Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:377

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-02-2019
Datum publicatie
15-04-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 4731
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting; zonnepanelenzaak van een persoon die reeds OB-ondernemer was. Belanghebbende is ondernemer voor de omzetbelasting. Belanghebbende heeft in december 2017 het verzoek gedaan “de omzetbelasting voor het jaar 2011 te herzien” in verband met aan hem in rekening gebrachte omzetbelasting bij de aanschaf van zonnepanelen. De inspecteur heeft het verzoek aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering (of teruggaaf) als bedoeld in artikel 65 van de AWR en dat verzoek is afgewezen omdat het verzoek is gedaan buiten de vijfjaarstermijn. De rechtbank oordeelt dat zij geen oordeel mag geven over deze beslissing. Een beslissing op een verzoek om ambtshalve vermindering op grond van artikel 65 van de AWB is namelijk geen voor bezwaar vatbare beschikking. Wel is het beroep om een formele gegrond. De inspecteur had het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 65
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 15-04-2019
V-N Vandaag 2019/888
V-N 2019/27.18.4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 18/4731

uitspraak van 7 februari 2019

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [plaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 11 juni 2018 betreffende een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting over het jaar 2011.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2019 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens de inspecteur, [naam] , [naam] en [naam] . Belanghebbende en zijn gemachtigde zijn, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar behoudens de afwijzende beslissing over de kostenvergoeding;

  • -

    verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 256;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 170 aan deze vergoedt.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende is vanaf 1 januari 2004 ondernemer voor de omzetbelasting. In maart 2011 heeft hij op zijn privé-woning zonnepanelen laten plaatsen. De daarbij in rekening gebrachte omzetbelasting heeft belanghebbende in 2011 niet in zijn aangifte(n) omzetbelasting als voorbelasting in aftrek gebracht.

2.2.

Bij brief van 29 december 2017 heeft belanghebbende het verzoek gedaan “de omzetbelasting voor het jaar 2011 te herzien” en heeft hij teruggave gevraagd van het betaalde bedrag aan omzetbelasting ter zake van zonnepanelen van € 1.982,92.

2.3.

Het biljet van 12 mei 2018 vermeldt een teruggaaf van nihil en als motivering dat het verzoek niet binnen de gestelde termijn is ingediend. Hiertegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 11 juni 2018 heeft de inspecteur gemeld dat het verzoek om ambtshalve vermindering terecht niet-ontvankelijk is verklaard en heeft de inspecteur het bezwaar afgewezen.

2.4.

Belanghebbende komt tegen de beslissing op met verschillende argumenten.

Geen inhoudelijke beoordeling

2.5.

De rechtbank is van oordeel dat zij niet aan een inhoudelijke beoordeling kan toekomen. De rechtbank motiveert dit als volgt.

2.5.1.

De beslissing bij brief van 12 mei 2018 blinkt niet uit in helderheid wat betreft hoe de inspecteur het in 2.2 vermeld verzoek heeft aangemerkt. Uit de uitspraak op bezwaar blijkt duidelijker dat de inspecteur het verzoek (eerder) heeft aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering (of teruggaaf) als bedoeld in artikel 65 van de AWR en dat het verzoek is afgewezen omdat het verzoek is gedaan buiten de vijfjaarstermijn. Deze kwalificatie als verzoek om ambtshalve vermindering is door belanghebbende in beroep niet bestreden.

2.5.2.

Een beslissing op een verzoek om ambtshalve vermindering op grond van artikel 65 van de AWR is niet aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking. Gelet op het zogenoemde gesloten stelsel van rechtsmiddelen staat dan geen beroep open (artikel 26 van de AWR) en daarmee ook geen bezwaar (artikel 7:1 van de Awb). Dit betekent dat de rechtbank niet bevoegd is een inhoudelijk oordeel te geven over de ambtshalve beslissing op grond van artikel 65 van de AWR, dus ook niet over de door belanghebbende opgeworpen kwesties zoals of de beslissing in overeenstemming is met het Besluit Fiscaal Bestuursrecht en of de overschrijding van de vijfjaarstermijn redelijkerwijs aan belanghebbende kan worden tegengeworpen. De civiele rechter is als restrechter bevoegd.

Waarom dan toch een gegrond beroep?

2.6.

Het voorgaande betekent niet dat de rechtbank niet bevoegd is om deze beroepszaak te behandelen. Aangezien een beslissing op grond van artikel 65 van de AWR een ingevolge de belastingwet genomen besluit is en ter zake daarvan een uitspraak op bezwaar is gedaan, is de rechtbank wel bevoegd om te oordelen of die uitspraak op bezwaar juist is (vgl. HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:505, rov. 2.6.1). De rechtbank is van oordeel dat de bestreden uitspraak op bezwaar niet juist is. Het bezwaar is namelijk op inhoudelijke gronden afgewezen, terwijl het niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard (vgl. HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:505, rov. 2.6.3). Dat is de reden waarom het beroep gegrond is, en de rechtbank het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Ten overvloede

2.7.

Hiervoor is bij 2.5.1 opgemerkt dat niet bestreden is dat de inspecteur het verzoek van belanghebbende heeft aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat een kwalificatie van het verzoek als bezwaar tegen de voldoening op aangifte in 2011 (of tegen een eventuele teruggaafbeschikking die in 2011 is gegeven), belanghebbende evenmin had kunnen helpen. In dat geval zou immers het bezwaar wegens overschrijding van de bezwaartermijn van zes weken niet-ontvankelijk zijn. Daaraan zou niet kunnen afdoen de aangevoerde omstandigheid dat ten tijde van de aanschaf van de zonnepanelen het volgens de Belastingdienst niet mogelijk was om de omzetbelasting ter zake daarvan als vooraftrek in aanmerking te nemen. Die omstandigheid belet niet dat belanghebbende bezwaar had kunnen maken binnen de bezwaartermijn; belanghebbende had dat standpunt van de Belastingdienst kunnen bestrijden.

Proceskostenveroordeling

2.8.

De omstandigheid dat het beroep gegrond is, geeft aanleiding om de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 256 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat een wegingsfactor 0,5 hier gepast is, omdat hier sprake is van een “dictum”-fout van de inspecteur en deze situatie op een lijn valt te stellen met de gevallen waarvoor de wegingsfactor 0,5 als richtsnoer wordt gehanteerd in de overzichtsuitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15 november 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4638. Tevens krijgt belanghebbende het griffierecht vergoed.

Deze uitspraak is gedaan op 7 februari 2019 door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van D. Alblas, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.