake van voortzetting van het onderzoek als bedoeld in artikel 8:55, negende lid, van de Awb (want er is geen sprake van een gegrond verzet) maar alleen van een verwijzing om te beslissen op het verzoek om immateriëleschadevergoeding.

- Betoogd zou echter kunnen worden dat de onderhavige situatie atypisch is en afwijkt van de voormelde twee standaardsituatietypen waarop het overzichtsarrest ziet, en dat aan het overzichtsarrest in zoverre daarom geen duidelijkheid kan worden ontleend wat betreft het einde van de termijn in een situatie zoals hier. Voor dat geval lijkt het voor de hand te liggen om aansluiting te zoeken bij de jurisprudentie over de redelijke termijn bij verwijzing. Daarbij geldt dat indien de Hoge Raad de bestreden uitspraak vernietigt en het geding verwijst naar een gerechtshof of een rechtbank, als uitgangspunt heeft te gelden dat de verwijzingsrechter uitspraak doet binnen een jaar na het arrest van de Hoge Raad.4 Dit pleit ook voor opvatting (a).

- Tot slot pleit voor opvatting (a) dat vanaf de cassatieprocedure de onderhavige zaak materieel grote gelijkenis vertoont – aangezien de zaak alleen nog gaat over het verzoek om immateriële-schadevergoeding – met het geval waarin de rechter bij zijn uitspraak in de hoofdzaak het onderzoek met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73, lid 2, Awb heeft heropend om een nadere uitspraak te doen over het verzoek om immateriëleschadevergoeding. In dat laatste geval loopt de termijn ook niet door en gaat voor zo’n procedure over immateriëleschadevergoeding een nieuwe redelijke termijn lopen van één jaar.5

2.6.

Alles afwegende gaat de rechtbank uit van voormelde opvatting (a). De door belanghebbende aangehaalde zaak Gascogne, ECLI:EU:C:2013:770, geeft geen aanleiding voor ander oordeel, aangezien daaruit niet valt af te leiden dat de duur van de schadevergoedingsprocedure meetelt bij de beoordeling in hoeverre de redelijke termijn is overschreden in de hoofdzaak.

2.7.

Dit betekent dat de in aanmerking te nemen termijn is geëindigd op 24 november 2017. Hieruit volgt dat de immateriëleschadevergoeding moet worden berekend over de periode van 3 april 2014 tot en met 24 november 2017. Gelet daarop wordt de door belanghebbende gevraagde vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toegewezen voor € 2.000. In de beroepsprocedure voor de rechtbank Gelderland is geen sprake geweest van overschrijding van de redelijke termijn, zodat de inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding van de immateriële schade aan belanghebbende.

2.8.

Verder dient – gelet op voormelde opvatting (a): nieuwe termijn aangevangen – de rechtbank te beoordelen of bij de behandeling van de onderhavige verwijzingszaak de redelijke termijn is overschreden. Aangezien die termijn één jaar bedraagt te rekenen vanaf het verwijzingsarrest van de Hoge Raad, is daarvan geen sprake.

Vergoeding griffierecht

2.9.

Belanghebbende heeft recht op vergoeding, door de inspecteur, van het door haar betaalde griffierecht in de procedure bij rechtbank Gelderland van € 333.

Vergoeding proceskosten

2.10.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 640 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij deze rechtbank met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 0,5). Een wegingsfactor 0,5 acht de rechtbank hier aangewezen, nu uitsluitend recht op proceskostenvergoeding bestaat in verband met het toekennen van een immateriëleschadevergoeding.6 De rechtbank ziet geen gronden voor een veroordeling in de werkelijke proceskosten van belanghebbende, ook niet op grond van het Unierecht. Het beroep op de zaak Gascogne, ECLI:EU:C:2013:770, geeft geen aanleiding voor ander oordeel. Belanghebbende betoogt weliswaar met juistheid dat gelet op de overschrijding van de redelijke termijn de onrechtmatigheid gegeven is, maar dat brengt nog niet mee dat een hogere proceskostenvergoeding geboden is.

Dient rente over het griffierecht, de immateriëleschadevergoeding en de proceskostenvergoeding te worden vergoed?

2.11.

Belanghebbende heeft recht op een vergoeding van wettelijke rente indien de immateriëleschadevergoeding, het griffierecht en/of proceskostenvergoeding voor de beroepsfase niet aan belanghebbende wordt uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak.7 Er is geen aanleiding om met betrekking tot de vergoeding van griffierecht de rente op een eerder moment in te laten gaan, ook niet op grond van het Unierecht.8

Verzoek om stellen prejudiciële vragen

2.12.

Belanghebbende heeft verzocht om op de voet van artikel 267 van het VWEU ter zake van de geschilpunten waarbij een beroep op het Unierecht is gedaan, prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. De rechtbank ziet in al hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen reden om een of meer prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen en gaat daarom voorbij aan het verzoek van belanghebbende. Anders dan belanghebbende betoogt, is de rechtbank niet verplicht tot het stellen van prejudiciële vragen. De stelling van belanghebbende dat dit volgt uit zaken zoals de recente zaak Eurobolt, ECLI:EU:C:2019:555, en daarbij kennelijk de rechtsoverwegingen 28 en 29 baat hem niet. Daarbij gaat het namelijk om een ander leerstuk, namelijk de kwestie in hoeverre een nationale rechter onderzoek mag doen en mag oordelen over de geldigheid van een handeling van (een instelling van) de Unie. Hier gaat het echter niet om een dergelijke handeling.

Slotsom

2.13.

Op grond van al het vorenoverwogene is beslist als hiervoor is vermeld.

Deze uitspraak is gedaan op 22 augustus 2019 door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Mattijssen, griffier, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rov. 3.4.2.

2 Bijv. CRvB 15 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2209 en CRvB 31 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2601.

3 HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.

4 HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rov. 3.4.5.

5 HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rov. 3.3.2 en 3.4.6.

6 Vgl. Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660 en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15 november 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4638.

7 Hoge Raad 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358.

8 Hoge Raad 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623.