Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:3745

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-08-2019
Datum publicatie
20-08-2019
Zaaknummer
02-023055-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijheidsberoving van personen waarmee ex-partner contact onderhield. Strafmaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-1098
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/023055-19

vonnis van de meervoudige kamer van 19 augustus 2019

in de strafzaak tegen

[Verdachte]

geboren op [Geboortedag] 1991 te [Geboorteplaats- en Land]

wonende te [Adres]

thans gedetineerd in PI De Dordtse Poorten te Dordrecht

raadsvrouw mr. N. Wouters, advocaat te Middelburg

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 augustus 2019 waarbij de officier van justitie, mr. G. Oosterveld, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat

1.

hij op of omstreeks 19 januari 2019 te Vlissingen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [Slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans

opzettelijk, van het leven te beroven, die [Slachtoffer 1] met een wurggreep bij de nek heeft beetgepakt en/of op de grond heeft geduwd en/of (vervolgens) de voeten en/of armen van die [Slachtoffer 1] heeft vast getapet en/of de ogen heeft afgetapet en/of die [Slachtoffer 1] meermalen in het gezicht heeft geschopt/getrapt en/of geslagen/gestompt en/of tegen die [Slachtoffer 1] heeft gezegd “eigenlijk zou ik je dood moeten schieten" althans woorden van gelijke aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art 289/287/45 SR)

( art 289/287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 januari 209 te Vlissingen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [Slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak en/of (een)

(af)gescheurd(e) oor/oren en/of meerdere bloeduitstortingen en/of kneuzingen en/of een hersenschudding heeft toegebracht door die [Slachtoffer 1] met een wurggreep bij de nek beet te pakken en/of op de grond te duwen en/of door die [Slachtoffer 1] vast te tapen en/of de ogen af te tapen en/of die [Slachtoffer 1] (vervolgens) meermalen in het gezicht te schoppen/trappen en/of te slaan/stompen;

(art 303/302 SR)

( art 303/302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 januari 2019 te Vlissingen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [Slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [Slachtoffer 1] met een wurggreep bij de nek heeft beetgepakt en/of op de grond heeft geduwd en/of (vervolgens) de voeten en/of armen van die [Slachtoffer 1] heeft vast getapet en/of de ogen heeft afgetapet en/of die [Slachtoffer 1] meermalen in het gezicht heeft geschopt/getrapt en/of geslagen/gestompt en/of tegen die [Slachtoffer 1] heeft gezegd “eigenlijk zou ik je dood moeten schieten” althans woorden van gelijke aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid:

(art 303/302/45 SR)

( art 303/302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 19 januari 2019 te Vlissingen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [Slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door die [Slachtoffer 1] in een woning vast te houden door de (voor)deur af te sluiten en/of door die [Slachtoffer 1] vast te tapen aan voeten en/of armen en/of de ogen van die [Slachtoffer 1] af te tapen;

(art 282 SR)

( art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 12 januari 2019 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ongeveer 1000 euro, in elk geval een hoeveelheid geld en/of een telefoon, in elk geval een of meer goederen, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [Slachtoffer 2] , heeft

weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [Slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere

deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [Slachtoffer 2] vast te binden en/of de mond van die [Slachtoffer 2] dicht/af te tapen en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp,

op/tegen het hoofd van die [Slachtoffer 2] te zetten, in elk geval dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en/of die [Slachtoffer 2] (meermalen) te slaan/stompen;

(art 312 SR)

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 januari 2019 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen heeft weggenomen ongeveer 1000 euro, in elk geval een hoeveelheid geld en/of een telefoon, in elk geval een of meer goederen, dat geheel of ten dele toebehorende aan [Slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of hij op of omstreeks 12 januari 2019 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [Slachtoffer 2] heeft mishandeld door door die [Slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal te schoppen/trappen en/of te slaan/stompen;

(art 311 SR en/of 300 SR)

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht)

4.

hij op of omstreeks 12 januari 2019 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [Slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door die [Slachtoffer 2] (in zijn woning) met touwen vast te binden en/of zijn mond dicht te tapen en/of een vuurwapen, althans

een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op/tegen het hoofd van die [Slachtoffer 2] te zetten, in elk geval dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en/of die [Slachtoffer 2] te slaan/stompen;

(art 282 SR)

( art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

5.

hij op of omstreeks 12 januari 2019 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [Slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door opzettelijk dreigend die [Slachtoffer 2] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en/of dat vuurwapen/voorwerp op/tegen het hoofd te zetten van die [Slachtoffer 2] en/of die [Slachtoffer 2] met dat vuurwapen/voorwerp te slaan;

(art 285 SR)

( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair onder 1, het onder 2, het primair onder 3 en het onder 4 en 5 tenlastegelegde. Op grond van de aangifte van [Slachtoffer 2] (verder: [Slachtoffer 2] ), de verklaringen van [Medeverdachte 1] en [Medeverdachte 2] , de eigen verklaring van verdachte, de processen-verbaal van bevindingen van de politie en de filmfragmenten kan volgens de officier van justitie over het incident in de woning van [Slachtoffer 2] in Rotterdam worden vastgesteld dat verdachte, samen met [Medeverdachte 1] , [Slachtoffer 2] in zijn woning met een touw heeft vastgebonden en zijn mond heeft dicht getapet. Het touw en de tape was door verdachte naar de woning meegenomen. Uit deze bewijsmiddelen volgt ook dat verdachte een vuurwapen naar de woning van [Slachtoffer 2] heeft meegenomen en hij [Slachtoffer 2] daarmee heeft geslagen en bedreigd. Bij het verlaten van de woning heeft verdachte de telefoon van [Slachtoffer 2] meegenomen. Voor de bedreiging van [Slachtoffer 2] met het wapen gaat de officier van justitie ervan uit dat verdachte dit alleen heeft gedaan en vordert vrijspraak van het medeplegen. Op grond van de aangifte en aanvullende verklaringen van [Slachtoffer 1] , de verklaringen van [Medeverdachte 1] , [Medeverdachte 3] en verdachte zelf, de beschrijving van het letsel van [Slachtoffer 1] en de filmfragmenten kan volgens de officier van justitie over het incident in de woning van [Medeverdachte 3] in Vlissingen worden vastgesteld dat [Slachtoffer 1] naar de woning van [Medeverdachte 3] is gelokt waar op dat moment ook [Medeverdachte 1] en verdachte aanwezig waren. Daaruit volgt de voorbedachte rade. Aldaar is vervolgens tussen [Slachtoffer 1] en verdachte een gevecht ontstaan waar ook [Medeverdachte 1] en [Medeverdachte 3] een aandeel in hebben gehad. Verder is [Slachtoffer 1] vastgebonden en getapet door zowel verdachte als [Medeverdachte 1] en [Medeverdachte 3] . Omdat het gebruikte geweld door verdachte tot de dood van [Slachtoffer 1] had kunnen leiden, heeft hij door op deze wijze te handelen daarop het voorwaardelijk opzet gehad.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak voor het primair en subsidiair tenlastegelegde onder 1 en het tenlastegelegde onder 3 en 5. Het meer subsidiair tenlastegelegde onder 1 en feit 2 en 4 kan wettig en overtuigend worden bewezen. De raadsvrouw voert daartoe aan dat de door verdachte afgelegde verklaring geloofwaardig en betrouwbaar is en dat daar van uit moet worden gegaan. Daaruit blijkt dat verdachte uit boosheid over het feit dat [Medeverdachte 3] hun kinderen alleen thuis had gelaten om [Slachtoffer 2] in Rotterdam te bezoeken, naar [Slachtoffer 2] toe is gegaan met de bedoeling om te praten. Voor de zekerheid heeft hij twee vriendinnen, [Medeverdachte 1] en [Medeverdachte 2] , meegevraagd. Binnengekomen heeft verdachte uit zelfverdediging direct het wapen van [Slachtoffer 2] gepakt dat op tafel lag. Zelf had hij geen wapen bij zich. Vanwege de dreiging heeft verdachte [Slachtoffer 2] voor een korte periode met het in de woning aanwezige touw en tape vastgebonden. Anders dan het touw en de tape zijn er door [Slachtoffer 2] geen goederen uit de woning weggenomen. Er is ook geen geweld gebruikt of gedreigd met het wapen. Na het bezoek aan Rotterdam is hij direct naar [Medeverdachte 3] gegaan om te praten over wat hij van [Slachtoffer 2] had gehoord. [Medeverdachte 3] kreeg naar aanleiding daarvan het plan om [Slachtoffer 1] naar haar woning te lokken om met hem te praten, wat zij vervolgens heeft gedaan. Ook met hem had verdachte slechts de bedoeling te praten, maar omdat [Slachtoffer 1] hem vastpakte en sloeg, heeft hij teruggeslagen. Bij het vastbinden en tapen hebben [Medeverdachte 3] en [Medeverdachte 1] geholpen. Verdachte heeft [Slachtoffer 1] niet getrapt terwijl hij vastgebonden op de grond lag. Omdat het gebruik van geweld niet het plan was, kan er niet gesproken worden van voorbedachte rade. Verder kan van het letsel van [Slachtoffer 1] niet worden vastgesteld dat dit tot de dood had kunnen leiden. Evenmin is er sprake van zwaar lichamelijk letsel.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 3, 4 en 5

Op basis van het dossier gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Op 12 januari 2019 is verdachte, op zijn initiatief, samen met de zussen [Familienaam] naar Rotterdam afgereisd en zijn zij de woning van [Slachtoffer 2] binnengedrongen. [Slachtoffer 2] is in zijn woning met touw en tape vastgebonden1 en verdachte heeft een op een vuurwapen gelijkend voorwerp getoond2.

De aanleiding dat verdachte met de zussen [Familienaam] naar [Slachtoffer 2] in Rotterdam is gegaan komt voort uit de jarenlange relatie die hij heeft gehad met [Medeverdachte 3] en de drie kinderen van thans acht, zes en één jaar oud die daaruit zijn geboren. Deze relatie heeft een problematisch verloop gehad en is eind 2018 beëindigd. Op enig moment is verdachte ervan op de hoogte geraakt dat [Medeverdachte 3] (seksuele) contacten had met andere mannen waaronder [Slachtoffer 2] . Tijdens een bezoek van [Medeverdachte 3] aan [Slachtoffer 2] rond de kerstperiode heeft zij de kinderen alleen in huis achter gelaten. Verdachte wilde daarom met [Slachtoffer 2] in gesprek komen3.

Hij heeft hierover op 12 januari 2019 met de zussen [Familienaam] gesproken. Zij kenden hem als [Verdachte] . Tegen hen heeft hij echter niet gezegd dat het om zijn ex-partner ging maar om zijn nicht4. De zussen [Familienaam] besloten verdachte te helpen om met [Slachtoffer 2] in contact te komen. Omdat verdachte het telefoonnummer van [Slachtoffer 2] had, hebben de zussen [Familienaam] geprobeerd om via Whatsapp met de man in contact te komen. [Medeverdachte 1] is dat gelukt en heeft met de [Slachtoffer 2] afgesproken. Vervolgens zijn ze met z’n drieën in de auto van [Medeverdachte 2] naar Rotterdam gereden. Op enig moment, toen [Medeverdachte 1] in de woning bij [Slachtoffer 2] was, heeft zij voor verdachte en haar zus de deur geopend, zodat zij ook naar binnen konden5.

De verklaringen over het touw en de tape, het vuurwapen, het toegepaste geweld op [Slachtoffer 2] en weggenomen goederen van [Slachtoffer 2] lopen uiteen. Voor de beoordeling daarvan gaat de rechtbank uit van het volgende:

[Slachtoffer 2] heeft op 4 februari 2019 in een gesprek met de politie gezegd dat hij geen aangifte wil doen omdat de daders alles van hem hebben zoals foto’s van documenten en zijn rijbewijs en ook zijn telefoon. Hij is in zijn woning in Rotterdam vastgehouden door een aantal mannen en vrouwen. De daders hebben hem nadat hij de deur van zijn woning open deed, belaagd en mishandeld. Hij is zelfs knock-out geslagen. De verbalisant heeft gezien dat [Slachtoffer 2] op zijn linker jukbeen wees en hij zag dat daar een donkere verkleuring zat met een diameter van ongeveer één centimeter. De mannen hebben hem met touw vastgebonden in zijn eigen woning en hebben ook een pistool op zijn hoofd gezet. Daarna moest hij zijn telefooncode geven en zijn ze in zijn telefoon gaan zoeken. De daders hebben zijn spaargeld meegenomen en ook zijn telefoon6.

Vervolgens doet [Slachtoffer 2] op 7 februari 2019 alsnog aangifte en verklaart hierin dat het meisje dat bij hem in de woning was zijn voordeur opende en hij toen plotseling een Antilliaanse man zijn woning binnen zag komen die een klein, glimmend, zwart wapen op hem richtte. De man richtte het wapen vervolgens op zijn hoofd en zei dat [Slachtoffer 2] moest gaan liggen en niet mocht kijken. De man zei tegen de twee vrouwen dat ze hem moesten helpen om hem vast te binden. De man zat op dat moment op zijn rug met zijn knie aan de zijkant op zijn keel en het pistool tegen zijn hoofd. Het touw waarmee zijn handen en voeten werden vastgebonden was niet van hem. Ook is zijn mond getapet met grijze tape en zijn zijn ogen afgedekt met een doek. Op het moment dat hij werd opgetild en op een stoel werd gezet, verschoof de doek voor zijn ogen en zag hij de personen die in zijn woning waren. De man die hem bedreigde zag dat en gaf hem een harde klap met het pistool tegen zijn linkerwang/jukbeen. Dat is nog steeds te zien. De man wilde alles van [Slachtoffer 2] weten over zijn nicht [Medeverdachte 3] , waarbij hij hem voortdurend bedreigde met het wapen en zei dat hij moest meewerken. Om zijn woorden kracht bij te zetten, duwde hij het pistool op zijn hoofd en sloeg met het pistool. De vrouwen zeiden dat hem niets zou gebeuren als hij mee zou werken. Van de vrouwen was de vrouw die al eerder bij hem binnen was het meest gewelddadig, maar hij werd alleen door de man geslagen. Voor het filmen heeft de man de telefoon van de vrouw die al bij hem binnen was, gebruikt. De man en de twee vrouwen hebben het gehele huis van [Slachtoffer 2] doorzocht en een potje met losgeld, zijn telefoon en

€ 1.000,- meegenomen. [Slachtoffer 2] heeft telkens angst gehad dat de man zou schieten, dit omdat de man ook zei dat hij zou schieten7.

[Medeverdachte 1] heeft hierover verklaard dat [Slachtoffer 2] heel erg schrok toen zij de deur had geopend. De mannen begonnen direct in hun eigen taal te praten waardoor ze niet weet wat er allemaal is gezegd. [Verdachte] , zoals zij verdachte noemde, zei dat ze mee naar binnen moest omdat de man moest worden vastgebonden. Zij moest de man vastbinden met tape en touw, dat [Verdachte] bij zich had in een plastic tasje waarvan ze tevoren niet wist dat hij dit had meegenomen. Omdat de tape niet stevig genoeg was, moest daarna ook nog het touw er om heen. Ze moest hem ook blinddoeken met een theedoek. [Verdachte] had een klein zwart pistool bij zich waarvan ze niet wist dat hij dit had meegenomen. ’s Middags hadden ze het er wel over gehad maar ze wilden dat hij dit niet mee zou nemen omdat ze bang waren dat er iets mee zou gebeuren. Ze zag het wapen in Rotterdam weer, gelijk toen [Verdachte] binnen was en nog voordat de man werd vastgebonden. [Verdachte] heeft met zijn vuist de man één of twee klappen tegen het hoofd gegeven. Daarna is haar zus er tussen gaan staan. [Verdachte] heeft het wapen zo nu en dan vastgehad om de man dingen te laten doen die hij eigenlijk niet wilde. Toen de man was vastgebonden op de stoel wilde [Verdachte] weten of de man seks had gehad met zijn nicht. De man vertelde dat de nicht ook dingen had gedaan met een vriend van [Verdachte] . Zij moest in de telefoon van de man kijken om te kijken wat er allemaal over de nicht op zijn telefoon stond. Zij moest ook filmen. Het duurde allemaal erg lang waardoor zij en haar zus zelfs in de woning hebben geslapen. Ze moesten ook de woning doorzoeken waarbij zij een bakje met geld vonden, dat [Verdachte] wilde hebben. Later kwam zij er achter dat [Verdachte] ook de telefoon van de man heeft gepakt8.

[Medeverdachte 2] heeft verklaard dat zij als laatste de woning binnenkwam. Verder heeft zij verklaard dat de man korte tijd vastgebonden is geweest met touw en tape dat [Verdachte] bij zich had in een plastic tasje. [Verdachte] had ook een vuurwapen bij zich. Dat vuurwapen had zij overdag al gezien. Nadat zij de woning van de man hadden verlaten, kwam zij erachter dat [Verdachte] de telefoon van de man had meegenomen9.

Verdachte heeft hierover verklaard dat bij het verlaten van de woning [Medeverdachte 1] het kleingeld uit de woning heeft meegenomen10.

Bewijsoverwegingen

Op grond van het voorgaande in onderlinge samenhang bezien, kan worden vastgesteld dat verdachte en [Medeverdachte 1] [Slachtoffer 2] hebben vastgebonden waarbij ook de mond van hem is afgetapet. Naar het oordeel van de rechtbank is ook vast komen te staan dat verdachte [Slachtoffer 2] met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft bedreigd door dit aan hem te tonen en op zijn hoofd te zetten. Met name [Slachtoffer 2] zelf heeft hierover verklaard maar die verklaring wordt voldoende ondersteund door de woorden van [Medeverdachte 1] dat de man door het wapen dingen deed die hij anders niet zou doen. De rechtbank gaat er ook vanuit dat verdachte [Slachtoffer 2] met dit voorwerp in zijn hand in zijn gezicht heeft geslagen. [Slachtoffer 2] en [Medeverdachte 1] verklaren dit en uit de verklaring van [Medeverdachte 2] blijkt dat zij verdachte heeft gewaarschuwd [Slachtoffer 2] niet aan te raken. Tot slot stelt de rechtbank vast dat verdachte de telefoon van [Slachtoffer 2] heeft weggenomen. [Slachtoffer 2] verklaart immers dat zijn telefoon na vertrek van de drie verdachten was verdwenen en de zussen [Familienaam] verklaren dat achteraf bleek dat verdachte deze had. Het kleingeld is door [Medeverdachte 1] meegenomen.

Feit 3

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat geconcludeerd kan worden dat verdachte op zoek is gegaan naar informatie over zijn ex-partner. Die informatie is niet alleen verkregen door [Slachtoffer 2] daarover te bevragen, maar ook door [Medeverdachte 1] in de telefoon van [Slachtoffer 2] te laten kijken. Tijdens het urenlange bevragen van [Slachtoffer 2] en het bekijken van zijn telefoon is er tegen [Slachtoffer 2] geweld gebruikt en is hij bedreigd met geweld. Zo is hij vastgebonden geweest, bedreigd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en daarmee in het gezicht geslagen. Het geweld en bedreiging met geweld was dan ook gericht op het verkrijgen van informatie. Het doorzoeken van de telefoon van [Slachtoffer 2] stond in het teken van het verkrijgen van die informatie en deze telefoon bleek na vertrek van verdachte en de zussen [Familienaam] te zijn verdwenen. Daarvan is gebleken dat verdachte die had meegenomen. Ook is het kleingeld van [Slachtoffer 2] verdwenen, waarvan is gebleken dat [Medeverdachte 1] dat had meegenomen. De rechtbank is van oordeel dat zowel verdachte als [Medeverdachte 1] aan dit feit een wezenlijke bijdrage heeft geleverd waardoor de diefstal met geweld en bedreiging met geweld, tezamen en in vereniging gepleegd, wettig en overtuigend is bewezen.

Feit 4

Op grond van het voorgaande wordt ook geconcludeerd dat verdachte zich samen met [Medeverdachte 1] schuldig heeft gemaakt aan het beroven en beroofd houden van de vrijheid van [Slachtoffer 2] . Bij binnenkomst van de woning hebben zij hem samen met tape en touw vastgebonden, zijn ogen afgedekt en zijn mond afgetapet. Ook is [Slachtoffer 2] zoals hiervoor reeds overwogen door verdachte bedreigd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en daarmee in het gezicht geslagen. [Slachtoffer 2] is enige tijd later wel weer losgemaakt maar verdachte en de zussen [Familienaam] zijn nog wel in de woning gebleven. Het gehele verblijf in de woning heeft uren geduurd waardoor [Slachtoffer 2] al die tijd van zijn vrijheid is beroofd en beroofd gehouden. De vrijheidsberoving is dan ook van een behoorlijke duur geweest. De rechtbank is van oordeel dat ook bij dit feit zowel verdachte als [Medeverdachte 1] een wezenlijke bijdrage heeft geleverd waardoor de wederrechtelijke vrijheidsberoving, tezamen en in vereniging gepleegd, wettig en overtuigend bewezen is.

Feit 5

Tot slot is de conclusie dat verdachte zich hiermee ook schuldig heeft gemaakt aan de onder 5 tenlastegelegde bedreiging bestaande uit het tonen van dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan [Slachtoffer 2] , het zetten tegen op zijn hoofd en het daarmee tegen zijn hoofd slaan. Daarmee is dit feit wettig en overtuigend bewezen. Van het medeplegen acht de rechtbank echter geen sprake, omdat verdachte dit wapen zonder medeweten van de zussen [Familienaam] naar Rotterdam heeft meegenomen en hij de enige is geweest die daarmee uitvoeringshandelingen heeft gepleegd. Een nauwe en bewuste samenwerking is niet gebleken. De rechtbank zal verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Feiten 1 en 2

Tijdens de ontmoeting met [Slachtoffer 2] kwam verdachte erachter dat [Medeverdachte 3] ook seksuele contacten zou hebben met [Slachtoffer 1] . Verdachte wilde er achter komen of hij filmpjes of foto’s van [Medeverdachte 3] op zijn telefoon had en daarover met hem praten en zijn telefoon uitlezen11.

Op 19 januari 2019, heeft [Medeverdachte 3] via Snapchat een bericht naar [Slachtoffer 1] gestuurd waarin ze vroeg of hij wilde komen chillen1213. [Slachtoffer 1] is hierop naar de woning van [Medeverdachte 3] gegaan en daar heeft zij voor hem de deur geopend. [Medeverdachte 3] heeft daarna de deur weer afgesloten en de sleutel uit het slot van de deur gehaald1415. Op dat moment waren verdachte en [Medeverdachte 1] ook al in de woning van [Medeverdachte 3] aanwezig16. Op het moment dat [Slachtoffer 1] dat ontdekte, probeerde hij via de achterdeur te vluchten, maar dat kon niet omdat de achterdeur op slot zat17. Toen heeft verdachte hem vastgepakt in een wurggreep en is een gevecht ontstaan. Daarbij heeft verdachte [Slachtoffer 1] hard met zijn vuisten op zijn hoofd geslagen18. Met z’n drieën hebben ze [Slachtoffer 1] op de grond geduwd1920. Daarna is [Slachtoffer 1] met touw en tape door verdachte en [Medeverdachte 1] aan zijn armen en benen vastgebonden2122. Ook zijn zijn ogen afgetapet geweest23.

Als gevolg hiervan heeft [Slachtoffer 1] een hersenschudding, forse bloeduitstortingen aan de linker- en rechter oogkas, een wond aan het linkeroor, een kaakfractuur een kneuzing aan de rechter bovenarm opgelopen. Voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van de ambts-/beroepbezigheden wordt niet waarschijnlijk geacht. De tijdelijke verhindering daarin wordt geschat op minimaal enkele dagen24.

Bewijsoverweging feit 1

De rechtbank moet beoordelen of het voorgaande een strafbaar feit oplevert en hoe dit gekwalificeerd moet worden.

Voorbedachte rade

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat verdachte [Slachtoffer 1] met voorbedachte rade van het leven heeft willen beroven of hem zwaar heeft willen mishandelen. Er was weliswaar sprake van een vooropgezet plan om [Slachtoffer 1] naar de woning van [Medeverdachte 3] te lokken, maar niet is vast komen te staan dat dat plan erop was gericht [Slachtoffer 1] van het leven te beroven of zwaar te mishandelen. De rechtbank zal verdachte van dit bestanddeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Poging doodslag

Voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag is vereist dat verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op de dood van [Slachtoffer 1] . Dat verdachte vol opzet had op de dood of zwaar lichamelijk letsel blijkt niet uit de bewijsmiddelen. Er is sprake van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, in dit geval de dood van [Slachtoffer 1] , indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden en deze kans bewust heeft aanvaard. Gebleken is dat verdachte hem diverse harde vuistslagen tegen het hoofd heeft gegeven. Het schoppen dan wel trappen tegen het hoofd door verdachte is niet vast komen te staan nu alleen [Slachtoffer 1] daarover heeft verklaard. Om dezelfde reden is de rechtbank van oordeel dat niet vast is komen te staan dat verdachte het slachtoffer heeft geslagen terwijl hij was vastgebonden. De rechtbank is van oordeel dat het geven van een paar harde vuistslagen tegen het hoofd niet zonder meer leidt tot een aanmerkelijke kans op de dood. Onbekend is immers gebleven hoe vaak en met hoeveel kracht door verdachte is geslagen. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het primair onder 1 tenlastegelegde.

Zware mishandeling

Voor een bewezenverklaring van zware mishandeling moet sprake zijn geweest van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer als gevolg van het handelen van verdachte. Op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad kunnen voor de beantwoording van die vraag als algemene gezichtspunten worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Gebleken is dat [Slachtoffer 1] een hersenschudding, forse bloeduitstortingen aan beide oogkassen, een gebroken kaak en een wond aan het linkeroor heeft opgelopen. [Slachtoffer 1] is hiervoor één nacht opgenomen geweest, waarbij voor de wond aan het oor een kleine medische ingreep heeft plaatsgevonden bestaande uit het hechten daarvan. Over het herstel van [Slachtoffer 1] is weinig bekend. Door de medisch deskundige werd een tijdelijke verhindering in zijn bezigheden geschat voor minimaal enkele dagen. Uit het door de verdediging overgelegde krantenartikel lijkt te volgen dat hij in op 20 april 2019 in ieder geval in zoverre was hersteld dat hij weer aan een voetbalwedstrijd kon deelnemen. Op grond van de aard van genoemde medische ingreep en de duur van het herstel van [Slachtoffer 1] , kan naar het oordeel van de rechtbank niet gesproken worden van zwaar lichamelijk letsel. Ook van het subsidiair tenlastegelegde zal verdachte daarom worden vrijgesproken.

Poging zware mishandeling

De rechtbank is op grond van het voorgaande wel van oordeel dat door herhaaldelijk hard slaan met de vuist op het hoofd van [Slachtoffer 1] er een aanmerkelijke kans was op zwaar lichamelijk letsel en dat verdachte dat ook wist. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat zich in het hoofd de hersenen bevinden en dat deze vitale delen het gehele menselijk lichaam aansturen. De kans dat door herhaaldelijk hard met de vuist op het hoofd slaan de hersenen worden beschadigd of breuken optreden waarvoor operatief ingrijpen noodzakelijk is, is aanwezig. Dat blijkt ook uit het feit dat [Slachtoffer 1] een hersenschudding heeft opgelopen. Door toch op deze wijze te handelen heeft verdachte die kans welbewust aanvaard. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend is bewezen. Wel zal zij verdachte vrijspreken van het medeplegen daarvan, nu het alleen verdachte is geweest die geweld tegen [Slachtoffer 1] heeft gebruikt en het letsel aan hem heeft toegebracht.

Bewijsoverweging feit 2

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte, [Medeverdachte 3] en [Medeverdachte 1] een plan hebben gemaakt om [Slachtoffer 1] naar de woning van [Medeverdachte 3] te lokken, waar hij vervolgens door hen drieën naar de grond is geduwd en vervolgens door verdachte en [Medeverdachte 1] met touw en tape aan zijn armen en benen is vastgebonden en gedurende enige tijd vastgebonden is gehouden. De rechtbank acht daarmee het medeplegen van de tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 19 januari 2019 te Vlissingen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [Slachtoffer 1] opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen in het gezicht heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 19 januari 2019 te Vlissingen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [Slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [Slachtoffer 1] in een woning vast te houden door de deur af te sluiten en door die [Slachtoffer 1] vast te tapen aan voeten en armen en de ogen van die [Slachtoffer 1] af te tapen;

3.

op 12 januari 2019 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander een hoeveelheid geld en een telefoon, die aan een ander dan aan verdachte toebehoorde, te weten aan [Slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [Slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door die [Slachtoffer 2] vast te binden en de mond van die [Slachtoffer 2] dicht/af te tapen en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op/tegen het hoofd van die [Slachtoffer 2] te zetten, en die [Slachtoffer 2] te slaan;

4.

op 12 januari 2019 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [Slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [Slachtoffer 2] (in zijn woning) met touwen vast te binden en zijn mond dicht te tapen en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op/tegen het hoofd van die [Slachtoffer 2] te zetten, en die [Slachtoffer 2] te slaan;

5.

op 12 januari 2019 te Rotterdam, [Slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door opzettelijk dreigend die [Slachtoffer 2] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en dat voorwerp op/tegen het hoofd te zetten van die [Slachtoffer 2] en die [Slachtoffer 2] met dat voorwerp te slaan.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen zij bewezen acht aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van vijf jaar met aftrek van voorarrest. Zij voert aan dat tegen dit soort feiten serieus moet worden opgetreden, zodat niet alleen aan verdachte maar ook aan de samenleving duidelijk wordt gemaakt dat men niet voor eigen rechter mag spelen. Voor een straf met een voorwaardelijk strafdeel ziet zij geen ruimte. Het door de reclassering noodzakelijk geachte onderzoek naar het emotioneel welzijn en het gedrag van verdachte en een eventueel daarop afgestemde behandeling kan tijdens de detentiefasering plaatsvinden.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Gelet op de gevoerde bewijsverweren bepleit de verdediging de strafeis van de officier van justitie te matigen. Onder verwijzing naar rechtspraak wordt een gevangenisstraf van drie jaar als passend beschouwd. Een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden wordt niet nodig geacht al staat verdachte niet negatief tegenover reclasseringstoezicht. Tegen de voorgestelde contactverboden heeft de verdediging geen bezwaren.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een vijftal ernstige strafbare feiten die zien op incidenten met twee mannen met wie zijn ex-partner [Medeverdachte 3] contact onderhield. Deze incidenten komen voort uit verwijten naar zijn ex-partner van overspel en verwaarlozing van hun gezamenlijke kinderen. Zo heeft verdachte samen met de mededader het eerste slachtoffer in zijn eigen woning van zijn vrijheid beroofd en beroofd gehouden. Samen met de medeverdachte heeft hij hem met touw en tape vastgebonden. Ook heeft verdachte het slachtoffer urenlang bevraagd over het (seksuele) contact met [Medeverdachte 3] waarbij hij hem met een vuurwapen in het gezicht heeft geslagen en heeft bedreigd. Tot slot is het slachtoffer op vernederende wijze, ontkleed, in de woning achtergelaten en heeft verdachte een telefoon van het slachtoffer meegenomen. Het handelen van verdachte is voor het slachtoffer beangstigend, intimiderend, bedreigend en vernederend geweest hetgeen ook blijkt uit het feit dat het slachtoffer in eerste instantie geen aangifte durfde te doen.

Een week hierna heeft verdachte zich samen met dezelfde medeverdachte van het eerste incident en ditmaal ook met zijn ex-partner [Medeverdachte 3] , opnieuw schuldig gemaakt aan een wederrechtelijke vrijheidsberoving van de andere man waarmee [Medeverdachte 3] contact onderhield. Verdachte heeft zich hierbij tevens schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling van het slachtoffer. Het slachtoffer is naar de woning van [Medeverdachte 3] gelokt waarna de deur is afgesloten en de sleutel uit het slot van de deur is gehaald. Toen het slachtoffer ontdekte dat het een valstrik was en zich hieraan wilde onttrekken, kon hij de woning niet verlaten. Het is tot een worsteling gekomen waarbij verdachte fors geweld heeft gebruikt. Ook dit slachtoffer is met touw en tape als van het eerste incident vastgebonden en vervolgens op intimiderende en dreigende wijze bevraagd over zijn contacten met [Medeverdachte 3] . Het slachtoffer heeft hierdoor fors letsel aan zijn hoofd opgelopen. Het slachtoffer heeft deze feiten als zeer intimiderend, bedreigend en beangstigend ervaren en daarbij zelfs gedacht dat hij dood zou gaan.

Door zich te bemoeien met het privé leven van zijn ex-partner is verdachte tot de bewezen verklaarde feiten gekomen. Met het plegen van die feiten heeft hij niet alleen een forse inbreuk gemaakt op de privacy en de bewegingsvrijheid van de twee slachtoffers maar ook op hun lichamelijke en geestelijke integriteit. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Uit het over verdachte opgestelde reclasseringsadvies van 22 juli 2019 maakt de rechtbank op dat verdachte toegeeft dat hij verkeerde keuzes heeft gemaakt, maar dat hij daarin feitelijk blijft en weinig emotie toont. Hij kan de aanleiding en zijn overwegingen onder woorden brengen, maar de gekozen oplossing is buitenproportioneel en niet passend bij de ervaren frustraties en emoties. De eerder in 2010 vastgestelde LVB-problematiek en dysfasie kan hierbij een rol hebben gespeeld. Omdat het om een gedateerd rapport gaat is het voor de reclassering echter niet mogelijk om dit met zekerheid vast te stellen. Zij acht daarom nader onderzoek naar het emotioneel welzijn, zelfinzicht en oplossingsvaardigheden geïndiceerd. Dit omdat het recidivegevaar als hoog wordt ingeschat. Wanneer daar in de strafmaat ruimte voor is, adviseert de reclassering een deels voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter de deur en het mogelijk maken van bijzondere voorwaarden waaronder reclasseringstoezicht met meldplicht, verdiepingsdiagnostiek, eventuele ambulante behandeling en contactverboden met [Slachtoffer 1] , [Slachtoffer 2] , [Medeverdachte 3] , [Medeverdachte 1] en [Medeverdachte 2] .

De aard en ernst van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten, waarbij hij naar het oordeel van de rechtbank een grotere rol heeft gehad dan de medeverdachten, rechtvaardigen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. Nu de rechtbank verdachte zal vrijspreken van poging tot moord dan wel doodslag en zware mishandeling en daardoor tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, zal zij aan verdachte een lagere gevangenisstraf opleggen dan geëist. Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat voor het bewezen verklaarde oplegging van een gevangenisstraf van drie jaar passend en geboden is. De rechtbank ziet geen meerwaarde in een voorwaardelijk strafdeel. De voorstelde bijzondere voorwaarden kunnen indien gewenst te zijner tijd bij de detentiefasering aan de orde komen. De tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft gezeten zal op de gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

7 De benadeelde partij

7.1

De vordering

De benadeelde partij [Slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 7.030,39 voor feit 1 en 2. Dit bedrag bestaat uit een bedrag van € 1.030,39 voor materiële schade en een bedrag van € 6.000,- voor immateriële schade. De materiele schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    Beschadigde kleding en schoenen € 359,70

  • -

    Oorbel € 10,95

  • -

    Medische kosten € 415,00

  • -

    Weggenomen zaken € 235,00

  • -

    Reiskosten € 9,74

[Slachtoffer 1] vordert daarbij tevens de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedings-maatregel.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie kan het gevorderde bedrag voor de medische kosten en de reiskosten worden toegewezen. Het gevorderde bedrag voor de beschadigde kleding en schoenen en de oorbel moet worden gematigd tot een bedrag van € 200,- omdat de goederen ten tijde van de feiten niet meer nieuw waren. Het gevorderde bedrag voor weggenomen zaken moet volgens haar worden afgewezen omdat er geen bewijs is dat deze zaken zijn weggenomen en verdachte daar ook niet voor is vervolgd.

Het gevorderde bedrag voor de immateriële schade is voldoende onderbouwd en kan worden toegewezen. Voor het totale bedrag van € 6.624,74 kan ook de wettelijke rente worden toegewezen en de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat de betreft de gevorderde materiële schade bestaande uit beschadigde kleding, schoenen en oorbel, alsmede voor de ziekenhuisdaggeldvergoeding en de reiskosten. Voor wat betreft de medische kosten moet de benadeelde partij ten aanzien van het eigen risico niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de opnamedatum niet in de periode van de overgelegde nota valt. Voor de post van weggenomen zaken dient de benadeelde partij ook niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat deze zaken niet door verdachte zijn weggenomen.

Het gevorderde bedrag voor immateriële schade moet worden gematigd. De uitspraak waarnaar is verwezen is niet vergelijkbaar. [Slachtoffer 1] heeft geen psychische schade en geen restletsel. Het meest passend is om bij letselcategorie 2 van het Schadefonds geweldsmisdrijven aan te sluiten en een bedrag hoofdelijk toe te wijzen van € 2.000,-.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank is over de gevorderde materiele schadeposten het volgende van oordeel.

Beschadigde kleding en schoenen + oorbel

Uit de vordering van [Slachtoffer 1] blijkt dat hij de nieuwwaarde van deze goederen heeft gevorderd. De goederen waren ten tijde van de feiten echter niet meer nieuw waardoor er sprake is van afschrijving. De rechtbank zal het gevorderde bedrag dan ook matigen tot een bedrag van € 200,- nu haar dit redelijk en billijk voorkomt.

Medische kosten

Uit de nadere onderbouwing van deze post blijkt dat deze kosten zien op vervoer per ambulance naar het ziekenhuis, de ziekenhuisopname en medische behandelingen naar aanleiding van de feiten van 19 januari 2019. Uit de overgelegde nota van de zorgverzekeringsmaatschappij blijkt echter dat hierop periodes worden genoemd waarin het eigen risico wordt aangesproken waarin de datum van de feiten van 19 januari 2019 niet valt. Onduidelijk is daarom waarvoor het eigen risico in de genoemde periodes op de bijgevoegde nota is gebruikt. De rechtbank is hierdoor van oordeel dat deze post onvoldoende is onderbouwd en de benadeelde partij hiervoor niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Weggenomen zaken

Uit de nadere onderbouwing van de vordering blijkt dat deze post ziet op een weggenomen telefoon ter waarde van € 195,- euro en een geldbedrag van € 40,-. De rechtbank is hierover van oordeel dat niet is vast komen te staan dat deze goederen van [Slachtoffer 1] zijn weggenomen. De benadeelde partij moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard voor deze gevorderde schade.

Reiskosten

De rechtbank stelt vast dat de gevorderde reiskosten niet zijn betwist en het gevorderde bedrag komt haar ook redelijk voor. Zij is daarom van oordeel dat dit bedrag kan worden toegewezen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank over de gevorderde materiële schade van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 209,74 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feiten en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige gevorderde bedrag voor materiële schade zal de rechtbank de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Immateriële schade

De rechtbank is over de gevorderde immateriële schade van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 2.000,- een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en door verdachte erkend. Zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Voor het totaal toegewezen bedrag van € 2.209,74 zal ook de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd en de schadever-goedingsmaatregel worden opgelegd.

8 Het beslag

Onder verdachte is een USB-stick in beslag genomen waarop enkel filmfragmenten staan die zien op de gepleegde feiten. Daaruit blijkt dat de strafbare feiten met behulp van het voorwerp zijn begaan en daarmee vatbaar is voor verbeurdverklaring. De rechtbank zal daartoe dan ook beslissen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36f, 45, 47, 57, 282, 285, 302 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair en subsidiair onder 1 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Meer subsidiair: Poging tot zware mishandeling;

feit 2: Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden;

feit 3: Diefstal, vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, tezamen en in vereniging gepleegd;

feit 4: Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden;

feit 5: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Slachtoffer 1] van € 2.209,74 waarvan € 209,74 ter zake van materiële schade en € 2.000,- ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 19 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag, of een gedeelte daarvan, door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Slachtoffer 1] (feit 1 en 2), € 2.209,74 te betalen en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 19 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 32 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een USB-stick.

Dit vonnis is gewezen door mr. Nomes, voorzitter, mr. Van Voorthuizen en mr. Josten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Jonge, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 19 augustus 2019.

Mr. Josten en mr. De Jonge zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt, tenzij anders vermeld, bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door één of meer daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Wanneer wordt verwezen naar dossierpagina’s betreffen dit de pagina’s van het dossier van de districtsrecherche Zeeland met onderzoeksnummer ZB1R019007 EPERICUS opgemaakt op 24 april 2019 en doorgenummerd van 1 t/m 597. De ter terechtzitting van 5 augustus 2019 afgelegde verklaring van verdachte [Verdachte] .

2 De ter terechtzitting van 5 augustus 2019 afgelegde verklaring van verdachte [Verdachte] .

3 De ter terechtzitting van 5 augustus 2019 afgelegde verklaring van verdachte [Verdachte] .

4 De ter terechtzitting van 5 augustus 2019 afgelegde verklaring van verdachte [Verdachte] .

5 Het proces-verbaal van verhoor van [Medeverdachte 2] van 24 februari 2019, p. 196-198.

6 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 432.

7 Het proces-verbaal van aangifte van [Slachtoffer 2] van 7 februari 2019, p. 435-437.

8 Het proces-verbaal van verhoor van [Medeverdachte 1] van 28 februari 2019, p. 238, 240, 242, 243,

9 Het proces-verbaal van verhoor van [Medeverdachte 2] van 24 februari 2019, p. 199, 200, 202.

10 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [Verdachte] van 10 april 2019, p. 88.

11 De ter terechtzitting van 5 augustus 2019 afgelegde verklaring van verdachte.

12 Het proces-verbaal van verhoor van aangever [Slachtoffer 1] van 25 januari 2019, p. 258.

13 Het proces-verbaal van verhoor van [Medeverdachte 3] van 7 februari 2019, p. 141.

14 Het proces-verbaal van verhoor van aangever [Slachtoffer 1] van 14 februari 2019, p. 267.

15 De ter terechtzitting van 5 augustus 2019 afgelegde verklaring van verdachte.

16 De ter terechtzitting van 5 augustus 2019 afgelegde verklaring van verdachte.

17 Het proces-verbaal van verhoor van aangever [Slachtoffer 1] van 14 februari 2019, p. 267.

18 De ter terechtzitting van 5 augustus 2019 afgelegde verklaring van verdachte.

19 Het proces-verbaal van verhoor van aangever [Slachtoffer 1] van 14 februari 2019, p. 267.

20 De ter terechtzitting van 5 augustus 2019 afgelegde verklaring van verdachte.

21 Het proces-verbaal van verhoor van [Slachtoffer 1] van 22 juli 2019 afgelegd bij de rechter-commissaris.

22 De ter terechtzitting van 5 augustus 2019 afgelegde verklaring van verdachte.

23 Het proces-verbaal van verhoor van [Slachtoffer 1] van 22 juli 2019 afgelegd bij de rechter-commissaris.

24 Het geschrift, zijnde de letselbeschrijving van [Slachtoffer 1] p. 274.