Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:3539

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-07-2019
Datum publicatie
22-04-2020
Zaaknummer
BRE 18_5602 tussenuitspraak
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WABOA tussenuitspraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 18/5602 WABOA T

tussenuitspraak van 25 juli 2019 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eisers sub1] , te [plaats] ,

[eisers sub2] , te [plaats] ,

[eiser sub3] , te [plaats] ,

samen te noemen: eisers,

gemachtigde: mr. J. van Groningen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[vergunninghouder] , te [plaats] ,

gemachtigde: mr. A.I. Cambier.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 3 juli 2018 (bestreden besluit) van het college inzake het verlenen van een omgevingsvergunning aan vergunninghouder.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 22 mei 2019. Eiser [eiser sub3] is verschenen, bijstaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger] . Vergunninghouder is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Op 28 augustus 2017 heeft vergunninghouder bij het college een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor het wijzigen van het gebruik van het perceel [straat1] in [plaats] (perceel) naar een hondentrainingshal met bijbehorende voorzieningen.

Bij besluit van 30 oktober 2017 (primair besluit) heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend. De verleende omgevingsvergunning ziet op de activiteit ‘het afwijken van het bestemmingsplan’. Als bijlage bij het primaire besluit is een activiteitenplan en een reglement voor bezoekers opgenomen. In het activiteitenplan staat welke activiteiten gaan plaatsvinden met daarbij een specificatie in tijd en aantallen. Zo blijkt daaruit dat 15 weekenden per jaar wedstrijden worden georganiseerd van 08.00 uur tot 18.00 uur met maximaal 100 deelnemende honden.

Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Ook hebben zij bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 22 januari 2018 (BRE 17/7797 WABOA VV) heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar gegrond verklaard voor zover het bezwaar is gericht op het ontbreken van een akoestisch onderzoek en het ontbreken van een melding op grond van het Activiteitenbesluit in het kader van milieu. Het college heeft het primaire besluit in stand gelaten en daaraan de volgende aanvullende voorwaarden verbonden:

  • -

    het akoestisch rapport met het kenmerk project nummer P18_28 maakt deel uit van het besluit;

  • -

    tijdens wedstrijden mogen per dagdeel maximaal 50 honden binnen de inrichting (inclusief het buitenterrein) aanwezig zijn;

  • -

    op het buitenterrein mogen, behoudens het parkeren op de daarvoor aangewezen plaatsen, geen activiteiten plaatsvinden;

  • -

    op enig moment dat de loods in gebruik is dienen alle deuren gesloten te worden gehouden;

  • -

    van de data waarop workshops en/of wedstrijden worden gehouden, dient tenminste één week voordat deze plaatsvinden, bij de gemeente een schriftelijke melding te worden ingediend.

Op 2 oktober 2018 heeft vergunninghouder een melding ingediend in het kader van het Activiteitenbesluit.

Het standpunt van eisers

2. Eisers voeren, samengevat, aan dat het college ten onrechte de aangevraagde omgevingsvergunning aan vergunninghouder heeft verleend. Volgens eisers is de wijziging van het gebruik van het perceel naar een hondentrainingshal in strijd met een goede ruimtelijke ordening en leidt de wijziging tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat. Allereerst stellen eisers dat de verkeersveiligheid niet is gewaarborgd. Ook voorziet het plan niet in voldoende parkeergelegenheid. Gelet op onder meer de wedstrijden die worden georganiseerd moet van een hogere parkeernorm worden uitgegaan dan door het college is gehanteerd. Daarnaast ervaren eisers geluidshinder als gevolg van de wijziging van het gebruik. Volgens eisers heeft het college ten onrechte het akoestisch rapport aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Zo komt de representatieve bedrijfssituatie, zoals beschreven in het akoestisch rapport, niet overeen met het activiteitenplan. Ook is ten onrechte bij het onderzoek het muziekgeluid, het stemgeluid en het geluid van dichtslaande portieren buiten beschouwing gelaten en is geen rekening gehouden met de bouwkundige eigenschappen van de trainingshal. Daarnaast wordt in het akoestisch rapport ten onrechte van uitsluitend kleine hondenrassen tot 25 kilogram uitgegaan. Verder wijzen eisers op de overige overlast die zij ervaren als gevolg van de wijziging van het gebruik. Zo worden de deelnemende honden regelmatig niet aangelijnd, worden de honden uitgelaten in openbaar gebied en worden uitwerpselen niet opgeruimd. Mede gezien de ligging van de hondentrainingshal ten opzichte van het dorpsgebied en de nabijgelegen woningen had het college de omgevingsvergunning moeten weigeren. Eisers brengen verder nog naar voren dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de milieuaspecten van de hondentrainingshal. Bovendien voldoet volgens eisers de wijziging van het gebruik niet aan het gemeentelijk beleid en heeft het college onvoldoende rekening gehouden met hun belangen. Tot slot verzoeken eisers om een proceskostenvergoeding.

Wettelijk kader en Beleidsregels

3. Het van toepassing zijnde wettelijk kader en de van toepassing zijnde Beleidsregels zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Belanghebbenden?

4.1

Of eisers belanghebbenden zijn bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor de wijziging van het gebruik moet ambtshalve door de rechtbank worden beoordeeld. Indien eisers namelijk geen belanghebbenden zijn als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet hun beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) volgt het uitgangspunt dat degene die gevolgen van enige betekenis ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon- en leefsituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2018:4081).

4.2

Eisers [eisers sub1] zijn woonachtig aan de [straat2] in [plaats] op een afstand van ongeveer 50 meter van de ontwikkeling en hebben zicht op het perceel. Gelet op deze afstand en het zicht kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesteld dat de gevolgen van de wijziging van het gebruik dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij de omgevingsvergunning ontbreekt. Dit betekent dat eisers [eisers sub1] belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit.

4.3

Eiser [eiser sub3] is woonachtig aan de [straat3] op een afstand van ongeveer 135 meter van de ontwikkeling. Hoewel eiser [eiser sub3] op een wat grotere afstand woonachtig is, heeft hij vanaf zijn woning zicht op het perceel. Daarom kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesteld dat de gevolgen van de wijziging van het gebruik dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij de verleende omgevingsvergunning ontbreekt. Dit betekent dat ook eiser [eiser sub3] als belanghebbende bij het bestreden besluit moet worden aangemerkt.

4.4

Eisers [eisers sub2] zijn gevestigd dan wel woonachtig aan de [straat4] in [plaats] op een afstand van ongeveer 140 meter van het perceel. Als gevolg van tussenliggende bebouwing bestaat geen zicht op het perceel.

Het college heeft in het bestreden besluit overwogen dat deze eisers geen belanghebbenden zijn omdat de [eisers sub2] ten aanzien van de aspecten zicht en geluid niet binnen de invloedsfeer van het perceel is gelegen. Hoewel dit niet blijkt uit het dictum van het bestreden besluit, leidt de rechtbank uit de stukken en de toelichting tijdens de zitting af dat het college met deze overweging heeft bedoeld om het bezwaar van deze eisers niet-ontvankelijk te verklaren.

Eisers hebben tijdens de zitting toegelicht dat zij wel degelijk gevolgen van enige betekenis ervaren als gevolg van de wijziging van het gebruik. Zij hebben daarbij gewezen op een toename van het aantal verkeersbewegingen over de [straat] en de omstandigheid dat deelnemers van de wedstrijden hun honden nabij de [eisers sub2] uitlaten. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze gevolgen mogelijk wel aan de orde zijn, maar zijn deze dermate gering dat een persoonlijk belang bij het bestreden besluit ontbreekt. Dit betekent dat eisers [eisers sub2] geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit. Het college heeft in het bestreden besluit het bezwaar van deze eisers dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Omvang van het geding

5. De rechtbank stelt voorop dat de omvang van het geding is beperkt tot een beoordeling van de aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning. Daarom zal de rechtbank de door eisers naar voren gebrachte gronden met betrekking tot het parkeren buiten het terrein en het in strijd met de vergunningvoorschriften half hebben openstaan van de deuren van de hondentrainingshal buiten beschouwing laten. Evenmin kan de rechtbank ingaan op de stelling van eisers dat de honden in strijd met de regels van de ter plaatse geldende APV niet worden aangelijnd en dat hun uitwerpselen niet worden opgeruimd.

Beoordelingskader

6. Vast staat dat het gebruik van het perceel ten behoeve van een hondentrainingshal met bijbehorende voorzieningen in strijd is met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen “Buitengebied”, “ [plaats] ” en “ [plaats] , 1e herziening”. Zo geldt op grond van de bestemmingsplannen “ [plaats] ” en “ [plaats] , 1e herziening” ter plaatse van de hondentrainingshal en een gedeelte van het parkeerterrein de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” met de subbestemmingen ‘bedrijven tot en met categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten’ en ‘metaalproducten/ metaalconstructie’. Verder geldt op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied” ter plaatse van de hondenuitlaatplaats en het andere gedeelte van het parkeerterrein de bestemming “Beschermde dijk”.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het wijzigen van het gebruik van het perceel naar een hondentrainingshal met bijbehorende voorzieningen worden aangemerkt als het wijzigen van het op grond van de bestemmingsplannen toegestane gebruik. Daarom is het college bevoegd om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), gelezen in samenhang met artikel 4, onderdeel 9, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor), een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan te verlenen. Daarvoor moet wel worden vastgesteld dat de wijzing van het gebruik niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In dat kader mag de wijziging van het gebruik niet leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van eisers. Indien vervolgens de conclusie is dat geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening, kan het gebruik maken van de bevoegdheid van het college om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan te verlenen slechts terughoudend door de rechtbank worden getoetst. Ter beoordeling staat dan de vraag of het college na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Verder acht de rechtbank nog van belang om te vermelden dat wat eisers hebben aangevoerd over het onderdeel milieu niet kan leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. De verleende omgevingsvergunning ziet immers uitsluitend op de activiteit ‘het afwijken van het bestemmingsplan’.

Strijd met een goede ruimtelijke ordening?

7.1

Met betrekking tot het onderdeel verkeer heeft het college toegelicht dat op dit onderdeel geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Volgens het college is sprake van een beperkt verkeersaantrekkende werking, waarbij de verkeersafwikkeling nagenoeg volledig plaatsvindt via de [straat] . Dit betreft een doorgaande ontsluitings-en verbindingsweg met een dusdanige hoge verkeersintensiteit dat het komende en gaande verkeer naar de hondentraningshal hierin onherkenbaar opgaat. Verder is de inrit van het perceel gelegen aan de [straat1] . Dit betreft een plaatselijke ontsluitingsweg voor het aangrenzende buitengebied, met een lage verkeersintensiteit. Daardoor ontstaat volgens het college ook daar geen verkeersonveilige situatie.

In wat eisers hebben aangevoerd ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan deze onderbouwing van het college. Ook wordt met de onderbouwing voldaan aan de voorwaarde dat de verkeersveiligheid moet zijn gewaarborgd, als bedoeld in artikel 2 van de Beleidsregels. Dit betekent dat op het onderdeel verkeer geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening.

7.2

Met betrekking tot het onderdeel parkeren heeft het college aansluiting gezocht bij de CROW-parkeernormen voor een sportschool op grond van de publicatie “Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie”. Daarbij is het college uitgegaan van de parkeernorm van 5,3 parkeerplaats per 100 m² bedrijfsvloeroppervlakte (bvo) geldend voor ‘niet stedelijk’ en ‘rest bebouwde kom’. Op grond van deze parkeernorm en een bvo van de hondentrainings-hal van 880 m² leidt dit tot een minimaal benodigd aantal parkeerplaatsen van 47. Doordat 61 parkeerplaatsen aanwezig zijn bij de hondentrainingshal is volgens het college gewaarborgd dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Dit geldt ook in de worstcase situatie bij wedstrijden, waarbij voor elke aanwezige hond één auto beschikbaar is, en dus ten hoogste 50 auto’s aanwezig zijn. Uitgaande van 61 parkeerplaatsen is 20% aan parkeerplaatsen beschikbaar voor extra bezoekers aan de wedstrijden en eventuele overlap tussen het ochtendgedeelte en het middaggedeelte van de wedstrijden.

Allereerst constateert de rechtbank dat het college terecht aansluiting heeft gezocht bij de parkeernormen van het CROW. In de Beleidsregels is namelijk vastgelegd dat voor de vraag of in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, aansluiting moet worden gezocht bij de meest actuele parkeernormen van het CROW. Het CROW kent geen parkeernormen voor een hondentrainingshal. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende onderbouwd waarom aansluiting is gezocht bij de parkeernormen voor een sportschool. Zo worden bij een sportschool ook groepslessen gehouden, waarbij meerdere personen gelijktijdig aanwezig zijn. Daarnaast kunnen ook bij een sportschool wedstrijden of evenementen worden georganiseerd, waarbij een grote groep personen gelijktijdig aanwezig is. Verder heeft het college kunnen uitgaan van de normen geldend voor ‘niet stedelijk’ en ‘rest bebouwde kom’. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het perceel is gelegen aan de rand van het dorp [plaats] in een overgangsgebied tussen de dorpskern en het buitengebied. Ook heeft het college geen aanleiding hoeven te zien om als gevolg van de wedstrijden een hogere parkeernorm te hanteren. Daarbij acht de rechtbank van belang dat aan de verleende omgevingsvergunning de voorwaarde is verbonden dat tijdens wedstrijden per dagdeel maximaal 50 honden binnen de inrichting (inclusief het buitenterrein) aanwezig mogen zijn. Op grond van deze voorwaarde is het dan ook niet toegestaan om per dagdeel meer dan 50 honden op het perceel aanwezig te hebben. In het geval dat per hond één auto aanwezig is resteren nog 11 parkeerplaatsen voor overige bezoekers en eventuele overlap tussen het ochtend- en middaggedeelte van de wedstrijden. Voor zover eisers hebben gesteld dat minder dan 61 parkeerplaatsen aanwezig zijn door de aanwezigheid van een foodtruck op het parkeerterrein, stelt de rechtbank vast dat aan de verleende omgevingsvergunning de voorwaarde is verbonden dat op het buitenterrein geen activiteiten mogen plaatsvinden, behoudens het parkeren. Overtreding van deze voorwaarde door de aanwezigheid van een foodtruck op het parkeerterrein is een handhavingskwestie waarover de rechtbank zich in het kader van de beoordeling van het onderhavige beroep niet kan uitlaten.

Uit het voorgaande volgt dat ook op het onderdeel parkeren geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening.

7.3.1

Met betrekking tot het onderdeel geluid is van belang dat aan het bestreden besluit het akoestisch rapport van 13 juni 2018 is verbonden.

In het akoestisch rapport is onderzoek gedaan naar het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidsniveau op de woningen van eisers [eisers sub1] aan de [straat2] en eiser [eiser sub3] aan de [straat3] . Daarbij is uitgegaan van de geluidsnormen zoals opgenomen in artikel 2.17a van het Activiteitenbesluit. Dit betekent voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau een norm van 50 dB(A), 45 dB(A) en 40 dB(A) voor de dag-, avond- en nachtperiode. Voor het maximaal geluidsniveau geldt een norm van 50 dB(A), 45 dB(A) en 40 dB(A) voor de dag-, avond- en nachtperiode. Met betrekking tot de geluidshinder als gevolg van directe hinder is in het rapport geconcludeerd dat op de gevels van de woningen ruim wordt voldaan aan de geluidsnormen, waarbij rekening is gehouden met een straffactor van 5 dB voor impulsachtig geluid. Zo is op de achtergevel van de woning van eisers [eisers sub1] een geluidsbelasting van 22,7 dB(A) in de dagperiode en 12,7 dB(A) in de avondperiode berekend. Op de zijgevel van de woning van eiser [eiser sub3] is een geluidsbelasting van 37,9 dB(A) in de dagperiode en 26,2 dB(A) in de avondperiode berekend. Met betrekking tot het maximaal geluidsniveau is in het rapport geconcludeerd dat op de zijgevel van de woning van eisers [eisers sub1] een geluidsbelasting van 37,0 dB(A) zowel in de dagperiode als in de avondperiode is berekend. Op de zijgevel van de woning van eiser [eiser sub3] is een geluidsbelasting van 50,7 dB(A) zowel in de dagperiode als in de avondperiode berekend. Met betrekking tot de indirecte hinder is berekend dat de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet wordt overschreden als gevolg van het verkeer van en naar de inrichting. De hoogte waarde van 44 dB(A) treedt op ter hoogte van de woning van [eisers sub1] .

De conclusie van het akoestisch rapport is dat uit het onderzoek blijkt dat de normwaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximaal geluidsniveau op geen van de toetspunten wordt overschreden. Zelfs wanneer de wedstrijddagen, waarbij in totaal 100 bezoekers met honden de inrichting bezoeken, worden beschouwd als representatieve bedrijfssituatie wordt voldaan aan de normen. Volgens het rapport kan dan ook een goed woon- en leefklimaat worden gewaarborgd.

7.3.2

Eisers stellen dat het akoestisch rapport meerdere gebreken kent en daarom niet aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen worden gelegd. In wat eisers hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de uitgangspunten die aan het akoestisch onderzoek ten grondslag zijn gelegd, behoudens op de volgende drie onderdelen.

Ten eerste is in het akoestisch rapport vermeld dat in de hondentrainingshal trainingen worden georganiseerd en incidenteel workshops en wedstrijden worden georganiseerd. Daarbij is wat betreft het type hondenrassen overwogen dat het over het algemeen gaat om honden tot 25 kilogram, zoals Border Collies, Jack Russels en andere kleinere rassen. Grotere hondenrassen zoals Doggen, Herders en Labradors zijn niet geschikt voor de behendigheidsport. Met betrekking tot het hondengeblaf is in het akoestisch rapport het maximaal geluidsvermogen van een Westy – vergelijkbaar met een Jack Russel – van 100 dB(A) als maximaal bronvermogen wordt aangehouden. Hieruit leidt de rechtbank af dat uitsluitend kleinere hondenrassen als uitgangspunt zijn genomen voor het akoestisch rapport. Uit de door eisers overgelegde foto’s blijkt echter dat ook grotere hondenrassen aan de trainingen, workshops en wedstrijden deelnemen. Tijdens de zitting is dit ook door vergunninghouder bevestigd. Omdat naar het oordeel van de rechtbank op voorhand niet valt uit te sluiten dat, zoals eisers stellen, het geblaf van grotere hondenrassen inderdaad tot een hogere geluidsbelasting leidt, is in het akoestisch rapport ten onrechte geen rekening gehouden met de aanwezigheid van grotere hondenrassen in de trainingshal.

Ten tweede constateert de rechtbank dat de in het akoestisch rapport uiteengezette representatieve bedrijfssituatie op een aantal onderdelen niet overeenkomt met het activiteitenplan dat aan de omgevingsvergunning ten grondslag ligt. Zo vermeldt het activiteitenplan dat trainingen plaatsvinden van maandag tot en met vrijdag van 09.00 tot 22.00 uur met per uur maximaal 4 personen en 4 honden. Het akoestisch rapport gaat er echter van uit dat de trainingen tweemaal per week in de avond plaatsvinden, waarbij privétraining wordt gegeven aan één of twee honden tegelijk. Daarnaast vermeldt het activiteitenplan dat workshops plaatsvinden van 09.00 tot 18.00 uur met een maximaal aantal van 12 personen en 12 honden. In het akoestisch rapport staat echter dat in de maanden maart tot september maandelijks in het weekend workshops voor honden en eigenaren worden georganiseerd, waarbij ten hoogste 20 bezoekers in de dagperiode aanwezig zijn.

Ten derde constateert de rechtbank, in tegenstelling tot wat eisers stellen, dat in het akoestisch rapport wel rekening is gehouden met dichtslaande portieren en de werkelijke geluidsisolatiewaarden van de hondentrainingshal. Zo volgt uit het akoestisch rapport dat de afmetingen van de verschillende geveldelen van de trainingslocatie zijn opgemeten om de geluidsisolatiewaarden te berekenen. Echter is daarbij is voor wat betreft de overheaddeuren als uitgangspunt genomen dat deze bij warm weer voor de helft zijn geopend. De rechtbank stelt vast dat dit uitgangspunt is strijd is met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorwaarde dat op enig moment dat de loods in gebruik is, alle deuren gesloten moeten worden gehouden.

7.3.3

Het voorgaande betekent dat het akoestisch rapport meerdere gebreken kent. Het college had daarom het akoestisch rapport in deze vorm niet aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen. Het bestreden besluit is dan ook onzorgvuldig voorbereid en wat betreft het onderdeel geluid onvoldoende gemotiveerd.

Conclusie

8. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat bestreden besluit lijdt aan een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen, de zogeheten 'bestuurlijke lus'. De rechtbank ziet aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken en zal het college in de gelegenheid stellen om de gebreken te herstellen.

De gebreken kunnen worden hersteld door - bijvoorbeeld - het akoestisch rapport zodanig te laten aanpassen dat het alsnog in overeenstemming is met de juiste uitgangspunten en de juiste representatieve bedrijfssituatie. Ook kan het activiteitenplan worden aangepast. Ten overvloede geeft de rechtbank het college in overweging om een aanvullende voorwaarde aan de omgevingsvergunning te verbinden waarin het aantal per jaar te houden wedstrijden wordt gemaximeerd, nu eisers stellen dat zij met name op die momenten overlast ervaren.

9. De rechtbank zal de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen bepalen op 12 weken. Als het college hiervan geen gebruik wil maken, dan dient het college dit binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen. Als het college wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. Daarna zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting einduitspraak doen.

10. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak. Dat laatste betekent ook dat zij over de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- stelt het college in de gelegenheid om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen binnen 12 weken na verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen in deze tussenuitspraak is overwogen;

- draagt het college op om, als geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, dat binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak aan de rechtbank mee te delen;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M.A. Laheij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Dat kan worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.

Bijlage

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Op grond van artikel 7:1, eerste lid, van de Awb moet alvorens beroep kan worden ingesteld, eerst bezwaar worden gemaakt.

Op grond van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Besluit omgevingsrecht (Bor)

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit c) het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo geldt dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

De hiervoor bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Bor.

Op grond van artikel 2.7 van het Bor worden als categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wabo aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II.

Artikel 4 van bijlage II van het Bor – voor zover hier van belang – bepaalt dat voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking komt:

9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein;

(…).

Bestemmingsplannen

Op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1 van de planvoorschriften van de bestemmingsplannen “ [plaats] ” en “ [plaats] , 1e herziening” zijn de gronden op de kaart aangewezen voor “Bedrijfsdoeleinden” met de subbestemmingen ‘bedrijven tot en met categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten’ en ‘metaalproducten/metaalconstructie’ bestemd voor bedrijven behorende tot ten hoogste categorie 2 van de Staat van bedrijfs-activiteiten alsmede voor het uitoefenen van een bedrijf gericht op vervaardiging van producten van metaal.

Op grond van artikel 8.1 van de planregels van het bestemmingsplan “Buitengebied” zijn de voor “Beschermde dijk” aangewezen gronden onder meer bestemd voor wegen, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, het behoud van dijk en het gebouw en/of herstel van de daarmee samenhangende aanwezige en potentiële landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden.

Beleidsregels

Het college hanteert ter zake van de toepassing van de bevoegdheid om een omgevings-vergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan te verlenen het beleid dat is neergelegd in de “Beleidsregels voor afwijkingen in het kader van de Wabo, 2e herziening” (Beleidsregels).

Op grond van artikel 2 van de Beleidsregels geldt dat voor een aantal aangewezen categorieën van gevallen nader aanvullend beleid is opgesteld. Voor alle gevallen geldt dat:

(…)

3. de verkeersveiligheid is gewaarborgd, in het bijzonder het benodigde uitzicht op hoeken van wegen, afhankelijk van het bepaalde in de Wegenverordening;

4. geen onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bestemmingen en functies plaatsvindt;

(…)

6. de aanvraag om omgevingsvergunning wordt getoetst aan het van toepassing zijnde vastgestelde beleid. Bij strijdigheid met het vastgestelde beleid zal in principe geen medewerking worden verleend. Zijn er specifieke omstandigheden aanwezig die de afwijking rechtvaardigen, dan geldt bij de besluitvorming een zwaardere motiveringseis (bijvoorbeeld een nadere ruimtelijke onderbouwing).

(…).

Op grond van artikel 3, vierde lid, van de Beleidsregels gelden de volgende beleidsregels voor het specifieke geval van het gebruiken van bouwwerk, al dan niet in samenhang met inpandige bouwactiviteit, mits wordt aan voldaan aan de volgende eisen:

  1. binnen de bebouwde kom, en

  2. de oppervlakte niet meer dan 1.500 m² bedraagt,

en mits wordt voldaan aan de voorwaarden:

- de functiewijziging past binnen het van toepassing zijnde gemeentelijk beleid;

(…).

Daarnaast dient in voldoende parkeergelegenheid te worden voorzien. Daarbij dient aansluiting te worden gezocht bij de meest actuele parkeernormen die het CROW hanteert.