Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:3747

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-08-2019
Datum publicatie
20-08-2019
Zaaknummer
02-023171-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Medeplegen vrijheidsberoving. Strafmaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/023171-19

vonnis van de meervoudige kamer van 19 augustus 2019

in de strafzaak tegen

[Verdachte]

geboren op [Geboortedag] 1992 te [geboorteplaats]

wonende te [Adres]

raadsman mr. N.A. Koole, advocaat te Middelburg

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 augustus 2019 waarbij de officier van justitie mr. Oosterveld en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

1.

zij op of omstreeks 19 januari 2019 te Vlissingen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of haar mededader(s) voorgenomen misdrijf om [Slachtoffer ] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans

opzettelijk, van het leven te beroven, die [Slachtoffer ] met een wurggreep bij de nek heeft beetgepakt en/of op de grond heeft geduwd en/of (vervolgens) de voeten en/of armen van die [Slachtoffer ] heeft vast getapet en/of de ogen heeft afgetapet en/of die [Slachtoffer ] meermalen in het gezicht heeft geschopt/getrapt en/of geslagen/gestompt en/of tegen die [Slachtoffer ] heeft gezegd “eigenlijk zou ik je dood moeten schieten” althans woorden van gelijke aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art 289/287/45 SR)

( art 289 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 19 januari 209 te Vlissingen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [Slachtoffer ] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak en/of (een) (af)gescheurd(e) oor/oren en/of meerdere bloeduitstortingen en/of kneuzingen en/of een hersenschudding heeft toegebracht door die [Slachtoffer ] met een wurggreep bij de nek beet te pakken en/of op de grond te duwen en/of door die [Slachtoffer ] vast te tapen en/of de ogen af te tapen en/of die [Slachtoffer ] (vervolgens) meermalen in het gezicht te schoppen/trappen en/of te slaan/stompen;

(art 303/302 SR)

( art 303 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 19 januari 2019 te Vlissingen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of haar mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [Slachtoffer ] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [Slachtoffer ] met een wurggreep bij de nek heeft beetgepakt en/of op de grond heeft geduwd en/of (vervolgens) de voeten en/of armen van die [Slachtoffer ] heeft vast getapet en/of de ogen heeft afgetapet en/of die [Slachtoffer ] meermalen in het gezicht heeft geschopt/getrapt en/of geslagen/gestompt en/of tegen die [Slachtoffer ] heeft gezegd “eigenlijk zou ik je dood moeten schieten” althans woorden van gelijke aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art 303/302 jo 45 SR)

( art 303 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

2

zij op of omstreeks 19 januari 2019 te Vlissingen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [Slachtoffer ] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door die [Slachtoffer ] in een woning vast te houden door de (voor)deur af te sluiten en/of door die [Slachtoffer ] vast te tapen aan voeten en/of armen en/of de ogen van die [Slachtoffer ] af te tapen;

(art 282 SR)

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht,

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[Medeverdachte 1] op of omstreeks 19 januari 2019 te Vlissingen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [Slachtoffer ] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door die [Slachtoffer ] in een woning vast te houden door de (voor)deur af te sluiten en/of door die [Slachtoffer ] vast te tapen aan voeten en/of armen en/of de ogen van die [Slachtoffer ] af te tapen,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf zij, verdachte op of omstreeks 19 januari 2019 te Vlissingen opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door die [Slachtoffer ] via de snapchat, in elk geval via social media, uit te nodigen om naar haar woning te komen en/of (vervolgens) de deur voor hem te openen en /of die [Slachtoffer ] binnen in de woning tegen de grond te duwen;

(art 282 jo 48 SR)

( art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair onder 1 en 2 tenlastegelegde. Zij voert daartoe aan dat uit het dossier blijkt dat [Slachtoffer ] (verder: [Slachtoffer ] ) in de woning van [Verdachte] is vastgebonden en tegen zijn hoofd is geslagen en geschopt als gevolg waarvan hij fors letsel heeft opgelopen. De rol van verdachte bestond hierin dat zij [Slachtoffer ] met een Snapchatbericht in haar woning heeft gelokt, de achterdeur vervolgens achter hem op slot heeft gedaan en de sleutel uit het slot heeft gehaald en hem niet heeft gewaarschuwd dat [Medeverdachte 1] en [Medeverdachte 2] ook in haar woning waren. Ook blijkt uit de verklaringen van [Slachtoffer ] , [Medeverdachte 1] en [Medeverdachte 2] dat zij een rol heeft gehad bij het gebruikte geweld tegen [Slachtoffer ] en het vastbinden van hem. Verdachte heeft niets gedaan om [Slachtoffer ] te helpen. Zo bleef zij in de woning en heeft zij niet 112 gebeld. Zij heeft zelfs de politie afgepoeierd die aan de deur kwam vanwege geluidsoverlast, het uitgelezen moment om hulp in te schakelen. Het door [Medeverdachte 1] toegepaste geweld op [Slachtoffer ] had tot de dood kunnen leiden. Doordat dit geweld in haar aanwezigheid is gebruikt en zij niets heeft gedaan om [Slachtoffer ] te helpen, heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg, de dood, kon intreden. Volgens de officier van justitie kunnen deze gedragingen van verdachte dan ook worden gekwalificeerd als het medeplegen van poging moord en het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak van de twee tenlastegelegde feiten, omdat er bij verdachte geen sprake is geweest van opzet daarop ook niet in voorwaardelijke zin. De enige bijdrage die verdachte aan de feiten heeft geleverd is een afspraak maken met [Slachtoffer ] in haar woning. Dat was haar echter wel opgedragen door [Medeverdachte 1] . Bij de feitelijke handelingen die in haar woning hebben plaatsgevonden is zij niet betrokken geweest. Dat blijkt ook uit de verklaring van [Slachtoffer ] die zegt dat verdachte bij de eettafel stond en niets deed. Volgens hem zei verdachte: “Laat hem”. Verdachte wist en hoefde ook niet te weten dat [Slachtoffer ] op deze wijze mishandeld zou gaan worden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feiten 1 en 2

Op basis van het dossier gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Verdachte en medeverdachte [Medeverdachte 1] hadden een affectieve relatie met een problematisch verloop, waaronder huiselijk geweld. De relatie is eind 2018 geëindigd. Zij hebben samen drie, nog minderjarige, kinderen, die ten tijde van de feiten bij verdachte woonden. Op enig moment is [Medeverdachte 1] er achter gekomen dat verdachte contacten onderhield met de hem bekende [Slachtoffer ] en dat deze mogelijk compromitterende filmpjes van haar op zijn telefoon had. [Medeverdachte 1] heeft dat verdachte verteld. Hij wilde [Slachtoffer ] hierop aanspreken en zijn telefoon uitlezen1.

Op 19 januari 2019 heeft verdachte via Snapchat een bericht naar [Slachtoffer ] gestuurd, waarin zij vroeg of hij wilde komen chillen23. [Slachtoffer ] is hierop naar de woning van verdachte gegaan en daar heeft zij voor hem de achterdeur geopend. Verdachte heeft daarna de achterdeur weer afgesloten en de sleutel uit het slot gehaald45. Op dat moment waren [Medeverdachte 1] en [Medeverdachte 2] ook al in de woning van verdachte aanwezig6. Op het moment dat [Slachtoffer ] dat ontdekte, probeerde hij via de achterdeur te vluchten, maar dat lukte niet omdat de achterdeur op slot zat7. Toen heeft [Medeverdachte 1] hem vastgepakt in een wurggreep en is een gevecht ontstaan. Daarbij heeft [Medeverdachte 1] [Slachtoffer ] met zijn vuisten op zijn hoofd geslagen8. Met z’n drieën hebben ze [Slachtoffer ] op de grond geduwd910. Daarna is [Slachtoffer ] met touw en tape door [Medeverdachte 1] en [Medeverdachte 2] aan zijn armen en benen vastgebonden1112. Ook zijn zijn ogen afgetapet geweest13.

[Slachtoffer ] heeft een hersenschudding, forse bloeduitstortingen aan de linker- en rechter oogkas, een wond aan het linkeroor, een kaakfractuur en een kneuzing aan de rechter bovenarm opgelopen. Voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van de ambts-/beroepbezigheden wordt niet waarschijnlijk geacht. De tijdelijke verhindering daarin wordt geschat op minimaal enkele dagen14.

feit 1

De onder feit 1 tenlastegelegde varianten zien alle op de geweldshandelingen die zijn gepleegd tegen [Slachtoffer ] gerelateerd aan het daardoor door hem opgelopen letsel. Vast staat dat verdachte [Slachtoffer ] , nadat [Medeverdachte 1] [Slachtoffer ] in een wurgreep bij de nek had beetgepakt en hem meermalen in het gezicht had geslagen, samen met de beide medeverdachten, op de grond heeft geduwd. Andere geweldshandelingen heeft zij zelf niet verricht. Het procesdossier bevat geen bewijsmiddelen dat het opzet van verdachte, ook niet in voorwaardelijke zin, gericht was op de andere door haar medeverdachten verrichte geweldshandelingen. Welswaar had verdachte [Slachtoffer ] bij wijze van een vooropgezet plan naar haar woning gelokt en wist zij dat [Medeverdachte 1] agressief kon zijn, maar daarmee aanvaardde zij niet welbewust de aanmerkelijke kans dat de ontmoeting met [Slachtoffer ] zodanig uit de hand kon lopen. De intentie was steeds om [Slachtoffer ] aan te spreken op eventuele compromitterende foto’s en/of filmpjes op zijn telefoon. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de onder feit 1 tenlastegelegde varianten.

Bewijsoverweging feit 2

De rechtbank acht op grond van het voorgaande in onderlinge samenhang bezien wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [Slachtoffer ] . Verdachte heeft [Slachtoffer ] immers naar haar woning gelokt met het doel om met hem te praten en zijn telefoon uit te lezen. Zij heeft er ook voor gezorgd dat hij de woning niet kon verlaten, door de deur met de sleutel af te sluiten en de sleutel uit het slot te halen. Op het moment dat [Slachtoffer ] in de gaten kreeg dat er meer aan de hand was dan een avondje “chillen” en hij wilde vluchten, heeft verdachte, nadat [Medeverdachte 1] hem in een wurggreep bij de nek had beetgepakt en hem meerdere malen in het gezicht had geslagen, geholpen om hem naar de grond te duwen, zodat hij door de medeverdachten kon worden vastgebonden en zijn ogen konden worden afgetapet. Daarmee heeft verdachte een wezenlijke bijdrage geleverd aan de vrijheidsberoving van [Slachtoffer ] .

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2.

op 19 januari 2019 te Vlissingen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [Slachtoffer ] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [Slachtoffer ] in een woning vast te houden door de deur af te sluiten en door die [Slachtoffer ] vast te tapen aan voeten en armen en de ogen van die [Slachtoffer ] af te tapen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1

De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5.2

De strafbaarheid van verdachte

5.2.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging doet een beroep op psychische overmacht van verdachte. De raadsman van verdachte voert daartoe aan dat verdachte de relatie met [Medeverdachte 1] eind 2018 heeft beëindigd en hij dit niet accepteert, waardoor hij haar sindsdien stalkt. Deze langdurige, intensieve en extreme vorm van stalking heeft ervoor gezorgd dat zij in een toestand van psychische overmacht is geraakt. Zij heeft van de stalking door [Medeverdachte 1] herhaaldelijk bij de politie meldingen en aangiftes gedaan. Ook heeft zij hulp gezocht bij de instelling Emergis. Dit heeft echter niet afdoende geholpen. Hierdoor bevond zij zich medio januari 2019 in een onveilige, angstige, uitzichtloze en onmachtige positie waardoor zij geen andere uitweg zag dan te doen wat [Medeverdachte 1] van haar eiste. Verdachte moet dan ook worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

5.2.2

Het standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie moet het beroep op psychische overmacht worden verworpen. Weliswaar was er tussen [Medeverdachte 1] en verdachte sprake van en knipperlichtrelatie, waarbij verdachte slecht opgewassen leek tegen [Medeverdachte 1] , maar er is ook gebleken dat verdachte de geboden hulp daarvoor niet aanpakte. Zij heeft meldingen bij de politie gedaan maar heeft deze niet doorgezet en is zelf ook regelmatig aanleiding van escalaties geweest. Verdachte heeft zichzelf dan ook in de situatie gebracht die met [Slachtoffer ] in haar woning is ontstaan.

5.2.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt ten aanzien van het beroep van de verdediging op psychische overmacht het volgende. Van psychische overmacht is sprake in geval van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet hoefde te bieden. De vraag die de rechtbank dan ook moet beantwoorden is of hiervan bij verdachte sprake is geweest. Daarbij valt haar in de eerste plaats op dat verdachte in haar verklaringen bij de politie nooit ter sprake heeft gebracht dat het lastig vallen door haar ex-partner van zodanige aard was dat zij hieraan geen weerstand heeft kunnen bieden. Verder zijn voor een dergelijke drang naar het oordeel van de rechtbank in het dossier onvoldoende aanknopingspunten te vinden. Het dossier bevat weliswaar aanwijzingen dat verdachte moeite had om naar haar ex-partner grenzen aan te geven. Maar er is ook gebleken dat zij hiervoor hulp aangeboden heeft gekregen, zowel door de politie als door de instelling Emergis, en dat zij die hulp niet doorzette of niet ter harte nam. Het komt de rechtbank dan ook voor dat verdachte toch telkens haar eigen keuzes maakte in het contact met haar ex-partner. Naar het oordeel van de rechtbank is verdachte daardoor verwijtbaar in de situatie in haar woning met [Slachtoffer ] terechtgekomen.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat niet aannemelijk is geworden dat er bij verdachte sprake was van psychische overmacht en verwerpt dit verweer.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen zij bewezen acht aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van achttien maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. In afwijking van het reclasseringsadvies vraagt zij toch om als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht op te leggen inhoudende een meldplicht en een ambulante behandeling/begeleiding die die de reclassering noodzakelijk acht. De officier van justitie voert aan dat tegen dit soort feiten serieus moet worden opgetreden, zodat niet alleen aan verdachte maar ook aan de samenleving duidelijk wordt gemaakt dat men niet voor eigen rechter mag spelen. Zij houdt er bij haar eis rekening mee dat verdachte heeft meegedaan met de medeverdachten en daarmee geen enkele blijk van verantwoordelijkheid heeft getoond. De bijzondere voorwaarden acht zij aangewezen omdat zij aan de ene kant ziet dat verdachte slecht is opgewassen tegen [Medeverdachte 1] maar ook dat zij de toegereikte helpende hand niet aanneemt.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Wanneer de gevoerde verweren niet worden gevolgd, bepleit de raadsman van verdachte om aan haar een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen. De raadsman van verdachte verwijst daarbij naar het reclasseringsrapport. Verder voert hij aan dat verdachte moeder is van drie kinderen, dat zij een eigen woning heeft en dat aannemelijk is dat zij dit niet heeft gewild.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich samen met de twee medeverdachten schuldig gemaakt aan het wederrechtelijk beroven en beroofd houden van de vrijheid van [Slachtoffer ] . Verdachte heeft het slachtoffer naar haar woning gelokt en ervoor gezorgd dat hij de woning niet kon verlaten.

Toen het slachtoffer ontdekte dat het een valstrik was en de twee mededaders in de gang van de woning aantrof, wilde hij zich hieraan onttrekken wat niet kon omdat de deur op slot zat. Het is tot een worsteling gekomen. Door medeverdachte [Medeverdachte 1] is daarbij flink geweld gebruikt met als gevolg fors letsel aan het hoofd van [Slachtoffer ] . Hij is vervolgens op de grond geduwd en met touw en tape vastgebonden en vervolgens door één van de mededaders op intimiderende en dreigende wijze bevraagd over zijn contacten met verdachte. Het slachtoffer heeft deze feiten als zeer intimiderend, bedreigend en beangstigend ervaren en daarbij zelfs gedacht dat hij dood zou gaan. Weliswaar kan het toegepaste geweld verdachte niet worden verweten, maar vastgesteld kan wel worden dat dit zonder haar medewerking niet had plaatsgevonden. Met het plegen van dit feit heeft verdachte niet alleen een forse inbreuk gemaakt op de privacy en de bewegingsvrijheid van het slachtoffer maar ook op zijn geestelijke integriteit. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Hoewel verdachte persoonlijk geen aandeel heeft gehad in het toegepaste geweld op het slachtoffer als gevolg waarvan hij fors letsel heeft opgelopen, weegt de rechtbank de ernst van dit geweld en de gevolgen daarvan in strafverzwarende zin wel mee bij de strafoplegging. Dit omdat het geweld in haar woning en haar aanwezigheid heeft plaatsgevonden zonder een poging te doen dat tegen te gaan.

De rechtbank maakt uit het strafblad van 8 juli 2019 op dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit met politie en justitie in aanraking is geweest en daaruit geen strafverzwarende omstandigheid naar voren komen.

Daarnaast maakt de rechtbank uit het over verdachte opgestelde reclasseringsadvies van 19 juli 2019 op dat zij een problematische relatie met haar ex-partner heeft gehad en hij haar na de verbreking van de relatie lastig is blijven vallen. Verdachte woonde ten tijde van het feit samen met haar drie kinderen in een huurwoning en zij ontvangt een bijstandsuitkering. De kinderen wonen momenteel bij de moeder van medeverdachte [Medeverdachte 1] . Verdachte heeft geen schulden maar staat onder bewind om goed rond te kunnen komen. Na haar aanhouding heeft zij vrijwilligerswerk opgestart en zich ingeschreven voor een opleiding. Ook krijgt verdachte begeleiding vanuit Emergis, team GIA (geweld in afhankelijkheidsrelaties) gericht op individuele hulp voor het omgaan met haar ex-partner en ook als ondersteuning en veiligheid voor haar kinderen. Er zijn geen aanwijzingen voor psychische problemen. De reclassering ziet op dit moment geen meerwaarde in een reclasseringstraject en merkt daarover op dat zij vanwege de grotendeels ontkennende houding en het ontbreken van referenteninformatie een eenzijdig beeld van verdachte hebben gekregen. In het geval van een veroordeling acht de reclassering wel een contactverbod met het slachtoffer en de medeverdachten aangewezen.

De aard en ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit, rechtvaardigen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Nu de rechtbank verdachte, vrijspreekt van feit 1 en daardoor tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, zal zij aan verdachte een lagere gevangenisstraf opleggen dan geëist. Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat voor het bewezen verklaarde oplegging van een gevangenisstraf van zes maanden passend en geboden is en ziet zij geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. De tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal op de gevangenisstraf in mindering worden gebracht. Wel ziet de rechtbank aanleiding om een deel van deze gevangenisstraf, te weten drie maanden, voorwaardelijk op te leggen. Gelet op de verhouding tot de mededader waaruit dit strafbare feit is voortgekomen, wordt met deze voorwaardelijke straf beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Ook maakt deze voorwaardelijke straf een contactverbod met [Slachtoffer ] mogelijk.

7 De benadeelde partij

7.1

De vordering

De benadeelde partij [Slachtoffer ] vordert een schadevergoeding van € 7.030,39 voor feit 1 en 2. Dit bedrag bestaat uit een bedrag van € 1.030,39 voor materiële schade en een bedrag van € 6.000,- voor immateriële schade. De materiele schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    Beschadigde kleding en schoenen € 359,70

  • -

    Oorbel € 10,95

  • -

    Medische kosten € 415,00

  • -

    Weggenomen zaken € 235,00

  • -

    Reiskosten € 9,74

[Slachtoffer ] vordert daarbij tevens de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedings-maatregel.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie kan het gevorderde bedrag voor de medische kosten en de reiskosten worden toegewezen. Het gevorderde bedrag voor de beschadigde kleding en schoenen en de oorbel moet worden gematigd tot een bedrag van € 200,- omdat de goederen ten tijde van de feiten niet meer nieuw waren. Het gevorderde bedrag voor weggenomen zaken moet volgens haar worden afgewezen omdat er geen bewijs is dat deze zaken zijn weggenomen en verdachte daar ook niet voor is vervolgd.

Het gevorderde bedrag voor de immateriële schade is voldoende onderbouwd en kan worden toegewezen. Voor het totale bedrag van € 6.624,74 kan ook de wettelijke rente worden toegewezen en de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde materiële schade. De gevorderde immateriële schade is volgens hem lastig te beoordelen. Onduidelijk is immers wat de medische eindstand van [Slachtoffer ] is. Bij wijze van voorschot moet daarom slechts vijftig procent van het gevorderde worden toegewezen. Oplegging van de schadever-goedingsmaatregel moet achterwege blijven omdat dit gelet op de financiële situatie van verdachte tot een detentie zal leiden.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank is over de gevorderde materiele schadeposten het volgende van oordeel.

Beschadigde kleding en schoenen + oorbel

Uit de vordering blijkt dat [Slachtoffer ] de nieuwwaarde van deze goederen heeft gevorderd. De rechtbank is echter met de officier van justitie van oordeel dat de goederen ten tijde van de feiten niet meer nieuw waren waardoor er sprake is van afschrijving. Zij zal het gevorderde bedrag dan ook matigen tot een bedrag van € 200,- nu haar dit redelijk en billijk voorkomt.

Medische kosten

Uit de nadere onderbouwing van deze post blijkt dat deze kosten zien op vervoer per ambulance naar het ziekenhuis, de ziekenhuisopname en medische behandelingen naar aanleiding van de feiten van 19 januari 2019. Uit de overgelegde nota van de zorgverzekeringsmaatschappij blijkt echter dat hierop periodes worden genoemd waarin het eigen risico wordt aangesproken waarin de datum van de feiten van 19 januari 2019 niet valt. Onduidelijk is daarom waarvoor het eigen risico in de genoemde periodes op de bijgevoegde nota is gebruikt. De rechtbank is hierdoor van oordeel dat deze post onvoldoende is onderbouwd en de benadeelde partij hiervoor niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Weggenomen zaken

Uit de nadere onderbouwing van de vordering blijkt dat deze post ziet op een weggenomen telefoon ter waarde van € 195,- euro en een geldbedrag van € 40,-. De rechtbank is hierover van oordeel dat niet is vast komen te staan dat deze goederen van [Slachtoffer ] zijn weggenomen. De benadeelde partij moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard voor deze gevorderde schade.

Reiskosten

De rechtbank stelt vast dat de gevorderde reiskosten niet zijn betwist en het gevorderde bedrag komt haar ook redelijk voor. Zij is daarom van oordeel dat dit bedrag kan worden toegewezen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank over de gevorderde materiële schade van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 209,74 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feiten en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag voor materiële schade onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Immateriële schade

De rechtbank is over de gevorderde immateriële schade van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 2.000,- een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Voor het totaal toegewezen bedrag van € 2.209,74 zal ook de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd en de schadever-goedingsmaatregel worden opgelegd.

8 Het beslag

Onder verdachte is een telefoon van het merk Samsung (G1989359) in beslag genomen. Omdat gebleken is dat deze telefoon niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer, beslist de rechtbank dat deze telefoon aan verdachte moet worden teruggegeven.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair, subsidiair en meer subsidiair onder 1 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [Slachtoffer ] , geboren op [Geboortedag slachtoffer] 1995, wonende te [Adres slachtoffer] De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Slachtoffer ] van

€ 2.209,74, waarvan € 209,74 ter zake van materiële schade en € 2.000,- ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 19 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Slachtoffer ] (feit 1 en 2), € 2.209,74 te betalen en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 19 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 32 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

- gelast de teruggave aan rechthebbende van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten 1 STK GSM, G1989359 (Omschrijving: Samsung);

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. Nomes, voorzitter, mr. Van Voorthuizen en mr. Josten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Jonge, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 19 augustus 2019.

Mr. Josten en mr. De Jonge zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt, tenzij anders vermeld, bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door één of meer daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Wanneer wordt verwezen naar dossierpagina’s betreffen dit de pagina’s van het dossier van de districtsrecherche Zeeland met onderzoeksnummer ZB1R019007 EPERICUS opgemaakt op 24 april 2019 en doorgenummerd van 1 t/m 597. De ter terechtzitting van 5 augustus afgelegde verklaring van verdachte.

2 Het proces-verbaal van verhoor van aangever [Slachtoffer ] van 25 januari 2019, p. 258.

3 Het proces-verbaal van verhoor van [Verdachte] van 7 februari 2019, p. 141.

4 Het proces-verbaal van verhoor van aangever [Slachtoffer ] van 14 februari 2019, p. 267.

5 De ter terechtzitting van 5 augustus 2019 afgelegde verklaring van verdachte.

6 De ter terechtzitting van 5 augustus 2019 afgelegde verklaring van verdachte.

7 Het proces-verbaal van verhoor van aangever [Slachtoffer ] van 14 februari 2019, p. 267.

8 Het proces-verbaal van verhoor van [Medeverdachte 1] van 10 april 2019, p. 89.

9 Het proces-verbaal van verhoor van aangever [Slachtoffer ] van 14 februari 2019, p. 267.

10 Het proces-verbaal van verhoor van [Medeverdachte 1] van 10 april 2019, p. 89.

11 Het proces-verbaal van verhoor van [Slachtoffer ] van 22 juli 2019 afgelegd bij de rechter-commissaris.

12 Het proces-verbaal van verhoor van [Medeverdachte 1] van 10 april 2019, p. 89.

13 Het proces-verbaal van verhoor van [Slachtoffer ] van 22 juli 2019 afgelegd bij de rechter-commissaris.

14 Het geschrift, zijnde de letselbeschrijving van [Slachtoffer ] p. 274.